4 De beoordeling
4.1.
Ingevolge artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (nader te noemen: BW) eindigt een verplichting tot betaling van partneralimentatie, voor zover hier van belang, wanneer de alimentatiegerechtigde is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Van samenleven met een ander als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW is sprake wanneer tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Uitgangspunt dient te zijn dat artikel 1:160 BW restrictief wordt toegepast. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest. Hieruit vloeit onder meer voort dat de omstandigheid dat aan sommige voorwaarden voor de toepassing van artikel 1:160 BW is voldaan, geen invloed heeft op de stelplicht en bewijslast ter zake van de andere voorwaarden van die bepaling (Hoge Raad 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724).
4.2.
De man stelt dat de vrouw heeft samengewoond als ware zij gehuwd met de heer [P] (nader te noemen: [P] ) met ingang van 24 juni 2015. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist.
4.3.
De geldigheid van de tussen partijen in het convenant gemaakte afspraak is door de vrouw niet betwist. Niet gesteld is dat de vrouw melding heeft gemaakt van samenwonen met [P] als bedoeld in het tussen partijen gesloten convenant en evenmin dat de vrouw in redelijkheid niet tot die melding gehouden was. Er is dus geen sprake van de situatie als bedoeld in het convenant dat de alimentatieverplichting zal kunnen herleven indien wordt aangenomen dat de vrouw met [P] op enig moment heeft samengeleefd als ware zij gehuwd.
De criteria van artikel 1:160 BW
4.4.
Met betrekking tot de vereisten als genoemd in artikel 1:160 BW wordt op grond van het door partijen gestelde als volgt geoordeeld.
Affectieve relatie van duurzame aard
4.5.
De vrouw heeft erkend dat zij een affectieve relatie met [P] heeft gehad. Zij betwist dat deze van duurzame aard was. [P] en de vrouw zouden de relatie hebben beschouwd als van opbouwende aard. De vrouw heeft daartoe gewezen op de whatsapp berichten die zijn verstuurd tussen haar en [P] op 4 december 2015 (pagina’s 14 en 15 van productie 32 van de man). De rechtbank kan uit die berichten niet afleiden dat de vrouw en [P] de relatie niet als van duurzame aard beschouwden. Dat zij, zoals de vrouw in de berichten schrijft, zaken op een rij moesten zetten, is daartoe onvoldoende, mede gelet op de liefdesuitingen tussen de vrouw en [P] in deze en andere berichten. Daarbij is voorts van belang dat de relatie, zo is onweersproken, omstreeks maart 2015 is aangevangen en tot in december 2015 heeft geduurd, in welke periode – los van de hierna te geven beoordeling van de vraag of zij samenwoonden – de vrouw en [P] veelvuldig samen op één plek hebben verbleven en samen vakanties hebben genoten terwijl zij ook verder intensief whatsapp- en mailcontact onderhielden. Er was derhalve geen sprake van een bevlieging, maar van een langer durende relatie van intensieve aard. De omstandigheid dat de relatie in december 2015 is verbroken, maakt niet dat deze voordien door de vrouw en [P] als niet duurzaam werd beschouwd en evenmin dat deze door een derde niet als zodanig kon worden beschouwd.
4.6.
De rechtbank zal gelet hierop aannemen dat tussen [P] en de vrouw een affectieve relatie van duurzame aard heeft bestaan.
4.7.
Aanvankelijk woonde de vrouw in een huurwoning aan [adres 1 (NL)] . De huur van deze woning heeft zij opgezegd tegen 30 juli 2015. Per 15 juli 2015 is zij vertrokken. Nadien heeft zij korte tijd gewoond in het appartement waar destijds ook de zoon van partijen met zijn vriendin woonde. De dochter van partijen woonde hier aanvankelijk ook, maar vertrok. De vrouw had op dat adres – zo is onweersproken – geen eigen voorzieningen en evenmin heeft zij de door haar gebruikte ruimte meer dan spaarzaam gemeubileerd met eigen spullen. Per 1 augustus 2015 heeft de vrouw zich ingeschreven op [adres 2 (NL)] . Het betrof een kamer in een door een vriendin van de vrouw gedreven Bed&Breakfast. Ook op dit adres had de vrouw geen beschikking over een eigen keuken, douche en toilet. Zij beschikte over een parkeervergunning voor dit adres.
4.8.
