Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2019:5676

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-12-2019
Datum publicatie
10-12-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1228
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor een kleinschalig kampeerterrein op een historische buitenplaats.

Omdat de locatie van het kampeerterrein en de bijbehorende parkeervoorzieningen niet nader zijn bepaald, kan niet worden beoordeeld in hoeverre de aanwezige cultuurhistorische waarden van de buitenplaats en het rijksmonument onevenredig worden aangetast. De aantasting van de cultuurhistorische waarden is ook onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het advies van de monumentencommissie vormt geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/1228

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C.F. van Helvoirt),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2018 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend.

Bij besluit van 22 januari 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2019. Eiser is verschenen, vergezeld door [eiser] en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. C.F. van Helvoirt. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Robbertsen.

Overwegingen

1. De relevante bepalingen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het bestemmingsplan “Landelijk gebied” zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Eiser is eigenaar van een groot deel van landgoed [landgoed] . Deze historische buitenplaats bestaat uit diverse gebouwen en landschapselementen, en de gehele buitenplaats is aangewezen als rijksmonument. Ook de 11 “complexonderdelen” zijn aangemerkt als rijksmonument. Één van deze onderdelen betreft rijksmonument [landgoed] . Deze boerderij uit het midden van de 19e eeuw is in eigendom bij [vergunninghouder]

Op 29 mei 2018 heeft [vergunninghouder] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend om bij [landgoed] een minicamping met 15 kampeerplaatsen te realiseren.

3. Het perceel is in het bestemmingsplan bestemd als “Agrarisch met Waarden – Landschap en Natuur”. Binnen deze bestemming is geen minicamping toegestaan. In artikel 5.6.4 van de regels van het bestemmingsplan is wel een mogelijkheid opgenomen om voor een kleinschalig kampeerterrein af te wijken van het bestemmingsplan.

Verweerder heeft voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 1°, van de Wabo en artikel 5.6.4 van de planregels. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden. Op de camping mogen alleen tenten worden geplaatst, de camping mag open zijn van 15 maart tot en met 31 oktober en parkeren moet op eigen terrein plaatsvinden.

Is een monumentenvergunning vereist?

4.1.

Eiser betoogt dat naast een omgevingsvergunning voor het met het bestemmingsplan strijdige gebruik op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo ook een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo is vereist vanwege de aantasting van de monumentale waarden van de buitenplaats.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat de aanvrager alleen een aanvraag heeft ingediend voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.7, eerste lid, tweede volzin, van de Wabo bestaat ook de mogelijkheid om voorafgaand aan en los van overige onlosmakelijke activiteiten, slechts een aanvraag voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in te dienen.

Omdat geen verplichting bestaat om tegelijkertijd ook een aanvraag voor (eventuele) andere vergunningplichtige activiteiten in te dienen, kan de vraag of er sprake is van een vergunningplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wabo (de activiteit “wijzigen van een rijksmonument”) in deze procedure niet aan de orde komen.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 23 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:157) heeft overwogen zou het tevens aanmerken van de aanvraag als een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld onder f, het bepaalde in artikel 2.7, eerste lid, tweede volzin, van de Wabo tot een dode letter maken.

De beroepsgrond slaagt niet.

Wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 5.6.4?

5.1.

Eiser betoogt dat:

  • -

    de minicamping ten onrechte niet wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing (sub f);

  • -

    verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt of er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, omdat in het besluit de ‘Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst’ niet zijn betrokken. Volgens eiser moeten afgerond 20 parkeerplaatsen worden aangelegd, en hij betwijfelt of deze allemaal op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd (sub g);

  • -

    de toegangsweg geen erftoegangsweg in verkeerskundige zin is maar een oprit c.q. oprijlaan. De toename in verkeersbewegingen bovenop het bestaande aantal verkeersbewegingen is zeer hinderlijk, aldus eiser (sub h);

  • -

    verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze met de monumentale waarden rekening wordt gehouden, bijvoorbeeld ten aanzien van de locatie en de inrichting hiervan en de landschappelijke inpassing van de parkeerplaatsen. Volgens eiser is het kampeerterrein ontsierend ten opzichte van rijksmonument [landgoed] en had het op de weg van verweerder gelegen om de monumentencommissie om advies te vragen (sub i, j en l);

  • -

    in de omgevingsvergunning geen voorwaarden zijn gesteld aan de locatie van het kampeerterrein, zodat verweerder zich ook niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eventuele overlast beperkt is (sub i).

