3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
De wrakingskamer overweegt verder dat het middel van de wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen een onwelgevallige, negatief ervaren (proces)beslissing van de rechter. Het is niet de taak van de wrakingsrechter om te beoordelen of zo’n beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissing en motivering feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechtelijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn als de beslissing zo zeer onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is.
3.2
De wrakingskamer stelt het volgende vast ten aanzien van de gang van zaken in de onderliggende procedures.
Aanvankelijk was de behandeling van de drie zaken gepland op 22 juni 2018. Toen bleek dat de gezinsvoogd verhinderd was, is door de rechtbank aan mr. Nelissen (de advocaat van de vrouw) en
[naam] (van wie mr. Nelissen in het verzoekschrift in procedure nr. 338136 had vermeld dat deze voor de man, thans verzoeker tot wraking, optrad) gevraagd of behandeling ter zitting op 14 juni 2018 mogelijk was. Kennelijk hebben beide advocaten ingestemd met een behandeling ter zitting op 14 juni 2018 want op 7 juni 2018 zijn de zaken op die datum gepland.
Op 7 juni 2018 heeft verzoeker per e-mail aan de griffie bericht dat hij voorafgaand aan de zitting overleg nodig heeft met een adviseur en dat hij die mogelijkheid niet meer heeft als de zaken op
14 juni 2018 worden behandeld. De verplaatsing van de zitting naar 14 juni is daarom voor verzoeker een probleem. Verder heeft hij verzocht in deze zaken niet te communiceren met [naam] omdat die in deze zaken niet als advocaat voor verzoeker optreedt.
Op 11 juni 2018 heeft verzoeker per e-mail laten weten dat hij het spoor bijster is. Hij beschikt over
e-mails die zijn verzonden aan degene die niet zijn advocaat is en de door hem ontvangen bijlagen zijn niet te lezen. Hij heeft verder gemeld dat de zitting van de 18e (bedoeld zal zijn de 14e, wrakingskamer) voor hem een probleem oplevert en dat hij een reactie wenst met een wel hem schikkende datum. Ook wil verzoeker de relevante stukken ontvangen.
In reactie daarop heeft de medewerkster van de griffie per e-mail van 12 juni 2018 (10:49 uur) meegedeeld dat de zitting, in overleg met de kinderrechter, gewoon doorgang zal vinden.
Verzoeker heeft daarna gemaild dat hij zich gaat beraden over het indienen van een verzoek op grond van artikel 36 of 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit vanwege de onduidelijkheid over de datum, het wel verplaatsen van de zitting op verzoek van de voogd en de onleesbaarheid en onvolledigheid van de stukken. Hij vraagt wanneer de zitting nu is en welke stukken daarbij horen.
De medewerkster van de griffie heeft in haar reactie aangegeven dat de zitting is gepland op 14 juni 2018 om 09:45 uur en dat de bijbehorende stukken naar [naam] zijn verzonden.
Verzoeker heeft per e-mail van 12 juni 2018 (11:35 uur) gereageerd. Hij meldt opnieuw dat
[naam] niet namens hem optreedt en verzoekt om de stukken leesbaar te verstrekken.
De medewerkster van de griffie heeft meegedeeld dat de stukken naar [naam] zijn verzonden en zij verzoekt verzoeker de stukken bij de advocaat op te vragen.
Verzoeker heeft in reactie op die e-mail laten weten dat [naam] in deze kwestie niet namens hem optreedt en dat het een onjuiste aanname is dat dit wel het geval was. Verzoeker verzoekt om alle stukken leesbaar te verstrekken. Eerder heeft hij stukken niet compleet of niet leesbaar ontvangen.
In een e-mailbericht van 12 juni 2018 (12:25 uur) heeft de medewerkster van de griffie geschreven dat het verzoekschrift van [naam] is ontvangen en dat daarom alle stukken naar hem zijn verzonden. Zij verzoekt verzoeker de stukken bij [naam] op te vragen.
In reactie op deze e-mail heeft verzoeker gemaild dat hij zelf de aanvraag heeft ingediend. Als hij
[naam] een vraag stelt, kost hem dat geld. Verzoeker verzoekt nogmaals om de stukken leesbaar en compleet aan te leveren.
Op 12 juni 2018 om 16:42 uur heeft verzoeker het wrakingsverzoek ingediend.
3.3
De wrakingskamer overweegt het volgende.
Ter zitting van de wrakingskamer op 6 augustus 2018 heeft de rechter naar voren gebracht dat hij de griffie alleen het bericht heeft laten doorgeven dat de zitting op 14 juni 2018 door zou gaan. Deze
e-mail is op 12 juni 2018 om 10:49 uur verzonden. De rechter was toen intern nog in overleg over het (per e-mail) verstrekken van de stukken aan verzoeker. Het was de rechter namelijk niet duidelijk over welke stukken verzoeker wel of niet beschikte en hij wilde een en ander tijdens de zitting op 14 juni 2018 bespreken en zonodig een schriftelijke ronde inlassen. De rechter was er op het moment van het nemen van de beslissing op het aanhoudingsverzoek naar zijn zeggen van op de hoogte dat
[naam] niet de advocaat van verzoeker was in deze procedures.
De wrakingskamer overweegt dat verzoeker niet expliciet heeft gemeld dat hij verhinderd was op
14 juni 2018. Het procesreglement biedt de rechter overigens de ruimte om bij het bepalen van een zittingsdatum geen rekening te houden met verhinderdata. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan de beslissing op zich om de zitting van 14 juni 2018 doorgang te laten vinden de door de wrakingskamer te maken beoordeling doorstaan. De omstandigheid dat het e-mailbericht van de griffie van 12 juni 2018 (12:25 uur) ten onrechte vermeldt dat het verzoekschrift door [naam] is ingediend, is ongelukkig, maar levert geen wrakingswaardige omstandigheid op.
De wrakingskamer overweegt dat niet is gebleken van vooringenomenheid van de rechter, gezien de toelichting van de rechter in zijn verweerschrift en ter zitting. Wel is de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd. Het verzoek tot wraking dient dan ook te worden toegewezen. Voor dat oordeel is het volgende van belang.
De rechter wist ten tijde van het nemen van de beslissing op het aanhoudingsverzoek dat verzoeker kennelijk niet over alle stukken beschikte. Het door de moeder van de kinderen ingediende verzoek om éénhoofdig gezag en een contactverbod met verzoeker, waarover verzoeker mogelijk niet beschikte, zou verstrekkende gevolgen kunnen hebben, zoals de rechter ter zitting van de wrakingskamer ook naar voren heeft gebracht. Bekend was bovendien dat verzoeker met een adviseur wilde overleggen, welk overleg door de verplaatsing van de zitting van 22 juni naar 14 juni 2018 niet kon plaatsvinden. Toch is van de zijde van de rechter volstaan met het enkele bericht dat “de zitting gewoon doorgang (zal) vinden”. In de reactie op het aanhoudingsverzoek, te weten in de e-mail van 12 juni 2018 om 10:49 uur, is op geen enkele manier duidelijk gemaakt dat de omstandigheid dat verzoeker niet over alle stukken beschikte, de aandacht van de rechter had en hij aan het onderzoeken was hoe de stukken naar verzoeker verzonden zouden kunnen worden. Evenmin is vermeld dat tijdens de zitting van 14 juni 2018 zou kunnen worden gesproken over een mogelijke oplossing van die situatie en het door verzoeker gemelde gebrek aan overlegmogelijkheid. Bij dit alles is van belang dat de zitting op korte termijn en met ruim een week is vervroegd.
Vanuit het perspectief van verzoeker betekende dit bericht dat van hem verwacht werd dat hij naar een zitting kwam zonder te beschikken over alle relevante stukken en zonder mogelijkheid om tevoren met een adviseur te overleggen. Punten waarvoor hij herhaaldelijk aandacht heeft gevraagd maar waarop in de beslissing om de zitting op het vervroegde tijdstip te laten doorgaan, niet is ingegaan.
Naar het oordeel van de wrakingskamer is de (proces)beslissing van de rechter, namelijk het onder de vermelde omstandigheden zonder nadere toelichting of informatie over de verdere gang van zaken afwijzend reageren op het aanhoudingsverzoek, zozeer onbegrijpelijk, mede gezien het beginsel van hoor en wederhoor zoals beschreven in artikel 19 Rv, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is. De e-mail van 12 juni 2018 om 10:49 uur wekt immers, ook objectief gezien, de indruk dat de omstandigheid dat verzoeker (meerdere keren) heeft aangegeven niet over alle stukken te beschikken, niet van belang is geweest bij de beslissing op het aanhoudingsverzoek. Nu verzoeker tot meerdere keren toe had aangegeven dat stukken ontbraken of onleesbaar waren en desondanks, met voorbijgaan daaraan en wetende dat verzoeker het nodig vond voorafgaand aan de zitting nog met een adviseur te overleggen, de rechter zonder meer en zonder nadere toelichting vasthield aan de geplande zittingsdatum, is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden en heeft er (objectief gerechtvaardigde) vrees bij verzoeker kunnen ontstaan voor schade aan de rechterlijke onpartijdigheid.
Naar het oordeel van de wrakingskamer moet het verzoek tot wraking daarom worden toegewezen. Wat meer of anders is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en behoeft daarom geen bespreking meer.