Rechtbank Leeuwarden
Sector civiel recht
afdeling handelsrecht
Uitspraak: 7 december 2005
Zaak-/Rolnummer: 67739 / HA ZA 04-1122
VONNIS
van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van:
de naamloze vennootschap
AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eiseres,
procureur: mr. V.M.J. Both,
advocaat: mr. C. Fledderus te 's-Gravenhage,
tegen
de publieke rechtspersoon
GEMEENTE OOSTSTELLINGWERF,
zetelend te Oosterwolde,
gedaagde,
procureur: mr. J.V. van Ophem,
advocaat: mr. C.J-A. van Roon-Seinen te 's-Gravenhage.
PROCESGANG
De zaak is bij dagvaarding van 14 december 2004 aanhangig gemaakt. In de procedure zijn vervolgens de volgende processtukken gewisseld:
- conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde (verder: Ooststellingwerf);
- conclusie van repliek van de zijde van eiseres (verder: Aegon);
- conclusie van dupliek van de zijde van Ooststellingwerf;
Aegon heeft producties overgelegd. Ten slotte is door partijen vonnis gevraagd.
RECHTSOVERWEGINGEN
1. De vordering
De vordering van Aegon strekt er toe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
Ooststellingwerf veroordeelt om aan Aegon tegen kwijting te betalen een bedrag van
€ 2268,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 1999 danwel vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 19.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2002 danwel vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 735,13, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2000 danwel vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 22.051,87 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 maart 2001 danwel vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 662,00, met veroordeling van Ooststellingwerf in de kosten van het geding.
Ooststellingwerf heeft tegen de vordering verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de vordering en tot veroordeling van Aegon in de kosten van het geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
2. Vaststaande feiten
Tussen partijen staat als gesteld en niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van de niet-betwiste inhoud van de overgelegde producties onder meer het volgende vast:
2.1. Op maandag 3 mei 1999, omstreeks 07.30 uur, heeft op de openbare weg de Toogwijk te Appelscha, gemeente Ooststellingwerf, een eenzijdig ongeval plaatsgevonden, in die zin dat een inzittende van een autobus van Prak Tours -mevrouw [naam slachtoffer]- gewond is geraakt toen de autobus over een verkeersdrempel reed. Bij het rijden over de verkeersdrempel is [naam slachtoffer] van haar zitplaats losgekomen en is zij bij het terugvallen gewond geraakt. De autobus reed ten tijde van het ongeval Appelscha uit in de richting van Ravenswoud.
2.2. Voormelde verkeersdrempel is gelegen binnen de bebouwde kom van Appelscha, vlak voor de kruising met de Nieuwe Vaart, en is daar in 1991 geplaatst. De ter plaatse geldende maximumsnelheid is 50 km/uur. De verkeersdrempel wordt -gezien vanuit de rijrichting van de bus ten tijde van het ongeval- aangeduid door een geel waarschuwingsbord met daarop de tekst 'Let op. Drempels'. Vanuit de tegengestelde rijrichting gezien wordt de verkeersdrempel geflankeerd door rood-witte waarschuwingshekken. De kleurstelling van de verkeersdrempel was ten tijde van het ongeval niet opvallend te noemen, terwijl de op de drempel aanwezige markering toentertijd enigszins versleten was.
2.3. Ooststellingwerf heeft de verkeersdrempel enige tijd na het ongeval laten reconstrueren.
2.4. [naam slachtoffer] heeft de bestuurster van de autobus -[naam bestuurder]- aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. Prak Tours en [naam bestuurder] waren ten tijde van het ongeval tegen aansprakelijkheid krachtens de WAM verzekerd bij Aegon.
2.5. In een mutatierapport d.d. 4 mei 1999 heeft verbalisant Strijk van het politieteam Ooststellingwerf onder meer het volgende vermeld:
'N.a.v. de ontvangen fax van [naam bestuurder] een onderzoekje ingesteld op de plaats des onheils. Blijkt te gaan om de verkeersdrempel in de Toogwijk, vlak voor de kruising met de Nieuwe Vaart. Komende vanuit Appelscha is het gele bord met aanduiding/waarschuwing verkeersdrempel een kwart slag verdraaid en dus niet zichtbaar voor het verkeer. De drempel zelf is qua kleurstelling niet echt opvallend en het is dan ook in mijn ogen niet verwonderlijk dat iemand, die hier niet bekend is, iets te vlot over de drempel heen gaat.