Binnen bestaande bebouwing

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank ziet “de voorziening” uit voorwaarde f op bij de camping behorende voorzieningen, zoals een toiletgebouw, en niet op het kampeerterrein zelf. De aanvraag voor de omgevingsvergunning heeft slechts betrekking op het kampeerterrein en niet op een toiletgebouw.

De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.

Verkeersoverlast

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich gelet op de geringe toename van maximaal 30 voertuigbewegingen per dag in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het kampeerterrein niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersafwikkelingssituatie op de [locatie] en de [locatie]. Verweerder heeft in dat verband ook terecht aangegeven dat slechts tenten zijn toegestaan, zodat geen sprake zal zijn van zwaarder verkeer (campers, caravans).

De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.

Aantasting monumentale waarden, locatie en overlast

5.4.

De rechtbank stelt vast dat uit de aanvraag en de omgevingsvergunning niet blijkt waar op het perceel de 15 kampeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Bij de aanvraag zit slechts een luchtfoto waarop de buitenste perceelsgrens van de kadastrale percelen 1495 en 1951 is aangegeven. Een situatietekening of een inrichtingsplan ontbreekt.

Anders dan verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven volgt uit de omgevingsvergunning niet dat het kampeerterrein binnen het bouwvlak dient te worden gerealiseerd. Dit blijkt niet uit de aanvraag en ook niet uit de voorschriften bij de omgevingsvergunning. Op grond van artikel 5.6.4, onder m, kan bovendien ook een omgevingsvergunning worden verleend voor een kampeerterrein buiten het bouwvlak.

De rechtbank acht deze situering wel van belang. Pas als de locatie van het kampeerterrein duidelijk is, kan immers worden beoordeeld wat de gevolgen van dit kampeerterrein zijn op de cultuurhistorische waarden van [landgoed] en de buitenplaats, en wat de (milieu)gevolgen van het kampeerterrein zijn op de omgeving. Dit geldt ook voor de locatie van geparkeerde auto’s. Tussen partijen is niet in geschil dat de parkeerbehoefte 20 parkeerplaatsen bedraagt. Voor de aantasting van de cultuurhistorische en monumentale waarden is het van belang waar deze auto’s zullen worden geparkeerd.

De beroepsgrond slaagt.

5.5.

Voor wat betreft de aantasting van cultuurhistorische waarden stelt de rechtbank voorop dat uit artikel 5.6.4, onder i en l, voortvloeit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige aantasting van cultuurhistorische waarden. Enige aantasting hiervan is dus mogelijk.

In de omgevingsvergunning wordt aangegeven dat de cultuurhistorische waarden zijn meegewogen en dat is vastgesteld dat deze belangen niet worden geschaad. Deze summiere motivering acht de rechtbank in dit geval onvoldoende. Gelet op de aanwezige cultuurhistorische waarden van zowel de buitenplaats als de [landgoed] had het op de weg van verweerder gelegen om dit onderdeel nader te motiveren. Dit kan, zoals verweerder hangende de beroepsprocedure heeft gedaan, door een advies van een deskundige instantie zoals de monumentencommissie te overleggen. Dit is echter niet verplicht. Uit de wet vloeit, anders dan eiser heeft betoogd, niet voort dat bij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan een advies van de monumentencommissie verplicht is.

De beroepsgrond slaagt.