De inboedel waarover de vrouw beschikte is voor een deel verhuisd naar de woning “ [naam] ” in [plaats] in [gebied] (Frankrijk) waarvan [P] mede-eigenaar was. De vrouw stelt dat het ging om enkele spullen die nodig waren om de woning wat aan te kleden en aldus verkoop klaar te maken, nu het voornemen was deze woning zo spoedig mogelijk te verkopen. Uit haar eigen uitlatingen (e-mail aan [P] van 6 juni 2015, productie 6 verzoekschrift) wordt echter afgeleid dat de vrouw juist (ook) voor haar dierbare voorwerpen meenam. Zij schrijft “”Je bent blij dat J [ [naam] , de ex-partner van [P] , rechtbank] alle prullen het huis uitgesjouwd heeft….hou je vast, ik kom met een nieuwe lading. Hoewel je alles al hebt gezien bij mij hier. Allemaal fnukken met een verhaal….zilveren theesetje van [H] die zij kreeg toen ze wegging als tandartsassistente….kristallen p&z-setje van mijn oma….beeldje dat [L] heeft gemaakt als examenopdracht Art op de Europese school….ik heb ze nodig.” Ook de katten van de vrouw heeft zij meegenomen naar Frankrijk, naar zij stelt omdat zij geen oppas voor de dieren kon vinden.
4.9.
De overige spullen van de vrouw zijn verhuisd naar Polen, waar een vriend van [P] een aantal te verhuren appartementen bezat. Onder die zaken bevonden zich onder meer kinderspullen van de kinderen van partijen. De vrouw schrijft daarover aan [P] in haar e-mail van 6 juni 2015 (eveneens productie 6): “Alle kinderspullen die ik zelf wil houden gaan naar Polen. Dat voelt raar. Maar lijkt mij het meest logisch….kleinkinders komen vast nog niet binnen 3 jaar dus om het op [naam woning in Frankrijk] te zetten, heeft geen zin.”
4.10.
Een groot deel van de inboedel van de vrouw is in Polen opgeslagen. In de kamer aan [adres 2 (NL)] stonden, zo volgt uit de door de vrouw overgelegde foto’s en toelichting daarop (onderdeel van productie 4 van de vrouw), enkele kasten, een bed en een tafel met een stoel en wat spullen ter aankleding. Ook de klappers met administratie van de vrouw stonden in [plaats, adres 2 (NL)] .
4.11.
Volgens de eigen opgave van de vrouw (productie 5 verweer), door de man betwist, heeft zij met [P] vanaf 24 juni 2015 tot en met 6 juli 2015 in Frankrijk verbleven. Daarna zou zij een aantal dagen in [plaats, adres 2 (NL)] zijn geweest en is zij, al dan niet op vakantie, samen met [P] geweest – doorsneden door een enkele dag – vanaf 15 juli 2015 tot en met 18 augustus 2015. Vanaf 19 augustus 2015 tot en met 30 september 2015 zou de vrouw alleen in [plaats, adres 2 (NL)] zijn geweest. [P] reisde destijds door Oost-Europa. De vrouw zou met hem meereizen, doch zag daarvan af toen bleek dat de ex-partner van [P] en dier vrouwelijke levenspartner eveneens zouden meereizen. In oktober 2015 zou zij een aantal dagen in Frankrijk zijn geweest en een aantal dagen alleen of reizend met [P] . November 2015 hebben [P] en de vrouw in Frankrijk doorgebracht. In december 2015 zou de vrouw alleen in [plaats, adres 2 (NL)] en België zijn geweest.
4.12.
De vraag is of de vrouw daadwerkelijk, althans zoveel als zij stelt, heeft verbleven op het adres in [plaats, adres 2 (NL)] , nu – zoals de man terecht heeft gesteld – onduidelijk is of service- of gebruikskosten voor de kamer zijn gemaakt. De vrouw stelt dat deze zijn verrekend met de borg, doch dat blijkt niet. Ook overigens is niet gebleken van kosten die door de vrouw in [plaats, adres 2 (NL)] of in verband met het verblijf aldaar zijn gemaakt. Voorts is door haar niet toegelicht waarom zij, zoals zij stelt, geen grotere woonruimte met eigen voorzieningen kon huren, meer passend bij haar leeftijd en levensstijl. De vrouw stelt dat haar daartoe de financiële middelen ontbraken, doch dat is – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – onbegrijpelijk gezien de destijds door de man betaald partneralimentatie van ruim € 4.500 per maand en het feit dat zij destijds, zo is onweersproken door de man gesteld, beschikte over € 263.000 uit de verdeling van het huwelijkse vermogen.
4.13.