(…)
Het bord staat inmiddels weer zoals het hoort te staan.'
In een aanvullend proces-verbaal d.d. 28 maart 2000 heeft verbalisant Walinga van het politieteam Ooststellingwerf onder meer verklaard:
'Naar aanleiding van vorenstaande heb ik ook een onderzoek ingesteld. In het ASVV van het CROW te Ede zijn situaties omschreven, waaraan een drempel moet voldoen. Deze drempel werd op het moment van het feit, niet aangeduid middels een bord. Deze was een kwart slag gedraaid. Collega Strijk memoreerde dat ook in zijn mutatie. Tevens was de markering op de drempel niet op de juiste wijze aanwezig, in ieder geval niet duidelijk zichtbaar. Voor personen, die ter plaatse niet bekend waren, was de situatie erg gevaarlijk. De gemeente is daarop op de hoogte gebracht van deze gevaarlijke situatie en heeft naar aanleiding daarvan de noodzakelijke maatregelen genomen.'
2.6. Aegon heeft Schadeburo O & O Nederland opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen naar de uitvoering, markering en herkenbaarheid van de betreffende verkeersdrempel. O & O heeft op 27 april 2000 een rapport dienaangaande uitgebracht, welk rapport onder meer de volgende passages bevat:
'Mevrouw [naam bestuurder] deelde ons verder mee dat zij korte tijd later vanuit Ravenswoud dezelfde weg terugreed richting Appelscha. (…) Zij zag dat voor de kruising Meester Lokstraat - Toogwei - Nieuwe Vaart een bord was geplaatst die een verkeersdrempel aanduidde. Het ging daarbij om onderhavige drempel. Mevrouw [naam bestuurder] is gestopt en heeft de situatie op foto vastgelegd. Zij stelde daarbij vast dat de drempel voor wat betreft de kleurstelling niet als verkeersdrempel herkenbaar was. (…) Het bord bleek 90 graden te zijn verdraaid, waarbij de tekst naar het weiland was gericht.
(…)
Met betrekking tot de voorliggende vraagstelling dient naar ons oordeel het volgende te worden opgemerkt:
a) In publicatie nummer 7 van de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderhoud in Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (verder te noemen 'CROW') wordt ingegaan op vragen als 'Wanneer drempels toepassen?', 'Welke drempel toepassen?', 'Waar drempels toepassen?', alsook op 'De uitvoering en constructie van drempels'. Deze uitgave van de CROW dient als richtlijn voor wegbeheerders.
In het hoofdstuk 'De uitvoering en constructie van drempels' wordt o.a. ingegaan op de markering van de drempels. De markering dient te bestaan uit een patroon met witte bovenrand en witte en zwarte betonstraatstenen op een grijze of rode betonstraatstenen ondergrond (zie de foto's 4 t/m 7). Hierdoor ontstaat een uniforme herkenbaarheid. De drempels met de hierboven beschreven oprijmarkering kondigen zich op voldoende afstand aan en een afzonderlijke vooraanduiding is dan niet noodzakelijk.
b) Wij hebben de van mevrouw [naam bestuurder] ontvangen foto's bestudeerd. Het platvorm is ogenschijnlijk korter dan de daarvoor geldende voorschriften aangeven, terwijl de drempelopritten niet van de voorgeschreven markeringen zijn voorzien. Bovendien doen de betreffende foto's ons vermoeden dat de drempel geen trapeziumvorm maar een sinusvorm had (die niet geschikt is voor onderhavig snelheidsniveau). Tevens bleek de vooraanduiding te zijn weggedraaid (zie foto 3).
c) Ook uit het onderzoek van de heer Wallinga is gebleken dat de verkeersdrempel in de Toogwijk (gezien in de richting Ravenswoud) niet voldeed aan de richtlijnen van de CROW met betrekking tot de markering en vooraanduiding.
d) Uit onderzoek op 14/01/2000 is ons gebleken dat de verkeersdrempel inmiddels zodanig is veranderd dat deze nu wel aan de richtlijnen van de CROW voldoet.
