Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:415

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
24-01-2017
Zaaknummer
05/740219-16
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:6655, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 65-jarige man uit Emmen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Veroordeelde heeft als masseur een bezoekster van een saunacomplex verkracht door onverhoeds met (één van) zijn vingers in haar vagina te gaan. Verder heeft hij ook zijn penis in haar hand gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740219-16

Datum uitspraak : 24 januari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. J.J.J. Broekhuizen, advocaat te Putten.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 10 januari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 april 2016 te Putten, in ieder geval in Nederland, door één of meer feitelijkheden, een persoon, te weten [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van één of meer handelingen mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte op onverhoedse wijze één of meer van zijn vingers in de

vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of de vagina van die [slachtoffer] betast en/of zijn penis in de hand(palm) van die [slachtoffer] gelegd/gebracht, terwijl die [slachtoffer] op dat moment als bezoekster van saunacomplex [naam] een zgn. hamammassage door verdachte (die daar als masseur werkzaam was) onderging.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte werkte als masseur in het saunacomplex [naam] te Putten. Op 12 april 2016 gaf hij [slachtoffer] (hierna: aangeefster) als bezoekster van het saunacomplex een hamammassage. Tijdens die massage heeft aangeefster de penis van verdachte in haar hand(palm) gehad.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de verkrachting bepleit. Daartoe is naar voren gebracht dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor een bewezenverklaring. De verklaring van aangeefster staat lijnrecht tegenover de verklaring van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster hem eerst bij zijn billen en heupen en later ook bij zijn penis heeft aangeraakt, waarna hij de massagebehandeling heeft gestaakt. Deze verklaring is aannemelijk. Daarentegen is de verklaring van aangeefster onaannemelijk, niet consistent, niet logisch en derhalve onbetrouwbaar. De getuigenverklaringen betreffen allen ‘de auditu-verklaringen’ en zijn afkomstig uit dezelfde bron, te weten aangeefster. Het dossier bevat aldus geen steunbewijs voor de ten laste gelegde en door aangeefster gestelde handelingen. Tot slot is ook nog gewezen op de ontlastende verklaring van getuige [getuige 1] , welke overeen kwam met de verklaring van verdachte, namelijk dat aangeefster tevreden was met de behandeling.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

Vooropgesteld wordt het volgende. Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door de omstandigheid dat slechts twee personen aanwezig waren bij de (gestelde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dit kan in geval van een ontkennende verdachte met zich brengen dat slechts de verklaringen van het (vermeende) slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. De enkele verklaring van één getuige – in zo’n geval het slachtoffer – is in beginsel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaring van het slachtoffer toch voldoende wettig bewijs kan opleveren. Uit het dossier en uit het verhandelde ter zitting moet de rechter dan onverminderd de overtuiging krijgen dat het aan een verdachte ten laste gelegde feit gepleegd is.

Verklaringen

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij bij verdachte een hamambehandeling onderging. Verdachte legde tijdens de behandeling, terwijl zij haar ogen dicht had, zijn penis in haar hand. In een soort grijpreflex pakte zij zijn penis vast. Kort daarna zat verdachte met zijn rechterhand eerst aan haar lies en daarna aan haar vagina. Aangeefster zei nog: ‘Niet doen’, maar verdachte zei: ‘Het kan wel hoor’. Hij raakte eerst de bovenkant van haar vagina aan, daarna de bovenste schaamlippen en ging vervolgens met een vinger haar vagina binnen en bewoog. Hij had grove vingers, waardoor zij niet kan zeggen of het één of twee vingers waren. Vervolgens haalde hij zijn vinger(s) uit de vagina en raakte haar clitoris aan. Het was secondewerk. Kort na de massage vertelde aangeefster aan haar vriendin [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) wat er was gebeurd. Aangeefster heeft wel tig keer gezegd dat zij zich vies voelde, dat zij zich kapot schaamde en zij heeft zichzelf steeds de vraag gesteld wat zij fout heeft gedaan. Samen met [getuige 2] is zij naar de receptioniste gegaan om te vertellen wat er was gebeurd en daarna heeft zij ook verhaal gedaan aan de directie, waaronder [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), van het saunacomplex.3

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij aangeefster vanaf haar vierde levensjaar kent. Op 12 april 2016 gingen zij samen naar de sauna. Tegelijkertijd ondergingen zij gescheiden van elkaar een behandeling. Toen [getuige 2] aangeefster na de behandeling weer zag, zei aangeefster direct: ‘Kom mee, ik heb je wat te vertellen.’ Zij zag dat aangeefster wat zenuwachtig deed. Aangeefster zei: “Ik weet niet of ik moet lachen of moet huilen”, waarna [getuige 2] om uitleg vroeg. Aangeefster vertelde heel voorzichtig dat zij tijdens de behandeling een penis in haar hand gelegd had gekregen. Aangeefster vertelde haar dat zij van zichzelf niet snapte dat zij niet op tijd stop heeft gezegd. Zij vertelde aan [getuige 2] dat zij bang en onzeker was. Na aandringen van [getuige 2] vertelde aangeefster uiteindelijk dat terwijl verdachte zijn penis in haar hand legde, hij gelijktijdig met zijn vingers in haar vagina zat. Verder verklaarde [getuige 2] nog dat aangeefster vanwege het gebeurde al twee weken van slag is.4

