2 De feiten
Werkzaamheden GIB en productieproces granuliet
2.1.
GIB houdt zich onder meer bezig met het verwerken van grote brokken gesteente, veelal graniet, uit Noorwegen en Schotland, tot steenslag. Het steenslag van GIB wordt gebruikt in de bouw- en infrastructuursector, onder meer voor de productie van asfalt.
2.2.
GIB is onderdeel van Bontrup, een familiebedrijf dat is opgericht door Franz Bontrup. Bontrup Aggregates B.V. bezit 65% van de aandelen in GIB. De overige 35% van de aandelen wordt gehouden door (dochterondernemingen van) de vier grote Nederlandse (wegen)bouwbedrijven VolkerWessels, Ballast Nedam, BAM en Dura Vermeer.
2.3.
Bij het verwerken door GIB op haar bedrijfsterrein in de Amsterdamse haven van het gesteente tot steenslag komen grote hoeveelheden fijn steengruis vrij. Dit fijne gruis wordt ook wel ‘granietzand’ of ‘granuliet’ genoemd. GIB gebruikt voor granuliet ook wel de marktnaam ‘Noordse Leem’. Over dit restproduct gaat het deze procedure.
2.4.
Granuliet ontstaat, kort gezegd, in het volgende productieproces. GIB voert gebroken stukken graniet en kwartsiet afkomstig uit steengroeven in Schotland en Noorwegen op schepen als halffabricaat in Nederland in. De rotsblokken worden in een breek-/klasseerinstallatie gebroken, gewassen en gezeefd tot verschillende fracties (variërend van 31,5 tot 50 millimeter en 0,5 tot 2 millimeter (breekzand). Deze fracties worden vooral toegepast in beton en asfalt. De fracties met een korrelgrootte tussen 63 micrometer en 500 micrometer (0,5 millimeter) worden microzand genoemd, wat vooral wordt toegepast in de keramische industrie en als zand in zandbedden. Granuliet is de fijnste fractie (korrelgrootte kleiner dan 63 micrometer) die ontstaat uit het breek- en scheidingsproces. Dit komt met het spoelwater terecht in een zogenoemde decanterbak van circa 8 meter doorsnede. Om de minerale delen sneller te laten bezinken (flocculatie) wordt door GIB zogenoemd flocculant gedoseerd toegevoegd. Het gaat om een wateroplosbare anionische polyacrylamide (Ecopure-1715). Dit flocculant concentreert de fijne fractie in het spoelwater in grotere aggregaten (flocs) waardoor ze makkelijker met een hydrocycloon uit het water verwijderd kunnen worden. De bezinking van de fijne fractie neemt enkele uren in beslag. De flocculant blijft bij toepassing in het granuliet aanwezig. De geconcentreerde fractie (het granuliet) wordt daarna door GIB met een kamerfilterpers mechanisch ontwaterd tot een steekvast product met een leemachtige consistentie.
2.5.
GIB slaat op haar Amsterdamse bedrijfsterrein het granuliet op totdat zij daarvoor een bestemming heeft gevonden. De jaarproductie is circa 200.000 m³, wat overeenkomt met ongeveer 350.000 ton bij een volumieke massa (nat) van ongeveer 1.900 kg/m³.
De betrokken organen van de overheid
2.6.
Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (‘IenW’) draagt zorg voor de ruimtelijke indeling, het verkeer en het waterbeheer van ons land. Tot de organisatieonderdelen van het ministerie behoren onder meer het Directoraat-Generaal Water en Bodem (‘DGWB’), Rijkswaterstaat (‘RWS’) en de Inspectie Leefomgeving en Transport (‘ILT’).
2.7.
DGWB ontwikkelt beleid op het gebied van waterbeleid en waterveiligheid, klimaatadaptatie, waterprojecten in specifieke gebieden, alsmede op het gebied van water en bodem. RWS voert het beleid van DGWB uit. ILT is de toezichthouder van IenW.
2.8.
Bodem+ is onderdeel van RWS. Bodem+ ondersteunt lagere overheden met kennis over bodemsanering, bodembescherming, bodembeheer en bodemenergie voor een duurzaam gebruik van het bodem- en grondwatersysteem en de ondergrond.
De wettelijke definitie van grond (het Besluit bodemkwaliteit)
2.9.
In 2008 is het Bouwstoffenbesluit overgegaan in het Besluit bodemkwaliteit (‘Bbk’). Met de inwerkingtreding van het Bbk is een strikt onderscheid gemaakt tussen “grond” en “bouwstof”. Een product kan onder het Bbk niet beide zijn. Daarvóór, onder het Bouwstoffenbesluit, was grond nog onderdeel van de definitie van bouwstof.
2.10.
Artikel 1 Bbk geeft de volgende definitie van ‘grond’:
“Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.”
2.11.
In de nota van toelichting van het Bbk (p. 69) is over de opgenomen definities onder meer het volgende opgemerkt:
“De basisdefinities zijn gebaseerd op de samenstelling van het materiaal. De directe herkomst van het materiaal is daarmee niet bepalend voor de vraag of er sprake is van grond of baggerspecie. (…) Wel zal het steeds gaan om materiaal dat oorspronkelijk afkomstig is uit de bodem. Het moet immers gaan om materiaal «in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen». Met «van nature worden aangetroffen» wordt niet zozeer gedoeld op de directe herkomst van de gronddeeltjes, maar op de samenstelling van het materiaal. Het gaat erom dat het toe te passen product gronddeeltjes bevat (een samenstelling heeft) welke overeenkomt met gronddeeltjes die van nature in de bodem voorkomen en daarmee dat het toe te passen product dus ook geschikt is om als bodem te kunnen worden toegepast. Het materiaal hoeft dus niet rechtstreeks uit de bodem te komen, maar moet wel vergelijkbaar zijn met materiaal dat rechtsreeks uit de bodem komt.”
2.12.
Verder staat in artikel 34 lid 2 Bbk:
“Voor de toepassing van dit besluit wordt onder grond of baggerspecie mede verstaan, grond of baggerspecie die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal.”
2.13.
In de nota van toelichting bij artikel 34 lid 2 van het Bbk (p. 150) wordt hierover onder meer het volgende opgemerkt:
“In grond of baggerspecie bevindt zich vaak bodemvreemd materiaal, zoals puin, hout of baksteenscherven, dat al in de bodem zit als het wordt afgegraven. Het gaat nadrukkelijk niet om het bijmengen van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie. (…)”
2.14.
Het Bbk bevat een stelsel van kwaliteitsborging in het bodembeheer (‘Kwalibo’), waarin onder meer gebruik wordt gemaakt van een certificeringsstelsel. Dit stelsel kent een privaat deel en een publiek deel en houdt, kort weergegeven en voor zover van belang, het volgende in.
- -
Binnen het private deel van het stelsel worden zogenoemde normdocumenten, waaronder beoordelingsrichtlijnen (“BRL”), ontwikkeld. De totstandkoming van BRL’s vindt plaats in zogenoemde (Centrale) Colleges van Deskundigen (“CvD”). De BRL’s zijn bij de introductie van het Bbk opgenomen in bijlagen bij de Regeling bodemkwaliteit (“Rbk”).
- -
In Nederland is een aantal daartoe erkende certificerende instellingen (“CI”) die geaccrediteerd zijn voor Kwalibo-werkzaamheden. De CI toetst - ook in het private deel van het stelsel - of een bedrijfsproces en een product voldoen aan de eisen van een BRL. Als de CI, na een toelatingsonderzoek, van oordeel is dat een product voldoet aan de eisen van een BRL, dan geeft de CI een productcertificaat af op basis van deze BRL.
- -
Een productcertificaat is geldig voor onbepaalde tijd en geeft aan dat een product overeenkomstig het normdocument wordt geproduceerd en voldoet aan de kwaliteit die op het certificaat wordt aangegeven. Het bezit van een certificaat neemt niet weg dat de CI periodieke keuringen en audits uitvoert bij de gecertificeerde producent, om te controleren of overeenkomstig het normdocument en het kwaliteitsborgingsysteem wordt gewerkt.
- -
Namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna ook: ‘de Minister’) geeft Bodem+ vervolgens op basis van het certificaat een erkenning af, waarbij wordt getoetst op het bestuur van het bedrijf integer is, het bedrijf niet failliet is, en of het certificaat voldoet. - Het certificaat vormt samen met de erkenning een erkende verklaring (EKV). Een EKV is een wettig bewijsmiddel dat een materiaal voldoet aan de eisen van het Bbk. Een EKV moet door het bevoegd gezag worden geaccepteerd.
2.15.
Binnen het Kwalibo-stelsel houdt de ILT toezicht op de CI’s. De ILT is op grond van het Bbk ook bevoegd om toezicht te houden op de producent.
2.16.
Wanneer een materiaal kwalificeert als “schone grond” kan een toepassing worden gemeld bij RWS. De toepasser moet de melding voorzien van bepaalde informatie zoals het productcertificaat en informatie over de toepassing zoals de locatie. Indien RWS een melding afwijst, staat daar geen bestuursrechtelijk bezwaar of beroep tegen open omdat de reactie op een melding geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (‘Awb’).
De certificering van granuliet
2.17.
De door GIB geproduceerde fracties groter dan 2 millimeter zijn onder het Bbk gecertificeerd als niet-vormgegeven bouwstof. Voor deze producten zijn onder BRL 9324 (steenslag) productcertificaten uitgegeven (voor respectievelijk zandsteen en graniet).
2.18.
GIB heeft in 2008, met de inwerkingtreding van het Bbk, ervoor gekozen om een productcertificaat voor granuliet als grond aan te vragen.
2.19.
GIB heeft in augustus 2008 aan Senter Novem (de voorganger van Bodem+) de vraag gesteld in hoeverre ‘granietzand’ past onder de definitie van grond onder het Bbk. Na intern overleg heeft Senter Novem op 16 augustus 2008 geantwoord dat granietzand past onder de definitie grond.
2.20.
Vervolgens heeft SGS Intron Certificatie B.V. (hierna: ‘SGS Intron’) - een van overheidswege erkende CI - het verzoek om certificatie van granuliet beoordeeld. SGS Intron heeft gekeken naar certificering op grond van de ‘Nationale Beoordelingsrichtlijn BRL 9321 Industriezand en/of (gebroken) industriegrind’ (hierna: ‘BRL 9321’), omdat die BRL volgens SGS Intron het meest bij granuliet aansloot. De BRL 9321 is gericht op zand en grind dat bedoeld is voor ongebonden toepassing op de bodem. De BRL 9321 is opgenomen in bijlage c bij de Rbk.
2.21.
SGS Intron heeft de conclusie getrokken dat een wijzigingsblad voor BRL 9321 nodig was om granietzand als grond onder BRL 9321 te laten vallen. SGS Intron wilde eerst een formeel standpunt van het ministerie dat het materiaal als grond werd beschouwd. Daarom heeft SGS Intron in januari 2009 aan de werkgroep Kwalibo de vraag voorgelegd of granietzand, een fijne fractie van steenslag, onder de definitie van grond of bouwstof valt. Het standpunt van de werkgroep Kwalibo was dat granietzand de status grond heeft en dat granietzand daarom ook onder BRL 9321 (industriezand en industriegrind) zal gaan vallen en uit BRL 9324 (steenslag) zal worden geschreven. Vervolgens heeft het Implementatieteam Besluit bodemkwaliteit (waarin vertegenwoordigers zitten van IenW, waterschappen, gemeenten en het bedrijfsleven, hierna te noemen: ‘het Implementatieteam’) in februari 2009 bevestigd dat granietzand grond is.
2.22.
SGS Intron heeft daarop het initiatief genomen een wijzigingsblad op te stellen voor BRL 9321. Het wijzigingsblad is goedgekeurd door het CvD, maar op 21 augustus 2009 afgekeurd door de Toetsingscommissie Bbk (‘de Toetsingscommissie’). Als motivering voor de weigering heeft de Toetsingscommissie aangevoerd dat in het wijzigingsblad de fractie kleiner dan 2 millimeter van groevemateriaal als grond worden getoetst, terwijl de fractie groter dan 2 millimeter van precies hetzelfde materiaal als bouwstof moet worden getoetst. Daarmee beoogde het wijzigingsblad volgens de Toetsingscommissie een onderhandse wijziging van de definitie van bouwstof, die niet in overeenstemming is met hoofdstuk 3 van het Bbk.
2.23.
SGS Intron heeft gekozen om het standpunt van het Implementatieteam te volgen, en niet dat van de Toetsingscommissie. SGS Intron heeft op 17 september 2009 een productcertificaat conform de BRL 9321 (industriezand en industriegrind) afgegeven voor het door GIB geproduceerde granuliet. SGS Intron heeft later opnieuw productcertificaten conform de BRL 9321 afgegeven. Dit certificaat is voor onbepaalde duur geldig.
2.24.
Sinds enige tijd is een nieuwe BRL (BRL 9344) in de maak. BRL 9344 is specifiek opgesteld voor de productie van de fractie < 500 micrometer vrijkomend bij de bewerking van steenachtige materialen. BRL 9344 zal beter aansluiten bij granuliet maar is nu nog in concept.
Toepassing granuliet en interne discussie binnen de overheid
2.25.
Granuliet van GIB is, onder het productcertificaat BRL 9321, als grond meermalen toegepast in verschillende grond- en waterwerken, zoals dijken, wegen, terreinophogingen, afdichtingen rond olietanks en afdichtingen van waterbodems.
2.26.
Ook is granuliet gebruikt voor het verondiepen (dat wil zeggen: het minder diep maken door ophoging van de bodem) van plassen waaruit zand is gewonnen. In 2012 is 260.000 ton granuliet voor verondieping gebruikt in de Kraaijenbergse plassen bij Cuijk.
In 2016 is 125.000 ton granuliet gebruikt in het project ‘Over De Maas’ (hierna ook te noemen ‘Over de Maas’). Dit is een zandwinnings- en natuurontwikkelingsproject in de uiterwaarden van de Maas tussen Alphen en Dreumel in de gemeente West Maas en Waal. Het project strekt ertoe dat het gebied na het winnen van delfstoffen wordt verondiept om natuurontwikkeling mogelijk te maken. Over de Maas valt onder verantwoordelijkheid van de afdeling Zuid Nederland van RWS (hierna: ‘RWS ZN’).
2.27.
In 2013 heeft de ILT naar aanleiding van een bodemsignaal een bedrijfsbezoek gebracht aan GIB, waarbij de ILT heeft kennisgenomen van het productieproces. In het Inspectierapport heeft de ILT geoordeeld dat granuliet als grond moet worden beoordeeld en dat, hoewel geen enkele BRL het productieproces helemaal afdekt, de BRL 9321 het meest toepasselijk lijkt. De ILT heeft geen overtredingen geconstateerd.
2.28.
In 2018 en 2019 zijn meldingen van GIB voor voorgenomen toepassing van granuliet in het project Over de Maas bij Dreumel en voor de verondieping van de Honswijkerplas bij Houten door respectievelijk RWS ZN en RWS Oost Nederland (‘RWS ON’) afgewezen (ontoereikend verklaard), onder meer met de argumentatie dat granuliet een bouwstof is en geen grond en dat het certificaat op grond van BRL 9321 niet juist zou zijn. Naar aanleiding van die afgewezen meldingen is binnen RWS, met betrokkenheid van de ILT, een interne discussie ontstaan over de status van granuliet (grond of bouwstof?) en, in het verlengde daarvan, of granuliet al dan niet valt onder het bereik van BRL 9321. In diezelfde periode (in 2018) werd binnen IenW voor het eerst geconstateerd dat er door GIB een bindmiddel (flocculant) wordt toegevoegd aan het productieproces van granuliet. Handhavers van RWS ON hadden zorgen over de milieu hygiënische aspecten van het gebruik van dit flocculant door GIB.
2.29.
In verband met de kwestie rondom de Honswijkerplas heeft RWS ON – naar aanleiding van een verzoek van de advocaat van GIB om een rechtsoordeel – aan de ILT gevraagd om een juridisch advies. Een medewerker van de ILT heeft op 19 november 2018 een schriftelijk juridisch advies opgesteld (hierna: ‘de Interne Notitie’). In de Interne Notitie wordt – kort gezegd en voor zover van belang – geconcludeerd dat granuliet moet worden gezien als bouwstof, dat de BRL 9321 niet van toepassing is, dat het productcertificaat op basis van BRL 9321 niet had mogen worden afgegeven en dat sprake is van overtreding van artikel 28 Bbk omdat GIB aldus niet beschikt over een geldige milieuhygiënische verklaring. De Interne Notitie week daarmee af van een eerder oordeel dat de ILT op 23 april 2018 in hetzelfde dossier had gegeven in antwoord op een ontvangen bodemsignaal van RWS ON. De ILT had toen, op grond van het eerdere signaal uit 2013 over hetzelfde materiaal, geoordeeld dat er geen sprake was van een overtreding en dat het productcertificaat BRL 9321 van toepassing was.
2.30.
In verband met de discussie over de status van granuliet en toepasselijkheid van BRL 9321 heeft een aantal ambtenaren van RWS (Bodem+), na een eerste versie op 25 april 2019, op 13 juni 2019 een discussienotitie granuliet opgesteld (hierna te noemen: ‘de Concept-notitie’). In de Concept-notitie staat dat de notitie is afgestemd met ILT, RWS uitvoering en RWS handhaving en toezicht. In de Concept-notitie wordt, kort weergegeven, het volgende geconcludeerd:
“5. Beantwoording discussiepunten
5.1
Granuliet: grond of bouwstof?
(…)
Conclusie
Granuliet is een bouwstof omdat het niet voldoet aan de definitie van grond: Granuliet komt niet rechtstreeks uit de bodem maar is een (rest)product dat ontstaat bij het breken, zeven en spoelen van het rots (-stukken) tot verschillende granulaten en het ontwateren van het spoelgruis. Door deze bewerkingen is granuliet niet vergelijkbaar met materiaal dat rechtstreeks uit de bodem komt. De karakteristieken van granuliet als dichtheid, korrelgrootteverdeling, organische stofgehalte, structuur van de granuliet korrels en het ontbreken van een minerale lutumfractie zijn afwijkend. Daarnaast bevat granuliet een gering aandeel flocculant. Een stof die van nature niet in de bodem aanwezig is.
Op basis van de nota van toelichting bij het Bbk kan granuliet beoordeeld worden als (sorteer- en breker) zeefzand. Zeefzand is een verzamelnaam voor een product dat vrijkomt bij het proces van sorteren, breken en afzeven van met name bouw en sloopafval en heeft als zodanig geen relatie met bodemmateriaal. Gesteld is in de nota van toelichting dat zeefzand geen grond betreft.