De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden – met name de duur van het verblijf van de vrouw samen met [P] in Frankrijk, de verhuizing van dierbare spullen naar Frankrijk en Polen, hetgeen de vrouw daarover in de hiervoor weergegeven citaten schrijft en de omstandigheid dat de vrouw geen woonruimte in Nederland had waarvan kan worden aangenomen dat deze bedoeld en passend was om daar geruime tijd te verblijven en evenmin is gebleken dat zij daar daadwerkelijk in relevante mate heeft verbleven – af dat de vrouw en [P] per 24 juni 2015 zijn gaan samenwonen en dat het hun intentie was die samenwoning in de toekomst voort te zetten, mogelijk, na verkoop van de woning in Frankrijk, in Polen.
4.14.
Dat zij niet alle dagen van hun relatie tezamen op één plek zijn geweest, doet daaraan niet af. De man heeft – onder verwijzing naar arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 21 april 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:3188) en 7 juni 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:4501) – er op dat punt terecht op gewezen dat ook wanneer de vrouw en [P] niet altijd samen waren het zeer wel mogelijk is dat zij hebben samengewoond in de zin van artikel 1:160 BW. Bovendien is onweersproken dat [P] en de vrouw tijdens de periodes dat zij niet samen waren intensief (whatsapp-)contact onderhielden. Daarbij komt dat, zoals gezegd, onvoldoende is onderbouwd door de vrouw dat zij daadwerkelijk in [plaats, adres 2 (NL)] heeft verbleven en de langste periode dat [P] en zij niet samen waren werd veroorzaakt doordat de vrouw afzag van het meereizen met [P] door Oost-Europa.
4.15.
Op grond van het voorgaande wordt aangenomen dat de vrouw en [P] per 24 juni 2015 zijn gaan samenwonen.
Wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding
4.16.
De vrouw en [P] hebben geruime tijd samengeleefd in de woning in Frankrijk. De vrouw heeft daarvoor, zo is onweersproken, geen vergoeding aan [P] voldaan. De vrouw heeft voorts erkend (verweerschrift sub 78) dat [P] haar heeft gemachtigd tot het gebruik van zijn bankrekening. De vrouw heeft ook gebruik gemaakt van de pinpas behorende bij deze rekening (productie 46 verweerschrift). De vrouw stelt dat zij de aldus opgenomen bedragen cash aan [P] heeft terugbetaald, doch dat blijkt onvoldoende uit de door haar overgelegde stukken. De vrouw heeft niet betwist dat [P] ook gemachtigd was tot het gebruik van haar bankrekening en bijbehorende pinpas. Onweersproken is dat [P] gebruik heeft gemaakt van de bankrekening van de vrouw, doch over terugbetaling door hem aan de vrouw is niets gesteld.
4.17.
De vrouw erkent dat [P] diverse bedragen voor haar heeft betaald, onder meer voor het vervangen van de banden van de auto van de vrouw (ad € 546,60, productie 37 verweerschrift) en ter cadeau aan de dochter van de vrouw en de man (€ 1.000). De vrouw stelt dat zij deze bedragen cash aan [P] heeft terugbetaald, doch de door haar overgelegde afschriften van pinopnames (producties 38 en 44 verweerschrift) bieden onvoldoende onderbouwing voor die stelling. Daaruit valt immers niet af te leiden waartoe de gepinde bedragen zijn gebruikt. De opnames die te herleiden zijn uit productie 38 voldoen ook niet om het bedrag van de velgenshop te betalen, er is immers € 500 gepind, € 46,60 te weinig. Bovendien is kennelijk ten behoeve van die uitgave op voorhand gepind op 10 en 30 september 2015, terwijl [P] destijds op vakantie in Oost-Europa was en de banden onweersproken zijn vervangen op 14 oktober 2015. De vrouw heeft niet nader toegelicht hoe zich dit tot elkaar verhoudt. De terugbetaling van de gift aan de dochter zou volgen uit productie 44, doch daaruit valt louter af te leiden dat tweemaal, op 13 en 14 juli 2015, bedragen zijn gepind door de vrouw, te weten € 1.548 en € 1.550. Een betaling van € 1.000 aan [P] kan daaruit, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet worden afgeleid.
4.18.
De vrouw heeft op 4 augustus 2015 € 240.000 overgemaakt aan [P] . In het verweerschrift (sub 83) stelt zij enerzijds dat het ging om een lening, maar ook (sub 84) dat zij het bedrag – op aandringen van [P] – wilde veilig stellen zodat het niet aangetast zou worden bij een eventueel faillissement van de man of problemen bij de betaling van de lasten van de voormalige echtelijke woning.
