1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na een toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 juni 2017 te Nijmegen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door:
- -
de kleding van die [slachtoffer] uit te trekken en/of (vervolgens) op het lichaam van die [slachtoffer] te gaan liggen en/of (vervolgens)
- -
meermalen voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] ,
- -
misbruik te maken van zijn lichamelijke en psychische overwicht
- -
misbruik te maken van de omstandigheid dat [slachtoffer] onder invloed van drugs was
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten, het één of meermalen:
- -
betasten en/of knijpen in de borst(en) en/of
- -
het likken aan, over en/of tussen de schaamlippen en/of
- -
het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of
- -
het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina;
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 19 juni 2017 te Nijmegen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten, het één of meermalen:
- betasten en/of knijpen in de borst(en) en/of
- het likken aan, over en/of tussen de schaamlippen en/of
- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of
- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
1
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
In de avond van 18 juni 2017 is [slachtoffer] , roepnaam [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, met [getuige 1] , een vriend van haar, naar de woning van verdachte in Nijmegen gegaan. In die woning had verdachte een eigen kamer. Hier zijn ze tot in de vroege ochtend van 19 juni 2017 gebleven.2 Verdachte was een bekende van [getuige 1] .3 Verdachte en [slachtoffer] hebben elkaar die avond voor het eerst ontmoet.4 [slachtoffer] , [getuige 1] en verdachte hebben in de kamer van verdachte wiet gerookt.5 Op een gegeven moment heeft [getuige 1] de kamer verlaten en is hij naar beneden naar de woonkamer gegaan. Verdachte en [slachtoffer] zijn alleen in de kamer van verdachte achtergebleven.6 Verdachte heeft toen verschillende seksuele handelingen bij [slachtoffer] verricht. Hij heeft haar borsten betast, gelikt aan haar schaamlippen en zijn vingers en zijn penis in haar vagina gebracht.7
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde verkrachting.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Wat betreft het primaire feit heeft de verdediging gesteld dat de seks vrijwillig was en dat overtuigend bewijs voor verkrachting ontbreekt. Hiertoe is naar voren gebracht dat de verklaringen van aangeefster en van getuige [getuige 1] onbetrouwbaar moeten worden geacht, onder meer vanwege de tegenstrijdigheden en eigenaardigheden in hun verklaringen, en vanwege het feit dat zij ten tijde van het incident onder invloed van drugs waren. Daarnaast heeft de verdediging naar voren gebracht dat niet aan het wettelijk bewijsminimum wordt voldaan.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde zou verdachte moeten worden vrijgesproken omdat hij niet wist dat aangeefster jonger dan 16 jaar was.
Beoordeling door de rechtbank
Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster en [getuige 1]
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Immers, niet alleen is aangeefster in haar verschillende verklaringen bij de politie en later bij de rechter-commissaris consistent gebleven in haar relaas van de gebeurtenissen in de nacht van 18 op 19 juni 2017, alsmede van de gedragingen van verdachte en van haarzelf. Maar bovendien vinden haar verklaringen - ook op detailniveau - voldoende bevestiging in andere bewijsmiddelen, waarin de verklaringen en waarnemingen van anderen zijn opgenomen, te weten van verdachte zelf, van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
Verdachte heeft immers bevestigd dat de seksuele handelingen zijn verlopen zoals door aangeefster verklaard, zij het met de toevoeging dat in zijn beleving alles vrijwillig plaatsvond.
Getuige [getuige 1] heeft, net als aangeefster en anders dan door verdachte beweerd, verklaard dat hij aan verdachte heeft verteld hoe oud aangeefster was. Bovendien heeft hij verklaard aangeefster te hebben horen roepen “niet doen”. En zowel hij als getuige [getuige 2] heeft waargenomen dat aangeefster later bang was en is weggerend. Voorts acht de rechtbank van belang dat aangeefster heeft verklaard nog maagd te zijn geweest en niet wilde dat dit haar eerste keer zou zijn, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank bevestiging vindt in de verklaring van [getuige 1] .
Ten slotte weegt de rechtbank mee dat de verbalisanten die aangeefster later aantroffen, hebben waargenomen dat zij erg overstuur was, hetgeen aansluit bij de verklaringen van [getuige 1] en aangeefster.