Het aanmerken van granuliet als bouwstof sluit ook aan bij het advies van de Stichting bouwkwaliteit (SBK). Bij de beoordeling van BRL 9344:"De milieuhygiënische kwaliteit van fractie <500 µm vrijkomend bij de bewerking van primaire steenachtige materialen" heeft SBK ook aangegeven dat granuliet geen grond kan zijn: GIB breekt rots (-stukken) ten behoeve van verdere verwerking als o.a. vul- en toeslagmiddel in beton en asfalt. De rots(-stukken) worden hierbij toegepast als "bouwstof". SBK geeft aan dat granuliet daarmee ook een bouwstof is.
Door het toenmalig Ministerie van VROM en haar uitvoeringsorganisatie Bodem+ is bij eerdere vragen aangegeven dat granuliet als grond kan worden aangemerkt. Het Implementatieteam Bbk, een afvaardiging van het gemeente, provincies en het bedrijfsleven, adviseerde het ministerie om het materiaal als grond aan te merken. Een belangrijk argument hierbij was de naamgeving van granuliet als Noordse Leem en Rhona Leem. Dit suggereerde dat het materiaal grond is. Dit standpunt is door deze nadere beschouwing niet meer juist.
5.2
Zorgplicht: Toepassen van granuliet in oppervlaktewater
In artikel 7 van het Bbk is specifiek voor de bescherming van het oppervlakte water een zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht geldt aanvullend op de milieuhygiënische kwaliteit van granuliet zoals deze overeenkomstig het Bbk en de Rbk bepaald dient te worden. Het is een algemene aanvullende bepaling.
Zorgplicht artikel 7 Bbk
Degene die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die zoveel mogelijk voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
Conclusie
Uit het onderzoek van GIB volgt dat, overeenkomstig de vereisten van het Bbk, granuliet geen verontreinigende stoffen bevat die tot nadelige gevolgen voor een oppervlaktewaterlichaam kunnen leiden. Hierbij is -mogelijk- niet gekeken naar mogelijke schadelijke effecten door de flocculant en de -mogelijke- aanwezigheid van aromatische koolwaterstoffen. Dit is gelet op de zorgplicht wel nodig.
(…)
5.3
Bewijsmiddel voor de milieuhygiënische kwaliteit granuliet
(…)
Door GIB wordt momenteel voor granuliet op basis van de BRL 9321:"productcertificaat voor de milieuhygiënische kwaliteit van industriezand en gebroken industriegrind" een erkende kwaliteitsverklaring afgegeven. (…) Uit het processchema blijkt dat granuliet ontstaat door spoelwater te concentreren met behulp van cycloneren, flocculatie en persen. Dit is een heel ander proces dan in het toepassingsgebied van de BRL 9321 is bedoeld.
Daarnaast wordt in de BRL 9321 onder de definitie van industriezand en (gebroken) industriegrind verstaan: "van nature in de bodem voorkomend sedimentair materiaal". Granuliet is een industrieel product en niet een van nature in de bodem voorkomend sedimentair materiaal. Granuliet komt vrij (…) bij het breken en wassen van kwartsiet- en graniet. (…)
Conclusie
De BRL 9321 is niet bruikbaar als erkende kwaliteitsverklaring c.q. milieuhygiënische verklaring voor granuliet. Om de kwaliteit van granuliet aan te tonen kan GIB een partijkeuring uitvoeren of een Fabrikant Eigen Verklaring opstellen. (…)”
2.31.
Op 20 juni 2019 is de Concept-notitie binnen het Implementatieteam besproken. In het verslag van de bespreking is hierover het volgende opgenomen:
“6. Granuliet
(..) geeft een presentatie ter toelichting van het vraagstuk Granuliet dat voor advies voorligt bij het IT.
(..) geeft in zijn presentatie aan dat de kernvraag is of het materiaal als grond of als bouwstof moet worden gezien. Daarnaast speelt de vraag of het materiaal onder de scope van de BRL9321 valt. De conclusie van (..) is dat het een bouwstof is en dat het niet valt onder de scope van de BRL9321.
(..) geeft aan dat zijn achterban het geen grond maar een bouwstof vindt en vindt dat het tevens niet onder de scope van de BRL9321 valt. Voorts vraagt (..) aandacht voor de afbraakproducten van de gebruikte flocculant.
Het IT geeft aan dat op basis van korrelgrootte het materiaal onder het begrip grond kan vallen maar qua structuur is het geen natuurlijk bodemmateriaal. In die zin volgt het IT de redeneerlijn in de notitie en adviseert het ministerie van I&W in haar uiteindelijke afweging aandacht te hebben voor de consequenties van beoordeling van het materiaal als bouwstof. Bouwstoffen mogen immers niet met de bodem worden vermengd en moeten terugneembaar worden toegepast. Het IT geeft aan dat de keuze ook consequenties heeft voor erkenningen heeft die zijn afgegeven op basis van BRL certificering.”
2.32.
In verband met de discussie over granuliet hebben in 2019 ook gesprekken plaatsgevonden tussen GIB en (topambtenaren van) RWS/DGWB. Van de kant van GIB is in juni 2019 ook voormalig minister Halbe Zijlstra (hierna te noemen: ‘Zijlstra’) betrokken geraakt. Zijlstra was inmiddels aangesteld als bestuurder bij VolkerWessels, één van de aandeelhouders van GIB en – als wegenbouwer – ook afnemer van de producten van GIB.
2.33.
In de gesprekken tussen GIB enerzijds en RWS/DGWB anderzijds in de eerste helft van 2019 is naast de inhoudelijke discussie over de kwalificatie van granuliet ook aan de orde gekomen dat er door de afwijzingen van RWS ON en RWS ZN (naar de rechtbank begrijpt) al 200.000 ton granuliet bij GIB in opslag ligt, en dat als GIB dit granuliet niet snel alsnog kan afzetten de leveringen van GIB voor de productie van asfalt in gevaar komen.
2.34.
Op 27 juni 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen GIB en RWS. Een medewerker van RWS Bestuursstaf (RWS BS) heeft een intern verslag gemaakt van dit gesprek, dat diezelfde avond aan een medewerker van RWS WVL (Water Verkeer en Leefomgeving) is verstuurd. In het interne verslag staat onder meer het volgende:
“Kort schrijf ik op wat ik er uit heb meegenomen:
- -
Bontrup schetst dat door twijfel over vergunbaarheid van zijn materiaal (ontstaan door discussie over toepassing in project Over de Maas), de afzetbaarheid van het product drastisch afneemt. Granuliet is al sinds 2009 gecertificeerd als gebroken industriezand en grind (BRL 9321). Ook het flocculant is uitvoerig getoetst. Er zijn sinds 2016 vragen over asbest, afval, barium, geldigheid / juistheid certificaat etc.
- -
RWS is bij toepassing van het materiaal betrokken in drie rollen:
Adviseur voor beleid
Handhaver
Assetmanager/opdrachtgever
(…)
- Advies aan Bontrup: 1. Toon aan dat je product schoon is (…) 2. Draag in de grond vs bouwstof discussie proportionaliteit / maatschappelijke effect aan als argument (binnen zes weken zal er geen asfalt meer geleverd kunnen worden. En Bontrup levert materiaal voor 85% van de deklagen in NL).
(…)”
2.35.
Vervolgens heeft op 1 juli 2019 een gesprek plaatsgevonden tussen RWS en GIB, in aanwezigheid van Zijlstra. Op 2 juli 2019 heeft GIB een schriftelijke reactie gegeven op de Concept-notitie, die volgens GIB veel onjuistheden bevat. Op 12 juli 2019 hebben DGWB en GIB een gesprek gehad naar aanleiding van de Concept-notitie. Na afloop van dit gesprek heeft GIB het volgende per e-mail aan DGWB bericht:
“(…) Fijn dat we gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat Granuliet als grond gezien kan blijven worden.
Wij hebben ervaren dat jullie de urgentie inzien en dat jullie direct vervolgacties inzetten richting IL&T en RWS.”
2.36.
In augustus 2019 hebben IenW en RWS intern gesproken over de discussie rondom de toepassing van granuliet. In een directeurenoverleg (in aanwezigheid van RWS WVL, DGWB en RWS BS) is bepaald dat granuliet grond is. In een verslag van 26 augustus 2019 is opgenomen dat IenW en RWS de conclusie hebben getrokken dat er weliswaar vragen te stellen zijn over de technische aard van het product maar dat er onvoldoende redenen zijn om de in het verleden toegestane praktijk van de toepassing van granuliet nu als grond te herzien. Daarbij is opgemerkt dat granuliet bij de toepassing als grond uiteraard aan alle eisen zal moeten voldoen die de regelgeving hieraan stelt.
2.37.
In een interne beslisnota van RWS van diezelfde dag wordt aan de DG RWS geadviseerd te besluiten dat granuliet grond is. In de beslisnota wordt benoemd dat GIB 85% van het grind voor asfalt levert. In de argumentatie van het besluit wordt verwezen naar de Concept-notitie, waarin Bodem+, ILT en RWS ON hebben geadviseerd te kiezen van kwalificatie van granuliet als bouwstof. Hierover wordt in de beslisnota het volgende gezegd:
“Buiten de milieuhygiënische consequenties, zijn de maatschappelijke gevolgen van deze keuze niet meegewogen. Deze wel meewegende, is het advies te kiezen voor de classificering als grond, omdat de milieuhygiënische consequenties te licht zijn in vergelijking met de andere maatschappelijke consequenties.”
2.38.
Op 23 september 2019 heeft RWS ZN een melding van GIB voor de toepassing van 100.000 ton granuliet in Over de Maas afgewezen, met onder meer als argument dat het aangeleverde certificaat ontoereikend is, omdat granuliet niet onder de BRL 9321 valt, en dat na intern overleg binnen RWS nog niet is vastgesteld of granuliet als grond kan worden aangemerkt. Het aangeleverde bewijsmiddel (het BRL 9321 certificaat) is volgens RWS ZN daarmee niet toereikend. Voor zover er wel een geldig bewijsmiddel is, bestaan er volgens RWS ZN ook bezwaren op grond van de artikelen 5 Bbk (toepassing van afvalstoffen, zonder nuttige toepassing) en 7 Bbk (zorgplicht).
2.39.
Op 10 oktober 2019 heeft de DG Water en Bodem (‘DG WB’) een memo verstuurd aan de DG RWS (hierna: de Memo van 10 oktober 2019), waarin hij laatstgenoemde informeert over zijn standpunt over het kwalificeren van granuliet als grond en over de certificering van granuliet. In de memo wordt hierover onder meer het volgende opgemerkt:
“In eerste instantie is de vraag – is granuliet een bouwstof of grond – behandeld door specialisten van WVL, ILT en RWS ON en zijn standpunten verkend. Vanuit deze specialistische benadering zijn in april en juni conceptnotities gemaakt. Hierin wordt geconcludeerd dat granuliet een bouwstof is. Daarna is de laatste versie van de notitie besproken met betrokken belanghebbenden. Vastgesteld is dat in de conceptnotities voorbij wordt gegaan aan het feit dat granuliet vanaf de inwerkingtreding van het Besluit bodemkwaliteit (sinds 2008) als grond is beschouwd. De bredere maatschappelijke gevolgen van de keuze zijn in de conceptnotitie niet in beeld gebracht. DGWB heeft daarom in overleg met RWS vastgesteld dat – gezien de historie en context – geen nieuwe overtuigende argumenten zijn aangedragen om het toepassen van granuliet als grond niet te accepteren. Daarom kan Granuliet nog steeds als grond – onder de regels van het Besluit Bodemkwaliteit – worden toegepast. Inmiddels heeft ILT aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de huidige wijze van certificeren van granuliet (o.g.v. normdocument BRL 9321), dit in afwachting van een nieuw te ontwikkelen normdocument (BRL 9344).”
In de Memo van 10 oktober 2019 wordt in een voetnoot nog opgemerkt over granuliet:
“Granuliet is een bijproduct van de productie van ‘graniet granulaat’, Graniet granulaat wordt in grote hoeveelheden toegepast in de asfaltindustrie. Graniet Import Benelux (GIB) is hiervoor één van de belangrijkste leveranciers.”
2.40.
Op 17 oktober 2019 heeft GIB een tweede melding gedaan bij RWS ZN voor de toepassing van 100.000 ton granuliet in Over de Maas. RWS ZN heeft die tweede melding afgewezen met dezelfde motivering als de eerste afwijzing van 23 september 2019 (2.38).
2.41.
Naar aanleiding van die afwijzing heeft Zijlstra via WhatsApp contact opgenomen met de DG RWS met de vraag: “(..) kan ik je even bellen inzake de granuliet zaak. Die leek opgelost maar ettert helaas nog steeds door.” Op 18 oktober 2019 heeft de DG RWS een gesprek gevoerd met (de directie van) RWS ZN. Hierna, diezelfde dag, heeft RWS ZN de melding op 18 oktober 2019 alsnog toereikend geoordeeld, met de toevoeging ‘op basis van gewijzigde inzichten’. In een interne e-mail schrijft een handhaver van RWS ZN dat de eerdere afwijzing de mening in de regio weergeeft en dat de latere goedkeuring op basis van een besluit van de DG RWS is genomen.
2.42.
Vervolgens is op 28 oktober 2019 begonnen met het aanvoeren en gebruiken van granuliet voor het verondiepen van het water bij Over de Maas. In het projectplan is voorzien dat het voor verondieping gebruikte granuliet wordt afgedekt met een leeflaag met een dikte van drie meter.
De aanloop naar de eerste uitzending van Zembla over granuliet
2.43.
Het televisieprogramma Zembla van omroepvereniging BNNVARA is een actualiteitenprogramma dat gebruik maakt van onderzoeksjournalistiek. Zembla richt zich mede op het aan het licht brengen en aan de kaak stellen van maatschappelijke misstanden en in haar eigen woorden ter zitting op “het controleren van de macht.”
2.44.
Naar aanleiding van zorgen van een aantal bewoners (verenigd in het burgercollectief Dreumel) over het gebruik van granuliet voor de verondieping van het water in Over de Maas, is Zembla eind 2019 een onderzoek begonnen naar de achtergrond en toepassing van granuliet in Over de Maas. Het onderzoek is uitgevoerd door de journalisten Roelof Bosma en Marco de Lange (hierna respectievelijk te noemen: ‘Bosma’ en ‘De Lange’). Voor haar onderzoek heeft Zembla onder andere met verschillende betrokken medewerkers van RWS en bodemdeskundigen gesproken. Ook heeft Zembla inzage gekregen in interne stukken van RWS, zoals het hiervoor bij 2.31 weergegeven advies van het Implementatieteam van 20 juni 2019.
2.45.
In een e-mail van 22 december 2019 heeft Bosma namens Zembla verschillende vragen gesteld aan GIB over het granulietdossier. Bosma heeft onder meer aan GIB gevraagd waarom het storten van granuliet in Over de Maas is toegestaan, nu granuliet volgens Bosma ‘immers geen grond of bagger is’.
2.46.
Op 8 januari 2020 heeft Hans Stupers, een door GIB ingehuurde consultant, hierna: ‘Stupers’) namens GIB een antwoordmail aan Zembla gestuurd. In zijn e-mail deelt Stupers onder meer mee dat granuliet al sinds het bestaan van het Bouwstoffenbesluit (en daarna het Bbk) schone grond is. Ook heeft Stupers het door SGS Intron verstrekte BRL 9321 certificaat meegestuurd, met de toelichting dat granuliet al sinds 2009 is gecertificeerd (door een geaccrediteerde CI: SGS Intron) en dat granuliet aldus wordt toegepast met een geldig en toepasselijk bewijsmiddel. Daarbij wijst Stupers erop dat GIB periodiek wordt ge-audit door SGS Intron. Verder heeft Stupers in zijn e-mail medegedeeld dat granuliet al eerder is toegepast voor verondieping van plassen en dat in geen van de toepassingen problemen met de waterkwaliteit, vertroebeling of andere negatieve effecten zijn geconstateerd.
2.47.
Met de e-mail van 8 januari 2020 heeft Stupers ook een rapport van Schreurs Milieuconsult (hierna: ‘Schreurs’) van 9 oktober 2019 aan Zembla toegestuurd, dat GIB heeft laten opstellen om antwoord te geven op vragen die vanuit RWS waren gesteld over de milieuhygiënische kwaliteit van granuliet. In het Rapport van Schreurs wordt geconcludeerd dat granuliet grond is van de kwaliteit achtergrondwaarde (AW, de hoogste milieuklasse) die vrij toepasbaar is op zowel landbodem als in oppervlaktewater, en dat er geen risico’s voor mens en natuur zijn.
2.48.
Een week later, op 15 januari 2020, heeft Stupers een al eerder opgesteld rapport van Schreurs van 20 maart 2019 aan Zembla gestuurd, waarin Schreurs concludeert dat granuliet als grond (in de zin van artikel 1 Bbk) kan worden aangemerkt.
2.49.
Naar aanleiding van nadere vragen van Zembla over het door GIB in het productieproces gebruikt flocculant heeft Stupers per e-mail van 24 januari 2020 twee onderzoeksrapporten aan Zembla toegestuurd.
2.50.
Het betreft, allereerst, een onderzoeksrapport van RoyalHaskoningDHV (hierna: ‘Haskoning’) van 29 mei 2019 dat antwoord geeft op de vraag of en welk effect het gebruik van flocculant zou kunnen hebben op de milieuhygiënische kwaliteit van de omgeving. In het rapport concludeert Haskoning in antwoord op die vraag het volgende:
“De flocculant is intrinsiek op basis van Europese wet- en regelgeving beoordeeld als niet persistent, niet bioaccumulerend en niet toxisch. Dit verklaart ook het gebruik van de flocculant bij onder andere de zuivering van drinkwater, de behandeling van afvalwater, als bodemverbeteraar en ter beperking van erosie op bouwplaatsen. Het gebruik van de flocculant in het productieproces zal om die reden niet leiden tot een, ten opzichte van het niet steekvaste product, toevoeging van een verontreiniging.
Het gebruik van de flocculant bij de productie van het steekvaste product (granuliet of Noordse Leem) en de aansluitende toepassing van het product heeft om diezelfde reden geen effect op de milieuhygiënische kwaliteit van de omgeving.
Daarnaast merken wij op dat de flocculant enkel zorgt voor binding van de fijne fractie en geen chemische reactie initieert waardoor de samenstelling of de eigenschappen van het product verandert. (…)
Samengevat zien wij uit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaren in het gebruik van de flocculant bij de productie van het steekvaste granuliet of de toepassing daarvan.”
2.51.
Daarnaast heeft Stupers een onderzoeksrapport van SoilConsult van 19 juni 2019 aan Zembla toegestuurd. Dit rapport ziet specifiek op de (mogelijke) aanwezigheid van de stof ‘acrylamide’. Acrylamide wordt beschouwd als kankerverwekkend voor de mens. De stof is aangemerkt als een Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS). Flocculant (polyacrylamide) is op zichzelf niet giftig, maar in theorie kan uit een polyacrylamide op twee manieren acrylamide vrijkomen, namelijk (i) als aanwezige sporen van (vrij beschikbaar) acrylamide residu in een polyacrylamide en (ii) als gevolg van de afbraak van polyacrylamide.