Getuige [getuige 3] , eigenaar van het saunacomplex [naam] te Putten, heeft verklaard dat een medewerkster hem telefonisch vertelde dat verdachte een vrouw had aangerand en dat die vrouw behoorlijk aangeslagen en emotioneel was. [getuige 3] is naar de sauna gegaan, heeft aangeefster gesproken en zag dat zij emotioneel was.5

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat aangeefster zijn naakte penis in haar hand heeft gehad.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar. Zij heeft consistent en erg uitgebreid verklaard over wat haar is overkomen en welke emoties en gevoelens dit bij haar opriep. Die emoties zijn, zoals hiervoor is overwogen, waargenomen door getuigen [getuige 2] en [getuige 3] en komen authentiek over. Verder sterkt het de rechtbank in haar overtuiging over de betrouwbaarheid van haar verklaringen dat aangeefster een afgewogen beschouwing geeft over het gedrag van verdachte, waarbij zij ook positieve punten niet onbesproken laat, zoals dat hij netjes handelde door bij het draaien op de behandeltafel telkens de doeken over haar intieme delen te leggen en dat hij haar van het vallen van de tafel behoedde door adequaat ingrijpen. Tot slot constateert de rechtbank dat aangeefsters verklaring op delen overeenkomt met de verklaring van verdachte.

Zodoende neemt de rechtbank in haar oordeelsvorming de verklaring van aangeefster tot uitgangspunt. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] , die beiden een beschrijving geven van haar emotionele gesteldheid die past bij haar relaas. Daarbij acht de rechtbank van belang dat getuige [getuige 2] aangeefster al vanaf haar vierde levensjaar kent en dat zij, zoals volgt uit haar vorenstaande verklaring, direct na het incident een verandering in de emoties en het gedrag bij aangeefster waarnam. De verklaring van aangeefster wordt verder ondersteund door de verklaring van verdachte ter terechtzitting, voor wat betreft de omstandigheden dat hij haar de betreffende dag heeft gemasseerd en dat aangeefster tijdens de massage zijn penis in haar hand heeft gehad. Dat getuige [getuige 1] heeft verklaard dat aangeefster na de behandeling heeft gezegd dat zij tevreden was met de behandeling, leidt niet tot het oordeel dat aangeefsters verklaring onbetrouwbaar is. De verklaring van [getuige 1] sluit namelijk niet uit dat de gestelde handelingen door verdachte zijn gepleegd. Getuige [getuige 1] was namelijk niet gedurende de gehele behandeling in de behandelruimte aanwezig. Verder acht de rechtbank het voorstelbaar, ook gelet op wat getuige [getuige 2] heeft verklaard over de gemoedstoestand van aangeefster na het gebeuren, dat wat was gebeurd nog moest bezinken bij aangeefster en dat zij op dat moment nog niet goed wist wat zij ermee aan moest.

Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte – wiens verklaring lijnrecht tegenover de verklaring van aangeefster staat – bij de politie niet direct verklaard over het vasthouden van de penis en dat hij hierover ook niet consistente heeft verklaard. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Wanneer verdachte bij de politie wordt gevraagd wat er is gebeurd, verklaart hij dat aangeefster hem heeft betast aan zijn billen en heupen. Als hem nogmaals wordt gevraagd hoe het precies ging, herhaalt hij dat aangeefster aan zijn billen zat terwijl hij haar aan het masseren was. Aangeefster was aan het knijpen en wrijven, verklaart verdachte. Wanneer verdachte wordt voorgehouden dat aangeefster heeft verklaard dat tijdens de behandeling ineens zijn penis in haar hand lag en hem wordt gevraagd wat hij daarover kan vertellen, antwoordt hij dat dit niet is gebeurd. Pas daarna, wanneer hem nogmaals als de verklaring van aangeefster wordt voorgehouden dat zij ineens zijn penis in haar hand voelde en zij als reflex erin kneep, antwoordt hij: ‘Ja, daar hoort zij van af te blijven.’ Bij de politie heeft hij voorts verklaard dat aangeefster niet zijn blote penis in haar hand heeft gehad, maar dat zij zijn penis over de omslagdoek heeft aangeraakt. Ter terechtzitting verklaart verdachte vervolgens dat aangeefster wel zijn blote penis in haar hand heeft gehad.

De verklaring van verdachte dat hij wellicht enerzijds uit bescherming van de klant en anderzijds uit schaamte niet direct over het ongewild vasthouden van zijn penis door aangeefster heeft verklaard, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Verdachte wist van meet af aan welke ernstige beschuldiging er tegen hem lag en is meermalen in de gelegenheid gesteld een verklaring af te leggen. Niet valt in te zien dat hij aangeefster nog immer in bescherming zou nemen dan wel dat hij uit schaamte niet eerder een verklaring heeft kunnen afleggen.

