Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2019:10844

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-12-2019
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2605 + AWB - 19 _ 199
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot handhaving. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: verweerder) heeft het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen een (par)keerplaats op de Sint Pietersberg in Maastricht afgewezen. De rechtbank heeft op 25 mei 2018 geoordeeld dat het verzoek om handhaving niet afgewezen had mogen worden, omdat de (par)keerplaats in strijd is met het bestemmingsplan. Na de hiervoor genoemde uitspraak is een (tijdelijke) omgevingsvergunning verleend die de (par)keerplaats – zo stelt verweerder – heeft gelegaliseerd. Dit maakt dat verweerder het afwijzen van het verzoek tot handhaving heeft gehandhaafd. De rechtbank oordeelt dat verweerder de omgevingsvergunning voor de (par)keerplaats mocht verlenen, nu een evenwichtige belangenafweging is uitgevoerd, het in dit kader uitgevoerde onderzoek naar de effecten van de (par)keerplaats op natuur en landschap deugdelijk is én het verlenen van de (tijdelijke) omgevingsvergunning voldoende is gemotiveerd. Met het verlenen van de omgevingsvergunning is de (par)keerplaats gelegaliseerd en is verweerder niet meer bevoegd daartegen handhavend op te treden. Verweerder heeft het verzoek tot handhaving terecht afgewezen. De beroepen zijn ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2019/135 met annotatie van Meijden, D. van der
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 18/2605 en AWB 19/199

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2019 in de zaak tussen

Stichting Oostflank Sint Pietersberg, eiseres

(gemachtigde: mr. E.J.M. Rosier),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigden: mr. M.C. van Doornik en mr. M.E.J.M. Vorstermans).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 1] (hierna: de vergunninghouder)

(gemachtigde: mr. J.L. Stoop).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2016 heeft verweerder het verzoek van eiseres om handhavend op te treden afgewezen.

Bij besluit van 14 april 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 14 oktober 2016 niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de flora- en faunaregelgeving en natuurwetgeving en voor het overige ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het besluit van 14 april 2017 beroep ingesteld.

In de uitspraak van 25 mei 2018 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

14 april 2017 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 22 augustus 2018 heeft verweerder aan de vergunninghouder een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een tijdelijk (par)keervlak aan/nabij het perceel [adres].

Bij besluit van 11 september 2018 (hierna: het bestreden besluit I) heeft verweerder het besluit van 14 april 2017 ingetrokken voor zover dit ziet op de (par)keerverharding direct aansluitend aan het perceel [adres], het bezwaar van eiseres met betrekking tot de (par)keerverharding ongegrond verklaard en de eerdere afwijzing van het handhavingsverzoek met betrekking tot deze (par)keerverharding gehandhaafd.

Bij besluit van 3 december 2018 (hierna: het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 22 augustus 2018 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn ingediend op 14 januari 2019.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

Verweerder heeft de stukken ingezonden die betrekking hebben op de zaak en

een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2019. Eiseres is verschenen bij [naam 2] en [naam 3] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De vergunninghouder is – met bericht – niet verschenen. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak om het verzoek tot handhaving dat eiseres heeft gedaan met betrekking tot een (par)keerplaats die grenst aan het perceel aan de [adres] (hierna: het perceel). Verweerder heeft dit verzoek in oktober 2016 afgewezen, omdat – voor zover hier relevant – de aanleg van de (par)keerplaats volgens verweerder niet in strijd is met het bestemmingsplan. In de uitspraak van 25 mei 2018 (ECLI:NL:RBLIM:2018:4858) heeft de rechtbank geoordeeld dat de aanleg van de (par)keerplaats wel in strijd is met het Bestemmingsplan Buitengebied Sint Pietersberg, Jekerdal, Cannerberg (hierna: het bestemmingsplan). Dit betekent dat verweerder het verzoek om handhaving niet had mogen afwijzen, omdat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft verweerder een nieuw besluit genomen, waarin het verzoek tot handhaving nogmaals is afgewezen, omdat (inmiddels) een (tijdelijke) omgevingsvergunning is verleend waarbij het aanleggen van deze parkeerplaats is vergund. Hierdoor is volgens verweerder niet langer sprake van overtreding van het bestemmingsplan, waardoor hij niet bevoegd is handhavend op te treden. Eiseres is het daar niet mee eens, omdat zij vindt dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden. De zwaarstwegende argumenten van eiseres daarvoor zijn dat verweerder het belang van de op de oostflank van de Sint Pietersberg in Maastricht aanwezige natuur- en landschapswaarden onvoldoende heeft meegewogen bij het verlenen van de omgevingsvergunning én dat de omgevingsvergunning niet tijdelijk is.

2. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de (tijdelijke) omgevingsvergunning mocht verlenen én – na het verlenen daarvan – het verzoek tot handhaving terecht heeft afgewezen.

Wat ging aan dit beroep vooraf?

3. Eiseres heeft een verzoek tot handhaving gedaan met betrekking tot de (par)keerplaats die grenst aan het perceel. Zij stelt dat deze (par)keerplaats een ernstige aantasting betekent van de aanwezig natuur- en landschapswaarden van de oostflank van de Sint Pietersberg in Maastricht. Ook vormt de (par)keerplaats een bedreiging voor de in de omgeving voorkomende – beschermde – flora en fauna, aldus eiseres. Eiseres wil dat de aangelegde (par)keerplaats wordt verwijderd, omdat die is aangelegd zonder dat daarvoor een vergunning is verleend, terwijl dit volgens haar wel is vereist.

4. Het verzoek tot handhaving met betrekking tot de (par)keerplaats maakt onderdeel uit van een (meeromvattend) verzoek tot handhaving dat eiseres in april 2016 heeft gedaan vanwege gestelde overtreding van de Natuurbeschermingswet, de Omgevingswet, de Wet Agrarisch Grondverkeer, de Omgevingsverordening Limburg en het bestemmingsplan. Dit verzoek tot handhaving is op 14 oktober 2016 door verweerder afgewezen. Daarnaast heeft verweerder op 22 november 2016 aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een nieuwbouw woning en bijbehorend bouwwerk (een atelier/hobbyruimte) op het perceel. Verweerder heeft de bezwaren van eiseres tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek en het verlenen van de omgevingsvergunning – kort gezegd – ongegrond verklaard in de besluiten van respectievelijk 14 april 2017 en

22 mei 2017. Tegen deze besluiten heeft eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank. In de uitspraak van 25 mei 2018 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 mei 2017 ongegrond verklaard. Wat betreft het beroep tegen het besluit van 14 april 2017 heeft de rechtbank – voor zover hier relevant – (onder 9.) geoordeeld dat de (par)keerplaats in strijd is met het bestemmingplan. Dit betekent dat de (par)keerplaats enkel kan worden aangelegd nadat daarvoor een omgevingsvergunning is verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan. Om die reden heeft verweerder het verzoek tot handhavend optreden wat betreft de (par)keerplaats niet mogen afwijzen.

5. De vergunninghouder heeft een vergunning aangevraagd om de (par)keerplaats te realiseren. Verweerder heeft deze vergunning op 22 augustus 2018 (tijdelijk) verleend voor de duur van tien jaar. Het bezwaar dat eiseres tegen het verlenen van deze vergunning heeft gemaakt, heeft verweerder in het bestreden besluit II ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

6. In het bestreden besluit I handhaaft verweerder – kort gezegd – de afwijzing van het verzoek tot handhaving wat betreft de (par)keerplaats. Door het verlenen van de (tijdelijke) omgevingsvergunning mag de (par)keerplaats namelijk worden aangelegd zonder dat dit (langer) in strijd is met het bestemmingsplan. Dit betekent ook dat niet langer sprake is van een overtreding op grond waarvan verweerder tot handhaving moet overgaan.

7. Eiseres is het niet eens met de bestreden besluiten I en II en heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank bespreekt de aangevoerde gronden hierna inhoudelijk.

8. De rechtbank toetst de bestreden besluiten aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en het bestemmingsplan. De relevante bepalingen zijn opgenomen in een bijlage achter deze uitspraak.

Mocht verweerder de omgevingsvergunning verlenen?

9. De rechtbank beantwoordt als eerste de vraag of verweerder de omgevingsvergunning mocht verlenen. Verweerder heeft zijn standpunt dat het verzoek om handhaving moet worden afgewezen in het bestreden besluit I namelijk gehandhaafd, omdat de tijdelijke omgevingsvergunning in de tussentijd is verleend en daarmee niet langer sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

10. De rechtbank heeft in de – onder 4. genoemde – uitspraak van 25 mei 2018

(onder 9.) overwogen dat “niet is betwist dat de parkeerplaats niet direct aansluit aan agrarische bebouwing. Gelet hierop is de parkeerplaats in strijd met artikel 3.1, onder k. van het bestemmingsplan […] en kan de parkeerplaats enkel worden gerealiseerd na verlening van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.”