2.52.
In het toegezonden rapport staat dat SoilConsult twee monsters van ontwaterd granuliet (één vers monster, één van vier jaar oud) heeft getest op de aanwezigheid van acrylamide. De conclusie van het onderzoek is dat het gehalte acrylamide in beide monsters beneden de detectiegrens van 0,1 mg/kg droge stof ligt en dat er op basis van de analyseresultaten voor wat betreft de aanwezigheid van (restanten) acrylamide in de onderzochte granulietklei geen risico's voor mens en milieu te verwachten zijn.
2.53.
In een e-mail van 30 januari 2020 heeft Zembla aangekondigd dat de uitzending over het onderwerp granuliet gepland staat op 6 februari om 20:25 uur. Ook heeft Zembla de volgende nadere vragen aan Stupers/GIB gesteld:
“U citeert de definitie van grond uit het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). In deze definitie staat onder meer dat grond organische stof bevat. Uit het rapport van Schreurs dat u ons hebt gestuurd blijkt dat de partij granuliet zeer weinig organische stof bevat. Wij hebben hierover deskundigen van onder meer de universiteit Wageningen en instituut Deltares geraadpleegd en zij verklaren dat op basis van de definitie uit het Bbk en het Schreursrapport niet kan worden gesteld dat granuliet grond is. Ook specialisten binnen de overheid concluderen dat granuliet een bouwstof of afvalstof is en geen grond. Wat is uw reactie hier op?
Granuliet is volgens de definitie van het Bbk geen grond. Toch is het materiaal onder de noemer grond toegepast in een verondieping. We hebben deze informatie voorgelegd aan oud-officier van justitie Gustaaf Biezeveld (hierna in dit vonnis te noemen: ‘Biezeveld’, rechtbank). Volgens Biezeveld overtreedt Graniet Import Benelux/Bontrup hiermee de Wet Bodembescherming, wat de toepassing een illegale handeling maakt. Wat is uw reactie hier op?
Graniet Import Benelux/Bontrup is er meerdere malen op gewezen dat BRL 9321 niet van toepassing is op granuliet. Toch blijft het bedrijf BRL 9321 gebruiken voor granuliet. Volgens oud-officier van Justitie Gustaaf Biezeveld pleegt het bedrijf hiermee valsheid in geschrifte. Wat is uw reactie hier op?
2.54.
In een e-mail van 3 februari 2020 heeft Stupers op de door Zembla gestelde aanvullende vragen gereageerd. In reactie op de door Zembla gestelde standpunten van deskundigen van de Universiteit Wageningen en Deltares heeft Stupers, kort gezegd, geantwoord dat hij niet weet wie deze personen zijn, of zij namens het gezag van de universiteit en Deltares spreken, en op basis van welke informatie zij hun oordeel hebben geveld. Verder schrijft Stupers:
“Vraag 1
a. a) lk heb niet alleen de definitie van grond uit het besluit Bodemkwaliteit geciteerd, en niet alleen het rapport van Schreurs gestuurd, maar ik heb ook het BSB-certificaat van SGS toegestuurd. GIB zou dit certificaat niet hebben gekregen als de certifícerende instantie onzeker was geweest over de kwalificatie grond, of over het regime van BRL 9321. In Nederland is het verkrijgen van een certificaat goed geregeld. Goedkeuring van de volgende loketten is nodig: Certificatie instelling (in dit geval SGS), stichting Bouwkwaliteit, college van deskundigen, Harmonisatie commissie bouw, Toetsingscommissie Bouwstoffenbesluit en Raad voor Accreditatie.
(…)
d) In de defínitie van grond gaat het behalve de grootte van de delen om "minerale delen en
organische stof in een verhouding en structuur zoals in de bodem van nature wordt aangetroffen". Er staat niet dat er een bepaald gehalte organische stof in moet zitten, enkel dat het in een natuurlijke verhouding aanwezig moet zijn. In de Noorse bodem treffen wij op deze locatie van nature nu eenmaal weinig organische stof aan en dus meer minerale delen. Deze natuurlijke verhouding verstoort GIB niet.
e) Het gaat om het correct interpreteren van de definitie. Het is niet relevant wat enkele
medewerkers "van de overheid" er persoonlijk van vinden; doorslaggevend is het oordeel van ministerie als organisatie. En dat oordeel is zonneklaar: granuliet is grond. (…)
Vraag 2
Je verwijst naar het oordeel van een oud-OvJ. lk kan hierop niet reageren, want ik weet niet met welke vraag of informatie je hem hebt benaderd. Weet hij bijvoorbeeld dat er een BSB-certificaat is? Weet hij dat de vergunning door het bevoegd gezag is verleend? Ben je er zeker van dat je de oud-OvJ de juiste en volledige informatie hebt verstrekt voordat hij tot zijn oordeel kwam?
Vraag 3
Ten aanzien van BRL 9321 geldt dat GIB zich baseert op het BSB-certíficaat van SGS. GIB is al meer dan 10 jaar geldig gecertificeerd. lk weet niet wie je bedoelt met degenen die GIB "er meerdere malen op hebben gewezen" dat dit niet de juiste BRL zou zijn. Voor ons doet alleen de mening ertoe van degenen die bevoegd zijn een beslissing te nemen. lk verwijs je hiervoor naar het Ministerie, RWS of SGS.”
2.55.
Tussen 3 februari 2020 en 6 februari 2020 is nog enkele malen mailcontact geweest tussen Stupers en Zembla. Daarbij is van de kant van Zembla toegelicht dat in de uitzending wordt geciteerd uit het verslag van het Implementatieteam van juni 2019, waarin dit team concludeert dat granuliet geen grond is. Stupers heeft in een e-mail van 6 februari 2020 (om 07:43 uur) aan Zembla bericht dat dit memo een concept is en een concept is gebleven, omdat het document veel fouten en verkeerde aannames bevat.
2.56.
Zembla heeft voorafgaand aan de uitzending ook verschillende vragen gesteld aan RWS en IenW (gezamenlijk). Daarbij heeft Zembla ook aan IenW de uitlatingen van de door haar geraadpleegde deskundigen en oud-officier van justitie Biezeveld voorgehouden (zie ook de e-mail van Zembla van 30 januari 2020 aan GIB, 2.53). IenW en RWS hebben in e-mails van 16 januari 2020, 24 januari 2020 en 3 februari 2020 gezamenlijk op de vragen van Zembla geantwoord. IenW en RWS hebben in antwoord op de vragen onder meer het volgende aan Zembla medegedeeld:
“(…) Op grond van het Besluit bodemkwaliteit kan granuliet als grond worden gekenmerkt. Omdat het materiaal in het verleden lange tijd als grond is gekenmerkt en er geen overtuigende argumenten zijn om granuliet niet als grond te accepteren, heeft het ministerie ingestemd met de keuze om granuliet als grond te kenmerken. Dit betekent vervolgens dat granuliet aan alle wettelijke eisen - inclusief de zorgplicht - voor grond moet voldoen. Hiermee is het ook mogelijk om granuliet toe te passen in een diepe plas,
mits aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit en de Waterwet wordt voldaan
.
(…)
In het overleg van het Implementatieteam van 26-3-2009 is de casuïstiek granuliet besproken met de vraagstelling of dit materiaal onder de definitie van 'grond' dan wel de definitie van 'bouwstof' valt, met als uitspraak dat granuliet 'grond' betreft. In het overleg van 25-6-2013 van het Implementatieteam is de definitie van granuliet nogmaals besproken zonder een eensluidende nieuwe uitspraak.
(…)
Er is geen algemeen of landsdekkend beeld van welke partijen granuliet als grond hebben gekenmerkt. Wel is ons bekend dat nuttige toepassingen van granuliet als grond in het verleden hebben plaatsgevonden met instemming van bevoegd gezag Rijkswaterstaat, waterschappen (nat) en gemeenten (droog).
(…)
Granuliet bevat inderdaad een laag organisch stofgehalte. In Nederland komt echter ook grond voor met vrijwel geen organisch stof, bijvoorbeeld dekzanden. Een materiaal met een laag organisch stofgehalte kan op basis van het Besluit bodemkwaliteit ook als grond worden gekwalificeerd en ook duurzaam een bodemfunctie vervullen, mits het materiaal milieu hygiënisch verantwoord wordt toegepast. Hiervoor zijn regels gesteld in het Besluit bodemkwaliteit.
(…)
De definitie voor grond in het Besluit bodemkwaliteit bepaalt of een materiaal als grond kan worden gekenmerkt. Deze definitie is dan ook de basis om granuliet als grond te kenmerken. Granuliet wordt op dit moment als grond geleverd met een erkende kwaliteitsverklaring op grond van de BRL 9321.
(…)
Een materiaal kan in het kader van het Besluit bodemkwaliteit worden gekenmerkt als grond of een bouwstof. De indeling van het Besluit bodemkwaliteit in deze categorieën kan soms interpretatievragen oproepen. Granuliet wordt gekwalificeerd als grond onder het Besluit bodemkwaliteit en is een relatief schoon materiaal. Licht verontreinigde grond en baggerspecie kan in een diepe plas worden toegepast mits de verondieping als nuttig en functioneel kan worden gekenmerkt. Dat is bij het project over de Maas het geval en daarmee is niet sprake van een illegale stort.
(…)
Door het ministerie van IenW is aangegeven dat er geen bezwaar is tegen de huidige wijze van certificeren van granuliet (o.g.v. normdocument BRL 9321). Dit in afwachting van een nieuw te ontwikkelen normdocument (BRL9344). RWS handelt overeenkomstig dit standpunt.
(…)
Het gebruik van (..) flocculant is gangbaar en bekend, tevens toegestaan volgens
Europese en Nederlandse wet- en regelgeving. Zowel meetwaarden door leverancier GIB als onderzoek door RWS tonen aan dat geen gehalten aanwezig zijn boven de detectielimieten in het granuliet. Zie ook uit onderzoek aangeleverd door GIB: Royal Haskoning (23 mei 2019) (…) en SoilConsult (19 juni 2019).
In de antwoorden van RWS en IenW zijn bij de verwijzing naar de rapporten van Haskoning en SoilConsult ook kort de conclusies uit die rapporten weergegeven (zie 2.49 en verder).
De eerste uitzending van Zembla van 6 februari 2020
2.57.
Op 6 februari 2020 is er een televisie-uitzending van Zembla geweest met de titel ‘De afvaldump door Rijkswaterstaat’ (hierna ook: ‘de Eerste Uitzending’). In deze uitzending is aandacht besteed aan het toepassen van granuliet voor het verondiepen van Over de Maas. In de uitzending wordt duidelijk gemeld en getoond dat GIB als onderdeel van Bontrup de producent en leverancier van het granuliet is. In de Eerste Uitzending is uitgedragen dat granuliet niet als grond kan worden aangemerkt en dus niet mag worden toegepast voor het verondiepen van plassen. In de uitzending is gesteld dat hoge ambtenaren van Rijkswaterstaat door beïnvloeding van buitenaf hebben besloten om granuliet desondanks toch als grond aan te merken. Daarbij zouden hoge ambtenaren binnen RWS lagere ambtenaren hebben gedwongen om in te stemmen met toepassing van granuliet in Over de Maas. In dit verband wordt ook ingegaan op de rol van Zijlstra bij de contacten tussen GIB en hoge ambtenaren van RWS. Ook is ingegaan op het door GIB toegevoegde flocculant in granuliet.
2.58.
In het begin van de Eerste Uitzending wordt door de voice-over van Zembla het volgende gezegd (0:27 min):
"In deze uitzending onthullen we dat tegen de regels in afval van een groot Amsterdams bouwstoffenbedrijf gestort wordt in de Gelderse natuurplas Over de Maas."
2.59.
Verderop in de Eerste Uitzending wordt – in antwoord op de door Zembla opgeworpen vraag wat granuliet precies is – een interview afgenomen met een steenhouwer, die laat zien dat bij het schuren van graniet slijpsel vrijkomt en dat hij dit slijpsel als afval ziet. Na dit fragment wordt het volgende door de voice-over van Zembla gezegd (12:14 min):
"Als het granuliet voor een steenhouwer afval is, en hij er voor moet betalen om er vanaf te komen. Hoe is het dan mogelijk dat het granuliet van dit bedrijf gestort wordt in een natuurplas? We vragen het aan Bontrup, maar die willen geen interview geven. Wel sturen ze een certificaat om ons te overtuigen dat ze niets illegaals doen. Volgens dat certificaat is granuliet geen afvalstof, maar een grondsoort. En schone grond mag toegepast worden in natuurplassen.”
2.60.
In de uitzending heeft Zembla ook gevraagd aan dhr. Joop Harmsen (toen gepensioneerd maar tot 2018 als milieuchemicus verbonden aan de universiteit Wageningen, hierna te noemen: ‘Harmsen’) om zich uit te laten over granuliet. Daartoe worden door Bosma een monster van granuliet en het BRL 9321 certificaat aan Harmsen getoond. In de uitzending wordt hier vervolgens onder meer het volgende gezegd (vanaf 13:19):
“(voice-over Zembla): "Milieuchemicus Joop Harmsen is gespecialiseerd in bodem- en waterverontreiniging. Hij is meteen duidelijk.”
(Harmsen): "Nee dit is geen grond."
(voice-over): "Volgens hem is granuliet geen grondsoort onder meer omdat er nauwelijks organisch materiaal in zit.”
(Bosma): "Zou u het in uw tuin willen hebben?'
(Harmsen): "Nee, dat zou ik absoluut niet en dat vind ik een bovendien altijd een goed criterium voor of iets grond is: zou je het in tuin willen hebben? En dit materiaal, ik ben bang dat er niets op groeit. Dat elk plantje dat je erin stopt, dat ie doodgaat;”
(…)
(voice-over Zembla): "We laten Harmsen het certificaat zien dat we van Bontrup hebben gekregen, en dat ook door Rijkswaterstaat gebruikt wordt om aan te tonen dat er niets illegaals gebeurt.”
(Harmsen): "De eerste stap is verkeerd door het industriezand te noemen. Het is gewoon..ja dat is het in mijn ogen niet, het is geen zand. Het is dus een onjuist certificaat want het is een certificaat van een product waar het niet overgaat."
(Bosma): "Maar wat vindt u ervan dat dit wel het certificaat is dat ze uiteindelijk aan de bewoners hebben gegeven, aan ons geven, waar ze mee de boer op gaan, om te laten zien, nou dit product voldoet gewoon?”
(Harmsen): "Nou ik denk dat dit een kwestie is van overdonderen, we hebben een certificaat, dus we voldoen."
(Bosma): "Indruk maken?”
(Harmsen): "Indruk maken, ja van: 'het voldoet, dus jullie hebben niets te zeuren'."
2.61.
Ook zijn in de uitzending forensisch onderzoeker Ton Diepeveen (hierna: ‘Diepeveen’) en oud-officier van justitie Biezeveld aan het woord geweest. In de uitzending is het volgende fragment te zien en te horen (15:19 – 17:05):
“(Voice-over Zembla): Ton Diepeveen is voormalig milieuhandhaver en forensisch onderzoeker. Ook hij is ervan overtuigd dat het certificaat niet bij het granuliet hoort.”
(Diepeveen): “Kijk, als jij iemand dit productcertificaat geeft en je zegt van joh, dit is het spul wat ik ga leveren. Ja, dan zit je op een vorm van oplichting, dan gooi je iets anders in de plas dan eigenlijk hier opstaat. Wat je hier ziet is dat dit materiaal een restproduct is, wat geen grond is, dat nu naar Over de Maas gebracht wordt en wat daar dus als het ware geen nuttige toepassing is in deze grote hoeveelheden en ook niet functioneel is. Dan praat je echt over dumpen van afval.”
(Bosma): “Dat is het.”
(Diepeveen): “En dat gebeurt in Over de Maas op dit ogenblik.”
(voice-over Zembla): “Voormalig milieu officier van justitie Gustaaf Biezeveld is het daarmee eens. Volgens hem pleegt Bontrup meerdere strafbare feiten.
(Biezeveld): “Als je het in juridische termen zou kwalificeren dan zou je zeggen dat die bedrijven opzettelijk valsheid in geschrifte hebben gepleegd door het zelf al te definiëren als grond, het aan te bieden als grond. En bovendien hebben ze zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk storten van afvalstoffen in een plas. In strijd met de wet bodembescherming. Dan is het een economisch delict van de hoogste categorie, en dat betekent dat er forse straffen op staan.
(Bosma): “Waar moet ik dan aan denken?”
(Biezeveld): “Dan moet je aan gevangenisstraffen denken van maximaal zes jaar.”
2.62.
In de uitzending worden ook verschillende passages aangehaald uit het verslag van het Implementatieteam van 20 juni 2019 (zie 2.31). Door de voice-over van Zembla (19:14) wordt gesteld dat opvalt dat de deskundigen ook nog waarschuwen voor flocculant, wat in het granuliet zit. Vervolgens wordt een fragment getoond waarin Harmsen en Biezeveld zich over het flocculant uitlaten. Dit fragment houdt het volgende in:
(Harmsen): "Flocculant is een stof om te zorgen dat het geen troebeling geeft. Het is een chemische stof die wordt toegevoegd om die troebeling te voorkomen."
(Bosma): "Dat zit in het granuliet?”
(Harmsen): "Dat zit in het granuliet."
(Bosma): "En dat maakt dat het eigenlijk nog gevaarlijker is om het toe te passen daar?”
(Harmsen): "Ja, je weet niet wat het in de toekomst gaat brengen,
Het kan meevallen, maar het is gewoon onbekendheid. Het is onbekend, en dat moet je zeker niet doen in een ongecontroleerd systeem als zo'n plas."
(Biezeveld): "Die plas staat in open verbinding met de Maas, dus dat
water gaat steeds heen en weer, dus als er verontreinigende stoffen in zitten, dan gaan die zich door het hele watersysteem verspreiden."
2.63.
Tegen het einde van de Eerste Uitzending komt de reactie van RWS en GIB (Bontrup) kort aan de orde. Hierover wordt in de Eerste Uitzending (35:43) door de voice-over van Zembla het volgende gezegd:
"(Voice-over Zembla): “In een schriftelijke reactie laat het ministerie weten te hebben ingestemd met granuliet als grond, omdat er geen overtuigende argumenten zijn om het niet als grond aan te accepteren.”
(Biezeveld): “Dat vind ik dus ook heel ernstig. Het gaat om het Besluit Bodemkwaliteit. Dat is een algemene maatregel van bestuur, dat staat net onder een wet, maar dat is een besluit van de kroon, van de regering, met advies van de Raad van State. Dat kan je niet zo eventjes zeggen: ‘O, dat veranderen we even.’ Nee, dat is een hele procedure.”