Conclusie

6.1.

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met het motiveringsbeginsel.

6.2.

Verweerder heeft tijdens de beroepsprocedure een advies van de monumentencommissie van 15 oktober 2019 overgelegd om het motiveringsgebrek te herstellen.

De rechtbank ziet in dit advies echter geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Daartoe overweegt de rechtbank dat enerzijds nog steeds geen duidelijkheid bestaat over de exacte locatie van de camping en de parkeervoorzieningen, hetgeen van belang is bij de beoordeling van de aantasting van de cultuurhistorische waarden en (mogelijke) overlast. De monumentencommissie geeft in het advies ook aan dat parkeren beperkt moet worden tot het huidige verharde gedeelte direct achter de boerderij, en dat voorkomen moet worden dat de auto’s bij de tenten of elders op het terrein worden geplaatst.

Anderzijds is dit advies ter zitting door [eiser] , ook een deskundige op het gebied van monumenten, gemotiveerd betwist waarbij (onder meer) is aangegeven dat in het advies ten onrechte geen aandacht is geschonken aan de bescherming van de aanwezige en bewust aangelegde uitzichten op de buitenplaats.

De rechtbank ziet ook geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen omdat de situering afhankelijk is van de aanvrager, en deze niet heeft gereageerd op de uitnodiging van de rechtbank om als partij deel te nemen. Verweerder dient daarom – in overleg met de aanvrager – een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6.3.

De rechtbank zal vanwege strijd met een goede procesorde niet ingaan op het ter zitting naar voren gebrachte betoog van eiser dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering vanwege een erfdienstbaarheid die rust op de toegangsweg. Verweerder heeft ter zitting aangegeven niet op dit betoog te kunnen reageren.

Proceskosten

7. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

8. De rechtbank bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit op bezwaar van 22 januari 2019;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024;

  • -

    draagt verweerder op het griffierecht van € 174 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Jue, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt als volgt:

“1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

(…)

f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.”

Artikel 2.7, eerste lid, luidt als volgt:

“1 Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.”

Artikel 2.12, eerste lid, luidt als volgt:

“1 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

(…).”

Artikel 5.6.4 van de regels van het bestemmingsplan luidt als volgt:

“Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van kleinschalig kampeerterrein, mits wordt voldaan aan het volgende:

Algemene criteria kleinschalig kampeerterrein:

a. het kleinschalig kampeerterrein wordt gesitueerd binnen het bouwvlak;

b. de bebouwde oppervlakte ten behoeve van bebouwing voor deze voorziening bedraagt maximaal 100 m²;

c. het toegelaten aantal mobiele kampeervoertuigen en/of tenten bedraagt maximaal 15;

d. voor trekkershutten gelden de volgende bepalingen:

1. per 10 kampeerplaatsen is 1 trekkershut toegestaan;

2. de bebouwde oppervlakte per trekkershut bedraagt maximaal 35 m²;

3. de trekkershutten tellen mee in het totale aantal kampeerplaatsen en in het toegestane bebouwde oppervlak;

e. stacaravans of chalets zijn niet toegestaan;

f. de voorziening, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is, wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing;

g. er moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze hiervoor is opgenomen in de op het moment van toepassen van deze afwijkingsbevoegdheid geldende 'Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst';

h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersafwikkelingssituatie ter plaatse;

i. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;

j. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; de initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen;

k. er mogen geen significante negatieve effecten optreden voor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of de Groene Ontwikkelingszone (GO);

l. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 5.1.

Specifieke criteria, in aanvulling op het bepaalde onder a, ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein buiten het bouwvlak:

m. indien het kleinschalig kampeerterrein niet volledig binnen het bouwvlak kan worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning verlenen om de standplaatsen in aansluiting op het bouwvlak of het bestemmingsvlak te realiseren;

n. de in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;

o. bovengenoemde algemene criteria zijn van overeenkomstige toepassing.”