RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2019
op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekers]
, te [woonplaats], verzoekers
(gemachtigde: mr. E.T. de Jong),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal, verweerder
(gemachtigden: mr. J.A.M. Leenders en A.C. van Oijen).
Derde-partijen: [derde-partijen], te [woonplaats]
(gemachtigde: mr. E.L.C. van de Vorle).
Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2019 heeft verweerder verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd.
Hiertegen hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2019. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. [derde-partijen] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) in te stellen beroep niet.
1. Sinds 1998 vinden er – naar Roelofs ter zitting heeft verklaard – dierenverhuuractiviteiten plaats aan de [locatie] en de [locatie] te [woonplaats]. Verweerder heeft verklaard dat sinds 2006 handhavingsverzoeken worden ingediend over de activiteiten van verzoekers. Derde-partijen wonen in de directe omgeving van het perceel aan de [locatie] en ondervinden overlast van die activiteiten. De overlast bestaat uit geluidhinder van vertrekkende/arriverende en ladende en lossende (vracht)wagens. Deze activiteiten vinden zowel overdag als ’s avonds plaats. Verder wordt volgens derde-partijen de weg langs hun woning stuk gereden door de (vracht)wagens van verzoekers. Derde-partijen hebben verweerder daarom in 2018 verzocht om handhavend op te treden. Bij besluit van 31 december 2018 heeft verweerder verzoekers een last onder dwangsom opgelegd. Bij uitspraak van 1 april 2019 (ECLI:NL:RBGEL:2019:1424) heeft de voorzieningenrechter dat besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar van verzoekers. Verzoekers hebben tegen deze beslissing op bezwaar beroep (AWB 19/5154) ingesteld. Dit beroep is nog aanhangig bij de rechtbank. Verzoekers hebben nog niet aan de last onder dwangsom voldaan.
2. Verweerder heeft verzoekers, omdat niet aan de last onder dwangsom is voldaan, bij besluit van 6 november 2019 onder bestuursdwang gelast de dierenverhuuractiviteiten te beëindigen en beëindigd te houden. Verweerder heeft hiervoor een termijn van 6 weken gegeven. Deze termijn loopt tot en met 18 december 2019. Indien verzoekers hieraan niet voldoen zal verweerder de dierenverhuuractiviteiten (laten) beëindigen, een en ander op kosten van verzoekers.
3. Vast staat dat de dierenverhuuractiviteiten in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Gouden Ham/De Schans, randzone” en dat voor deze activiteiten geen omgevingsvergunning is verleend. Verweerder is dan ook bevoegd handhavend op te treden.
4. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2019 is de last onder dwangsom geschorst omdat verweerder op 12 maart 2019 heeft besloten het voorontwerpbestemmingsplan dat de dierenverhuuractiviteiten legaliseert als ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. De verwachting was dat verweerder op korte termijn zou overgaan tot het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Dit is echter niet gebeurd omdat verzoekers volgens verweerder onvoldoende hebben meegewerkt aan het overleggen van nadere stukken die nodig waren voor de totstandkoming van het ontwerpbestemmingsplan.
5. Op 19 juli 2016 heeft verweerder besloten principe-medewerking te verlenen aan wijziging van het bestemmingsplan. Daarmee zouden de illegale activiteiten moeten worden gelegaliseerd. Verweerder heeft bij besluit van 22 oktober 2019 het besluit tot het verlenen van principe-medewerking echter ingetrokken omdat verzoeker niet alle vereiste gegevens heeft overgelegd die nodig zijn voor de totstandkoming van het ontwerpbestemmingsplan. Verzoekers hebben gesteld dat zij steeds hebben voldaan aan de verzoeken van verweerder om nadere gegevens over te leggen in de procedure omtrent het ontwerpbestemmingsplan. Verzoekers zijn het er niet mee eens dat de principe-medewerking is ingetrokken. Wat hiervan ook zij, dit kan er niet aan in de weg staan dat er nog steeds geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd en dat dit ook op korte termijn niet te verwachten is. De voorzieningenrechter kan daarom tot geen ander oordeel komen dan dat van concreet zicht op legalisatie geen sprake is.
6. Dan is de vraag of sprake is van omstandigheden die zo bijzonder zijn dat verweerder heeft moeten afzien van handhavend optreden.
Verzoekers betogen dat dat het geval is. Zij stellen dat, als verweerder tot het toepassen van bestuursdwang overgaat, het bedrijf failliet zal gaan. Verzoekers zullen hun 20 medewerkers dan moeten ontslaan en hun dierenverhuuractiviteiten beëindigen. Hier tegenover staat dat er sinds 2006 verzocht wordt door omwonenden om handhavend op te treden. Derde-partijen wonen sinds 3,5 jaar in de buurt van het terrein waar de (vracht)wagens staan die voor veel overlast zorgen. De (vracht)wagens staan met name ten dienste van de dierenverhuuractiviteiten. Verder hoeven verzoekers alleen de verhuuractiviteiten te staken. Zij kunnen de andere activiteiten die plaatsvinden op de boerderij aan de [locatie] en de [locatie], zoals als ‘Swientje-tikken’, ringsteken op kamelen, een workshop ganzenhoeden en nog meer (zie www.animalverhuur.nl/activiteiten-op-de-farm) voortzetten. Het gebruik van (vracht)wagens voor de andere activiteiten is bij de last onder bestuursdwang niet verboden. Verder heeft verweerder het algemeen belang om handhavend op te treden tegen een al jaren durende overtreding terwijl geen zicht is op een einde daaraan, zwaar mogen laten wegen.
Dit alles tegen elkaar afwegend komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verweerder onder afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het toepassen van bestuursdwang heeft kunnen besluiten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de belangen van derde-partijen en het algemeen belang zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoekers.
7. De conclusie is dat het verzoek moet worden afgewezen. De verwachting is dat het besluit van 6 november 2019 in bezwaar in stand kan blijven.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.