(Voice-over Zembla): “Over het gebruikte productcertificaat zegt het ministerie dat er geen bezwaar is tegen de huidige manier van certificeren. In afwachting van een nieuw te ontwikkelen norm. Bontrup laat nogmaals weten dat ze niets illegaals doen, omdat het ministerie granuliet als grond beoordeelt. Hun hele reactie is te lezen op onze website."
2.64.
Op de webpagina van Zembla zijn onder de pagina van de Eerste Uitzending onder het kopje Wederhoor en documenten bij uitzending: 'De afvaldump door Rijkswaterstaat', (links naar) drie documenten opgenomen. Onder ‘wederhoor bedrijf bedrijf Bontrup’ is de e-mail van Stupers van 3 februari 2020 met de aanvullende vragen van Zembla (zie 2.53 en 2.54) opgenomen. Onder ‘wederhoor Rijkswaterstaat en Ministerie’ zijn de vragen van Zembla en antwoorden van IenW en RWS van 16 januari 2020, 24 januari 2020 en 3 februari 2020 opgenomen (zie 2.56). Ten slotte is onder ‘Besluit bodemkwaliteit’ de definitie van grond van artikel 1 Bbk opgenomen, samen met onderdelen uit de nota van toelichting op het Bbk.
2.65.
De Eerste Uitzending heeft aandacht gekregen in de landelijke en regionale media, en heeft bij bewoners van het gebied van Over de Maas en ook bij de gemeente tot onrust geleid. Een dag na de Eerste Uitzending heeft RWS een nieuwsbericht gepubliceerd op haar website, waarin RWS (evenals Bodem+ daarvoor, op 6 februari 2020) laat weten niet achter de uitzending van Zembla te staan. RWS bevestigt dat granuliet sinds 2009 als grond wordt gekwalificeerd en dat IenW die conclusie, nadat hierover in 2018 discussie was ontstaan, in 2019 heeft herbevestigd.
2.66.
Op 10 februari 2020 heeft Zembla een podcast gepubliceerd over de granuliet-uitzending. In deze podcast is onder meer het volgende gezegd:
Bosma: (…) en we hoorden ook redelijk snel dat ze daar bij dat bedrijf een soort van bindmiddel gebruiken waar toxische stoffen in zitten. Dus toen zeiden deskundigen ook van “ja dat maakt het alleen maar ernstiger"."
(…)
De Lange: Volgens de wet mag je bij een verondieping, mag je zoals je net zei, grond en baggerspecie gebruiken en volgens deskundigen die wij gesproken hebben en volgens de stukken die we hebben gezien is dit granuliet geen grond en ook geen baggerspecie. Daarom mag het al, als je helemaal kijkt naar het begin van de regels, mag het niet daar, nee."
(…)
De Lange: "En dan gaan wij natuurlijk checken klopt dat, is zo een certificaat correct, mag je dat gebruiken bij dit granuliet? En dan horen wij eigenlijk al vrij snel van alle kanten dat dat eigenlijk niet mag. Dat dit certificaat niet is bedoeld voor iets dat geen grondsoort is en zelfs specifiek niet voor granuliet mag worden gebruikt."
(…)”
Behandeling granuliet-discussie in de Tweede Kamer en Rondetafelgesprek 9 maart 2020
2.67.
Naar aanleiding van de ontstane onrust en Kamervragen hebben de ministers van Milieu en Wonen en van IenW bij Kamerbrief van 5 maart 2020 de Tweede Kamer nader geïnformeerd over het dossier granuliet. In de brief wordt meegedeeld dat op basis van de onderzoeksresultaten van onafhankelijke en erkende bureaus, zoals Haskoning, Schreurs, SoilConsult, en ook analyseresultaten van de door RWS genomen verificatiemonsters in het kader van toezicht (in opdracht van RWS ZN uitgevoerd door Geonius), is vastgesteld dat granuliet voldoet aan de eisen van het Bbk en dat het toepassen van granuliet geen schadelijke gevolgen heeft voor de milieukwaliteit en de leefomgeving. Bij de brief van de ministers is een lijst opgenomen met de verschillende uitgevoerde onderzoeken en de conclusies daarvan. Ook wordt in de brief een toelichting gegeven op de discussie die vanaf 2018 binnen IenW over granuliet was ontstaan, en het op 10 oktober 2019 door de DG WB ingenomen standpunt dat granuliet nog steeds als grond moet worden aangemerkt. Over dit laatste memo schrijven de ministers:
“(…) Het standpunt van de beleids-DG, was daarmee een herbevestiging van de bestaande zienswijze ten aanzien van granuliet.
Bij de standpuntbepaling was de belangrijkste factor dat granuliet gedurende vele jaren daarvoor bestendig als 'grond' was gekwalificeerd. Er waren geen inhoudelijk zwaarwegende argumenten daarvan af te wijken. Daarnaast waren er vanuit het oogpunt van de bescherming van het milieu geen overtuigende redenen om tot een andere kwalificatie over te gaan. Uitgangspunt in dit soort afwegingen is altijd dat van een overheid mag worden verwacht dat in geval van een eventuele beleidswijziging naar de maatschappij toe een consistente en zorgvuldige afweging wordt gemaakt ook vanwege de rechtszekerheid naar betrokkenen.”
2.68.
Diezelfde dag heeft Zembla op haar website een publicatie geplaatst over de Kamerbrief van 5 maart 2020 met de titel ‘Conclusies kabinet over granuliet te voorbarig’. In de brief wordt door Biezeveld en Harmsen gesteld dat het een raadsel is waarop de minister baseert dat granuliet al langere tijd als grond is gekwalificeerd. Daarnaast wordt in de publicatie het volgende door Harmsen gesteld over de deskundigenonderzoeken die met de Kamerbrief zijn meegestuurd:
“Normaal gesproken meet je (..) op alle verdachte stoffen. Ze kunnen dus niet zeggen dat het schoon is, want ze hebben niet op flocculant (de aan het granuliet toegevoegde chemische stof, red.) gemeten.” Volgens Harmsen kun je nog niet zeggen of het storten van zoveel granuliet wel of niet schadelijk is.
2.69.
Op 9 maart 2020 is in de Tweede Kamer een hoorzitting gehouden over granuliet (hierna: het Rondetafelgesprek). Daarbij zijn door diverse betrokkenen ‘position papers’ ingediend, te weten Biezeveld, Harmsen, de Gemeente West Maas en Waal, GIB en geoloog prof. dr. J.R. Wijbrans (hierna: ‘Wijbrans’). Ook heeft Jos Vink, bodemdeskundige en werkzaam bij onderzoeksbureau Deltares (hierna: ‘Vink’) tijdens het Rondetafelgesprek het woord gevoerd.
2.70.
In haar position paper neemt GIB het standpunt in dat granuliet schone grond is. GIB verwijst ter ondersteuning op het rapport van Schreurs uit maart 2019 en op een (op de website van GIB gepubliceerd) rapport van geoloog drs. Van Tooren van 27 februari 2020 (hierna: ‘Van Tooren’), waarin wordt geconcludeerd dat granuliet niet afwijkt van de gangbare erosie- en verweringsproducten die de rivieren naar Nederland hebben gebracht en die de samenstelling van de Nederlandse ondergrond bepalen.
2.71.
Ook Wijbrans concludeert in zijn position paper dat granuliet, binnen de beperkingen van de wettelijke kaders, het best kan worden geclassificeerd als grond. Volgens Wijbrans is de in de Eerste Uitzending gewekte suggestie dat grond een organische component moet hebben niet juist, omdat ook de zeeklei zoals die voorkomt in de Haarlemmermeer of in Flevoland nagenoeg geen organische component bevat, maar die zeekleigebieden desalniettemin tot de rijkste landbouwgronden van Nederland behoren.
2.72.
In zijn position paper concludeert Harmsen, onder verwijzing naar het standpunt van het Implementatieteam in de memo van 20 juni 2019, dat granuliet geen grond is. Hij merkt in dat verband op dat de rapporten van Schreurs en SoilConsult onvolledig en zelfs onjuist zijn. Ook het productcertificaat klopt volgens Harmsen niet omdat dit industriezand en (gebroken) industriegrind betreft, wat volgens Harmsen iets anders is dan granuliet. Verder gaat Harmsen in op de onderzoeksrapporten van Haskoning en SoilConsult over flocculant en polyacrylamide. Hij merkt hierover in zijn position paper het volgende op:
“De conclusie van Royal Haskoning, “polyacrylamide is niet persistent’, is onjuist (persistent betekent moeilijk afbreekbaar). Polyacrylamide is volgens het Veiligheidsblad niet gemakkelijk afbreekbaar. Recente informaties laat zien dat polyacrylamide in biologisch actieve- en zuurstof bevattende landbouwgrond langzaam afbreekt (de helft verdwijnt in ruim 5 jaar). Bij de toepassing van het granuliet in een diepe plas kan er geen zuurstof meer bij, is er weinig biologische activiteit en zal polyacrylamide niet of slechts zeer langzaam afbreken. Het is in een diepe plas dus een persistente stof. In komende Europese regelgeving over mest wordt persistentie van een toegevoegde stof als gevaarlijk en onwenselijk erkend en reden om gebruik niet meer toe te laten.
Risico's worden vaak gekoppeld aan hoeveelheden. SoilConsult praat over lage doseringen
polyacrylamide bij het productieproces en ook wordt een concentratie in granuliet van minder dan 0,01% genoemd. Dit lijkt weinig, maar het is beter om de gebruikelijke dimensie te gebruiken voor bodemverontreinigingen (mg/kg). 0,01% betekent 100 mg/kg en dit is voor een milieuvreemde stof hoog. Uitgaande van 100 mg/kg betekent dat met het storten van 500.000 ton granuliet, er 50.000 kg van deze milieuvreemde stof polyacrylamide in de plas terecht komt.
Alhoewel geadsorbeerd polyacrylamide geen zeer toxische stof is, is er onzekerheid over hoe het zich op lange termijn zal gaan gedragen. Al met al voldoende redenen om het granuliet met polyacrylamide niet toe te passen in een diepe plas.”
2.73.
In zijn position paper heeft Biezeveld voorop gesteld dat zijn stuk is gebaseerd op de door de Zembla-redactie verstrekte informatie. Biezeveld heeft zijn standpunt uiteengezet tijdens het Rondetafelgesprek. Hierin heeft Biezeveld onder meer het volgende gezegd:
“(..) het productcertificaat is ondeugdelijk. Het is namelijk gebaseerd op een beoordelingsrichtlijn voor industriezand en al dan niet gebroken grind. In deze BRL 9321 staat dat ze niet van toepassing is op steenslag afkomstig van gesteente. Graniet en kwartsiet zijn gesteente. GIB en SGS Intron weten al vele jaren dat het productcertificaat ten onrechte steunt op deze BRL. Zoals de heer Bosma net zei, er zijn twee pogingen ondernomen om het alsnog in een BRL te krijgen. Die zijn allebei niet gelukt. Desondanks is GIB dit certificaat blijven gebruiken tegenover Rijkswaterstaat en waarschijnlijk ook andere instanties. Hiermee heeft het bedrijf zich vermoedelijk schuldig gemaakt aan opzettelijk gebruik maken van een vals document. Dat is strafbaar gesteld in het wetboek van strafrecht. Artikel 225.”
2.74.
Zembla heeft nog dezelfde dag op haar website een stuk gepubliceerd naar aanleiding van het Rondetafelgesprek, met de titel ‘Ministerie wist al dat granuliet geen grond is’. In het stuk schrijft Zembla onder meer het volgende:
“Deskundige Jan Wijbrans van de Vrije Universiteit Amsterdam stond alleen in zijn oordeel dat granuliet als grond te beschouwen is. De andere deskundigen, onder wie milieuchemicus Joop Harmsen en Jos Vink van Deltares weerlegden zijn betoog en waren helder: 'Bodem bestaat uit organische en anorganische bestanddelen. In granuliet zitten geen organische of anorganische bestanddelen.(…)
Zeer zorgwekkende stof in het water
Zembla-verslaggever Roelof Bosma meldde ook nog dat een ambtenaar half januari al aan het ministerie had gemeld dat er door de granulietstortingen een zeer zorgwekkende stof in het water kan komen waarvan het risico nog niet is onderzocht. Op dat moment werd er al 2,5 maand granuliet gestort in Over de Maas.
Het gaat om een stof die kan ontstaan na afbraak van de chemische stof flocculant. Die stof wordt aan granuliet toegevoegd als een soort bindmiddel. ledere kilo granuliet bevat 100 mg van de chemische stof. Als flocculant afbreekt vormt dat volgens Jos Vink van Deltares een risico: "Dat is een neurotoxische stof. Dan heb je een kankerverwekkende stof."
Milieuchemicus Joop Harmsen voegde daaraan toe dat flocculant weliswaar een moeilijk
afbreekbare stof is, maar dat niet uitgesloten is dat het in de toekomst wel zal afbreken. "Je hebt milieuvreemd materiaal in de plas. De risico's zijn onbekend. Maar risico's kunnen er eventueel zijn en die moet je niet willen lopen.”
‘Certificaat is vals’
Voormalig milieuofficier Gustaaf Biezeveld voegde toe dat het bedrijf Graniet Import Benelux b.v. al jarenlang met een onrechtmatig productcertificaat werkt. Het certificaat dat het bedrijf gebruikt om goedkeuring te krijgen voor granulietstortingen is volgens hem niet van toepassing op steenslag en gesteente. Granuliet is steenslag en daarom is het document dat het bedrijf gebruikt volgens Biezeveld vals. "Het zou hooguit als bouwstof kunnen worden beschouwd, mits het nuttig wordt toegepast, maar niet als grond”, aldus Biezeveld. De voormalig officier van justitie doet een beroep op de minister om de stortingen van granuliet in Over de Maas per direct te stoppen en aangifte te doen tegen het bedrijf.”
2.75.
Op 31 maart 2020 heeft de minister van IenW Kamervragen beantwoord over de kwalificatie van granuliet, het productcertificaat en de schadelijkheid van granuliet. De minister heeft geantwoord (kort samengevat) dat granuliet als grond wordt gekwalificeerd, dat het productcertificaat in orde is en dat de toepassing van granuliet niet schadelijk is voor mens en milieu. Daarbij is de minister specifiek ingegaan op het risico dat uit het gebruikte flocculant acrylamide vrijkomt. De minister heeft daarbij erop gewezen dat in een onderzoek uit 2002 is aangegeven dat het fysisch-chemisch onwaarschijnlijk is dat acrylamide vrijkomt bij de afbraak van polyacrylamide en dat acrylamide over het algemeen zeer snel afbreekt in het milieu, ook onder anaerobe condities, waardoor het onwaarschijnlijk is dat er sprake is van relevante effecten voor mens en milieu. Ook heeft de minister erop gewezen dat in 2019 (2x) en 2020 (1x) meerdere monsters granuliet zijn geanalyseerd op de aanwezigheid van acrylamide (zowel in opdracht van GIB als in opdracht van RWS ZN), maar dat telkens is gebleken dat het gehalte van deze stof beneden de detectiegrens ligt.
2.76.
Bij de Kamerbrief van 31 maart 2020 is ook een memo van 5 maart 2020 meegestuurd van ir. P. Lubking en drs. A.M. Kruse, (voormalig) adviseurs bij Deltares. In de memo staat dat granuliet organisch materiaal bevat (zij het zeer weinig) en dat granuliet grond is in zowel de algemene gebruikelijke zin als in de zin van het Bbk.
2.77.
Nog dezelfde dag heeft Zembla op haar website een publicatie geplaatst over de Kamerbrief met de titel ‘Deskundigen verbijsterd over Kamerbrief minister over granulietstort’. In de publicatie worden uitlatingen van Vink en Harmsen geciteerd, die stellen dat de minister niet kan concluderen dat het toepassen van granuliet niet leidt tot risico’s voor mens en milieu, dat er geen bewijs is dat acrylamide snel afbreekt in het water en dat, mede vanwege de afdeklaag van drie meter op het granuliet, niet bekend is wat er op de lange termijn gebeurt. Ook wordt in de publicatie opnieuw gesteld dat granuliet geen grond is. Daartoe wordt verwezen naar het oordeel van de deskundigen in het Implementatieteam van juni 2019, en het standpunt van Vink tijdens het Rondetafelgesprek van 9 maart 2019, waarin Vink stelt dat je granuliet niet kunt toetsen als grond omdat er geen organisch materiaal en kleimateriaal in zit.
Juridische ontwikkelingen in 2020
2.78.
Bij brief van haar advocaat van 12 april 2020 heeft Zembla geklaagd over de berichtgeving van Zembla, die volgens GIB onvolledig, eenzijdig en tendentieus is. GIB deelt mee dat Zembla onrechtmatig handelt jegens GIB en stelt Zembla aansprakelijk voor de schade die GIB hierdoor lijdt en nog dreigt te leiden. Ook kondigt GIB aan een klacht bij de Raad voor de Journalistiek (hierna: RvdJ) in te zullen dienen.
2.79.
Inmiddels had de Gemeente West Maas en Waal (hierna te noemen: ‘de gemeente’) in verband met het storten van granuliet in Over de Maas en de publicaties van Zembla daarover handhavingsverzoeken ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘ABRvS’) en de rechtbank Gelderland vanwege (een sterk vermoeden van) overtreding van wet- en regelgeving. In die procedures is om voorlopige voorzieningen verzocht. De voorzieningenrechters van de rechtbank Gelderland (bij uitspraak van 25 juni 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:3097) en de ABRvS (bij uitspraak van 29 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1506) hebben de verzochte voorzieningen geweigerd. In beide uitspraken is voorshands geoordeeld dat de minister en de staatsecretaris zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat granuliet als grond in de zin van het Bbk moet worden aangemerkt. In dat verband is in beide uitspraken overwogen dat aan de door de gemeente ingebrachte Concept-notitie en het verslag van het Implementatieteam van 20 juni 2019 – waarin staat dat granuliet geen grond is – niet de betekenis kan worden toegekend die de gemeente daaraan hecht, omdat het om interne notities gaat die persoonlijke gedachten van betrokken ambtenaren bevatten en uitsluitend voor intern overleg en beraad zijn bedoeld. Gewezen is op het latere standpunt van Bodem+ waarin granuliet als grond is aangemerkt.
2.80.
In de uitspraak van 29 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter van de ABRvS ook geoordeeld dat er geen aanleiding is om op voorhand te twijfelen aan de milieuhygiënische kwaliteit van granuliet. Daartoe heeft de voorzieningenrechter het volgende overwogen:
“Uit de memo "Epocure P-1715 Beoordeling effecten op water en bodem" van Van der Kooij Clean Technologies van 9 juni 2019 komt naar voren dat het aandeel flocculant in granuliet slechts circa 0,01% bedraagt. Verder staat in de memo "Acrylamide en Over de Maas" van Rijkswaterstaat van 3 juni 2020 (hierna te noemen: de memo van RWS van 3 juni 2020, rechtbank) dat de concentratie acrylamide ruim onder de zogenoemde NOEC-waarden ("No Observed Effect Concentration") blijft. Uit voornoemde stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat het onwaarschijnlijk is dat acrylamide negatieve effecten heeft op organismen in het water en de (water)bodem.”