De rechtbank overweegt voorts met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster nog als volgt. Dat aangeefster over bepaalde details die zich voordeden tijdens het ondergaan van de seksuele handelingen wisselend heeft verklaard, en ze niet meer elk detail hiervan weet te herinneren, vindt de rechtbank niet vreemd, gelet op de traumatische gebeurtenissen die zij beschrijft. De rechtbank overweegt daarnaast dat het handelen van aangeefster, waarbij ze niet de kamer is uitgegaan toen verdachte seksuele handelingen met haar verrichtte, en een sigaret is gaan roken met verdachte nadat ze naar eigen zeggen door hem verkracht was, in zijn algemeenheid wellicht atypisch overkomt. Dit gedrag past naar het oordeel van de rechtbank echter wel bij haar persoon als een kwetsbaar meisje van vijftien dat, ook gelet op het feit dat ze naar zij heeft verklaard eerder het slachtoffer van ontucht is geweest, ‘bevroor’ toen verdachte haar aanraakte en niet goed wist wat ze moest doen. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat zij wegens haar problematiek verblijft in een instelling en dat zij eerder zelfmoord heeft proberen te plegen. Daarnaast heeft aangeefster goed uit kunnen leggen waarom ze zo handelde en heeft ze ook verklaard dat ze achteraf zelf denkt dat ze misschien beter anders had moeten handelen. Dit komt op de rechtbank authentiek over. Hoewel het handelen van aangeefster op sommige punten misschien niet logisch overkomt, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank zeker niet dat haar verklaringen om die reden onbetrouwbaar of ongeloofwaardig moet worden geacht.
Het bovenstaande betekent dat de rechtbank hierna zal uitgaan van de juistheid van de verklaringen van aangeefster en van [getuige 1] .
Vrijwillige seks of onvrijwillig?
Uit de verklaringen van aangeefster volgt het volgende. In de avond van 18 juni 2017 is aangeefster samen met [getuige 1] en verdachte vanuit station Nijmegen-Lent naar het huis van verdachte gelopen.8 Zij heeft [getuige 1] toen aan verdachte in het Arabisch laten vertalen dat ze vijftien jaar oud is. [getuige 1] heeft aangeefster en verdachte nog even alleen gelaten in het huis van verdachte en toen hadden zij een gesprek. Dat verliep moeilijk, omdat verdachte niet goed Nederlands sprak. Toen ze met zijn drieën op de kamer van verdachte waren, was aangeefster op een gegeven moment zo stoned en moe dat ze op het tweepersoonsbed van verdachte is gaan liggen, onder de deken. Toen [getuige 1] daarna zei dat hij naar beneden ging, is zij niet meegegaan. Ze was zo stoned en moe en dacht: “doei, laat maar”. Verdachte vroeg toen wat ze ging doen. Aangeefster zei dat ze ging slapen. Verdachte kwam toen al heel dicht naast haar liggen. Zij lag met de rug naar hem toe. Ze draaide zich om en zei dat ze wilde slapen. Hij zei: “I like you”.9 Hij wilde een kus, zij zei “nee.” Hij zei toen: “five minutes.” Ze zei weer “nee.” Ze dacht dat hij seks wilde en zei “I just met you two hours ago.” Hij bleef maar “please” zeggen. Aangeefster zei wel twintig keer tegen hem dat ze hem niet kende en dit niet wilde. Ze heeft ook gezegd dat ze een ‘virgin’ was en geen seks wilde. Dit heeft ze in het Nederlands gezegd en in het Engels geprobeerd te zeggen. Uiteindelijk heeft ze hem een kus gegeven omdat ze dacht dat ze er dan vanaf was. Hij wilde daarna echter nog meer en is aan haar borsten gaan zitten. Toen werd ze boos en zei ze “no, no, no.” Ze draaide zich om en hij zei toen: “Okay, you are free.” Hij kwam daarna echter weer dicht bij haar liggen. Op het moment dat ze dacht dat hij sliep draaide ze zich om omdat ze anders wilde liggen. Hij keek haar toen recht aan en vroeg waarom ze niet sliep. Hij zei volgens aangeefster: “I want you now, you can see later that I am a good boy”. Aangeefster realiseerde zich achteraf dat ze gewoon naar beneden had moeten gaan. Ze wilde volgens haar verklaring echter niet naar beneden, naar de rechtbank begrijpt omdat ze de situatie dan aan [getuige 1] uit zou moeten leggen en omdat ze bang was dat ze ruzie met [getuige 1] zou krijgen. Toen verdachte met zijn hand onder haar jurk ging, duwde aangeefster hem weg met haar elleboog. Hij ging hierop weg, maar kwam bovenop haar terug. Aangeefster heeft verklaard dat ze ‘nee’ bleef zeggen. Ze wilde verdachte niet boos maken, maar ze wilde hem wel weg hebben. Ze duwde hem weer weg en ging rechtop tegen de bedleuning zitten. Toen hij daarna zijn vinger in haar vagina duwde, versteende ze en kwam ze in een soort waas, aldus aangeefster. Ze dacht aan haar pleegvader die ooit bij haar ontucht had gepleegd, en zag dat weer voor zich. Verdachte trok haar jurk uit en zij zei weer “nee” tegen hem. Aangeefster heeft verklaard dat ze verward was in haar hoofd.10 Op een gegeven moment waren ze naakt en volgens haar verklaring bleef aangeefster “nee” roepen. Toen stopte hij zijn penis in haar vagina waarop aangeefster volgens haar verklaring riep “nee” en “haal eruit, stop!”. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte toen zijn penis uit haar vagina haalde en zijn vingers in haar vagina deed. Daarna wilde verdachte opnieuw zijn penis in haar vagina doen en aangeefster riep volgens haar verklaring: “nee, nee, nee niet doen.” Ze heeft verklaard dat ze toen iemand aan hoorde komen lopen en op de deur kloppen. Uit haar verklaring begrijpt de rechtbank dat het [getuige 1] was die op de deur klopte. Aangeefster heeft verklaard tegen [getuige 1] op dat moment te hebben gezegd dat ze niet naar buiten wilde komen omdat ze naakt was. Toen [getuige 1] zei - kennelijk door de dichte deur - dat hij weg ging, heeft aangeefster volgens verklaring haar jurk aangedaan en is ze hem achterna gerend. [getuige 1] vertelde haar beneden dat hij haar heeft horen roepen: “stop, het doet pijn.” Uiteindelijk is ze met [getuige 1] het huis uitgerend.11 Ze hebben de politie gebeld. Ze was erg in paniek en moest telkens huilen. Ze denkt dat het allemaal tussen 04:00 en 05:00 uur gebeurd is.12
Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster nog verklaard dat ze als bevroren was toen het gebeurde en dat ze achteraf wel heeft gedacht: ‘had ik hem maar geslagen’. Ze heeft hem wel direct weggeduwd, hem zeker twee keer een fikse elleboog gegeven en “nee” tegen hem gezegd. Aangeefster durfde de kamer niet te verlaten. Ondanks dat verdachte niet gewelddadig was, had ze het idee dat de situatie zo maar om kon slaan.13
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij toen hij met verdachte en aangeefster, die in dit verband als ‘ [slachtoffer] ’ wordt aangeduid, naar de woning van verdachte liep, verdachte heeft verteld dat [slachtoffer] vijftien jaar oud is.14 Op het moment dat hij vanaf de kamer van verdachte naar beneden ging, vroeg hij aan [slachtoffer] of ze stoned was. Ze zei ja hierop. Toen hij beneden was, hoorde hij dat het bed geluid maakte. Ook hoorde hij dat [slachtoffer] zei “niet doen, het doet pijn”. Hij is naar boven gegaan en heeft op de deur geklopt. Hij hoorde [slachtoffer] toen zeggen: “ik ga slapen.” Hij zei meerdere keren “kom nu”. Hij liep toen weer naar beneden en toen liep [slachtoffer] achter hem aan, en verdachte daarachter. [slachtoffer] zei toen dat ze niet was gekomen omdat ze geen onderbroek en geen bh aan had.15 Getuige was toen boos. [slachtoffer] heeft hem eerder verteld dat ze nog nooit seks met iemand heeft gehad. Getuige is nog naar de kamer van verdachte gegaan en zag dat er bloed op het bed lag. Uiteindelijk stond getuige buiten en heeft hij [slachtoffer] gebeld dat ze eraan moest komen. Dat deed ze. Ze is toen gaan huilen en rennen. Toen hij en [slachtoffer] buiten stonden, vertelde ze hem dat ze het niet wilde en dat ze verdachte vier keer had weggeduwd. Onderweg belde verdachte naar getuige en vroeg nog wat ze gingen doen. [slachtoffer] was echt verdrietig en overstuur. Uiteindelijk hebben ze de politie gebeld.16
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat toen het meisje wegging, hij zag dat ze liep op een manier waaraan te zien was dat ze een beetje bang was. Later hoorde hij dat [verdachte] (verdachte) [getuige 1] belde en zei: “ [getuige 1] alsjeblieft, geen aangifte doen.” Verdachte vroeg aan [getuige 1] of ze terug zouden komen en alles konden fixen.17 Bij de rechter-commissaris heeft getuige [getuige 2] verklaard dat hij heeft gezien dat het meisje het huis rennend heeft verlaten. Ze deed de deur open en is snel vertrokken.18 De verklaring van aangeefster dat zij geen seks met verdachte wilde, wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door deze verklaring van getuige [getuige 2] . Deze getuige is een huisgenoot van verdachte. Gesteld noch gebleken is dat deze getuige een reden zou hebben om in het nadeel van verdachte te verklaren als dit niet de waarheid zou zijn.