4.19.
Uit productie 45 verweerschrift wordt afgeleid dat [P] een bedrag van € 500 aan de vrouw heeft voorgeschoten in augustus 2015 toen de vrouw krap bij kas zat in verband met de achterblijvende alimentatiebetalingen. De vrouw heeft dit later aan hem terugbetaald.
4.20.
De vrouw betwist dat [P] en zij over en weer elkaars auto hebben gebruikt. Zij heeft echter niet gesteld hoe deze betwisting zich verhoudt tot het eveneens door haar ingeroepen parkeeroverzicht (productie 18 verweerschrift) waaruit volgt dat de vrouw tenminste tweemaal alleen met de auto van [P] bij haar verblijfsadres in [plaats, adres 2 (NL)] heeft geparkeerd en het door een vriendin van de vrouw vermelde gebruik van de auto in Frankrijk voor boodschappen (productie 49 verweerschrift). Wel staat vast dat de vrouw de auto van [P] eenmaal ter reparatie naar een garage heeft gebracht en [P] de auto van de vrouw naar bovengenoemde velgenshop.
4.21.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw in het licht van voornoemde feiten en omstandigheden onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat sprake is geweest van een tussen haar en [P] gevoerde gemeenschappelijke huishouding waarbij sprake was van wederzijds verzorging. Uit een en ander volgt het beeld dat [P] en de vrouw op allerlei manieren uitgaven voor elkaar en hen samen deden, waarbij zij elkaars bankrekening gebruikten, zonder dat sprake was van een enigszins duidelijke scheiding tussen hun beider privéfinanciën. De contante terugbetalingen door de vrouw aan [P] zijn onvoldoende onderbouwd, doch zou daarvan in één of meer gevallen al sprake zijn geweest, dan geldt dat zij zelf stelt dat een inschatting van de kosten werd gemaakt en aan de hand daarvan een rond bedrag is terugbetaald. Terugbetaling door [P] aan de vrouw van door hem van de bankrekening van de vrouw opgenomen bedragen, blijkt niet. Voorts heeft de vrouw een substantieel bedrag op een bankrekening van [P] ondergebracht. Hieruit valt een vervlechting van de (financiële aspecten van de) levens van de vrouw en [P] af te leiden die maakt dat is voldaan aan de in artikel 1:160 BW genoemde criteria.
4.22.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat aan alle in artikel 1:160 BW gestelde eisen is voldaan. Nu de vrouw niet aan de man heeft gemeld dat zij heeft samengeleefd als ware zij gehuwd, is haar aanspraak op partneralimentatie per de datum van de aanvang van de samenleving, 24 juni 2015, geëindigd.
4.23.
De door de man verzochte verklaring van recht zal worden toegewezen. De vrouw dient de nadien aan haar betaalde partneralimentatie, door de man onweersproken gesteld op een totaalbedrag van € 55.844,40 tot en met juni 2016, aan de man terug te betalen, als door hem verzocht. De vrouw heeft daartegen geen verweer gevoerd en er is (dus) niets gesteld dat tot de conclusie kan leiden dat de vrouw niet tot terugbetaling in staat is. Dat is ook niet zonder meer aannemelijk, nu zij – zoals hiervoor overwogen – een substantieel bedrag heeft ontvangen in het kader van de afwikkeling van het huwelijkse vermogen. Voor zover de man had bedoeld zijn verzoek te vermeerderen met de volgens hem nadien betaalde partneralimentatie en verzekeringspremies (F9-formulier 9 november 2016, pagina 13) had hij dit, onder formulering van een nieuw petitum, expliciet dienen te doen zodat voor de vrouw voldoende duidelijk zou zijn geweest dat zij daartegen verweer moest voeren. Nu de man dit heeft nagelaten, zullen de aldaar genoemde – kennelijk nader te vorderen – bedragen buiten beschouwing worden gelaten.
4.24.
De rechtbank ziet geen aanleiding de vrouw naast onderstaande veroordeling in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank acht het heel wel mogelijk dat de vrouw – mede door toedoen van [P] – niet heeft overzien welke gevolgen de door haar gemaakte keuzes in de relevante periode zouden hebben. Dat blijft voor haar rekening en risico, maar het maakt wel dat een proceskostenveroordeling achterwege wordt gelaten. De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd, nu het geschil voortvloeit uit het huwelijk dat tussen partijen heeft bestaan.