De rekenfout in de memo van RWS van 3 juni 2020
2.81.
Zembla heeft op 2 september 2020 gepubliceerd over een rekenfout in de hiervoor bij 2.80 al vermelde memo van RWS van 3 juni 2020. Bosma heeft die rekenfout toen in het radioprogramma De Nieuws BV op NPO1 publiekelijk bekend gemaakt. Ook heeft Zembla op 2 september 2020 hierover een publicatie op haar website geplaatst met de kop: ‘Rijkswaterstaat maakt cruciale rekenfout bij omstreden granulietstort’. Hierin schrijft Zembla onder meer:
“Rijkswaterstaat heeft een ernstige rekenfout gemaakt bij de risicoberekening van de stort van granuliet in natuurplas Over de Maas. Daardoor is ten onrechte aangenomen dat de omstreden stort van granuliet geen gevaar oplevert voor vissen en ander waterleven. Dat stellen deskundigen na onderzoek van Zembla. Het daadwerkelijke gehalte blijkt duizend keer hoger te liggen dan door Rijkswaterstaat berekend. De hoeveelheid kankerverwekkende stof die in de natuurplas kan vrijkomen, komt daarmee ruim boven de door Rijkswaterstaat zelf geselecteerde strengste grens. Milieuchemicus Joop Harmsen: “Dit is een cruciale rekenfout. Als Rijkwaterstaat zo’n berekening toepast om aan te tonen dat er niets aan de hand is, moeten ze nu ook concluderen dat er een groot probleem is.”
Het gaat om de gevaarlijke stof acrylamide. Deze stof kan vrijkomen uit het chemische bindmiddel dat wordt gebruikt om granuliet, een afvalproduct van de asfaltindustrie, steekvast te maken. Acrylamide geldt als een ‘Zeer Zorgwekkende Stof’, omdat het giftig en kankerverwekkend is.
(…)
Zembla onthulde begin dit jaar dat de vergunningverleners werden overruled door topambtenaren van Rijkswaterstaat en het ministerie, die tegen alle waarschuwingen in erdoor drukten dat 750.000 ton granuliet toch gestort kon worden in ‘Over de Maas’. Hierdoor komt in het slechtste geval 72.000 kilo van het giftige acrylamide in de natuurplas terecht.
(…)
Rekenfout
Rijkswaterstaat berekende in een memo hoeveel milligram acrylamide er per liter in Over de Maas terecht zou komen onder het slechtst denkbare scenario. De memo is op 3 juni 2020 geschreven, ruim zeven maanden nadat de stof onder druk werd goedgekeurd. In het stuk komt Rijkswaterstaat uit op 0,0078 milligram (mg) acrylamide per liter en blijft daarmee onder de strengste grens van 2,04 mg per liter. Met deze foutieve uitkomst was er volgens Rijkwaterstaat geen probleem voor het milieu. Maar de daadwerkelijke waarde ligt dus duizend keer hoger, 7,78 mg per liter. Zelfs de minder strenge risicogrens van 5 mg per liter, die voor vissen wordt gehanteerd, wordt hiermee ruim overschreden.”
2.82.
Zembla heeft op de ochtend van de uitzending RWS om wederhoor gevraagd, maar Zembla heeft die reactie niet afgewacht. Toen Bosma op 2 september 2020 in de radio-uitzending was, was de reactie van RWS nog niet ontvangen. Dat is pas later op de dag gebeurd. In de schriftelijke reactie erkent RWS dat er sprake is geweest van een rekenfout, maar dat die rekenfout niets afdoet aan de conclusie dat geen sprake van een overschrijding van normen en/of een risico voor mens en milieu. RWS licht dit als volgt toe:
“De berekening waarin een fout is gemaakt, had tot doel in theorie te vast te stellen wat de
maximale concentratie van acrylamide zou kunnen worden wanneer bepaalde extreme en zeer onwaarschijnlijke situaties zich achtereenvolgens zouden voordoen;
Ook bij een berekening zonder rekenfout geldt dat deze puur theoretisch is en een onrealistisch beeld schetst. Er is in de praktijk geen acrylamide in Over de Maas gedetecteerd en er worden ook geen wettelijke normen overschreden. De theoretische rekensom heeft ook geen rol gespeeld bij de besluitvorming over toepassing van granuliet bij dit project;
Een waarde van 7,8 mg/l (wat er uit de berekening was gekomen wanneer er geen rekenfout
was gemaakt) is niet de waarde die daadwerkelijk is gemeten of waarvan mag worden
aangenomen dat dat ooit het geval zou kunnen zijn. Sterker nog: een aantal aannames is
letterlijk onmogelijk waar te nemen in de praktijk. Zo is voor de theoretische berekening
aangenomen dat rivierwater niet meer zou stromen;
In het betreffende memo wordt ter vergelijking een waarde van 2,04 mg/l aangehaald. Dat is
de laagste waarde van acrylamide waarbij ooit in de literatuur is vastgesteld dat een bepaald
levend organisme enig effect kan ondervinden. Een theoretische waarde van 7,8 ligt daar
inderdaad boven, dat neemt echter niet weg dat een waarde van zowel 2,04 als 7,8 niet
realistisch is voor het genoemde project;
Bovendien geldt voor alle overige organismen dat deze zogeheten kritische waarde vele malen hoger ligt.”
2.83.
Zembla heeft diezelfde dag op haar website over de reactie van RWS gepubliceerd in een stuk met de kop ‘Rijkswaterstaat erkent rekenfout, maar bagatelliseert risicoberekening’. In de publicatie wordt de reactie van RWS samengevat en via een hyperlink bijgevoegd. Naar aanleiding van de reactie is onder meer het volgende te lezen:
“Volgens Joop Harmsen sluiten de onderzoeken die Rijkswaterstaat noemt het risico helemaal niet uit: “Deze stof kan heel lokaal voorkomen, je moet precies op het juiste moment op de juiste plaats zijn om het te kunnen vinden. Daarnaast is het zo dat als je nu niets vindt, het niet betekent dat het later niet alsnog kan ontstaan.”
2.84.
Naar aanleiding van de publicaties over de rekenfout heeft de advocaat van GIB op 4 september 2020 een e-mailbericht aan Zembla gestuurd. Volgens GIB negeert Zembla opzettelijk dat de rekenfout niet afdoet aan de algemene en werkelijke conclusie van de memo dat het gehalte vrij residu acrylamide in het toegepaste granuliet dermate laag is dat het niet detecteerbaar is. Verder uit GIB de klacht dat voorafgaand aan de berichtgeving geen hoor en wederhoor is toegepast in de richting van GIB in de brief. Als dat wel was gebeurd, dan had GIB ook nog een (al enige tijd op de website van GIB gepubliceerd, en met de e-mail meegezonden) rapport van SoilConsult van 2 juli 2020 aan Zembla kunnen toesturen, met de resultaten van een uitloogonderzoek op twee monsters granuliet (één vers, en één van twee jaar oud). Uit dit uitloogonderzoek volgt dat de uitloging van acrylamide uit beide granulietmonsters kleiner is dan 0,001 mg/kg ds, aldus GIB. GIB verzoekt Zembla de berichtgeving te rectificeren.
2.85.
Zembla heeft in antwoord op de bovenstaande e-mail aan (de advocaat van) GIB bericht dat zij niet tot rectificatie zal overgaan, omdat RWS heeft bevestigd dat sprake is van een rekenfout. Ook deelt Zembla mee dat GIB in de artikelen niet voor komt, zodat wederhoor van GIB niet aan de orde was.
Rapport Kuijken en de Tweede Uitzending van 24 september 2020
2.86.
Op 10 september 2020 heeft Zembla de Eerste Uitzending integraal en ongewijzigd herhaald op televisie, ondanks het voorafgaand verzoek van GIB om dat niet te doen.
2.87.
Op 18 september 2020 heeft Wim Kuijken (hierna: ‘Kuijken’’) zijn onderzoeksrapport ‘kleine korrels, grote discussie’ aan de minister van IenW aangeboden. In het rapport heeft Kuijken onder meer het Kwalibo-stelsel van het Bbk uiteengezet en heeft hij de geschiedenis van de certificering van granuliet onder BRL 9321 en het besluit om granuliet als grond aan te merken beschreven. Daarbij is onder meer opgenomen dat er verschillende inhoudelijke opvattingen zijn over de vraag of ‘granuliet’ grond is. Ook gaat Kuijken in het rapport in op het gebruik van flocculant (in het algemeen, en bij granuliet). Daarbij merkt Kuijken op dat de ontdekking in 2018 dat het bindmiddel flocculant werd toegevoegd aan granuliet, een gamechanger lijkt te zijn voor de opvatting van medewerkers van IenW om granuliet als bouwstof aan te merken. Verder merkt Kuijken het volgende op:
“In het kader van de handhavingszaak door RWS Oost-Nederland (Honswijkerplas) maakte de ILT in november 2018 een juridisch advies voor RWS met de conclusie dat granuliet een bouwstof is, vanwege met name de bewerking door gebruik van een flocculant. Het advies ging niet in op de geschiedenis van granuliet vanaf 2008. Een inspecteur van de ILT gaf kort daarvoor nog naar aanleiding van een Bodemsignaal aan RWS Oost Nederland aan dat BRL 9321 passend kon worden geacht voor granuliet, dus geen overtreding. Dit is toch bijzonder.
Naar aanleiding van de discussie over de nieuwe BRL 9344, die toen ook gevoerd werd, gingen medewerkers van RWS en beleid in het voorjaar van 2019 aan de slag. Feitelijk ging dit tegen de regelgeving en het staande beleid in, zonder ruggenspraak met hun leidinggevenden en zonder betrokkenheid van de schemabeheerder, die primair over de normdocumenten gaat. Zij stelden de discussienotitie Granuliet op en traden naar buiten met hun conceptopvattingen. Opmerkingen van de producent daarover werden niet meegenomen in het verdere proces. Is dit - los van de inhoud van de discussie - (professioneel) juist handelen? Het lijkt mij niet.”
2.88.
Op 24 september 2020 (om 20:25 uur) heeft Zembla een tweede uitzending over het granulietdossier op televisie uitgezonden met de titel ‘De afvaldump door Rijkswaterstaat-deel 2’ (hierna: ‘de Tweede Uitzending’). In de ochtend van de uitzending is Bosma te gast geweest bij NPO Radio 1 om de uitzending aan te kondigen. Bosma heeft daarin – in antwoord op een vraag van de presentatrice wat er in de eerdere uitzending over de lozing van granuliet precies aan de hand was – het volgende gezegd:
“(…) Dat is een afvalproduct van een groot bouwstoffenbedrijf in Amsterdam. Zij moesten daar van af omdat hun opslagplaats daarmee vol raakte. En omdat zij zo belangrijk zijn voor de asfaltindustrie kwamen wij erachter in februari van dit jaar dat zij een handje geholpen werden eigenlijk door de top van RWS om het te kunnen lozen. En dat is zeer merkwaardig, want in dat afval zit een chemisch bindmiddel, een flocculant, wat giftig is, en waar mogelijk kankerverwekkende stoffen uit kunnen komen. (…)”
2.89.
Ook is Bosma diezelfde dag te gast geweest bij het radioprogramma De Wild in de Middag op NPO Radio 2. Bosma heeft daar onder meer het volgende gezegd over granuliet:
“(…) Er zit wel een kankerverwekkende stof in en dat is ook waar de zorg vandaan komt. Zij voegen daar iets aan toe dat bedrijf en dat is bindmiddel en daar zit een kankerverwekkende stof in. Die kunnen bij het storten, het lozen in die plas vrijkomen. En daar zijn vooral heel veel zorgen over.”
2.90.
GIB heeft naar aanleiding van een aankondiging van de Tweede Uitzending via haar advocaat op 24 september 2020, voorafgaand aan de uitzending, een reactie gestuurd aan Zembla. GIB betwist dat oneigenlijke druk is uitgeoefend om granuliet als grond aangemerkt te krijgen. In haar reactie wijst GIB op verschillende passages uit het rapport van Kuijken en verzoekt Zembla hieraan aandacht te besteden. De passages zien onder meer op de conceptstatus van de notities waarop Zembla zich baseert en de positie van GIB, die al jarenlang met toestemming van het bevoegd gezag granuliet als grond toepast en, vanwege het ontbreken van bezwaar op beroep tegen de afwijzing van de meldingen in 2018, toen geen kant meer op kon met haar opgeslagen grote partijen granuliet.
2.91.
De Tweede Uitzending is mede tot stand gekomen naar aanleiding van een groot aantal documenten die via een WOB-verzoek door Zembla waren verkregen. In de Tweede Uitzending is met name aandacht besteed aan de contacten tussen GIB/Bontrup enerzijds en topambtenaren binnen RWS/IenW anderzijds rondom de besluitvorming over granuliet in 2019, en de rol die Zijlstra hierbij zou hebben gespeeld. In de Tweede Uitzending is uitgedragen dat het asfaltbelang een belangrijke factor zou zijn geweest in de overweging van (de top van) IenW om granuliet als grond aan te merken. Verder wordt in de Tweede Uitzending ingegaan op de Interne Notitie 2018 van de ILT en het verslag van de vergadering van het Implementatieteam van 20 juni 2019, waarin is gesteld dat granuliet geen grond is maar een bouwstof. Ook worden de standpunten van Harmsen en Vink tijdens het Rondetafelgesprek van 9 maart 2020 getoond, waarin zij waarschuwen voor de mogelijke (lange termijn) risico’s van de aanwezigheid van polyacrylamide (flocculant) in granuliet. Ten slotte wordt ook de rekenfout in de memo van RWS van 3 juni 2020 aangehaald en, voor een reactie, aan de wethouder van de gemeente West Maas en Waal voorgelegd. In het fragment hierover wordt onder meer het volgende gezegd:
(Voice-over Zembla): "Beide rechters (de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland en van de ABRvS, rechtbank) oordelen dat de stort door mag gaan. Ze baseren zich in hun uitspraak onder meer op een worst case scenario berekening van Rijkswaterstaat. Daaruit blijkt dat ook in het slechtste geval het gehalte kankerverwekkende stof dat in de plas vrij kon komen, nihil is. Maar begin deze maand ontdekken we dat
Rijkswaterstaat bij die berekening een cruciale fout heeft gemaakt. Ze hebben met een factor 1000 te weinig
gerekend. Ze komen nu ver boven hun eigen grenswaarde uit."
(Bosma): "Maar we zijn erachter gekomen dat dat een rekenfout is en de correcte uitkomst is 1000 keer meer. En dat zit boven de grenswaarde - ver boven de grenswaarde voor insecten. En ook boven de grenswaarde van vissen. Dat is nieuw voor u denk ik?'
(De wethouder): "Dat is nieuw voor mij. Dat is weer opnieuw schrikken. Krijg elke keer een schrik van jullie uitzending geloof ik. Dat zijn toch wel andere cijfers, want op basis van dat soort gegevens heeft de rechter natuurlijk ook wel uitspraken gedaan.
(Voice-over Zembla); “(…) Rijkswaterstaat erkent en betreurt de rekenfout, maar laat tegelijkertijd weten dat de risicoberekening puur theoretisch is en een onrealistisch beeld schetst.”
Aan het slot van de aflevering wordt de reactie van GIB als volgt weergegeven:
“De firma Bontrup laat weten dat het benoemen van het risico voor de asfaltproductie allesbehalve chantage is, maar een feitelijke vaststelling en de uiting van een (terechte) zorg.”
2.92.
Na de Tweede Uitzending heeft Zembla op 29 september 2020 een (tweede) podcast opgenomen en uitgezonden. In die podcast komt onder meer het volgende fragment aan de orde:
(Presentatrice): “Er is ook heel veel gedebatteerd over de mogelijke risico’s van dat bindmiddel dat in het granuliet zit, flocculant heet dat. Wat zijn die risico’s?”
(Bosma): “Eigenlijk is er helemaal niet zoveel over gedebatteerd, er zijn gewoon allerlei deskundigen die vanaf het begin aan duidelijk hebben gemaakt dat het risico is dat het vrij kan komen in de plas, dus vrij kan komen en dat er dan een kankerverwekkende stof in de plas belandt. Dat kun je in de vorige uitzending al zien, dat deskundigen binnen RWS daar zorgen over hadden, in onze uitzending is een aantal deskundigen geweest die daar zorgen over hadden. En over alle kanten, met dit verschil ja, de overheid daar blijkbaar niet gevoelig voor was.”
(Presentatrice): “Want hoe beoordelen zij die risico’s?”
Bosma: “Als nihil. Wat belangrijk is om daarbij op te merken is dat zij zeggen we zijn gaan bemonsteren, heel vreemd, toen het al gestort werd. Je zou zeggen, je schat risico’s vooraf in, en je gaat niet storten om achteraf nog eens te kijken, wat is het risico eigenlijk. Maar dat is in het dossier wel eens gebeurd. En vervolgens zeggen ze van, ja, we meten die stof niet in het water, dus die stof zit er niet. Terwijl deskundigen constant hebben gezegd, ja die stof, dat kan wel vijf jaar duren voordat het afbreekt, wil helemaal niet zeggen dat je dat nu vindt. Wil niet zeggen dat je dat straks niet gaat vinden. En je zou het niet moeten doen vanwege het voorzorgsprincipe. Een ander belangrijk punt hierbij is dat RWS een worst case scenario hierbij heeft gemaakt en dat het er wel uit zou komen wat er dan zou gebeuren. En als het dan allemaal vrij komt dan is het nog nihil wat er straks aan kankerverwekkende stof in die plas ligt. Nou, begin september kwamen wij erachter dat RWS een grote rekenfout heeft gemaakt in die risicoberekening. (…)”
(De Lange): “(…) Zij hebben uitgerekend als in het slechtste scenario dit stofje vrijkomt en je gaat dat verdelen in al dat water in Over de Maas, hoeveel van dat stofje heb je dan in dat water. En daarbij hebben ze een flinke rekenfout gemaakt en zij kwamen bij een waarde van kankerverwekkende stof die duizend keer lager ligt dan wat het eigenlijk zou moeten zijn als je geen rekenfout maakt. (…) als je die fout corrigeert, duizend keer hoger zit, dan zit je juist over die grens heen.”
(Bosma): “Hun eigen grens voor leven, vissen.”
(…)
(De Lange): “Nou, dat betekent dat het volgens hun eigen beoordeling wel een risico is.”
(Bosma): “En dat betekent dat in ieder ander geval zo een project van RWS niet doorgaat. Als dit vooraf eruit zou komen, dan hebben we eigenlijk van iedereen een bevestiging gekregen, dan ga je het gewoon niet doen.”
2.93.