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die op 19 juni 2017 omstreeks 05:15 uur een melding van een mogelijke verkrachting kregen, troffen aangeefster en [getuige 1] aan op het station Nijmegen-Lent. [verbalisant 2] zag dat het meisje (aangeefster) erg overstuur was en hard huilde. Zij probeerde het meisje te kalmeren. Verbalisant vroeg wat er aan de hand was maar het meisje bleef huilen19. Ook verbalisant [verbalisant 1] zag dat het meisje huilt en overstuur was.20
Uit de verklaringen van aangeefster en [getuige 1] en uit het feit dat er bloed op het deken van verdachte is aangetroffen,21 trekt de rechtbank de conclusie dat aangeefster nog maagd was. Kort voor het incident had ze weliswaar een vriendje,22 maar waarmee ze kennelijk geen geslachtsgemeenschap had gehad. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat een kwetsbaar meisje van vijftien, dat nog nooit geslachtsgemeenschap heeft gehad, zelfs niet met haar vriendje, vrijwillig geslachtsgemeenschap heeft met een vijf jaar oudere jongen die ze een paar uur eerder heeft ontmoet.
Verdachte heeft verklaard dat hij aan de gelaatsuitdrukking van aangeefster heeft kunnen zien dat zij wel zin had in seks met hem.23 De rechtbank overweegt dat een dergelijke waarneming
- dan wel inbeelding van een dergelijke waarneming - bij een onbekende persoon volstrekt onvoldoende is voor de conclusie dat de seks op vrijwillige basis plaats zou hebben. Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte op enkele punten wisselend heeft verklaard over de gebeurtenissen, wat zijn verhaal ook ongeloofwaardig maakt.
De rechtbank komt, gelet op het vorenstaande, tot het oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster niet op vrijwillige basis hebben plaatsgevonden.
‘Dwang’ in de zin van artikel 242 Wetboek van Strafrecht?
Uit de verklaring van aangeefster volgt dat zij meermalen ‘nee’ heeft gezegd, en dat ze verdachte meermalen heeft weggeduwd. Zij wilde geen seks met verdachte en liet dit ook blijken. Desondanks is verdachte doorgegaan met het plegen van seksuele handelingen. Ook heeft hij haar kleren uitgetrokken en is hij op haar lichaam gaan liggen. Verdachte heeft daarnaast ook misbruik gemaakt van de omstandigheid dat zij onder invloed van softdrugs was toen hij toenadering begon te zoeken. Aangeefster en [getuige 1] hebben beiden verklaard dat aangeefster stoned was, en aangezien aangeefster samen met verdachte wiet heeft gerookt, was verdachte hiervan ook op de hoogte. Verdachte heeft tot slot misbruik gemaakt van zijn psychische overwicht. Verdachte is ouder en heeft aanzienlijk meer levenservaring. Er is geen sprake van een situatie waarbij verdachte en aangeefster gelijkwaardig waren aan elkaar.
De seksuele handelingen vonden voorts plaats in de kamer van verdachte en verdachte sprak in een taal die aangeefster niet begreep. Hij wist ook dat aangeefster kwetsbaar was. Hij heeft immers verklaard dat hij wist dat aangeefster in een opvangcentrum woonde en hij had gezien dat zij littekens op haar handen en lichaam had. Bovendien wist hij dat aangeefster vier keer zelfmoord had proberen te plegen.24 Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat aangeefster pas vijftien jaar oud was. Hoewel hij dit heeft ontkend, hebben aangeefster én getuige [getuige 1] hier eenduidig over verklaard, zelfs over het moment waarop [getuige 1] dit aan verdachte zou hebben verteld. De rechtbank acht de verklaring van verdachte hierover dan ook niet geloofwaardig. Vanwege deze omstandigheden had verdachte naar het oordeel van de rechtbank een psychisch overwicht op aangeefster.
