ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN
Sector Bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 98/1174 BESLU
Inzake het geding tussen
[naam eiser], wonende te [woonplaats eiser], eiser,
en
het dagelijks bestuur van Wetterskip Fryslân, te Leeuwarden, verweerder,
gemachtigden: mr. H. de Roode, juridisch medewerker, en J. van der Werf, hoofd van de afdeling Waddenzeekering.
Procesverloop
Bij brief van 6 november 1998 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat het bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 7 juli 1998, waarbij verweerder heeft gesteld niet onderhoudsplichtig te zijn met betrekking tot de paden en opritten langs de Nieuwebildtdijk, ongegrond is verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 30 november 1998 beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 6 februari 2001. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld door [naam buurvrouw], buurvrouw van eiser. Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen.
Motivering
Eiser woont aan de Nieuwebildtdijk [huisnummer]. Zijn perceel is via opritten en paden (hierna aan te duiden als: de parallelweg) ontsloten op de openbare weg, de Nieuwebildtdijk, gelegen op de gelijknamige secundaire waterkering. Bedoelde parallelweg is gelegen op grond die eigendom is van verweerder. Ingevolge het bestemmingsplan "Bildtdijken, deelgebied VII" rust op deze grond de bestemming "dijktaluds" met de toevoeging "op- en afritten toegestaan".
In reactie op een informatieverzoek van eiser met betrekking tot de openbaarheid en de onderhoudsplicht van de parallelweg hebben burgemeester en wethouders van Het Bildt bij brief van 28 januari 1998 aan eiser onder meer het volgende bericht: Uit de wegenlegger - opgesteld door de gemeente en waarin dit genoemde weggedeelte niet staat beschreven - blijkt in ieder geval niet dat de weg openbaar is.
Naar aanleiding van een artikel in de Leeuwarder Courant van 2 april 1998 heeft eiser, mede namens zeven andere aanwonenden van de Nieuwebildtdijk, verweerder er bij brief van 3 april 1998 onder meer op gewezen dat hij provinciale staten van Fryslân op 19 februari 1998 heeft verzocht de parallelweg in de onderhoudslegger te doen opnemen, alsmede welke werkzaamheden verricht zouden moeten worden indien dit stukje weg in de onderhoudslegger zou worden opgenomen.
Bij brief van 7 juli 1998 heeft verweerder aan eiser en vorenbedoelde aanwonenden meegedeeld dat de parallelweg geen openbare weg is in de zin van de Wegenwet en dat verweerder op basis van deze wet noch anderszins gehouden is tot het verrichten van enig onderhoud aan deze weg. Tegen dit besluit heeft eiser, mede namens meerbedoelde aanwonenden, bij brief van 5 augustus 1998 een bezwaarschrift ingediend.
De bezwarencommissie van verweerder (verder: de commissie) heeft eiser, [buurman 1], [buurman 2] en [buurman 3], allen wonend aan de Nieuwebildtdijk, op 24 september 1998 gehoord. Bij de vaststelling van de relevante feiten is de commissie er vanuit gegaan dat de parallelweg een pad betreft van wellicht honderden jaren oud, waarvan het gebruik geschiedt bij gedogen en dat ongeveer dertien jaar geleden (in 1986 volgens de gemachtigde Van der Werf) eenmalig door verweerder van een verharding is voorzien. De commissie heeft verweerder geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. Hiertoe heeft de commissie overwogen dat uit de tekst van de Wegenwet noch uit ter zake gewezen jurisprudentie valt op te maken dat het desbetreffende weggedeelte kan worden aangemerkt als een openbare weg in de zin van de Wegenwet waaruit voor het waterschap een onderhoudsplicht voortvloeit. Ook is de weg niet opgenomen in een onderhoudslegger van de gemeente dan wel het waterschap waaruit een gehoudenheid voor het waterschap bestaat om aan dit weggedeelte onderhoud te verrichten. Voorts stelt de commissie dat verweerder niet gehouden is om te bewerkstelligen dat de parallelweg wordt opgenomen in de onderhoudslegger van het waterschap of een andere overheid. Bij de thans bestreden beslissing heeft verweerder met overneming van het advies van de commissie het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
In het beroepschrift heeft eiser onder meer naar voren gebracht dat hinder, schade en ergernis wordt ondervonden door ongeschiktheid en verslechtering van het wegdek van de parallelweg. Gesteld is dat volgens artikel 4 van de Wegenwet de parallelweg openbaar is. De aanwonenden zijn volgens eiser de dupe van de omstandigheid dat geen duidelijkheid bestaat over de vraag wie of welke overheid in dezen als verantwoordelijk kan worden aangemerkt.