Op 27 oktober 2020 heeft Bosma het volgende bericht op Twitter geplaatst:
“Over de giftige stof die aan granuliet is toegevoegd. Daarvan is niet duidelijk wat gevolgen zijn (..) Dan is het toch heel eenvoudig. Bij twijfel niet doen. Dus niet in een plas storten die straks als recreatieplas moet dienen. Dat risico moet je dan toch niet nemen?”
2.94.
Bij brief van 30 oktober 2020 heeft de Minister van IenW aan de Tweede Kamer bericht dat, ten behoeve van een onderzoek naar de lange termijn effecten van de toepassing van granuliet in plassen, op drie plekken het oppervlaktewater is bemonsterd van de Kraaijenbergse plas, waar vanaf 2012 granuliet is toegepast. Ook is een oppervlaktewatermonster genomen in de plas Moleneindse Waard (onderdeel van Over de Maas), waar in 2016 granuliet is toegepast. Uit de laboratoriumonderzoeken is volgens de minister naar voren gekomen dat in geen van de oppervlaktewatermonsters acrylamide is aangetoond (bij een aantoonbaarheidsgrens van < 0,05 microgram/liter).
2.95.
Op 13 november 2020 heeft GIB een tweede klacht ingediend bij de RvdJ naar aanleiding van de Tweede Uitzending en verschillende publicaties daaromheen.
Uitspraken RvdJ (december 2020), ABRvS (oktober 2021) en rechtbank (december 2021)
2.96.
Op 7 december 2020 heeft de RvdJ uitspraak gedaan in de eerste klachtprocedure die was aangespannen door GIB vanwege de Eerste Uitzending en de daarmee samenhangende publicaties. In de uitspraak concludeert de RvdJ (kort weergegeven) dat in de publicaties van Zembla:
- onvoldoende duidelijk wordt gemaakt dat granuliet al sinds 2008 door de bevoegde instanties als grond is aangemerkt en al vele jaren wordt toegepast als grond;
- het Interne Advies 2018 en het verslag van het Implementatieteam van 20 juni 2019 niet in de juiste context worden geplaatst (te weten die van een in de loop der jaren meermalen gevoerde interne discussie, waarbij de definitie van grond verschillend wordt uitgelegd);
- geen aandacht wordt besteed aan de uiteenlopende deskundigenvisies over vraag of flocculant al dan niet een gevaar voor het milieu oplevert;
- ten onrechte wordt gesuggereerd dat de ambtelijke top van RWS in 2019 ‘om’ is gegaan onder (directe dan wel indirecte) druk van GIB;
- voor zover aandacht wordt besteed aan de reactie van GIB of aan informatie die het standpunt van GIB onderschrijven, die informatie is geminimaliseerd, als irrelevant of onbetrouwbaar gepresenteerd of belachelijk is gemaakt.
De RvdJ komt vervolgens tot de volgende conclusie:
“Zembla heeft aan bovengenoemde aspecten van de kwestie geen, althans onvoldoende, aandacht gegeven. Gelet op deze aspecten had Zembla bovendien de (door de geïnterviewden geuite) beschuldiging van strafbaar handelen van nadere context en duiding moeten voorzien. Een en ander heeft geleid tot eenzijdige, onevenwichtige en tendentieuze berichtgeving, waarbij de door klagers verstrekte informatie op onvoldoende adequate wijze is verwerkt. Zembla heeft daarmee journalistiek onzorgvuldig gehandeld.
Dit brengt ook mee dat Zembla een passende rechtzetting had behoren te publiceren, waarin zij duidelijk had moeten maken dat de publicaties verwijtbaar onvolledig waren. Zembla heeft dit ten onrechte niet gedaan.”
2.97.
Naar aanleiding van de uitspraak van de RvdJ heeft BNNVARA op 22 december 2020 bericht dat zij zich niet kan vinden in de conclusie van de RvdJ en dat BNNVARA heeft besloten de RvdJ voorlopig niet meer te erkennen voor al haar journalistieke programma’s. Ook heeft Zembla aan GIB bericht dat zij geen gehoor zal geven aan het verzoek van GIB tot rectificatie.
2.98.
De ABRvS heeft in verband met het lopende handhavingsgeschil tussen de gemeente West Maas en Waal en IenW opdracht gegeven aan STAB Gerechtelijke Omgevingsdeskundigen om een onderzoek te verrichten over granuliet. STAB heeft op 17 februari 2021 een rapport uitgebracht. Hierin komt STAB onder meer tot de conclusie dat granuliet voldoet aan de wettelijke definitie van grond, dat granuliet voldoet aan de wettelijke criteria voor bijproduct en dat het niet waarschijnlijk is dat de milieuhygiënische kwaliteit van granuliet zal leiden tot relevante effecten voor mens en milieu.
2.99.
Adviesbureau Arcadis heeft in opdracht van IenW onderzoek gedaan naar het toepassen van granuliet in Over de Maas. Op 16 april 2021 heeft Arcadis hierover een rapport uitgebracht met de titel ‘Review-Onderzoek Granuliet Over de Maas’. Arcadis heeft in dit rapport geconcludeerd dat het toepassen van granuliet in Over de Maas geen negatieve effecten heeft voor mens en milieu in de eindsituatie of tijdens de uitvoering. Granuliet valt in de milieuhygiënisch meest schone kwaliteitsklasse die in Nederland wordt toegekend aan grond. In geen enkel monster van grond, grondwater of oppervlaktewater is acrylamide aangetoond boven de detectielimiet. Ook in de toekomst is de vorming van acrylamide uit polyacrylamide niet waarschijnlijk, aldus het Arcadis-rapport.
2.100. Zembla heeft direct na de publicatie een stuk gewijd aan het Arcadis-rapport met als titel ‘Ministerie: ‘Granuliet in Over de Maas veilig.’ In het stuk is ook een reactie van Harmsen opgenomen, die stelt dat het rapport nog steeds geen antwoord geeft op de vraag hoe polyacrylamide zich in de toekomst gaat gedragen. De conclusie van Arcadis dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat acryalamide in Over de Maas vrijkomt, mag volgens Harmsen nooit worden gedaan op basis van de uitloogproef die Arcadis heeft uitgevoerd.
2.101. Op 13 oktober 2021 heeft de ABRvS uitspraak gedaan in het handhavingsgeschil tussen de gemeente en IenW. De ABRvS komt hierin tot het oordeel dat de minister en de staatsecretaris terecht hebben afgezien van handhavend optreden vanwege de stort van granuliet in Over de Maas. De ABRvS heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat er mede op basis van het deskundigenbericht van STAB geen aanleiding is om te oordelen dat de minister en de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat granuliet grond is als bedoeld in het Bbk. De toevoeging van flocculant leidt volgens de ABRvS niet tot een ander oordeel. De vraag of granuliet als afvalstof moet worden gekwalificeerd heeft de ABRvS in het midden gelaten, omdat ook als dat zo is, er sprake is van een nuttige toepassing. De ABRvS ziet geen aanleiding voor het oordeel dat granuliet kankerverwekkende eigenschappen bevat. De ABRvS verwijst naar het deskundigenbericht van STAB en de verschillende uitgevoerde onderzoeken (onder meer door SoilConsult, de diverse verificatieonderzoeken in opdracht van RWS en GIB en het onderzoek van Arcadis). Op basis daarvan hebben de minister en de staatssecretaris ervan mogen uitgaan dat er geen acrylamide aanwezig is in het toegepaste granuliet en dat niet te verwachten is dat acrylamide zal ontstaan bij afbraak van het toegepaste granuliet. Het is aannemelijk dat met het toepassen van het granuliet in de plas geen nadelige gevolgen voor mens en milieu zullen optreden. Weliswaar is in de memo van RWS van 3 juni 2020 een rekenfout gemaakt in de berekende ‘worstcase-situatie’, maar de ABRvS ziet geen aanknopingspunten eraan te twijfelen dat de (gecorrigeerde) berekende ‘worst-case’ concentratie van 7,78 milligram/liter zich in de praktijk niet zal voordoen. De minister en de staatssecretaris hebben dan ook terecht geoordeeld dat wordt voldaan aan de in artikel 7 Bbk neergelegde zorgplicht, aldus samengevat de ABRvS in de uitspraak, gepubliceerd als ECLI:NL:RVS:2021:2282.
2.102. Op 8 december 2021 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een civielrechtelijke bodemprocedure tussen GIB en Biezeveld over de uitlatingen van Biezeveld in de Eerste Uitzending over het opzettelijk plegen van strafbare feiten door GIB. De rechtbank is in dat vonnis samengevat tot het oordeel gekomen dat die uitlatingen onrechtmatig zijn jegens GIB, omdat die beschuldigingen geen deugdelijke basis hadden in het feitenmateriaal. De rechtbank heeft Biezeveld ook veroordeeld tot een rectificatie van deze uitlatingen. Zie daartoe nader de publicatie van dit vonnis op www.rechtspraak.nl als ECLI:NL:RBDHA:2021:13108.
2.103. De door de rechtbank aan Biezeveld bevolen rectificatie is door Zembla op meerdere plekken op haar eigen webpagina’s gepubliceerd, zoals de pagina van de Eerste Uitzending. Ook heeft Zembla de rectificatie gemonteerd in de Eerste Uitzending, door toevoeging van een fragment van 40 seconden lang met de tekst van de rectificatie.
4 De beoordeling
Het juridische kader
4.1.
De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of bepaalde uitlatingen in de televisie-uitzendingen en in andere publicaties van Zembla over granuliet van GIB onrechtmatig zijn tegenover GIB in de zin van artikel 6:162 BW. De rechtbank hanteert bij deze beoordeling het volgende juridische kader.
4.2.
Het gaat hier om een botsing van twee fundamentele rechten. Aan de ene kant staat het recht van Zembla op vrijheid van meningsuiting (mede beschermd door artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, hierna: ‘EVRM’). Meer concreet gaat het hier om het belang van Zembla om zich, als journalistiek programma, in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend te kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Daartegenover staat het belang van GIB bij bescherming van haar goede naam en reputatie. Meer concreet gaat het om het belang van GIB om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan verdachtmakingen en dat haar professionele reputatie niet onnodig wordt geschonden. Deze belangen zijn mede beschermd door artikel 8 EVRM, ook al is GIB geen natuurlijk persoon maar een commerciële onderneming. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat ook een onderneming aanspraak kan maken op bescherming van haar reputatie.1
4.3.
Een beperking van de hiervoor genoemde rechten is op grond van het EVRM toegestaan als deze bij de wet is voorzien (wat het geval is bij de vrijheid van meningsuiting, wanneer een uitlating onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW). Daarnaast geldt dat een beperking ook noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving in het belang van, onder meer, de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (art. 8 lid 2 EVRM) respectievelijk van de goede naam of de rechten van anderen (art. 10 lid 2 EVRM).
4.4.
Het is vaste rechtspraak dat de fundamentele rechten op vrijheid van meningsuiting en eerbiediging van de eer en de goede naam in beginsel gelijkwaardig zijn. Niet kan worden gezegd dat het ene recht in het algemeen zwaarder weegt dan het andere recht. Het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt (en dus of al dan niet sprake is van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW), moet worden gevonden door een afweging van alle omstandigheden van het geval. Het oordeel dat één van beide rechten, gelet op alle relevante omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, brengt mee dat de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets.2
4.5.
De rechtbank leidt uit de rechtspraak van het EHRM en uit de Nederlandse rechtspraak de hierna volgende gezichtspunten af die mee kunnen wegen bij deze afweging tussen de twee rechten, waarbij geldt dat dit geen limitatieve opsomming van de te betrekken gezichtspunten is. Alle omstandigheden van het geval wegen immers mee.
4.6.
De vrijheid van meningsuiting zoals beschermd door artikel 10 EVRM is een essentiële bouwsteen voor een democratische samenleving. De pers vervult daarin de vitale rol van publieke waakhond. Uitingen in de pers mogen om die reden ook schokkend, verontrustend of beledigend zijn. De wijze waarop de pers te werk gaat bij de vervulling van zijn rol van publieke waakhond, is in beginsel vrij (‘journalistieke vrijheid’). De journalistieke vrijheid, zoals beschermd in art. 10 lid 1 EVRM, strekt verder dan de bescherming van een objectieve en ingetogen wijze van verslaggeving van feiten. De journalistieke vrijheid kan ook een bepaalde mate van overdrijving of zelfs provocatie omvatten.3
4.7.
Van groot belang is of de betreffende publicatie bijdraagt aan een debat over aangelegenheden van publiek belang. Als dat het geval is, zal minder ruimte bestaan voor een beperking van de vrijheid van meningsuiting. De ernst – bezien vanuit het algemeen belang – van de misstand die men met de uitlatingen aan de kaak beoogt te stellen, speelt dus een belangrijke rol.4
4.8.
Tegelijkertijd is de vrijheid van meningsuiting in het kader van publieke informatievoorziening niet onbeperkt. Met het oog op de bescherming van rechten van anderen, moet worden uitgegaan van een journalistieke plicht om te goeder trouw op basis van accuraat onderzocht feitenmateriaal, aan betrouwbare en nauwkeurige verslaggeving te doen in overeenstemming met ‘the ethics of journalism’. Hoe ver die voorafgaande onderzoeksplicht gaat, hangt onder meer af van de aard van de uitlating en de te verwachten gevolgen voor degene op wie deze uitlatingen betrekking hebben. Naarmate een feitelijke beschuldiging ernstiger van aard is, mogen meer eisen worden gesteld aan de feitelijke basis waarop die beschuldiging steunt. Daarbij kan ook een rol spelen welke mate van vertrouwen de pers mag toekennen aan de bron(nen) op wie zij zich in verband met de beschuldiging baseert. Verder moet de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM goed in het oog worden gehouden.5
4.9.
Bij de beantwoording van de vraag of de uitlatingen voldoende steun vinden in het feitenmateriaal, geldt bovendien dat ook later gebleken feiten die de juistheid van het gepubliceerde ondersteunen, alsnog – achteraf – een rechtvaardiging voor die publicatie kunnen vormen, ook al was de feitelijke basis aanvankelijk te mager. Andersom maken later gebleken feiten, die de juistheid van het gepubliceerde weerspreken, die publicatie niet achteraf onrechtmatig, wanneer de ten tijde van de publicatie beschikbare feiten die publicatie op dat moment wel rechtvaardigden.6
4.10.
Relevante omstandigheden kunnen verder zijn wat de aard en het bereik is van het medium waarin de uitlating is gedaan, en het gezag van degene van wie de uitlating afkomstig is. Dit gezag (waaronder ook de doelstelling van een televisieprogramma, bijvoorbeeld onderzoeksjournalistiek, valt) kan immers mede bepalen in welke mate het publiek aanneemt dat de gedane uitlatingen deugdelijk onderzocht en juist zijn.7
4.11.
Andersom wegen ook de hoedanigheid en de maatschappelijke status van de persoon op wie de uitlatingen betrekking hebben mee. Zo hebben grote commerciële ondernemingen die willens en wetens onder de aandacht van het publiek komen te liggen, als het gaat om kritiek op hun handelen, in de regel meer te aanvaarden dan natuurlijke personen. Ook wat betreft hun reputatiebelangen zijn commerciële bedrijven en natuurlijke personen niet volledig aan elkaar gelijk te stellen.8
4.12.
In deze zaak heeft ook de RvdJ een oordeel gegeven over de uitlatingen in de Eerste Uitzending en verschillende publicaties van Zembla daaromheen. De RvdJ heeft daarbij beoordeeld of is gehandeld in overeenstemming met de journalistieke richtlijnen, in dit geval de Leidraad van de RvdJ. De rechtbank hanteert in deze zaak een ander criterium, namelijk of sprake is van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW. Bij de beantwoording van die vraag zijn die journalistieke maatstaven, zoals neergelegd in de Leidraad, hoewel niet per se doorslaggevend, in de regel wel een factor van enig gewicht.9
Beschuldigingen illegaal handelen
4.13.
De rechtbank zal, met inachtneming van bovenstaand juridisch kader, nu als eerste de bij i. door GIB gevorderde verklaring voor recht beoordelen. Deze vordering heeft betrekking op (volgens GIB: ongefundeerde) beschuldigingen door Zembla die GIB raken.
4.14.
Zembla heeft tot verweer aangevoerd dat de gevorderde verklaring voor recht onvoldoende is gespecificeerd en dat onvoldoende duidelijk is welke concrete uitingen van Zembla volgens GIB onrechtmatig jegens haar zouden zijn.
4.15.
De rechtbank is het met Zembla eens dat de gevorderde verklaring voor recht dat Zembla jegens GIB onrechtmatig heeft gehandeld ‘zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding’ te onbepaald is bij een dagvaarding die 174 pagina’s beslaat en op talloze uitlatingen verspreid over meerdere televisie-uitzendingen en publicaties van Zembla ingaat. In zoverre slaagt het verweer.
4.16.
In de gevorderde verklaring voor recht worden echter ook drie meer concrete beschuldigingen genoemd, namelijk dat GIB illegaal zou handelen omdat:
-
Granuliet niet als grond zou kunnen worden gekwalificeerd;
-
GIB een vals productcertificaat zou gebruiken; en
-
Granuliet schadelijk zou zijn voor mens en milieu.
4.17.
Aan Zembla kan worden toegegeven dat GIB niet heel duidelijk heeft gesteld op welke concrete uitlatingen GIB met deze drie beschuldigingen van illegaal handelen doelt. In het lichaam van de dagvaarding uit GIB meerdere klachten over verschillende uitlatingen van Zembla en haar deskundigen, verspreid over verschillende publicaties over een tijdspad van meer dan een jaar. Een groot deel daarvan betreft stellingen van Zembla of van aangehaalde deskundigen dat granuliet geen grond zou zijn. GIB schaart al deze beschuldigingen onder, wat zij noemt, ‘pijler 1’. Tegelijkertijd heeft GIB telkens – zowel in de vordering zelf als in de toelichting daarop – benadrukt dat het specifiek erom gaat dat GIB wordt beschuldigd van bewust en/of opzettelijk illegaal handelen (dagvaarding, 401, 403, 433, pleitnota mrs. Van Kaam en Mulder, 1). Het ligt op de weg van GIB om duidelijk te maken op welke concrete uitlatingen zij met deze beschuldiging van bewust en/of opzettelijk ‘illegaal handelen’ doelt, ook omdat uitlatingen naar hun inhoud en naar hun context moeten worden beoordeeld. Van Zembla en van de rechtbank kan niet worden verlangd dat zij alle in de dagvaarding onder ‘pijler 1’ besproken uitlatingen individueel langslopen en op eventuele onrechtmatigheid beoordelen. Het is aan GIB om haar vordering op dit punt voldoende duidelijk en concreet te onderbouwen en af te bakenen.
4.18.