De rechtbank overweegt nog dat onvoldoende is gebleken van een lichamelijk overwicht dat verdachte op aangeefster had, nu verdachte weliswaar op aangeefster is gaan liggen, maar onduidelijk is in hoeverre er verschil in gewicht en/of kracht tussen beiden bestond.
Gezien al deze feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden en aangeefster het gevoel heeft gegeven dat zij geen keus had. De gedragingen van verdachte leverden een zodanig geestelijk overwicht op dat aangeefster daar, ook gezien haar leeftijd en kwetsbaarheid, geen weerstand aan kon bieden en zich gedwongen voelde seksuele handelingen te ondergaan. Verdachte heeft aangeefster aldus gedwongen om seksuele handelingen te ondergaan, hetgeen leidt tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde zoals hierna weergegeven.
7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor de plaats Zetten, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat het toekomstperspectief van verdachte door deze zaak op losse schroeven is komen te staan, nu verdachte een vluchteling is uit [land] die zijn leven in Nederland probeert op te bouwen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:
- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 14 augustus 2017;
- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 20 oktober 2017.
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft een meisje van vijftien jaar oud verkracht. Zij was bij hem op bezoek met een gezamenlijke vriend. Met zijn drieën hebben ze in de slaapkamer van verdachte eerst nog wiet gerookt, waarna deze vriend naar de woonkamer is gegaan. Aangeefster was stoned en moe en wilde slapen. Verdachte bleef bij haar achter en is naast haar op het bed gaan liggen. Hier heeft verdachte, ondanks verbaal en non-verbaal tegenstribbelen van het slachtoffer, meerdere seksuele handelingen met haar verricht. Verdachte wist bovendien dat het meisje niet alleen slechts 15 jaar oud was, maar ook dat zij een problematische achtergrond had. Het ging om een meisje dat kwetsbaar was. Verdachte heeft hiermee op een ernstige wijze misbruik gemaakt van de situatie en van de kwetsbaarheid van het meisje.
Verdachte heeft met zijn gedrag een onaanvaardbare en ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer was nog maagd, en heeft met verdachte, tegen haar zin in, haar eerste seksuele ervaringen beleefd. Hiermee heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling van het slachtoffer doorkruist. Slachtoffers van misbruik ervaren vaak nog lange tijd psychische klachten. Voor dit slachtoffer is dit niet anders, en het feit heeft een behoorlijke impact op haar gehad. Ze heeft te kampen met negatieve stemmingen en er is sprake van een acute stressstoornis. Ze is gestart met EMDR-therapie, maar omdat ze niet over het voorval wil praten, is dit stopgezet. Verdachte heeft bij het plegen van dit strafbare feit zijn eigen lustgevoelens voorop gesteld. De rechtbank neemt hem dit alles zeer kwalijk.
Gezien de ernst van het feit en het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht is slechts een gevangenisstraf van langere duur aan de orde. In navolging van de officier van justitie acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden passend. De rechtbank zal hier geen voorwaardelijk deel aan verbinden. Volgens de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht komt een veroordeelde in beginsel in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling nadat tweederde deel van de straf is ondergaan. Als dat moment is aangebroken, kan bepaald worden of invrijheidstelling aan de orde is en zo ja, welke bijzondere voorwaarden op dat moment het meest passend zijn.
Beslag
Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden voorwerpen aan de beslagene:
Telefoontoestel Huawei P9 (nr. 1 beslaglijst);
Beddengoed (nr. 2 beslaglijst);
Ondergoed (boxershort) (nr. 3 beslaglijst);
Matras (nr. 4 beslaglijst);
Zwart ondergoed (nr. 5 beslaglijst);
Jas (nr. 6 beslaglijst);
Broek (nr. 7 beslaglijst);
Shirt (nr. 8 beslaglijst);
Broek (nr. 9 beslaglijst);
Schoeisel (slippers) (nr. 10 beslaglijst).
7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezen verklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 18.779,30.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geadviseerd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot het bedrag van € 18.741,82 waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is gevorderd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 128 dagen hechtenis. Voor het overige, wat de reiskosten en de telefoonkosten betreft voor de zaak in hoger beroep, heeft de officier van justitie geadviseerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat verdachte integraal behoort te worden vrijgesproken.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering tot vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zittingen in eerste aanleg niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dit gaat om verplaatste schade, zijnde kosten die de ouders van de benadeelde partij hebben gemaakt, en niet de benadeelde partij zelf. De vordering voor wat betreft de reiskosten voor de zitting in hoger beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat het om toekomstige kosten gaat. De vordering voor zover die ziet op de kosten voor de studievertraging en de telefoonkosten dient volgens de verdediging ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Tot slot heeft de verdediging verzocht een eventuele toekenning van immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 1.500,00. Hierbij heeft de verdediging onder meer naar voren gebracht dat ook vóór dit incident al sprake was van psychische problematiek bij het slachtoffer.