In het verweerschrift is naar voren gebracht dat de opritten en paden die toegang verschaffen tot de percelen langs de Nieuwebildtdijk veelal in het verleden door de bewoners zelf zijn aangelegd. Hoewel deze paden deel uitmaken van het beheersgebied van verweerder, volgt daar niet uit dat verweerder onderhoudsplichtig is, gelet op de krachtens gewoonterecht gegroeide praktijk dat de aanwonenden van de Nieuwebildtdijk zelf zorg dienen te dragen voor het onderhoud van de opritten en paden. De desbetreffende opritten en paden komen niet voor in de onderhoudsleggers van de gemeente. Verweerder beschikte ten tijde in geding niet over een legger, terwijl hij niet voornemens is om in een nog op te stellen legger een onderhoudsplicht voor deze opritten en paden op te nemen. Eiser gaat er volgens verweerder ten onrechte van uit dat hier sprake is van een openbare weg, aangezien niet is voldaan aan het criterium genoemd in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder III, van de Wegenwet, namelijk dat de rechthebbende aan de weg de bestemming van openbare weg heeft gegeven. Deze opvatting wordt bevestigd door de uitspraak van het Hof Amsterdam van 30 januari 1936. Volgens verweerder is niet gebleken dat hij dan wel een van zijn rechtsvoorgangers een besluit heeft genomen waaruit zou kunnen volgen dat aan de opritten en paden langs de Nieuwebildtdijk de bestemming openbare weg is gegeven. Ook in het kader van de uitvoering van de Wet herverdeling wegenbeheer zijn de betreffende opritten en paden niet als zodanig aangewezen. In dit verband wijst verweerder er op dat, ten aanzien van de openbare wegen op de dijkvakken die bij hem in beheer zijn, het beheer en het onderhoud hiervan wordt uitgevoerd door de gemeente in wiens gebied de dijkvakken zijn gelegen.
In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt zij het volgende.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wegenwet is een weg openbaar:
I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;
II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende die tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap;
III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wegenwet is het Rijk, de provincie, de gemeente en het waterschap verplicht een weg te onderhouden, wanneer dat openbare lichaam die tot openbare weg heeft bestemd.
In artikel 17 van de Wegenwet is bepaald dat het waterschap heeft te zorgen dat de wegen, welke het onderhoudt, en die waarop het krachtens zijn inrichting of krachtens zijn reglement heeft toe te zien, verkeren in goede staat.
Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wegenwet is de verplichting om een weg te onderhouden teniet gegaan, wanneer gedurende twintig achtereenvolgende jaren daaraan door de verplichte in generlei opzicht is voldaan. De werking van deze bepaling wordt gestuit door een bevel van de bevoegde macht om aan de verplichting te voldoen, tenzij dat bevel wordt ingetrokken of ongegrond verklaard.
De weigering van verweerder om onderhoud te verrichten aan de parallelweg behelst een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar openstond. Aan de stelling van verweerder dat hij niet onderhoudsplichtig is met betrekking tot de parallelweg ligt (mede) het rechtsoordeel ten grondslag dat die weg niet is aan te merken als een openbare weg en dat hij derhalve niet bevoegd is om ter zake met bestuursdwang op te treden. Deze beslissing omtrent de bevoegdheid van verweerder is aan te merken als een publiekrechtelijke rechtshandeling en daarmee als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.
Aan het vorenstaande doet niet af dat de onderhoudsplicht mogelijk door verweerder zelf is geschonden in zijn hoedanigheid van eigenaar van de grond waarop de parallelweg is gelegen. Teneinde te kunnen beoordelen of sprake is van een uit de Wegenwet voortvloeiende plicht van verweerder met betrekking tot het onderhoud van een weg, moet eerst worden vastgesteld dat de desbetreffende weg een openbare weg is in de zin van artikel 4 van die wet. Gelet op de door eiser gestelde en van de zijde van verweerder bevestigde omstandigheid dat het hier een pad betreft dat waarschijnlijk al honderden jaren voor een ieder toegankelijk is, acht de rechtbank aannemelijk dat de parallelweg openbaar is op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, van de Wegenwet. In zoverre is het bestreden besluit dan ook op een onjuiste grondslag gestoeld.
Uit het stelsel van de Wegenwet volgt dat de eigenaar van een openbare weg, die niet door een lichaam als genoemd in artikel 15, eerste lid, van de Wegenwet tot openbare weg is bestemd, verplicht is die weg te onderhouden, tenzij deze aan het wezen van het eigendomsrecht van een openbare weg inherente plicht door een ander is overgenomen of zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wegenwet. Aangezien verweerder onweersproken heeft gesteld dat hij de weg, met uitzondering van het aanbrengen van een verharding in 1986, nimmer heeft onderhouden, moet de onderhoudsplicht van verweerder op grond van het gestelde in artikel 23, eerste lid, van de Wegenwet als zijnde vervallen worden beschouwd. Uit de Wegenwet volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze onderhoudsplicht is herleefd als gevolg van het (eenmalig) aanbrengen van een verharding door verweerder. De rechtbank merkt op dat het feit dat een weg niet wordt onderhouden niet tot gevolg heeft dat daardoor het karakter van openbaarheid verloren gaat.
Na de inwerkingtreding van de Wet herverdeling wegenbeheer op 4 november 1992, is het beheer van de zogenaamde overige wegen in de gemeente Het Bildt bij die gemeente komen te liggen. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat onder beheer wordt begrepen de verantwoordelijkheid voor het onderhoud, hetgeen overigens niet hoeft te betekenen dat de beheerder zelf voor het onderhoud zorgt. Indien op een ander dan de beheerder de onderhoudsplicht rust, blijft de beheerder verantwoordelijk in de hoedanigheid van degene die er op heeft toe te zien dat het onderhoud naar behoren wordt vervuld.
Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat ten tijde in geding op verweerder in ieder geval geen beheersplicht rustte en dat hem derhalve ook geen bevoegdheid toekwam om ter zake van het onderhoud van de parallelweg bestuursdwang toe te passen. Het bestreden besluit kan in rechte stand houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een partij te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2001 in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.
w.g. B.M. van der Doef
w.g. E. de Witt
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Postbus 20019
2500 EA Den Haag
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: 11 mei 2001