De rechtbank stelt vast dat haar oordeel dat de (par)keerplaats in strijd is met het bestemmingsplan, tussen partijen niet ter discussie staat en dat dit voor de vergunninghouder klaarblijkelijk de aanleiding heeft gevormd een omgevingsvergunning aan te vragen.

11. Op 29 mei 2018 – enkele dagen na de onder 4. genoemde uitspraak – heeft de vergunninghouder een tijdelijke omgevingsvergunning aangevraagd ter zake de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Hij vraagt een vergunning aan met een maximumduur van tien jaar. Uit de aanvraag en de daarbij behorende bijlagen blijkt dat de vergunninghouder een (par)keerplaats wil realiseren voor het keren en parkeren van maximaal twee voertuigen ten behoeve van agrarische activiteiten bij het perceel. Deze (par)keerplaats bestaat uit silex (een hard gesteente). Het is mogelijk om de (par)keerplaats terug te brengen naar landbouwgrond door de aangebrachte tien tot vijftien centimeter silex te verwijderen.

12. Bij de aanvraag is een memo van Staro natuur en buitengebied (hierna: Staro) van

18 juni 2018 gevoegd. Uit deze memo blijkt dat de (par)keerplaats binnen het Natura 2000-gebied Sint Pietersberg & Jekerdal ligt en in 2013 is aangelegd bij de woning op het perceel. Natura 2000-gebieden moeten de betrokken natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Staro heeft onderzocht of (het gebruik van) de halfverharding silex binnen het plangebied mogelijk leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Staro concludeert dat de aanwezigheid van de halfverharding ter plaatse van de (par)keerplaats geen effecten heeft op de aangewezen habitattypen van het Natura 2000-gebied, omdat deze niet in of niet in de buurt van het plangebied aanwezig zijn. Evenmin heeft het realiseren en het gebruik van de (par)keerplaats een negatief effect op de doelstellingen en de staat van instandhouding van de habitatsoorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. De soorten waarvoor het Natura 2000-gebied zijn aangewezen: Spaanse vlag, meervleermuis, ingekorven vleermuis en vale vleermuis. Dit zijn allemaal mobiele, vliegende soorten die geen hinder ondervinden van het aanbrengen van de (par)keerplaats. Het gebied is ook aangewezen voor de bever, maar die komt – zo rapporteert Staro – niet voor in de omgeving van het plangebied. Daarnaast concludeert Staro dat het gebruik van de (par)keerplaats geen effect zal hebben op de aangrenzende Goudgroene zone en dat de (par)keerplaats geen negatief effect heeft op beschermde soorten.

13. Bij besluit van 22 augustus 2018 heeft verweerder met toepassing van artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II, van het Bor een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een tijdelijk (par)keervlak op het perceel. Deze omgevingsvergunning geldt voor de duur van tien jaar. Met het verlenen van de omgevingsvergunning voor de realisatie van de (par)keerplaats is niet langer sprake van strijd met het bestemmingsplan, zo stelt verweerder.

Heeft een evenwichtige belangenafweging plaatsgevonden?

14. Eiseres voert aan dat verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning geen evenwichtige belangenafweging heeft uitgevoerd. Er is geen dan wel onvoldoende rekening gehouden met de belangen ten aanzien van natuur- en landschapswaarden. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat verweerder de tijdelijke omgevingsvergunning niet kan verlenen op basis van – zo begrijpt de rechtbank – de memo van Staro, omdat dit rapport ondeugdelijk is. Staro gaat ten onrechte uit van de situatie zoals die nu is, terwijl uitgegaan had moeten worden van de situatie vóór het aanleggen van de (par)keerplaats. Ook is het door Staro verrichte onderzoek ondeugdelijk. Aan het veldonderzoek kan weinig waarde worden toegekend. Dit is namelijk op 28 april 2018 in de ochtend verricht, een moment dat de habitatsoorten die zich in het gebied bevinden – zoals vleermuizen – niet actief zijn. Daarnaast heeft Staro gebruik gemaakt van gedateerde literatuur/waarnemingen en – in ieder geval niet kenbaar – de Beschrijving en Effectrapportage Transformatie

