3.1.
[eisers] vordert dat de kantonrechter bij vonnis – uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde sub 1] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst, omvattende de veroordeling tot:
a. a) betaling van € 10.416,67 excl. btw (huurpenningen december 2021);
b) betaling van € 200.000,00 excl. btw (huurpenningen kalenderjaar 2022);
c) betaling van € 22.395,83 excl. btw per kalendermaand vanaf 1 januari 2023; zijnde de maandelijks verschuldigde huurpenningen na indexering per 1 januari 2023;
d) betaling van de maandelijkse huurpenningen na indexering vanaf 1 januari 2024 tot 31 december 2024; PM;
e) betaling van de servicekosten bij leegstand over de periode van 1 december 2021 tot 31 juli 2022 ten bedrage van € 2.543,00 per maand excl. btw;
f) betaling van de over voornoemde bedragen verschuldigde omzetbelasting (btw);
g) betaling van de contractuele boete ex artikel 23.2 algemene bepalingen van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,00 per maand, althans – voor zover [eisers] op dit boetebeding geen beroep zou kunnen doen – alle verschuldigde bedragen uit hoofde van de huurovereenkomst te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex. Artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW;
h) betaling van de in de algemene bepalingen opgenomen vergoeding van de gemaakte, redelijke (buitengerechtelijke) kosten ex artikel 28.1 algemene bepalingen, zijnde 15% van de hoofdsom met een maximum van € 25.000,00 exclusief griffierechten en exclusief de proceskostenveroordeling;
i. i) betaling van de door [eisers] gemaakte advocaatkosten ex artikel 28.1 van de toepasselijke algemene bepalingen;
II. [gedaagde sub 2] uit hoofde van haar garantstelling veroordeelt tot betaling van al hetgeen waartoe [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld;
III. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] ondanks haar gehoudenheid tot nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst, geen aanspraak (meer) heeft op gebruik van het gehuurde. [gedaagde sub 1] heeft ondubbelzinnig afstand gedaan van de mogelijkheid het gehuurde te gebruiken, althans zij heeft haar rechten verwerkt. Het zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als [gedaagde sub 1] thans nog aanspraak zou kunnen maken op gebruik van het gehuurde.
I. de huurovereenkomst ontbindt per 1 augustus 2022 wegens tekortkoming in de nakoming door [gedaagde sub 1] ;
II. [gedaagde sub 1] veroordeelt tot nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst over de periode dat tussen partijen een huurovereenkomst bestond, 1 december 2021 tot en met juli 2022, zijnde de betaling van:
a. a) € 10.416,67 excl. btw, zijnde de huurpenningen december 2021;
b) € 145.833,33 excl. btw, zijnde de huurpenningen over de periode januari 2022 tot en met juli 2022;
c) € 20.344,00 excl. btw aan servicekosten bij leegstand over de periode van 1 december 2021 tot 31 juli 2022 (€ 2.543,00 per maand);
d) betaling van de over voornoemde bedragen verschuldigde omzetbelasting;
e) betaling van een contractuele boete ex artikel 23.2 algemene bepalingen van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,00 per maand, althans – voor zover [eiser sub 2] op dit boetebeding geen beroep zou kunnen doen – alle verschuldigde bedragen uit hoofde van de huurovereenkomst te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW;
f) vergoeding van de gemaakte, redelijke (buitengerechtelijke) kosten ex artikel 28.1 algemene bepalingen, zijne 15% van de hoofdsom met een maximum van € 25.000,00 exclusief griffierechten en exclusie de proceskostenveroordeling;
III. [gedaagde sub 1] op grond van artikel 6:277 lid 1 BW veroordeelt tot vergoeding van de schade die [eisers] lijdt doordat vanaf 1 augustus 2022 geen nakoming doch ontbinding van de huurovereenkomst plaatsvindt, zijnde:
a. a) een bedrag van € 7.708,33 excl. btw per maand over de periode augustus tot en met december 2022, zijnde het verschil tussen de huurprijs die de nieuwe huurder betaalt en hetgeen HMT op basis van de ontbonden huurovereenkomst zou betalen;
b) een bedrag van € 111.249,96 excl. btw over het kalenderjaar 2023, zijnde het verschil tussen de huurprijs die de nieuwe huurder betaalt en hetgeen [gedaagde sub 1] op basis van de ontbonden huurovereenkomst zou betalen;
c) over het kalenderjaar 2024 het verschil tussen wat de huidige huurder na indexering in 2024 betaalt en hetgeen [gedaagde sub 1] na indexering op basis van de ontbonden huurovereenkomst zou betalen;
d) de door [eisers] gemaakte advocaatkosten ex artikel 28.1 van de toepasselijke algemene bepalingen;
e) de over voornoemde bedragen verschuldigde omzetbelasting;
IV. [gedaagde sub 2] uit hoofde van haar garantstelling veroordeelt tot betaling van al hetgeen waartoe [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld;
I. [gedaagde sub 1] veroordeelt tot betaling van de schade die [eisers] lijdt en heeft geleden door het onrechtmatig afbreken van de onderhandelingen in de precontractuele fase, bestaande uit:
a. a) de gemiste huurpenningen als gevolg van leegstand, zijnde
a. € 10.416,57 excl. btw aan gemiste huurpenningen december 2021;
b. € 145.833,33 excl. btw, zijnde de huurpenningen over de periode van januari 2022 tot en met juli 2022, en
c. € 20.344,00 excl. btw aan servicekosten bij leegstand over de periode van 1 december 2021 tot 31 juli 2022;
d. de over voornoemde bedragen verschuldigde omzetbelasting;
b) kosten die B&P .s. heeft gemaakt in aanloop naar de ingangsdatum van de huurovereenkomst, zijnde:
a. makelaarskosten van € 41.666,66 excl. btw;
b. kosten voor het vrijmaken van 500m2 ten bedrage van € 600,00;
c. kosten voor het geheel leegmaken van het gehuurde voor de komst van [gedaagde sub 1] , inhoudend de ontruiming van de opslag van op dat moment aanwezige inbouwapparatuur voor keukens. Hier zijn twee medewerkers fulltime twee weken mee bezig geweest, waardoor deze schade 160 manuren x € 45,00 = € 7.200,00 bedraagt.
c) gemis aan inkomsten(schade) door verhuur van het gehuurde tegen voorwaarden die voor B&) c.s. financieel ongunstiger zijn dan hetgeen is afgesproken met [gedaagde sub 1] , zijnde:
a. een bedrag van € 7.708,33 excl. btw per maand over de periode augustus tot en met december 2022, zijnde het verschil tussen de huurprijs die de nieuwe huurder betaalt en hetgeen [gedaagde sub 1] op basis van de ontbonden huurovereenkomst zou betalen;
b. een bedrag van € 111.249,96 excl. btw over het kalenderjaar 2023, zijnde het verschil tussen de huurprijs die de nieuwe huurder betaalt en hetgeen [gedaagde sub 1] op basis van de ontbonden huurovereenkomst zou betalen;
c. over het kalenderjaar 2024 het verschil tussen wat de huidige huurder na indexering in 2024 betaalt en hetgeen [gedaagde sub 1] na indexering op basis van de ontbonden huurovereenkomst zou betalen;
d. de over voornoemde bedragen verschuldigde omzetbelasting;
zowel primair als (meer) subsidiair
I. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] veroordeelt in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van het verzoekschrift tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor en de getuigenverhoren.