CONCLUSIES
Op grond van hetgeen hiervoor is genoemd, dient naar ons oordeel te worden geconcludeerd dat op 03/05/1999 de verkeersdrempel in de Toogwijk te Appelscha met betrekking tot de uitvoering/constructie, de vooraanduiding en de markering niet voldeed aan de daaromtrent gestelde eisen.'
2.7. Aegon en [naam slachtoffer] hebben op 10 juni 2002 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij de schade is vastgesteld op een bedrag van € 21.768,90, strekkende ter volledige en definitieve vergoeding van alle door [naam slachtoffer] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en gemaakte kosten. Aegon heeft in dat kader een voorschot ad € 2268,90 en een slotuitkering van € 19.500,- aan [naam slachtoffer] uitgekeerd.
2.8. Prak Tours is door IZA, de ziektekostenverzekeraar van [naam slachtoffer], op grond van artikel 2 lid 4 Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren aansprakelijk gesteld voor de door IZA ten gevolge van het ongeval vergoede ziektekosten ad € 22.787,-. Aegon heeft dit bedrag vervolgens aan IZA uitgekeerd.
3. Het standpunt van Aegon
3.1. Aegon is van mening dat zij -naast artikel 6:162 BW- haar vordering kan baseren op artikel 6:174 BW. Artikel 6:197 BW sluit weliswaar uit dat de verzekeraar in de rechten treedt die het verzekerde slachtoffer op grond van onder meer artikel 6:174 BW heeft, maar Aegon is niet de verzekeraar van [naam slachtoffer], doch van Prak Tours en haar chauffeuse. Artikel 6:197 BW moet aldus worden uitgelegd dat indien het slachtoffer schadeloos is gesteld door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de dader, deze verzekeraar in de verhaalsrechten treedt van zijn verzekerde op een mogelijk eveneens aansprakelijke mededader.
3.2. De Toogwijk te Appelscha, althans de aldaar aanwezige verkeersdrempel, was ten tijde van het onderhavige ongeval gebrekkig in de zin van artikel 6:174 BW respectievelijk artikel 6:162 BW. Hierdoor is Ooststellingwerf tekortgeschoten is in haar verplichtingen als wegbeheerder dan wel is door haar onrechtmatig gehandeld, op grond waarvan Ooststellingwerf (hoofdelijk) aansprakelijk is jegens [naam slachtoffer] voor de door laatstgenoemde geleden schade. Ooststellingwerf is -als hoofdelijk aansprakelijke jegens [naam slachtoffer]- in de onderlinge verhouding met Aegon volledig draagplichtig, zodat Aegon gerechtigd is de schade ingevolge artikel 6:10 jo. 6:101 jo. 6:102 BW op Ooststellingwerf te verhalen.
3.3. Aegon wijst erop dat bij het plaatsen van een fysiek obstakel de wegbeheerder ervoor dient te zorgen dat de veiligheid van personen en zaken ondanks het plaatsen van het obstakel voldoende gewaarborgd is. Met het plaatsen en instandhouden van de onderhavige verkeersdrempel heeft Ooststellingwerf echter een situatie in het leven geroepen die -ook voor weggebruikers die de normale oplettendheid en voorzichtigheid in acht nemen- gevaarlijk is. Het daarmee gepaard gaande risico op het ontstaan van schade heeft zich in de vorm van het ongeval verwezenlijkt. Met betrekking tot de gebrekkigheid van de onderhavige verkeersdrempel stelt Aegon dat:
a) deze onvoldoende zichtbaar was op de openbare weg, daar waar de verkeersdeelnemers de bebouwde kom verlaten en van een snelheid van 50 km/uur naar 80 km/uur kunnen gaan. Er ontbrak namelijk afdoende ter waarschuwing dienende markering op de verkeersdrempel, hetgeen gevaarscheppend is. Ook was de verkeersdrempel qua kleurstelling onvoldoende opvallend.
b) de verkeersdrempel niet zodanig was ontworpen dat het gevaar voor de weggebruikers die uit de bebouwde kom komen aanstonds duidelijk zou moeten zijn. Het ontwerp was ongeschikt voor het toegestane snelheidsniveau ter plaatse. Ook was de drempel korter dan de daarvoor geldende voorschriften voorschrijven.