Beoordeling door de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.
Ten aanzien van de hoogte van de gevorderde en toe te wijzen schade oordeelt de rechtbank als volgt.
De reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt om aangifte te doen bij de politie en ten behoeve van het gesprek met de officier van justitie acht de rechtbank voldoende onderbouwd. Dit betreft een bedrag van € 25,48.
De benadeelde partij heeft voorts ter zitting de vordering nog aangevuld, in de zin dat naast reiskosten voor de zitting in september 2017 in Zutphen, ook vergoeding van reiskosten wordt gevorderd voor de zitting in Arnhem, en voor de eventuele zitting in hoger beroep zitting in Arnhem, wat in alle gevallen een bedrag van € 12,48 (totaal € 37,44) betreft.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering met betrekking tot de reiskosten in eerste aanleg, omdat de benadeelde partij bij beide zittingen zelf niet aanwezig is geweest en het bovendien gaat om kosten die haar ouders hebben gemaakt. De benadeelde partij zal ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering van de reiskosten in hoger beroep, omdat dit om eventuele toekomstige schade gaat.
De benadeelde partij zal voorts niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering van de telefoonkosten, omdat niet aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij dergelijke telefoonkosten heeft gemaakt en dus deze schade heeft geleden. Een nadere onderbouwing daarvan ontbreekt immers.
Wat betreft de schade wegens studievertraging oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij haar schooljaar heeft moeten doubleren door hetgeen verdachte haar op 19 juni 2017 heeft aangedaan. Het incident heeft immers plaatsgevonden in de laatste paar weken van haar schooljaar. Niet aannemelijk is geworden dat niet ook schoolprestaties eerder in het schooljaar debet zijn aan het doubleren. Ook dit deel van de vordering zal de rechtbank dus niet-ontvankelijk verklaren.
Wat betreft de vordering tot immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat het gevorderde schadebedrag voor matiging in aanmerking komt. Daarbij is aansluiting gezocht bij toegekende schadevergoedingen in min of meer vergelijkbare zaken. De rechtbank ziet aanleiding om een bedrag van € 4.000,00 toe te wijzen, omdat uit de stukken voldoende is gebleken dat de benadeelde partij forse psychische schade ten gevolge van het feit heeft geleden. Bovendien houdt de rechtbank hierbij rekening met het feit dat zij door verdachte ontmaagd is. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank zal hierbij ook vergoeding van de gevorderde wettelijke rente toekennen en een schadevergoedingsmaatregel opleggen. De wettelijke rente van de reiskosten zal worden toegewezen vanaf de datum van laatste terechtzitting, zijnde 4 december 2017, nu niet duidelijk is wanneer de reiskosten voor het slachtoffergesprek met de officier van justitie zijn gemaakt. De wettelijke rente over de vergoeding wegens immateriële schade zal worden toegewezen vanaf 19 juni 2017, zijnde de datum van het bewezen verklaarde feit.
9 De beslissing
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten:
Telefoontoestel Huawei P9 (nr. 1 beslaglijst);
Beddengoed (nr. 2 beslaglijst);
Ondergoed (boxershort) (nr. 3 beslaglijst);
Matras (nr. 4 beslaglijst);
Zwart ondergoed (nr. 5 beslaglijst);
Jas (nr. 6 beslaglijst);
Broek (nr. 7 beslaglijst);
Shirt (nr. 8 beslaglijst);
Broek (nr. 9 beslaglijst);
Schoeisel (slippers) (nr. 10 beslaglijst).
De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 4.025,48 (zegge: vierduizend vijfentwintig euro en achtenveertig cent),
vermeerderd met de wettelijke rente:
o over een bedrag van € 4.000,- vanaf 19 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
o over een bedrag van € 25,48 vanaf 4 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening,
met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
- -
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;
- -
legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 4.025,48 (vierduizend vijfentwintig euro en achtenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 4.000,- vanaf 19 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, en over een bedrag van € 25,48 vanaf 4 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 50 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
- -
bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg (voorzitter), mr. P.C. Quak en
mr. J.B.J. Driessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 december 2017.
|
|
|
|
|
|
|
|
|