ENCI-gebied (hierna: BER ENCI) bij het verrichte onderzoek betrokken. Uit deze rapportage blijkt dat de Spaanse vlag en diverse soorten vleermuizen voorkomen in of zeer kort nabij dit gebied. Vanwege de aanwezigheid van deze habitatsoorten, had de vergunning niet mogen worden verleend, aldus eiseres. Tot slot wijst eiseres erop dat bij het Projectplan ontheffingaanvraag Wet natuurbescherming sanering voormalig schietterrein Sint Pietersberg (hierna: Projectplan schietterrein Sint Pietersberg) rekening is gehouden met beschermde insecten, planten en dieren en dat niet is te verklaren waarom daarmee nu geen rekening wordt gehouden.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij het verlenen van de omgevingsvergunning een evenwichtige belangenafweging uitgevoerd. Hierbij is ook (voldoende) rekening gehouden met de belangen ten aanzien van natuur- en landschapswaarden. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat hij de omgevingsvergunning pas heeft verleend nadat door Staro onderzoek is gedaan naar de effecten van de (par)keerplaats op natuur en landschap. Het betoog van eiseres dat het rapport van Staro ondeugdelijk is, volgt de rechtbank niet. Staro is namelijk – onbestreden – deskundig ten aanzien van flora en fauna. Eiseres heeft geen door een deskundige opgesteld tegenrapport ingebracht tegenover de door Staro opgestelde memo. Evenmin heeft eiseres de conclusies van Staro (voldoende) gemotiveerd bestreden. Verweerder heeft terecht gesteld dat het doel van het door Staro verrichte onderzoek was om te bepalen of (het gebruik van) de halfverharding binnen het plangebied mogelijk leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Het onderzoek had tot doel de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen die zijn opgenomen in de soortlijsten van de beschermde flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming. Op basis van het onderzoek kon worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de Wet natuurbescherming wordt gehandeld. Tegen deze achtergrond heeft verweerder terecht gesteld dat niet direct van belang was of wordt uitgegaan van de huidige situatie dan wel de eerdere situatie waarin de (par)keerplaats nog niet was aangelegd. Het enige dat beoordeeld moet worden is of de gewenste situatie leidt tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Verweerder heeft zich voorts – onbestreden – op het standpunt gesteld dat het veldonderzoek voornamelijk plaatsvindt om een inschatting te maken van de mogelijke geschiktheid van een plangebied voor een soort en dat daarbij wordt gekeken naar de potentie van het gebied. De soort hoeft niet getroffen te worden om een inschatting te maken van de in het plangebied aanwezige habitattypen en -soorten. Dat uit de BER ENCI blijkt dat in de onmiddellijke omgeving van de (par)keerplaats bosjes zijn aangetroffen die waardevol zijn voor de Spaanse vlag, wil – zoals verweerder terecht stelt – niet zeggen dat de locatie waarop de (par)keerplaats is gerealiseerd zelf ook (automatisch) waardevol is. Dat bij het Projectplan schietterrein Sint Pietersberg rekening is gehouden met beschermde planten, insecten en dieren en dat niet is te verklaren waarom daarmee nu geen rekening wordt gehouden, maakt het voorgaande niet anders. Dit Projectplan ziet namelijk – onbestreden – op een ander plangebied dan het plangebied waarin de (par)keerplaats is gerealiseerd. Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie. Reeds daarom kan het onderzoek dat in deze zaak is verricht niet worden vergeleken met het onderzoek dat in het plangebied voormalig schietterrein Sint Pietersberg is verricht. Dit betekent ook dat de stelling van eiseres dat de onderzoeksmethode die Staro in deze zaak heeft gebruikt, niet deugdelijk is, omdat bij het Projectplan schietterrein Sint Pietersberg een andere onderzoeksmethode is gebruikt, niet slaagt. Tot slot kan aan de door eiseres zelf verrichte waarnemingen van habitattypen en -soorten niet de waarde worden toegekend die zij daaraan gehecht wil zien. Eiseres heeft namelijk – als overwogen – geen deskundigenrapport opgesteld of dat laten doen, zodat de rechtbank uitgaat van het rapport dat door Staro is opgesteld en de daarin beschreven waarnemingen.

Is het verlenen van de (tijdelijke) omgevingsvergunning voldoende gemotiveerd?

16. Eiseres voert aan dat de tijdelijke (par)keerplaats niet nodig is, omdat zich op het perceel voldoende parkeergelegenheid bevindt. Daarnaast is de tijdelijkheid van de (par)keerplaats niet gemotiveerd en valt deze volgens eiseres ook niet te motiveren. Ook voert eiseres aan dat verweerder, indien de omgevingsvergunning al terecht is verleend, slechts voor de duur van vijf jaar verleend had mogen worden, omdat de (par)keerplaats al vijf jaar illegaal aanwezig is. Eiseres voert voorts aan dat de omvang van de (par)keerplaats groter is dan is aangevraagd en in de nadere toelichting is opgenomen.

17. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat hij een beslissing dient te nemen op een aanvraag zoals die wordt ingediend. De vraag of de (par)keerplaats daadwerkelijk nodig is, ligt niet ter beoordeling voor. De stelling van eiseres dat de vergunning niet kan worden verleend, omdat de tijdelijke (par)keerplaats niet nodig is, faalt reeds om die reden. Hetzelfde geldt voor de stelling van eiseres dat de (par)keerplaats niet (enkel) gebruikt wordt ten behoeve van agrarische activiteiten, maar (ook) voor het (par)keren van privévoertuigen van de vergunninghouder. Wat dat betreft heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de vergunning (ook) is verleend voor het gebruik van de verharding voor privévoertuigen voor zover dit gebruik niet ten koste gaat van het gebruik van de verharding voor (par)keerplaats voor agrarische voertuigen. Met andere woorden: de vergunninghouder mag de (par)keerplaats dus ook gebruiken voor het (par)keren van zijn privévoertuigen. Indien eiseres meent dat de (par)keerplaats enkel voor het (par)keren van privévoertuigen van de vergunninghouder wordt gebruikt dan wel dat het gebruik van de verharding voor privévoertuigen ten koste gaat van het gebruik van de verharding als (par)keerplaats voor agrarische voertuigen, kan zij bij verweerder verzoeken ter zake handhavend op te treden. Dat dit het geval is, is de rechtbank niet gebleken. De enkele, niet onderbouwde, stelling van eiseres daartoe is onvoldoende.

18. De stelling van eiseres dat de tijdelijkheid van de (par)keerplaats niet gemotiveerd is en ook niet te motiveren valt, faalt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is voor de toepasbaarheid van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II, van het Bor uitsluitend vereist dat het feitelijk mogelijk én aannemelijk moet zijn dat de vergunde activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3276). Verweerder stelt daarom terecht dat voor de vraag of op grond van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor een vergunning kan worden verleend, niet van belang is of aannemelijk is dat de (par)keerplaats slechts tien jaar nodig is. Van belang is enkel of aannemelijk is dat de (par)keerplaats na tien jaar zonder onomkeerbare gevolgen kan en zal worden verwijderd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in de vergunning is aangegeven dat de (par)keerplaats zonder onomkeerbare gevolgen ongedaan kan worden gemaakt. De aangevraagde semi-verharding bestaat namelijk uit silex en kan relatief eenvoudig worden verwijderd na afloop van de vergunde termijn door de aangebrachte tien tot vijftien centimeter silex te verwijderen.

19. Ook faalt de stelling van eiseres dat de omgevingsvergunning slechts voor de duur van vijf jaar verleend had mogen worden, omdat de (par)keerplaats al vijf jaar illegaal aanwezig is. Uit verschillende uitspraken van de Afdeling blijkt dat de termijn van tien jaar aanvangt bij de eerste verlening van een tijdelijke vergunning voor het strijdige gebruik. De tekst van artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II van het Bor, noch de toelichting bij het elfde lid, biedt aanknopingspunten voor het oordeel dat, indien het strijdige gebruik reeds illegaal bestaat voorafgaand aan de eerste verlening van een tijdelijke vergunning, de termijn van tien jaar is aangevangen op het moment waarop het strijdige gebruik feitelijk is begonnen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1063 en

16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2212). Dat de (par)keerplaats in 2013 is aangelegd, wil dus niet zeggen dat de termijn van tien jaar vanaf dat moment aanvangt. Dit betekent dat verweerder de vergunning terecht voor de duur van tien jaar heeft verleend.

20. Wat betreft het betoog van eiseres dat de omvang van de (par)keerplaats groter is dan in de aanvraag en de nadere toelichting is opgenomen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat de vergunninghouder in de aanvraag heeft vermeld dat de omvang van de (par)keerplaats ongeveer 50 m2 is en dat op de tekening die bij de aanvraag hoort, staat vermeld dat de omvang van de (par)keerplaats ongeveer 100 m2 is. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder een verklaring gegeven voor het feit dat de omvang van de (par)keerplaats in de aanvraag afwijkt van de omvang die op de tekening staat vermeld. Toen de vergunninghouder een omgevingsaanvraag heeft ingediend voor het realiseren van de (par)keerplaats met een omvang van 50 m2, ontstond discussie over deze omvang. Met de vergunninghouder is destijds afgesproken dat hij op de tekening die bij de aanvraag hoort, zou intekenen voor welke locatie hij de realisatie van de (par)keerplaats aanvraagt. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning is uitgegaan van deze tekening. De rechtbank volgt verweerder in deze uitleg nu de tekening deel uitmaakt van de aanvraag en daarmee ook van de vergunning. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de (par)keerplaats niet groter mag zijn dan op de tekening is aangegeven. Indien eiseres meent dat de (par)keerplaats een grotere omvang heeft, kan zij bij verweerder een verzoek om handhaving indienen. Dat de omvang van de (par)keerplaats groter is dan op de tekening is aangegeven, is niet aangevoerd door eiseres, noch is de rechtbank daarvan gebleken. De ter zitting ingenomen stelling van eiseres dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden op grond van artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II, van het Bor, omdat dit artikel een maximumomvang van 50 m2 stelt, treft geen doel. Verweerder heeft zich wat dat betreft ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II, van het Bor geen beperkingen bevat wat betreft de omvang van de (par)keerplaats.

21. De rechtbank concludeert dat verweerder de omgevingsvergunning voor het realiseren van een (tijdelijke) (par)keerplaats mocht verlenen op grond van artikel 4, aanhef en onder 11, van bijlage II van het Bor. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond is.

Heeft verweerder het verzoek tot handhaving terecht afgewezen?

22. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder de omgevingsvergunning voor de (par)keerplaats mocht verlenen, moet zij de vraag beantwoorden of verweerder de afwijzing van het verzoek tot handhaving terecht heeft gehandhaafd in het bestreden besluit I. Aan het handhaven van deze afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat niet langer sprake is van een overtreding (van het bestemmingsplan) vanaf het moment dat de omgevingsvergunning is verleend.

23. Eiseres voert aan dat bij de beoordeling van het verzoek dat zij in april 2016 heeft gedaan om handhavend op te treden, gekeken moet worden naar de situatie zoals die toen was (een zogenaamde ex tunc-beoordeling). De rechtbank heeft in de uitspraak van

25 mei 2018 geoordeeld dat de (par)keerplaats in strijd is met het bestemmingsplan. Dit betekent volgens eiseres dat het verzoek tot handhaving niet afgewezen had mogen worden, er was namelijk op dat moment sprake van overtreding van het bestemmingsplan. Dat naderhand – in augustus 2018 – een omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van de (tijdelijke) (par)keerplaats en dat nu (niet langer) sprake is van een overtreding, maakt dat niet anders.

24. De rechtbank overweegt dat artikel 7:11, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grond daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Het tweede lid van het artikel bepaalt dat voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit herroept en hij voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit neemt. Bij een heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb geldt als uitgangspunt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen.

Bij besluit van 22 augustus 2018 heeft verweerder een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van de (par)keerplaats op het perceel. Ten tijde van het bestreden besluit I van 11 september 2018 is de (par)keerplaats daarom gelegaliseerd en is verweerder niet meer bevoegd daartegen handhavend op te treden. De verleende omgevingsvergunning geeft aanleiding het besluit van verweerder van 14 oktober 2016 om het verzoek tot handhaving af te wijzen, te handhaven. De rechtbank vindt voor haar oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:960).

25. De rechtbank concludeert dat verweerder de afwijzing van het verzoek tot handhaving in het bestreden besluit I terecht heeft gehandhaafd, nu de (par)keerplaats door het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegaliseerd. Daarmee is niet langer sprake van een overtreding van het bestemmingsplan op grond waarvan verweerder in beginsel tot handhavend optreden moet overgaan. Dit betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit I eveneens ongegrond is.

Conclusie.

26. De rechtbank verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond.

27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.W.J. Reuvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

6 december 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 6 december 2019

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…).

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…):

(…)

2⁰ in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, (…).

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.7

Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2⁰, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2⁰, (…) van het bestemmingsplan (…) wordt afgeweken, komen in aanmerking:

(…)

11. ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Bestemmingsplan Buitengebied Sint Pietersberg, Jekerdal, Cannerberg

Artikel 3.1

De voor “Agrarisch met waarden” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

(…)

tuinen, erven en verhardingen, uitsluitend direct aansluitend aan de agrarische bebouwing; (…).