Op basis van het debat tussen partijen is duidelijk dat de vordering in elk geval ziet op de uitlatingen die Biezeveld tijdens de Eerste Uitzending heeft gedaan. De rechtbank stelt verder vast dat GIB in het hoofdstuk ‘belangenafweging’ heeft uitgewerkt waarom volgens haar sprake is van onrechtmatige beschuldigingen (dagvaarding, 403 - 434). Hierin refereert GIB – in de randnummers 406 en 415 – meer concreet aan beschuldigingen van illegale activiteiten, het gebruik maken van een vals en onrechtmatig productcertificaat, en uitlatingen over de giftigheid van granuliet. Daarbij verwijst Zembla terug naar concrete randnummers in de dagvaarding, waarin specifieke uitlatingen worden besproken. De rechtbank begrijpt - evenals Zembla heeft begrepen of heeft moeten begrijpen - dat dit in elk geval concrete beschuldigingen van bewust en/of opzettelijk illegaal handelen zijn, waarop de door GIB gevorderde verklaring voor recht betrekking heeft. De rechtbank zal hierna deze concrete uitlatingen beoordelen.
Uitlatingen Biezeveld over strafbaar handelen door GIB in Eerste Uitzending
4.19.
De klachten van Zembla richten zich voor een belangrijk deel op de Eerste Uitzending. De rechtbank gaat hierna eerst in op de daarin door Zembla getoonde stelling van oud-officier van justitie Biezeveld dat GIB opzettelijk meerdere strafbare feiten heeft gepleegd, (zie 2.61), nu zijn uitlatingen het meest verstrekkend zijn en in belangrijke mate de basis vormen voor de in de vordering onder 1) en 2) gespecificeerde verwijten. GIB heeft ter zitting immers toegelicht dat het voor GIB in deze zaak erom gaat dat GIB wordt verweten dat zij bewust in strijd met de regels granuliet zelf als grond zou kwalificeren en willens en wetens een vals productcertificaat zou gebruiken (pleitnota mrs. Van Kaam en Mulder, 1). Onmiskenbaar wordt hiermee ook op de uitlatingen van Biezeveld gedoeld.
4.20.
Zembla heeft, naast andere verweren, als een kernverweer aangevoerd dat haar reportages, anders dan GIB in deze procedure telkens benadrukt, niet zozeer gaan om de discussie of granuliet nou wel grond is of niet. Wat Zembla met haar uitzendingen aan de kaak heeft willen stellen, is dat de top van RWS in 2019 op oneigenlijke gronden – namelijk het asfaltbelang – en onder invloed van de lobby van GIB en Zijlstra, erdoorheen heeft gedrukt dat granuliet als grond moet worden aangemerkt, ondanks dat de eigen specialisten van de overheid (de ambtenaren van Bodem+, de ILT en het Implementatieteam) allemaal tot de conclusie waren gekomen dat granuliet geen grond is maar een bouwstof. Volgens Zembla moet de vraag of iets grond is niet worden bepaald door de historie of economische belangen, maar uitsluitend door toepassing van de regels die strekken tot bescherming van milieubelangen. Dat is de misstand waarop Zembla zich richt, aldus Zembla.
4.21.
De rechtbank overweegt over de door Zembla via Biezeveld in de Eerste Uitzending gedane uitlatingen en het door Zembla daartegen gevoerde verweer als volgt.
4.22.
Van belang voor de beoordeling is dat de ter discussie staande publicaties van Zembla zich afspelen tegen de achtergrond van het verondiepen van uitgewonnen plassen ten behoeve van natuurontwikkeling. Ook gelet op de problematiek rondom vervuilde grond en bagger, was en is dit een belangrijk maatschappelijk thema dat meerdere belangen (zoals milieu, gezondheid, natuur en leefomgeving) en meerdere betrokkenen (zoals omwonenden van het gebied Over de Maas) raakt.
4.23.
GIB is een grote onderneming met een sterke positie in de aanlevering van steenslag voor de asfaltproductie. GIB heeft er zelf voor gekozen om een bij de productie van steenslag ontstaan restproduct (granuliet) te doen gebruiken voor een project van verondieping en natuurontwikkeling zoals Over de Maas wat, zoals hierboven al is gezegd, een belangrijk maatschappelijk thema is. Daarom moet GIB aanvaarden dat ook zij onderwerp wordt van het publieke debat en dat haar bedrijf en haar producten onder de kritische aandacht van de media en het publiek kunnen komen te staan. Datzelfde geldt bovendien wanneer GIB in haar contacten met de overheid anders dan andere betrokkenen gebruik kan maken van de lobby van een voormalig minister zoals Zijlstra. Ook dat kan immers voorzienbaar leiden tot publieke discussie en kritische aandacht in de media.
4.24.
Voor de publicaties rondom granuliet geldt, meer in zijn algemeenheid en vooropgesteld, dat het Zembla vrijstaat om de juistheid van de beslissing van de top van RWS ter discussie te stellen door de aandacht te vestigen op het voorafgaande advies van het Implementatieteam en het standpunt van de door Zembla benaderde deskundigen, die van mening zijn dat granuliet op grond van het Bbk niet als grond kan worden beschouwd en dat BRL 9321 niet van toepassing is op een materiaal zoals granuliet. Eveneens stond het Zembla vrij om in het kader van die discussie een kritisch licht te laten schijnen op de lobby van GIB/Bontrup en Zijlstra en op de ‘dubbele petten’ van RWS (die naast beheerder van de rijkswateren als wegbeheerder ook afnemer van steenslag van GIB is) en de invloed die dit laatste asfaltbelang op het door de top van RWS genomen besluit wellicht heeft gehad.
4.25.
Ook Biezeveld mocht als door Zembla geraadpleegde juridisch deskundige over dit alles een kritisch standpunt innemen. Echter, de door Biezeveld gedane uitlatingen gaan verder dan kritiek op het door RWS genomen besluit, de daarbij gewogen belangen, en/of de lobby door de betrokken producent GIB en de ex-minister Zijlstra. Door Biezeveld is via Zembla gesteld (zie hiervoor bij 2.61) dat GIB opzettelijk valsheid in geschrifte pleegt door granuliet als grond te definiëren en aan te bieden. Daarnaast maakt GIB zich volgens Biezeveld schuldig aan het opzettelijk storten van afvalstoffen in een plas in strijd met de Wet Bodembescherming. Er wordt hiermee niet slechts gesteld dat het bevoegd gezag de wet onjuist toepast of oneigenlijke argumenten in de besluitvorming heeft meegewogen: er wordt snoeihard gesteld dat een bedrijf (voor iedere kijker is dat duidelijk GIB / Bontrup) opzettelijk wetten overtreedt. Het gebruik van de toevoeging ‘opzettelijk’ impliceert immers een ernstige mate van bewust handelen door GIB in strijd met de wet. Biezeveld voegt daar desgevraagd door Zembla nog aan toe dat dit een economisch delict is van de hoogte categorie, waar gevangenisstraffen van maximaal zes jaar op staan. Het kwalificeren van het handelen van GIB als het opzettelijk plegen van twee ernstige strafbare feiten, is door Biezeveld bovendien zonder enige nuancering en zonder enig voorbehoud gedaan. Dit zijn ernstige beschuldigingen die vanzelfsprekend veel nadelige gevolgen kunnen hebben voor de reputatie en de goede naam van GIB. Ook gelet op de onschuldpresumptie van artikel 6 EVRM, moeten zulke ernstige beschuldigingen een voldoende solide feitelijke basis hebben.
4.26.
Bij de beoordeling of die voldoende solide feitelijke basis voor die ernstige publieke beschuldigingen er op dat moment voor Zembla was, kan niet worden voorbijgegaan aan de hiervoor bij 2.14 t/m 2.23 van dit vonnis uiteengezette voorgeschiedenis van granuliet en het systeem van het Kwalibo-stelsel, die in de Eerste Uitzending onderbelicht zijn gebleven maar in elk geval voor een belangrijk deel wel voor de Eerste Uitzending door GIB en RWS/IenW bij Zembla onder de aandacht zijn gebracht. Die voorgeschiedenis komt, voor zover van belang en samengevat, op het volgende neer.
4.26.1.
Vast staat dat in 2008 en 2009, na de inwerkingtreding van het Bbk, de certificering van granuliet is beoordeeld. Toen is al op verzoek van SGS Intron binnen IenW gesproken over de vraag of granuliet grond is in de zin van artikel 1 Bbk. Zowel de werkgroep Kwalibo als het Implementatieteam hebben die vraag toen bevestigend beantwoord. Weliswaar werd in de besluitvorming destijds gesproken over ‘granietzand’ en niet over ‘granuliet’, maar uit het rapport Kuijken (p. 27) volgt dat die uitspraken ook betrekking hadden op granuliet.
4.26.2.
Zembla heeft in deze procedure aangevoerd dat is gebleken dat tot 2018 binnen IenW nog niet bekend was dat aan granuliet flocculant was toegevoegd. De Werkgroep Kwalibo en het Implementatieteam hebben volgens Zembla in 2009 dus niet geoordeeld dat ‘granuliet’ (met flocculant) grond is. Daarnaast heeft Zembla erop gewezen dat uit haar onderzoek naar voren was gekomen dat de Toetsingscommissie Bbk in augustus 2009 een voorgesteld wijzigingsblad voor de BRL 9321 heeft afgewezen, met de motivering dat granuliet geen grond is. Ten slotte heeft Zembla gewezen op de omstandigheid dat uit diverse stukken blijkt dat er voortdurend interne discussie is blijven bestaan over de vraag of granuliet grond of een bouwstof is. Er is volgens Zembla, anders dan GIB voortdurend heeft aangevoerd in de eerdere juridische procedures, dus nooit een bestendige praktijk vanaf 2008 geweest om granuliet als grond te beschouwen.
4.26.3.
De rechtbank gaat aan deze stellingen van Zembla voorbij. Het gaat in deze procedure om de positie van GIB als producent van granuliet. GIB had haar product laten beoordelen door SGS Intron. Binnen het Kwalibo-stelsel is SGS Intron als de daartoe geaccrediteerde CI de bevoegde instantie die bepaalt onder welk normdocument een product kan worden geschaard en of een product aan de eisen van dat normdocument voldoet. GIB heeft onvoldoende weersproken gesteld dat zij al sinds jaar en dag een flocculant gebruikt bij granuliet en dat SGS Intron daarvan ook al sinds 2009 op de hoogte is. SGS Intron heeft op 17 september 2009 een BRL 9321 productcertificaat aan GIB afgegeven voor ‘granuliet’. GIB beschikte met het afgegeven productcertificaat vanaf 2009 over een wettig bewijsmiddel om granuliet als grond toe te passen. GIB mocht daarop afgaan.
4.26.4.
Weliswaar staat vast dat na 2009 intern binnen IenW onderwerp van discussie is gebleven of granuliet binnen het Bbk als grond of als bouwstof kwalificeert (onder meer in 2013), maar het is niet gesteld of gebleken dat dit – voor zover van belang voor GIB – tot een formele standpuntbepaling van het bevoegd gezag heeft geleid dat granuliet (toch) geen grond is. Integendeel, de ILT heeft na een inspectiebezoek in 2013 geoordeeld dat granuliet grond is en dat BRL 9321 als meest toepasselijke BRL kan worden gebruikt. SGS Intron heeft meermalen nieuwe certificaten aan GIB voor granuliet verstrekt op basis van BRL 9321. Ook is granuliet vanaf 2009 met gebruik van dit productcertificaat en met toestemming van het bevoegd gezag als grond toegepast in verschillende projecten, waaronder ook verondieping van plassen.
4.26.5.
Ongeacht of er binnen het ambtelijk apparaat intern verschillende opvattingen heersten over de kwalificatie van granuliet, mocht GIB – als betrokken producent – op grond van alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in elk geval ervan uitgaan dat het bevoegd gezag granuliet vanaf 2008 bestendig als grond beschouwde.
4.26.6.
Verder is van belang dat er naast het standpunt van de opstellers van de Concept-notitie en het Implementatieteam dat granuliet als een bouwstof moet worden gezien, ook andere opvattingen bestonden. Hiervoor is al verwezen naar het eerdere standpunt van het Implementatieteam en de Werkgroep Kwalibo uit 2009 dat granuliet als grond kwalificeert. Daarnaast had GIB, naar aanleiding van de in 2018 opgeleefde discussie over granuliet, deskundigenrapporten laten opstellen (zoals het rapport van Schreurs) waarin wordt geconcludeerd dat granuliet als grond in de zin van artikel 1 Bbk kan worden aangemerkt. De ABRvS (de hoogste bestuursrechter) heeft uiteindelijk ook, na een lange discussie en verschillende deskundigenrapporten, in zijn uitspraak van 13 oktober 2021 geoordeeld dat het ministerie op grond van het Bbk granuliet als grond mag beschouwen. Hoewel deze uitspraak pas na de door Zembla gewraakte standpuntbepaling van de DG WB is gedaan, bevestigt dit dat het, ondanks het eenduidige advies van de opstellers van de Concept-notitie in 2019, bepaald geen vaststaand feit was dat granuliet niet voldeed aan de definitie van grond in het Bbk.
4.26.7.
Het advies van het Implementatieteam en de Concept-notitie hadden daarnaast geen formele status. Het waren ook voor Zembla kenbaar slechts interne adviezen. In het advies van het Implementatieteam staat bovendien dat het Implementatieteam in haar advies de redeneerlijn in de Concept-notitie dat granuliet een bouwstof is volgt, maar de uiteindelijk keuze aan het ministerie heeft gelaten en ook aandacht heeft gevraagd voor de consequenties van een beoordeling van het materiaal als bouwstof. Uit de memo van de DG WB van 10 oktober 2019 blijkt dat de DG WB vervolgens, naast de ‘bredere maatschappelijke gevolgen’ ook acht heeft geslagen op de historie van granuliet (dat wil zeggen: de bestendige kwalificatie van granuliet als grond vanaf 2008). In de memo is die historie als belangrijk argument aangedragen om het advies van het Implementatieteam niet te volgen en te herbevestigen dat granuliet nog steeds als grond kan worden toegepast onder de regels van het Bbk. Besloten is dat er geen nieuwe overtuigende argumenten zijn aangedragen om het toepassen van granuliet als grond niet te accepteren.
4.27.
Ongeacht de discussie over de juistheid van deze beslissing, de daarvoor aangedragen argumenten en het daaraan voorafgaande besluitvormingsproces, geldt in elk geval dat er, ook gelet op alle hiervoor onder 4.26.1 tot en met 4.26.7 uiteengezette feiten en omstandigheden, geen dragende feitelijke basis bestond voor de verstrekkende en stellige beschuldiging van Biezeveld en Zembla op 6 februari 2020 aan het adres van GIB / Bontrup dat GIB / Bontrup opzettelijk valsheid in geschrifte zou plegen door granuliet als grond aan te merken en zich schuldig zou maken aan het opzettelijk storten van afvalstoffen in een plas, hoewel GIB (1) al jarenlang over een rechtsgeldig productcertificaat beschikt, (2) GIB vanaf 2008 granuliet al met toestemming van het bevoegd gezag als grond toepaste en (3) het ministerie, naar aanleiding van een binnen RWS ontstane discussie, als bevoegd gezag het formele standpunt heeft ingenomen dat granuliet nog steeds als grond kan worden toegepast en dat het productcertificaat voorlopig kan worden gebruikt.
4.28.
Zembla heeft in deze procedure ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd die deze ernstige beschuldiging van het opzettelijk plegen van zulke ernstige strafbare feiten (al dan niet achteraf) ondersteunen. Zembla heeft gewezen op de Interne Notitie 2018 (zie 2.29) en een e-mail van RWS ZN van 7 mei 2019, die volgens Zembla het standpunt van Biezeveld delen, maar GIB heeft terecht aangevoerd dat die standpunten niet stroken met (en zijn achterhaald door) het formele standpunt dat RWS en de ILT naar aanleiding van de ontstane discussie hebben ingenomen, en waar GIB van mag uitgaan. Deze twee stukken geven dus geen of onvoldoende feitelijke basis voor de bewering dat GIB opzettelijk strafbare feiten pleegt. Ook zijn er geen feiten gesteld of gebleken die deze ernstige beschuldiging achteraf alsnog ondersteunen, temeer nu de hoogste bestuursrechter uiteindelijk heeft beslist dat het ministerie granuliet als grond mag beschouwen en dat, kort gezegd, er bij de toepassing van granuliet in Over de Maas geen aanleiding tot handhavend optreden is op grond van (vermoedens van) overtreding van het Bbk.
4.29.
De rechtbank is van oordeel dat ook Zembla in verband met deze onrechtmatige uitlatingen van Biezeveld onrechtmatig tegenover GIB heeft gehandeld, ook al zijn de uitspraken niet door haarzelf maar door de geïnterviewde deskundige Biezeveld gedaan. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.30.
Op zichzelf voert Zembla met juistheid aan dat de uitingsvrijheid en de belangrijke rol die journalisten hierin spelen als doorgeefluik van informatie en ideeën, meebrengt dat de pers een grote vrijheid moet hebben in het weergeven van uitingen van derden, zeker waar het onderwerpen van publiek belang betreft. Maar zoals hiervoor al is vooropgesteld (zie 4.8), brengt de uitoefening van deze persvrijheid ook verantwoordelijkheden en plichten met zich mee. Volgens de journalistieke richtlijnen behoort tot die verantwoordelijkheden dat journalisten waarheidsgetrouw, controleerbaar en zo volledig mogelijk berichten en eenzijdige en tendentieuze berichtgeving vermijden.
4.31.
In het getoonde fragment van Zembla beschuldigt Biezeveld GIB zonder enig voorbehoud of enige nuancering van het opzettelijk plegen van strafbare feiten. Ook Zembla heeft moeten begrijpen dit een verstrekkende beschuldiging was, met potentieel grote gevolgen voor de goede naam en reputatie van GIB/Bontrup. Als zorgvuldig handelend objectief onderzoeksjournalistiek programma mocht van Zembla worden verwacht dat zij zich voldoende ervan had vergewist dat voor deze ernstige beschuldigingen voldoende steun in de feiten bestond voordat Zembla dit in haar Eerste Uitzending aldus zou openbaren.
4.32.
Relevant hierbij is dat als onweersproken vaststaat dat Zembla Biezeveld van informatie heeft voorzien. Biezeveld heeft in zijn latere position paper voorop gesteld dat hij zich bij zijn standpuntbepaling heeft gebaseerd op de van Zembla ontvangen informatie. De door Biezeveld gedane uitlatingen volgden ook op door Zembla aan hem gestelde vragen. Biezeveld heeft hierover in de door GIB tegen hem aangespannen eerdere rechtszaak het hierna volgende gezegd (en de juistheid daarvan is door Zembla niet betwist):
“(..) Dit is wat er volgens opgave van Zembla aan vooraf ging en wat de vraag was: “De overheid wordt door bedrijven en via een tussenpersoon, Zijlstra, onder druk gezet om dit probleem op te lossen. En de enige manier die zij zien om dit op te lossen is om deze afvalstof te beschouwen als grond. Dit mag niet volgens het Besluit Bodemkwaliteit omdat het niet voldoet aan de vereisten van grond, maar dan zetten ze toch door. De top van het departement handelt tegen de adviezen in van het eigen apparaat. Het moet toch doorgaan. Daarmee handelen ze in strijd met het eigen Besluit. Het Besluit is niet gewijzigd. Ze hebben er een verkeerde omschrijving van gegeven. Daardoor is een grote hoeveelheid afvalstoffen uiteindelijk gedumpt die nooit gedumpt had mogen worden. Hoe zou U het kwalificeren wat hier gebeurt?”