c) het verkeersbord dat waarschuwde voor de verkeersdrempel -blijkens de verklaring van diverse getuigen- ten tijde van het ongeval een kwartslag gedraaid was en om die reden niet zichtbaar was voor weggebruikers. Bovendien kan een (zichtbaar) waarschuwingsbord slechts naast het aanbrengen van markering op een verkeersdrempel voldoende effect hebben. Nu het niet bezwaarlijk was om op de verkeersdrempel zelf voldoende markering te plaatsen, hetgeen Ooststellingwerf heeft nagelaten, moet worden geconcludeerd dat ondanks het plaatsen van een waarschuwingsbord onvoldoende is gewaarschuwd door Ooststellingwerf.
3.4. Aegon stelt voorts dat van eigen schuld geen sprake kan zijn aangezien de chauffeuse van de autobus niet kan worden aangemerkt als benadeelde, hetgeen als vereiste geldt voor de toepassing van artikel 6:101 BW. Bovendien heeft Ooststellingwerf onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit van schuld van de chauffeuse blijkt. De chauffeuse heeft de ter plaatse geldende maximumsnelheid ook niet overtreden; zij reed met de nodige voorzichtigheid en behoefde ter plaatse niet bedacht te zijn op de aanwezigheid van een verkeersdrempel.
3.5. De door IZA vergoede medische kosten zijn in voldoende mate gespecificeerd door middel van nota's, waaruit het verband met het ongeval blijkt.
4. Het standpunt van Ooststellingwerf
4.1. Ooststellingwerf stelt dat de vordering van Aegon slechts kan worden gebaseerd op artikel 6:162 BW en niet op artikel 6:174 BW. Op grond van artikel 6:197 BW treden verzekeraars niet in de rechten die hun verzekerden op grond van artikel 6:174 BW hebben. Dit is slechts anders voor zover de uitkering door de verzekeraar de aansprakelijkheid van de verzekerde betreft en een ander krachtens deze artikelen mede aansprakelijk was. Indien Aegon vasthoudt aan de toepasselijkheid van artikel 6:197 lid 2 sub a BW erkent zij dat haar verzekerde mede aansprakelijk is voor het ongeval. In dat geval verzet Ooststellingwerf zich niet tegen toepasselijkheid van vorenbedoelde uitzondering.
4.2. De onderhavige verkeersdrempel valt niet als gebrekkig te kwalificeren. Ooststellingwerf betwist dat een verkeersdrempel altijd moet zijn voorzien van zowel markering als bebording. De CROW-richtlijnen zien markering en andere visuele maatregelen slechts als 'combinatiemogelijkheden'. De CROW-richtlijnen zijn bovendien geen dwingende voorschriften, maar algemene aanbevelingen. Het gaat ten deze slechts om de vraag of Ooststellingwerf het verkeer op de Toogwijk, mede gelet op de locatie van de verkeersdrempel, voldoende op de aanwezigheid van de verkeersdrempel heeft geattendeerd. Dienaangaande merkt Ooststellingwerf op dat de verkeersdrempel werd aangekondigd door een waarschuwingsbord en aan beide zijden geflankeerd werd door rood-witte waarschuwingshekken. Voorts was de markering op de verkeersdrempel, hoewel enigszins versleten, nog wel zichtbaar. In rurale gebieden is het overigens gewoon om bij het betreden van de bebouwde kom verkeersdrempels te plaatsen, teneinde het verkeer tot aanpassing van de snelheid te dwingen.
4.3. De Toogwijk en het waarschuwingsbord zijn een dag voor het ongeval nog geschouwd door een opzichter van Ooststellingwerf. De opzichter heeft toen waargenomen dat het waarschuwingsbord op de juiste wijze was geplaatst. Ooststellingwerf plaatst daarom haar vraagtekens bij de door Aegon overgelegde foto waarop het waarschuwingsbord een kwart slag gedraaid afgebeeld staat. In ieder geval heeft Ooststellingwerf door het uitvoeren van de schouw aan haar zorgplicht met betrekking tot het verkeersbord voldaan.
4.4. Volgens Ooststellingwerf is het ongeval geheel te wijten aan het feit dat de chauffeuse haar weggedrag onvoldoende heeft aangepast aan de verkeerssituatie. Daarnaast doet Ooststellingwerf, subsidiair, een beroep op eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. Ter onderbouwing van het vorenstaande wijst Ooststellingwerf erop dat gezien de kracht waarmee [naam slachtoffer] uit haar stoel is gelanceerd het aannemelijk is dat de chauffeuse de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/uur heeft overschreden. Dit vermoeden wordt bevestigd door het feit dat Aegon weigert om de tachograafschijf van de touringcar door Ooststellingwerf te laten onderzoeken alsmede het feit dat Aegon de geclaimde schade geheel heeft vergoed.
4.5. Aegon heeft het volledige door IZA geclaimde bedrag uitgekeerd. Zonder nadere toelichting van de in dat kader door IZA opgevoerde posten kan Ooststellingwerf zich echter niet vinden in een volledige vergoeding van het aan IZA uitgekeerde bedrag. Ooststellingwerf heeft geen inzicht in de aard en ernst van het letsel van [naam slachtoffer]. Het grote aantal gedeclareerde onderzoeken doet vermoeden dat het daarbij niet alleen om de gevolgen van het ongeval gaat.
5. Beoordeling van het geschil
Het wettelijk kader
5.1. Aegon baseert haar vordering primair op artikel 6:174 BW. Op grond van dit wetsartikel is de wegbeheerder indien een openbare weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling (van het BW) zou hebben ontbroken indien hij het gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.
5.2. Artikel 6:197 lid 2 sub a BW verhindert dat de rechten van de gelaedeerde uit (onder meer) artikel 6:174 BW krachtens subrogatie ex artikel 284 WvK overgaan op zijn eigen schadeverzekeraar. Is de gelaedeerde evenwel schadeloos gesteld door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de dader, dan treedt deze verzekeraar nochtans wel in de verhaalsrechten van zijn eigen verzekerde op een mogelijk eveneens aansprakelijke mededader. Deze uitzondering heeft als achtergrond dat het in de onderlinge verhouding tussen de medeschuldenaren en de aansprakelijkheidsverzekeraar(s) materieel geen verschil mag maken wie door de gelaedeerde als eerste tot schadevergoeding wordt aangesproken (zie NvW, Parl.Gesch. InvW boek 6 BW, pagina 1407). In het onderhavige geval heeft Aegon als aansprakelijkheidsverzekeraar van Prak Tours en [naam bestuurder] [naam slachtoffer] schadeloos gesteld. Dit brengt gezien het vorenstaande mee dat zij wèl in de verhaalsrechten van haar verzekerden Prak Tours en [naam bestuurder] ex artikel 6:174 BW is getreden. Aangezien laatstgenoemd artikel als een lex specialis ten opzichte van de lex generalis 6:162 BW moet worden beschouwd, zal de rechtbank eerst beoordelen of Ooststellingwerf krachtens artikel 6:174 BW aansprakelijk is.
De gebrekkigheid van de verkeersdrempel
5.3. Bij de beantwoording van de vraag of een wegbeheerder aansprakelijk is voor de gevolgen van een ongeval dat te wijten is aan een bepaalde verkeerssituatie moet op de voet van artikel 6:174 BW worden bezien of de betreffende weg voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Aldus komt (in de meeste gevallen) de nadruk te liggen op de vraag of de weggebruiker de bewuste verkeerssituatie had moeten verwachten of op de vraag of door een bepaalde verkeerssituatie een groter gevaar in het leven is geroepen dan dat waarop een normale weggebruiker bedacht moet zijn. Bij de beantwoording van die vraag moet volgens de Parlementaire Geschiedenis op artikel 6:174 BW aansluiting worden gezocht bij de criteria van het Kelderluik-arrest (HR 5 november 1965, NJ 1966,136). Blijkens dit arrest moet aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordeeld worden 'of en in hoever aan iemand die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis gesteld kan worden dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt'. Uitgangspunt is dat een wegbeheerder de bij hem in beheer zijnde wegen zodanig moet inrichten dat het verkeer waarvoor de weg opengesteld is, daarvan zonder gevaar gebruik kan maken, waarbij de normale weggebruiker de maatstaf vormt.
Voorts geldt dat indien een wegbeheerder ter fysieke ondersteuning van verkeersmaatregelen een weg zo inricht dat zij zonder beveiligingsmaatregelen gevaar voor personen of zaken oplevert, zij de veiligheid door deugdelijke waarschuwingen behoort te waarborgen (vgl. HR 20 maart 1992, VR 1992, 113).
Kort samengevat komt het vorenstaande erop neer dat een afweging moet worden gemaakt tussen de vraag of een wegbeheerder ter beveiliging van een bepaalde situatie maatregelen moest nemen (en zo ja, welke) enerzijds en de vraag of deze situatie eenvoudigweg geen waarschuwing behoefde, omdat de wegbeheerder er vanuit mocht gaan dat weggebruikers (het gevaar van) die verkeerssituatie zelf zouden overzien anderzijds.
5.4. Naar het oordeel van de rechtbank dient, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, met betrekking tot de onderhavige verkeersdrempel de vraag te worden beantwoord of het verkeer ter plaatse op voldoende wijze -mede in aanmerking genomen de locatie van de drempel- op de aanwezigheid van de verkeersdrempel werd geattendeerd om te voorkomen dat de drempel voor weggebruikers een gevaarssituatie teweegbracht.
5.4.1. Aegon heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde gebrekkigheid van de verkeersdrempel verwezen naar de CROW-richtlijnen die als richtlijn voor de inrichting van wegen door wegbeheerders dienen. De rechtbank is van oordeel dat deze richtlijnen zeker gewicht in de schaal dienen te leggen bij de beantwoording van de onder overweging 5.4. geformuleerde vraagstelling, doch zij kent aan de CROW-richtlijnen geen absolute betekenis toe in dier voege dat als een verkeerssituatie niet (geheel) aan deze richtlijnen voldoet de conclusie moet zijn dat er onvoldoende veiligheidsmaatregelen door de wegbeheerder zijn getroffen. Naast deze richtlijnen zijn naar het oordeel van de rechtbank namelijk ook (andere) factoren van belang, zoals het te verwachten gedrag van verkeersdeelnemers, de verkeersomstandigheden ter plaatse en de aard en frequentie van het passerende verkeer.
5.4.2. De onderhavige verkeersdrempel wordt blijkens de door Aegon bij de dagvaarding in het geding gebrachte foto's aan weerszijden geflankeerd door twee hekken. Deze hekken zijn echter slechts in één rijrichting voorzien van een rood-witte waarschuwingsmarkering, namelijk in de tegengestelde rijrichting ten opzichte van die waarvandaan de autobus ten tijde van het ongeval kwam. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de uit de gedingstukken blijkende verklaringen (en foto's) van chauffeuse [naam bestuurder] en de verbalisanten Strijk en Walinga, in voldoende mate komen vast te staan dat de onderhavige verkeersdrempel ten tijde van het ongeval een enigszins versleten markering had en dat de kleurstelling van de drempel destijds onvoldoende opvallend was. Daarnaast is op grond van voormelde verklaringen en de overgelegde foto's eveneens voldoende komen vast te staan dat het waarschuwingsbord met de tekst 'Let op. Drempels' ten tijde van het ongeval een kwart slag gedraaid was, waardoor (de tekst van) dit waarschuwingsbord niet zichtbaar was voor de chauffeuse van de autobus. Aan dit laatste kan de door een opzichter van Ooststellingwerf een dag voor het ongeval nog uitgevoerde schouw, waarbij is geconstateerd dat het waarschuwingsbord op de juiste wijze geplaatst was, niet afdoen. De omstandigheid dat een dag voor het ongeval het waarschuwingsbord nog wel juist geplaatst was, betekent niet dat die situatie een dag later -door welke oorzaak dan ook- niet anders kan zijn geweest. Als wegbeheerder is Ooststellingwerf ervoor verantwoordelijk dat het waarschuwingsbord op een juiste wijze geplaatst is én blijft. Zij heeft terzake van het draaien van het waarschuwingsbord ook geen beroep op overmacht gedaan.
5.4.3. In onderling verband en samenhang beschouwd brengen de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden de rechtbank tot het oordeel dat ten tijde van het ongeval het verkeer op de Toogwijk onvoldoende op de aanwezigheid van de verkeersdrempel werd geattendeerd om te voorkomen dat deze verkeersdrempel gevaar voor de weggebruikers teweegbracht. Dit betekent dat de Toogwijk c.q. de daar aanwezige verkeersdrempel ten tijde van het ongeval niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen en daardoor gevaar voor personen c.q. zaken opleverde. Dit gevaar heeft zich verwezenlijkt door het aan [naam slachtoffer] overkomen ongeval. Ooststellingwerf is gezien vorenstaande aansprakelijk voor de als gevolg van de gebrekkige toestand van de verkeersdrempel ontstane schade en is uit dien hoofde vergoedingsplichtig jegens Aegon. Geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die toepassing van de 'tenzij-clausule' aan het slot van het eerste lid van artikel 6:174 BW rechtvaardigen.
Het (eigen) schuldverweer
5.5. Ooststellingwerf heeft in dit verband primair aangevoerd dat het ongeval geheel te wijten is aan het feit dat de chauffeuse van de autobus haar weggedrag onvoldoende heeft aangepast aan de verkeerssituatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Ooststellingwerf evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die deze stelling ondersteunen. Ooststellingwerf heeft slechts enkele vermoedens geuit, die zij onvoldoende heeft onderbouwd en die door Aegon bovendien gemotiveerd zijn bestreden. Het primaire schuldverweer van Ooststellingwerf faalt dan ook.
Het subsidiaire beroep op artikel 6:101 BW stuit hierop af dat de chauffeuse van de bus noch Prak Tours als benadeelde in de zin van dit artikel kunnen worden aangemerkt.
Hoogte van de schade
5.6. Ooststellingwerf heeft de in het petitum gevorderde schadevergoeding niet betwist voor zover het gaat om de aldaar genoemde bedragen ad € 2268,90 en € 19.500,-. Deze bedragen zijn dan ook toewijsbaar, en wel bij het in dit geding te wijzen eindvonnis. Wel heeft Ooststellingwerf verweer gevoerd tegen de in het petitum genoemde bedragen van € 735,13 en € 22.051,87 -zijnde de door IZA geclaimde bedragen aan door haar vergoede ziektekosten- en om een nadere toelichting zijdens Aegon op deze bedragen gevraagd. De rechtbank is met Ooststellingwerf van oordeel dat een nadere toelichting op de geclaimde bedragen aan ziektekosten geboden is, met name omdat de toelichting op de verrichte medische handelingen op de ziektekostendeclaraties summier is.
Aegon dient dan ook een nadere onderbouwing van de gevorderde ziektekosten in het geding te brengen, waarbij zij per declaratie aangeeft wat het verband is tussen de aldaar genoemde kosten en het aan [naam slachtoffer] overkomen ongeval, en of zij telkens het gehele declaratiebedrag van Ooststellingwerf vordert. Dat laatste is met name van belang, aangezien er geen afzonderlijk overzicht is overgelegd van de deelposten waaruit dit onderdeel van de vordering bestaat, en omdat op de overgelegde declaraties zo nu en dan de naam van de heer [naam slachtoffer] voorkomt, dit terwijl partijen in de gedingstukken mevrouw [naam slachtoffer] als slachtoffer van het ongeval noemen. Over de positie van de heer [naam slachtoffer] in deze zaak dient Aegon derhalve eveneens een verduidelijking te geven.
Buitengerechtelijke kosten
5.7. Aegon heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en ter zake daarvan een bedrag gevorderd. Aegon heeft die kosten ook gespecificeerd, doch daaruit valt niet af te leiden dat de gestelde verrichtingen meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De rechtbank zal de betreffende vordering dan ook afwijzen.
Conclusie
5.8. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de hierna te noemen rolzitting voor het nemen van een akte aan de zijde van Aegon, opdat zij zich kan uitlaten als hiervoor sub 5.6. bedoeld, waarna Ooststellingwerf vervolgens bij antwoord-akte kan reageren.
5.9. Omtrent de rentevordering van Aegon zal bij het in dit geding te wijzen eindvonnis worden beslist.
5.10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
BESLISSING
De rechtbank:
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 4 januari 2006 te 10:00 uur voor het nemen van een akte aan de zijde van Aegon inzake hetgeen hiervoor is overwogen in rechtsoverweging 5.6.;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 7 december 2005.