Het door verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario, namelijk dat aangeefster verdachte heeft aangeraakt in plaats van andersom, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte het feit heeft gepleegd door onverhoeds (in ieder geval één van) zijn vinger(s) in haar vagina te brengen, haar vagina te betasten en zijn penis in haar hand te leggen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 12 april 2016 te Putten, in ieder geval in Nederland, door één of meer feitelijkheden, een persoon, te weten [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van één of meer handelingen mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft verdachte op onverhoedse wijze één of meer van zijn vingers in de

vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of de vagina van die [slachtoffer] betast en/of zijn penis in de hand(palm) van die [slachtoffer] gelegd/gebracht, terwijl die [slachtoffer] op dat moment als bezoekster van saunacomplex [naam] een zgn. hamammassage door verdachte (die daar als masseur werkzaam was) onderging.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Verkrachting.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen inhoudelijk strafverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 28 november 2016 en een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland van 15 december 2016.

Verdachte heeft aangeefster als bezoekster van het saunacomplex verkracht door onverhoeds met (één van) zijn vingers in haar vagina te gaan. Verder heeft hij ook zijn penis in haar hand gelegd. Dit deed verdachte, terwijl aangeefster zich aan hem als masseur had toevertrouwd. Aangeefster moest op verdachtes professionaliteit kunnen vertrouwen. Verdachte heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster gemaakt. De impact van verdachtes handelen op aangeefster bleek onder meer uit de door haar ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring, waarin zij aangaf last te hebben van schaamte, (faal)angst, een aangetast zelfbeeld en boosheid in haar dagelijkse leven als gevolg van het gebeurde. Verder heeft verdachte door zijn handelen geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor het consumentenvertrouwen in en het imago van het saunacomplex en de beroepsgroep. De rechtbank vindt verdachtes handelen bijzonder kwalijk.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. In zijn nadeel heeft de rechtbank betrokken dat verdachte geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen en geen berouw voor zijn daden heeft getoond. Dat verdachte zijn positie als masseur bij het saunacomplex is kwijtgeraakt, is een aan verdachte zelf te wijten omstandigheid als direct gevolg van zijn strafbare handelen. Dit is dan ook geen omstandigheid die straf verlagend voor hem werkt.

De rechtbank stelt voorop dat verdachtes handelen een gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank vindt echter de eis van officier van justitie niet in lijn met straffen die in zaken met soortgelijke bewezenverklaarde seksuele handelingen worden opgelegd. Verder overweegt de rechtbank dat zij, nu verdachte het strafbare feit heeft gepleegd in het kader van zijn werkzaamheden als masseur en hij deze werkzaamheden wenst te blijven uitoefenen, aanleiding ziet om – als stok achter de deur ter voorkoming van strafbare feiten – een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan hem op te leggen.

Alles afwegende zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Dit met aftrek van de dag die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.200,50, bestaande uit de volgende schadeposten:

  • -

    reiskosten: € 183,91,-;

  • -

    diverse overige kosten: € 266,59,-;

  • -

    immateriële schade: € 2.750,-

Verder is verzocht om de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente en om aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de gehele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot betaling van het gevorderde bedrag toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Verder zijn er geen inhoudelijke standpunten naar voren gebracht.

Beoordeling door de rechtbank

Nu de verdediging geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen (de hoogte van) de gevorderde reiskosten en diverse overige kosten en deze bedragen naar het oordeel van de rechtbank voldoende zijn onderbouwd en niet onredelijk van hoogte zijn, zal zij deze schadeposten (€ 183,91 + € 266,59) toewijzen.

De immateriële schadevergoeding zal de rechtbank naar billijkheid bepalen op een bedrag van € 1.500,-. Hierbij is rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de aard en de ernst van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen aan smartengeld plegen toe te kennen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Op grond van het voorgaande, de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van in totaal € 1.950,50 aan nu toewijsbare schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De gevorderde wettelijke rente is voor wat betreft het toegewezen bedrag aan materiële schade van € 450,50 toewijsbaar vanaf 3 januari 2017, de datum van de vordering. De gevorderde wettelijke rente is voor wat betreft de immateriële schade van € 1.500,- toewijsbaar vanaf 12 april 2016, de datum van het incident.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte, op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag inclusief de wettelijke rente daarover ten behoeve van genoemde benadeelde partij. Bij de vaststelling van de vervangende hechtenis zal de wettelijke rente buiten beschouwing worden gelaten.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

- dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd (één dag), die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.950,50 (negentienhonderdvijftig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente

o voor het bedrag van € 450,50 vanaf 3 januari 2017;

o voor het bedrag van € 1.500,- vanaf 12 april 2016;

tot aan de dag der algehele voldoening, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.950,50 (negentienhonderdvijftig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 29 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en

mr. M.P. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T. de Munnik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 januari 2017.

De griffier is buiten staat

het vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Regionale Recherche, Afdeling Thematische Opsporing, Team Zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016179832, gesloten op 30 mei 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 januari 2017.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 18 t/m 23.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 31 t/m 33.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 27 t/m 29.