4.33.
In deze vraagstelling van Zembla (die niet in de Eerste Uitzending is te zien) wordt vooraf als feit aan Biezeveld gepresenteerd dat granuliet een afvalstof is die is gedumpt, dat de top van het departement in strijd met het Bbk handelt door granuliet als grond aan te merken, en dat dit vooral is gedaan vanwege de economische (asfalt)belangen. In het aan Biezeveld door Zembla voorgelegde feitencomplex ontbreekt aldus de voorgeschiedenis van granuliet vanaf 2008 en de rol die deze historie, volgens de memo van de DG WB, heeft gespeeld in de standpuntbepaling. Ook blijft buiten beschouwing dat er onder deskundigen ook andere opvattingen bestaan dat granuliet wel onder de juridische definitie van grond in het Bbk valt (onder meer geconcludeerd door Schreurs en het Implementatieteam eerder in 2009). Verder wordt met de stelling ‘ze hebben er een verkeerde omschrijving van gegeven’ geïmpliceerd dat (ook) GIB granuliet als grond heeft omschreven, terwijl binnen het certificeringsstelsel van de Bbk SGS Intron (als erkende CI) bepaalt onder welk normdocument granuliet valt. Dit zijn allemaal feiten waarvan Zembla door GIB en RWS/IenW vooraf op de hoogte was gesteld of op de hoogte had kunnen zijn. Het door Zembla aan Biezeveld voorgelegde feitencomplex gaf daarmee een veel te eenzijdig beeld. Bovendien was dit beeld op onderdelen ook al veel te gekleurd geformuleerd.
4.34.
Door aan Biezeveld vervolgens te vragen om dit aan hem aldus gepresenteerde feitencomplex te kwalificeren, heeft Zembla zelf mede aan de basis gestaan van de te vergaande en zonder enig voorbehoud of enige nuance gegeven kwalificaties van het handelen van GIB / Bontrup (‘die bedrijven’) die Biezeveld in antwoord daarop heeft gegeven. Daar komt bij dat GIB onweersproken heeft gesteld dat het interview met Biezeveld al op 10 januari 2020 door Zembla is afgenomen. Zembla heeft daarna en dus ruim voor de Eerste Uitzending van 6 februari 2020 meerdere reacties en stukken van GIB en RWS/IenW ontvangen over onder meer de voorgeschiedenis en de milieutechnische kwaliteit van granuliet. Onder andere zijn rapporten ontvangen van Schreurs, Royal Haskoning en SoilConsult, waarin wordt geconcludeerd dat granuliet schone grond is van AW-kwaliteit en dat er geen risico’s voor mens en milieu te verwachten zijn. Ook heeft RWS in haar reactie toegelicht dat in het project Over de Maas sprake is van een nuttige en functionele toepassing van granuliet en dat geen sprake is van een illegale stort. Deze feiten en omstandigheden spraken tegen dat sprake was van het plegen van strafbare feiten. Deze feiten en omstandigheden lieten een ander of ten minste een veel genuanceerder beeld schijnen op het feitencomplex dat Zembla in haar eerdere vraagstelling aan Biezeveld had voorgelegd, en dat Biezeveld op basis daarvan toen desgevraagd door Zembla juridisch had gekwalificeerd. Onder deze omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank genoeg aanleiding voor Zembla om te twijfelen of de ernstige beschuldiging van Zembla via Biezeveld dat GIB opzettelijk strafbare feiten zou plegen, wel voldoende feitelijk gefundeerd was. Ook gezien het verband tussen de door Biezeveld gedane uitlating en het door Zembla aan hem gepresenteerde feitencomplex, kan Zembla hier niet ter verdediging volstaan met de stelling dat zij Biezeveld volledig had geïnformeerd, dat Biezeveld een bron van gezag is, en dat Biezeveld zich, ook volgens zijn verklaring in zijn eigen rechtszaak, van te voren goed in de problematiek had verdiept. Zembla had hier ook een eigen verantwoordelijkheid om de gegrondheid van de door Biezeveld eerder geuite ernstige strafrechtelijke beschuldigingen nader te verifiëren, voordat zij die aldus zelf zonder enige nuance in haar uitzending van 6 februari 2020 aan het grote publiek presenteerde.
4.35.
De rechtbank volgt Zembla ook niet in haar verweer dat zij alle recht had om de uitlatingen van Biezeveld in de uitzending op te nemen, omdat voor de kijker duidelijk is dat Biezeveld weliswaar vindt dat GIB de wet overtreedt, maar dat het bevoegd gezag dat niet vindt. Het beeld dat in de Eerste Uitzending wordt uitgedragen, is immers dat aan het oordeel van de top van RWS dat granuliet grond is weinig waarde moet worden toegekend, omdat dit onder invloed van de (asfalt)lobby van GIB en Zijlstra tot stand is gekomen en ingaat tegen wat alle deskundigen (ook van de overheid zelf) vinden, en daarmee ook ingaat tegen de wet. De daar tegenover staande reactie van GIB en RWS/IenW is in de uitzending beperkt tot de stellingen dat GIB (Bontrup) niets illegaals doet omdat zij over een certificaat beschikt en dat het ministerie granuliet als grond beoordeelt. Ook is een enkel (beperkt en lachwekkend) fragment getoond uit een (langer) telefoongesprek met Stupers waarin hij de mensen die granuliet geen grond vinden vergelijkt met de groep mensen die vinden dat de aarde plat is. Maar alle overige concrete informatie en stukken die GIB en RWS/IenW ter verduidelijking en verdediging van hun positie hebben aangedragen, zoals de manier waarop onder het Bbk certificering verloopt, de voorgeschiedenis van granuliet en de rol daarvan in de besluitvorming, en de door GIB toegezonden deskundigenrapporten die concluderen dat granuliet wel grond is en dat er geen risico’s voor mens of milieu zijn, komen in de uitzending niet aan bod. Die nuancerende feiten blijven daarmee voor de kijker onbekend.
4.36.
De enkele verwijzing naar de schriftelijke reactie van GIB en RWS/IenW op de website van Zembla volstond wat dit betreft niet. Daarbij is van belang dat de quotes van Biezeveld zijn opgenomen in een televisie-uitzending van het programma Zembla, met een groot publiek bereik. Zembla is een onderzoeksjournalistiek programma met gezag. Het grote publiek zal daarmee al snel de verwachting hebben dat de inhoud van het getoonde berust op zorgvuldig en objectief feitenonderzoek. Ook aan Biezeveld komt als oud-officier van justitie en als expert op het gebied van milieurecht veel gezag toe. Het grote publiek dat de uitzending van Zembla bekijkt, zal daarom nog sneller ervan uitgaan dat zijn stelling dat GIB opzettelijk twee strafbare feiten pleegt op een solide feitelijke basis berust. Bovendien wordt de indruk van strafbaar handelen in de uitzending versterkt doordat op andere plekken in de uitzending wordt gesteld dat ‘tegen de regels in afval (..) wordt gestort’ (introductie uitzending voice-over Zembla), ‘afval wordt gedumpt’ en dat ‘je op een vorm van oplichting zit’ (uitlatingen Diepeveen over de stort van granuliet en het gebruikte productcertificaat, zie 2.61). De Eerste Uitzending geeft daarmee onvoldoende tegenwicht tegen de feitelijk niet of onvoldoende gefundeerde ernstige beschuldiging dat GIB / Bontrup opzettelijk twee ernstige strafbare feiten pleegt.
4.37.
De rechtbank volgt Zembla ten slotte niet in haar verweer dat zij de uitlatingen van Biezeveld mocht opnemen, omdat het nieuwswaardig is wanneer iemand met zijn statuur dergelijke uitlatingen doet. Niet valt in te zien waarom het voor het bespreken van alle misstanden die Zembla naar haar zeggen met de uitzending aan de orde wil stellen (zoals de onjuistheid van de beslissing van de top van GIB, het inmengen van oneigenlijke belangen, de kennelijke lobby van Zijlstra en toegang van grote bedrijven zoals GIB tot de top van de ambtenarij en het afwijken van het advies van de eigen specialisten), noodzakelijk en/of gerechtvaardigd voor Zembla was om in de uitzending ook de dit alles overtreffende, ongefundeerde en ongeclausuleerde beschuldiging van Biezeveld op te nemen dat de producent GIB / Bontrup zich schuldig maakt aan het opzettelijk plegen van strafbare feiten.
4.38.
De rechtbank komt, op grond van al het vorenstaande, tot het oordeel dat Zembla
niet met de van haar te verwachten zorgvuldigheid tegenover GIB / Bontrup heeft gehandeld door de door Biezeveld gedane uitlatingen over het opzettelijk plegen van strafbare feiten door GIB in de Eerste Uitzending op te nemen, zonder voldoende feitelijke basis en op de ongenuanceerde en onvoorwaardelijke wijze zoals Zembla dat heeft gedaan. Hiermee heeft Zembla GIB te lichtvaardig blootgesteld aan verdachtmaking van het plegen van strafbare feiten, zonder dat daarvoor een voldoende basis in de feiten bestond.
Overige beschuldigingen van illegale activiteiten (omdat granuliet geen grond zou zijn en/of omdat het productcertificaat niet zou deugen)
4.39.
In de randnummers 406 en 415 van de dagvaarding heeft GIB ook geklaagd over andere beschuldigingen van illegale activiteiten, die zijn gedaan in of rondom de Eerste Uitzending en die samenhangen met de stelling dat granuliet geen grond zou zijn en/of dat het productcertificaat niet zou deugen. De klachten betreffen allereerst de uitlating in de Eerste Uitzending van de voice-over van Zembla dat GIB het productcertificaat zou hebben opgestuurd om betrokkenen ‘te overtuigen’ dat er ‘niets illegaals gebeurt’ (dagvaarding 115 en 118). Daarnaast is een ernstige beschuldiging, aldus GIB, dat Zembla in de introductie van de Eerste Uitzending stelt dat zij daarin onthult dat ‘tegen de regels in afval van een groot Amsterdams bouwstoffenbedrijf gestort wordt in (..) Over de Maas’ (dagvaarding, 113). Hetzelfde geldt volgens GIB voor de uitlating in een publicatie over de eerste uitzending waarin wordt gezegd dat uit documenten zou blijken dat de vergunningverlenende ambtenaren door de Top van Rijkswaterstaat meerdere keren onder druk zijn gezet om ‘het afval dat eerder was afgekeurd, tegen de regels in toch goed te keuren’ (dagvaarding, 130). Ten slotte richten de klachten van Zembla zich op de in dit vonnis bij 2.66 weergegeven uitlatingen van Bosma en De Lange in de Zembla-podcast van 10 februari 2020 dat granuliet niet als grond mag worden toegepast in Over de Maas en dat het certificaat niet voor granuliet mag worden gebruikt (dagvaarding, 153 en 154).
4.40.
De rechtbank komt voor wat betreft de (on)rechtmatigheid van deze uitlatingen tot een ander oordeel, dan het oordeel dat hiervoor over de door Zembla via Biezeveld geuite ernstige maar ongefundeerde beschuldigingen van het plegen van strafbare feiten is gegeven. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.40.1.
De uitlatingen dat ‘tegen de regels in afval wordt gestort’ en dat ‘het certificaat niet voor granuliet mag worden gebruikt’ moeten worden gezien in de context van de inhoud van de Eerste Uitzending en hetgeen Zembla daarmee aan de orde wil stellen. De kern van de Eerste Uitzending is dat de inhoudelijke deskundigen van de overheid zelf vinden dat granuliet geen grond is en dat de BRL 9321 niet bij granuliet past, maar dat de top van RWS na gesprekken met GIB dit advies niet heeft gevolgd, vanwege het asfaltbelang. Tegen die achtergrond (volgens de deskundigen mag het eigenlijk niet, maar het wordt toch gedoogd) moeten de uitlatingen worden geplaatst.
4.40.2.
Anders dan geldt voor de uitlatingen van Zembla via Biezeveld over het opzettelijk plegen van strafbare feiten, richten deze uitlatingen van Zembla zich niet in de eerste plaats op GIB. Er wordt meer abstract gezegd dat wat er gebeurt, eigenlijk – als je kijkt naar het Bbk – in strijd met de regels is. De uitlatingen (‘als je helemaal kijkt naar het begin van de regels, mag het niet daar, nee’), zijn – als het gaat om de positie van GIB – minder verstrekkend van aard dan beschuldigingen van opzettelijk strafbaar handelen.
4.40.3.
Een belangrijk verschil is daarnaast, dat voor de hier uitgedragen stellingen (deskundigen vinden dat granuliet geen grond is en dat het productcertificaat niet juist is, en het standpunt van de top van RWS om granuliet als grond te (blijven) zien is beïnvloed door het asfaltbelang) wel een basis in het door Zembla onderzochte feitenmateriaal te vinden is.
Vast staat dat Zembla meerdere deskundigen heeft gesproken (waaronder handhavers van RWS) en het advies van het Implementatieteam heeft gezien, naar aanleiding van een intern bespreekstuk (de Concept-notitie). In deze stukken hebben medewerkers van RWS en vervolgens het Implementatieteam (aan wiens kennis en oordeel Zembla, als het gaat om de milieutechnische en juridische inhoud, in beginsel wel waarde mag toekennen) het standpunt ingenomen dat granuliet op grond van het Bbk niet als grond maar als bouwstof moet worden aangemerkt en dat de BRL 9321 niet van toepassing is. In de Concept-notitie zijn diverse argumenten voor dit standpunt aangedragen, onder andere het argument dat aan granuliet een bodemvreemde stof (flocculant) wordt toegevoegd (wat, zo stelt Zembla, in strijd is met het bijmengingsverbod van artikel 34 lid 2 Bbk). Weliswaar hebben andere deskundigen (zoals Schreurs) en (later) ook STAB en de hoogste bestuursrechter ABRvS hierover anders geoordeeld en geconcludeerd dat granuliet voldoet aan de wettelijke definitie van grond, maar dat betekent niet dat de door de opstellers van de Concept-notitie aangedragen argumenten voor hun standpunt evident onverdedigbaar en/of evident onjuist waren. GIB heeft ook onvoldoende onderbouwd dat die laatste conclusie kan worden getrokken. Verder staat als onweersproken vast dat Zembla verschillende medewerkers van RWS heeft gesproken, die vonden dat hiermee feitelijk sprake was van een illegale afvalstort. Ook voormalig milieuhandhaver Diepeveen heeft gesteld dat je, in deze hoeveelheden, praat over het dumpen van afval. Al met al kan dan ook niet worden geoordeeld dat de in de uitzending uitgedragen stelling dat granuliet niet als grond maar als een afvalstof moet worden aangemerkt, zonder feitelijke onderbouwing is gedaan.
4.40.4.
Daarnaast staat als onweersproken staat dat tijdens gesprekken tussen GIB, Zijlstra en de top van RWS aan de orde is gesteld dat de keuze voor granuliet als bouwstof nadelige gevolgen kan hebben voor de asfaltlevering. Ook staat vast dat de DG WB in zijn beslissing om het advies om granuliet als bouwstof aan te merken niet over te nemen heeft gememoreerd aan ‘de bredere maatschappelijke gevolgen’. Niet toegelicht wordt op welke specifieke gevolgen wordt gedoeld, terwijl aan de andere kant in een voetnoot juist wordt gerefereerd aan de omstandigheid dat GIB één van de belangrijkste leveranciers van asfalt is. Op basis van deze bevindingen heeft Zembla de stelling mogen innemen dat de gevolgen voor de asfaltlevering een rol hebben gespeeld in de door de top van RWS gemaakte keuze om granuliet als grond aan te blijven merken.
4.40.5.
Aan GIB kan worden toegegeven dat Zembla de discussie over de kwalificatie van granuliet in de uitzending op een vrij eenzijdige en op onderdelen ook wel selectieve en gekleurde wijze heeft belicht. Zo wordt aan het slot van de Eerste Uitzending door Zembla, bij de bespreking van de memo van de DG WB van 10 oktober 2019, gesteld dat de ambtelijke top uiteindelijk ‘om’ is gegaan na een ‘gesprek met betrokken belanghebbenden’, terwijl in de memo juist is benadrukt dat de bestaande lijn is dat granuliet al sinds 2008 als grond wordt beschouwd en dat die historie meeweegt in de beslissing. Er waren geen overtuigende nieuwe (milieurechtelijke) argumenten om tot een andere kwalificatie over te gaan. Dat laatste komt in de uitzending niet terug, evenals andere door GIB en het ministerie aangedragen feiten en omstandigheden over de historie van granuliet en de definitie van grond in het Bbk (zie ook hiervoor, de overwegingen 4.33 en 4.34). Verder kan de rechtbank GIB op zichzelf volgen in de klacht dat het fragment waarin Harmsen stelt dat granuliet geen grond is omdat ‘er nauwelijks organisch materiaal in zit’ en ‘hij het niet in zijn tuin zou willen hebben’ een wat misleidend of in elk geval eenzijdig beeld neerzet, omdat RWS en GIB vooraf Zembla al hadden geïnformeerd dat op basis van de definitie van grond in het Bbk ook materiaal met een laag organisch stofgehalte als grond kan worden gekwalificeerd. In zoverre heeft Zembla dan ook niet een voldoende evenwichtig en zorgvuldig beeld neergezet. De rechtbank wil verder met GIB aannemen dat de hiervoor besproken uitlatingen, in samenhang met de inhoud van de eerste uitzending, een negatief beeld doen ontstaan van het bedrijf GIB, ook als de beschuldigingen van strafbaar handelen door Biezeveld helemaal uit de uitzending worden ‘weggedacht’. Maar anders dan voor die laatste beschuldigingen geldt, gaat het bij de hier door de rechtbank beoordeelde uitlatingen te ver om daaraan de conclusie te verbinden dat Zembla onrechtmatig jegens GIB heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW. Naast de hiervoor al besproken argumenten is daarvoor het volgende van belang.
4.40.6.
Een belangrijk gezichtspunt voor de rechtbank is dat Zembla met de hier besproken uitlatingen en de Eerste Uitzending een belangrijk maatschappelijk thema heeft beoogd aan te snijden, namelijk de (on)wenselijkheid van invloed van economische belangen en ‘dubbele petten’ op bestuurlijke (milieurechtelijke) besluitvorming (zie ook hiervoor bij 4.22 en 4.24 ). