vonnis
Team kanton en handelsrecht
zaakgegevens 5895212 \ CV EXPL 17-6018 \ 474 \ 636
uitspraak van 10 januari 2018
[eisende partij]
wonende te Ede
eisende partij
gemachtigde mr. J.M. Poortvliet van ARAG Flight Claim Service
de vennootschap naar buitenlands recht El Al Israël Airlines Ltd
statutair gevestigd te Tel Aviv, Israël, en kantoorhoudend te Amstelveen
gedaagde partij
gemachtigde mr. L. Zalait
Partijen worden hierna [eisende partij] en El Al genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 april 2017 met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- de conclusie van repliek met producties
- de conclusie van dupliek met producties.
2 De feiten
2.1.
[eisende partij] heeft bij El Al Israel Airlines (hierna: El Al) een vlucht geboekt van Amsterdam Schiphol Airport naar Tel Aviv Ben Gurion Airport op vrijdag 19 februari 2016 met vluchtnummer LY338. De geplande vertrektijd was 09:15 uur. Tijdens de ‘push back’ , waarbij het vliegtuig met behulp van een hulpvoertuig (een sleepwagen) van de gate wordt afgeduwd om te gaan taxiën, heeft er een incident plaatsgevonden waarbij het opstaande uiteinde van de linkervleugel (‘winglet’) ernstig beschadigd is geraakt. El Al heeft korte tijd later aan de passagiers meegedeeld dat het vanwege dit incident niet mogelijk was de passagiers op vrijdag 19 februari 2016 vóór het begin van de sjabbat (ook wel: sabbat: de wekelijkse rustdag in het jodendom, die start van zonsondergang op vrijdag en duurt tot zonsondergang op zaterdag) naar Israël te vervoeren. Uiteindelijk heeft El Al een vervangend toestel vanuit Tel Aviv naar Amsterdam laten overvliegen en is dat vliegtuig op zaterdag 20 februari 2016 om 21.41 uur naar Tel Aviv vertrokken, met het oorspronkelijke vluchtnummer LY338.
2.2.
Naar aanleiding van een door een andere passagier ingediende klacht over dezelfde vertraagde vlucht met nummer LY338 van El Al heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) bij brief van 24 juni 2016 het volgende aan deze passagier geschreven:
“(…) Ik heb onderzocht of El Al de Verordening (EG) nr. 261/2004 (‘de Verordening’) heeft overtreden.
Conclusie onderzoek:
De uitkomst van mijn onderzoek (kantonrechter: ‘mijn’ verwijst naar de inspecteur ILT namens de staatssecretaris van infrastructuur en milieu) is dat uw klacht ongegrond is.
Ik heb vastgesteld dat de annulering van vlucht LY0338 van 19 februari 2016 een gevolg was van de slechte weersomstandigheden op Schiphol die dag. Weersomstandigheden die tot gevolg hebben dat een vlucht vertraging oploopt of moet worden geannuleerd worden beschouwd als zijnde een buitengewone omstandigheid, waar in dit geval El Al geen invloed op heeft kunnen uitoefenen. El Al is daarom niet verplicht om compensatie aan de passagiers te betalen. El Al heeft naar het oordeel van de Inspectie de Verordening niet overtreden door geen compensatie te betalen, zoals bedoeld in artikel 7 van de Verordening.
(…)
Buitengewone omstandigheid
Op 19 februari 2016 waren er hevige regenbuien en een harde tot stormachtige wind, waardoor het op het platform glad was. Tijdens de pushback van het toestel waarmee de vlucht zou worden uitgevoerd is de push back truck door de gladheid geslipt en daardoor is het toestel tegen een hekwerk aangekomen. Er is daarbij schade aan het toestel ontstaan aan de linker winglet (het opstaande uiteinde van de vleugel). Door dit incident is er een vliegveiligheidsprobleem ontstaan en moest er een inspectie plaatsvinden naar de schade. Deze bleek zo ernstig dat het toestel niet mocht vliegen zonder reparatie van de schade. Omdat het herstellen van de schade veel tijd in beslag zou nemen was het niet meer mogelijk om met dat toestel voor de aanvang van de Shabbat in Tel Aviv te landen. Omdat er ook geen reservetoestel beschikbaar was moest de vlucht worden geannuleerd. Ik stel daarom vast dat El Al terecht een beroep heeft gedaan op buitengewone omstandigheden als bedoeld in overweging 14 van de Verordening. Deze buitengewone omstandigheid is ook genoemd in de lijst van de 27 samenwerkende nationale toezichthouders binnen Europa (de zgn. NEB lijst) onder nummers 10 en 19 en is in te zien op de website van de inspectie; (…)”
2.3.
In artikel 3 van de Beleidsregel handhaving Verordening (EG) nr. 261/2004 inzake passagiersrechten luchtvaart (geldend van 5 oktober 2013 tot en met heden) staat het volgende:
Van buitengewone omstandigheden is in elk geval sprake in de navolgende gevallen:
a. wanneer weersomstandigheden de uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen;
b. wanneer het vliegtuig waarmee de vlucht zal worden uitgevoerd, door sabotage of terrorisme zodanig is beschadigd, dat de vliegveiligheid niet kan worden gegarandeerd;
c. wanneer het vliegtuig waarmee de vlucht zal worden uitgevoerd, bij binnenkomst van de voorafgaande vlucht door een van buiten komende oorzaak, zoals een botsing met een van buiten komend voorwerp of met een of meer vogels, door weersomstandigheden, zoals een blikseminslag, of door een harde landing, mogelijk zodanig beschadigd is dat het niet zonder een extra inspectie voor de volgende vlucht kan vertrekken;
d. wanneer de fabrikant van de toestellen waaruit de vloot van de betrokken luchtvaartmaatschappij is samengesteld, of een bevoegde autoriteit, bekend maakt dat deze toestellen mogelijk een gebrek vertonen dat gevolgen kan hebben voor de vliegveiligheid en daarom zo spoedig mogelijk geïnspecteerd moeten worden;
e. wanneer op een reeds aangevangen vlucht, dat wil zeggen nadat de blokken voor de wielen zijn weggehaald, een onverwacht vliegveiligheidsprobleem ontstaat dat gevolgen heeft voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert en de piloot om die reden de start of de vlucht afbreekt, bijvoorbeeld vanwege een botsing met een of meer vogels;
f. wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor het vliegtuig, waarmee de vlucht zal worden uitgevoerd, de annulering van één of meer vluchten of een vertraging van drie uur of meer veroorzaakt;
g. (…)
2.4.
De gemachtigde van [eisende partij] heeft vanaf 22 juni 2016 compensatie gevorderd van El Al in verband met de voornoemde vertraging. El Al heeft geweigerd een compensatie te betalen.
3 De vordering
3.1.
[eisende partij] vordert dat de kantonrechter, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, El Al zal veroordelen om aan hem te betalen:
a. a) de hoofdsom van € 400,00 alsmede de wettelijke rente daarover vanaf 19 februari 2016 tot aan de dag van algehele voldoening;
b) de buitengerechtelijke kosten van € 960,75 alsmede de wettelijke rente hierover vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
c) de kosten van deze procedure alsmede de nakosten.
3.2.
[eisende partij] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. De vlucht van Amsterdam naar Tel Aviv is uitgevoerd met een zodanig langdurige vertraging, dat aanspraak is ontstaan op compensatie op de voet van artikel 7 van de EG-verordening 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna: Vo. 261/2004 ) in samenhang met de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (nu geheten: Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna aan te duiden als: HvJ EU) van 19 november 2009 met nummers C-432/07 en C-402/07, NJ 2010/137, LJN: BK4714 (het ‘Sturgeon-arrest’) en van 23 oktober 2012 in de zaak met nummers C-629/10 en C-581/10, NJ 2013,14, LJN: BY2173 (het ‘Nelson-arrest’). De aanspraak op compensatie bedraagt in dit geval € 400,00. El Al heeft de compensatie ten onrechte niet voldaan, aldus [eisende partij] .
4 Het verweer
4.1.
El Al heeft aangevoerd dat sprake was van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Vo. 261/2004, hetgeen volgens haar in het genoemde besluit van de ILT is bevestigd. Zij voert aan dat de conclusie van het ILT wordt gesteund door de Beleidsregel handhaving Verordening (EG) nr. 261/2004 inzake passagiersrechten luchtvaart (hierna: de Beleidsregel) en door de punten 10, 19 en 20 van de zogenaamde NEB-lijst (Non-exhaustive and non-binding list of extraordinary circumstances resulting from the work of the National Enforcement Bodies for the application of the current Regulation (EC) 261/2004). Volgens El Al waren slechte weersomstandigheden op de dag van de vlucht de directe oorzaak van de vertraging omdat de sleepwagen daardoor tijdens de ‘push back’ in de slip raakte en het vliegtuig door het in de slip raken van de sleepwagen tegen het aangrenzende hek is gebotst. Deze slechte weersomstandigheden rechtvaardigen, gelet op artikel 3 sub a van de Beleidsregel en punt 10 van de NEB-lijst (“Weersomstandigheden die een veilige uitvoering van de vlucht verhinderen. Deze weersomstandigheden kunnen voorspeld zijn tijdens de te vliegen route, en/of op luchthaven van vertrek of aankomst.”) op zichzelf al een succesvol beroep buitengewone omstandigheden. Bovendien hebben deze omstandigheden ervoor gezorgd dat er door de schade aan het vliegtuig onverwachte vliegveiligheidsproblemen zijn ontstaan hetgeen volgens haar volgens jurisprudentie en ingevolge artikel 3 sub e van de Beleidsregel ook een succesvol beroep op buitengewone omstandigheden rechtvaardigt. Het onderhavige vliegveiligheidsprobleem is niet inherent aan de normale uitoefening van haar activiteiten en heeft een van buiten komende oorzaak die El Al niet had kunnen voorkomen en op het ontstaan waarvan zij geen invloed kon uitoefenen, aldus El Al. Zij verwijst naar de specifieke feiten en omstandigheden van deze situatie, bezien in het licht van overweging 14 van Vo. 261/2004, artikel 3 sub e en f van de Beleidsregel en punt 19 en/of 20 van de NEB-lijst (punt 19: ‘Onverwachte vliegveiligheidsproblemen: schade aan het vliegtuig die is veroorzaakt door een derde partij voor vertrek van een vlucht die onmiddellijke inspectie en/of reparatie vereist. Bijvoorbeeld een aanrijding van een voertuig van de luchthaven en een vliegtuig’ en punt 20: ‘Schade aan het vliegtuig tijdens de vlucht veroorzaakt door een van buiten afkomstig voorwerp (FOD), waarbij een onmiddellijke inspectie en/of reparatie aan het toestel vereist wordt’).
5 De beoordeling
5.1.
[eisende partij] grondt zijn vordering op Vo. 261/2004. Nu hij vanaf de luchthaven Schiphol is vertrokken, die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het EG-Verdrag van toepassing is, valt de vlucht op grond van artikel 3 lid 1 sub a binnen het toepassingsbereik van Vo. 261/2004. Dit betekent dat [eisende partij] in deze zaak rechtstreeks een beroep kan doen op de bepalingen van Vo. 261/2004, ongeacht zijn nationaliteit of woonplaats en ongeacht het land van registratie van de luchtvaartmaatschappij.
5.2.
Aangezien El Al statutair is gevestigd in Israël zijn er geen verordeningen of verdragen van toepassing die de rechtsmacht bepalen en kan worden teruggevallen op artikel 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.). Ingevolge art. 6 onder a Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. In het onderhavige geval moet de verbintenis (de vervoersovereenkomst) ook in Nederland worden uitgevoerd. Ingevolge artikel 6 onder d Rv. heeft de Nederlandse rechter ook rechtsmacht in zaken betreffende een overeenkomst die wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (in dit geval El Al) en een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (in dit geval [eisende partij] ), indien die natuurlijke persoon in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft en de partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf aldaar commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit. De Nederlandse rechter is dus bevoegd om te oordelen in deze zaak.
5.3.
De kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, is de relatief bevoegde rechter op grond van artikel 101 Rv. omdat [eisende partij] woonachtig is in het arrondissement van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem.
5.4.
In artikel 5 en artikel 7 van Vo. 261/2004 staat (onder meer) het volgende:
“Artikel 5 Annulering
1. In geval van annulering van een vlucht:
a) wordt de betrokken passagier door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 8;
b) (…)
c) hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij:
i) (…)
ii) (…)
iii) (…)
2. (…)
3. Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, is niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4. (…)”
“Artikel 7 Recht op compensatie
1. Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van:
a) 250 EUR voor alle vluchten tot en met 1500 km;
b) 400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1500 km, en voor alle andere vluchten tussen 1500 en 3500 km;
c) 600 EUR voor alle niet onder a) of b) vallende vluchten.
Bij de bepaling van de afstand wordt gekeken naar de laatste bestemming waar de passagier als gevolg van de instapweigering of annulering na de geplande tijd zal aankomen.
5.5.
In overweging 14 van de preambule van Vo. 261/2004 staat over buitengewone omstandigheden (onder meer) het volgende:
“(…) Dergelijke omstandigheden kunnen zich met name voordoen in gevallen van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.”
5.6.
El Al voert aan dat de vlucht in kwestie primair is vertraagd als gevolg van slechte weersomstandigheden, zodat haar alleen al om die reden een beroep op buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Vo. 261/2004 toekomt. Deze slechte weersomstandigheden blijken volgens haar uit het (hiervoor onder 2.2. geciteerde) rapport van de ILT (‘pushback truck door gladheid geslipt’), het interne ‘Station Report for LY338-19FEB16’(‘slippery ramp condition, truck slided through’), het rapport van de sleepdienst waarin wordt geschreven over ‘icey conditions on the Ramp’, het Ground Incident Report van de Airport Authority Office Schiphol van 19 februari 2016 waaruit volgt dat de bestuurder van de sleepwagen heeft verklaard dat hij tijdens het remmen is weggegleden en ten slotte uit de PowerPoint presentatie gemaakt door de Station Manager van El Al over het incident (‘ijzige ondergrond’).
5.7.
[eisende partij] betwist dat slechte weersomstandigheden de directe oorzaak van de botsing tegen het aangrenzende hek zijn geweest en ook dat sprake is van weersomstandigheden die de vlucht in kwestie verhinderden. De vlucht zelf was immers door de luchtverkeersleiding vrijgegeven voor vertrek. In de door El Al overgelegde mediaberichten staat volgens hem dat een menselijke fout de oorzaak is geweest van de botsing. Een botsing op een vliegveld is volgens hem een gebeurtenis die inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van een luchtvaartmaatschappij. [eisende partij] verwijst onder meer naar een aantal uitspraken van andere rechtbanken in volgens hem vergelijkbare zaken (waaronder rechtbank
’s-Hertogenbosch, 14 februari 2013, LJN: BZ1387) waarin de kantonrechter heeft overwogen dat deelname aan het (vlieg)verkeer op een vliegveld een risico op verkeersongelukken (zoals botsingen) meebrengt en dat dit inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van een luchtvaartmaatschappij. El Al kan dus niet onder haar verplichting tot het betalen van een compensatie uitkomen met een beroep op een buitengewone omstandigheid, aldus [eisende partij] .
5.8.
De kantonrechter overweegt als volgt. Of sprake was van een ijzige ondergrond en daarmee ook van ‘weersomstandigheden die de vlucht in kwestie verhinderen’, hetgeen [eisende partij] gemotiveerd heeft betwist, kan naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op de hierna volgende overwegingen, in het midden blijven. De kantonrechter acht zich overigens bij de hierna volgende overwegingen niet gebonden aan de inhoud van het besluit van de ILT, dat in deze procedure geen formele rechtskracht heeft. De kantonrechter overweegt ook dat de genoemde NEB-lijst hem niet bindt. Daarbij komt dat de NEB-lijst onderlinge verschillen vertoont met de door de Europese Commissie bij het voorstel tot herziening van de Verordening gepubliceerde (niet-uitputtende) lijst van omstandigheden die wel of juist niet als buitengewoon dienen te worden beschouwd (de EC-lijst). Over deze EC-lijst is door het Europees Economisch en Sociaal Comité een advies uitgebracht, dat – zakelijk weergegeven – kritisch is over onderdelen van zowel de NEB-lijst als de EC-lijst. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, hebben de kantonrechter ertoe gebracht geen (doorslaggevende) waarde toe te kennen aan de NEB-lijst.
5.9.
Het HvJ EU heeft in zijn uitspraak in de zaak Wallentin-Hermann (HvJ EU 22 december 2008, zaak C-594/07, NJ 2009/230) bepaald dat “een technisch probleem aan een luchtvaartuig dat annulering of de vertraging van een vlucht tot gevolg heeft, niet onder het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ in de zin van deze bepaling valt, tenzij dit probleem voortvloeit uit gebeurtenissen die wegens hun aard of hun oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en deze hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.” Alvorens tot deze conclusie te komen heeft het HvJ EU, in punt 14 van genoemde uitspraak, overwogen dat tot buitengewone omstandigheden die zelfs door het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden, onder meer onverwachte vliegveiligheidsproblemen kunnen behoren.
5.10.
El Al heeft onweersproken gesteld en voldoende aangetoond dat het toestel is beschadigd door een botsing met het hek, veroorzaakt door een derde, namelijk de bestuurder van de sleepwagen van de luchthaven, en dat de schade als gevolg van deze botsing onverwachte vliegveiligheidsproblemen met zich meebracht (waardoor de onderhavige vlucht is vertraagd). Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee sprake van een gebeurtenis die niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van El Al. Het betreft hier een van buiten komende oorzaak waarop El Al, wegens de oorsprong ervan, geen invloed kan uitoefenen. De van buiten komende oorzaak is naar het oordeel van de kantonrechter in deze zaak niet zozeer het (mogelijk) slechte weer maar de botsing waarop zij geen enkele invloed kon uitoefenen en waardoor de vliegveiligheid in gevaar kwam.
5.11.
Het HvJ EU heeft in de Wallentin-uitspraak ook overwogen dat, aangezien niet alle buitengewone omstandigheden aanleiding geven tot vrijstelling, de luchtvaartmaatschappij die zich op dergelijke omstandigheden beroept bovendien moet aantonen dat de genoemde omstandigheden hoe dan ook niet voorkomen hadden kunnen worden door het treffen van aan de situatie aangepaste maatregelen, dat wil zeggen maatregelen die op het tijdstip van de buitengewone omstandigheden met name voldoen aan voor de betrokken luchtvaartmaatschappij aanvaardbare technische en economische voorwaarden. De vervoerder dient aan te tonen dat hij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van zijn onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot annulering van de vlucht leidden. Dit geldt sinds het Sturgeon-arrest ook bij langdurige vertraging.
5.12.
[eisende partij] betwist dat El Al al het mogelijke heeft gedaan om de vertraging te voorkomen. Het had op de weg van El Al gelegen, aldus [eisende partij] , om de mogelijkheid te onderzoeken om een toestel van een derde partij te huren en daarbij de vlucht alsnog bijtijds uit te voeren dan wel de vertraging te beperken. Nergens blijkt dat El Al deze mogelijkheid heeft onderzocht.
5.13.
El Al voert aan dat zij direct heeft onderzocht welke mogelijkheden binnen haar macht lagen om de vertraging voor de passagiers zoveel mogelijk te beperken. Dit blijkt volgens haar uit het door haar overgelegde ‘Station Report for LY338-19FEB16’.
Zij heeft eerst onderzocht of er een passend reserveonderdeel beschikbaar was. Dat was niet het geval (‘Available part was not suitable due to incorrect light system’). Een relatief groot onderdeel, zoals een winglet, is niet zomaar voorhanden op elk vliegveld waar El Al op en vandaan vliegt, aldus El Al. Bovendien zou de reparatie na het laten invliegen van dat onderdeel volgens haar niet afgerond hebben kunnen worden vóór aanvang van de sjabbat. Reparatie na afloop van de sjabbat zou een nog grotere vertraging tot gevolg hebben gehad. Na diverse oplossingen te hebben onderzocht heeft zij uiteindelijk besloten een vervangend toestel vanuit Israël te laten overvliegen, aldus El Al. Aan de passagiers zijn in de tussentijd een hotelovernachting en (koosjere) maaltijden aangeboden.
5.14.
Gelet op hetgeen El Al heeft aangevoerd is de kantonrechter van oordeel dat zij voldoende heeft aangetoond dat zij de botsing hoe dan ook niet had kunnen voorkomen en dat zij de vertraging van de vlucht in kwestie niet heeft kunnen vermijden. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep op buitengewone omstandigheden wel slaagt.
5.15.
Met inachtneming van de voorgaande overwegingen zal de vordering van [eisende partij] worden afgewezen.
5.16.
[eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.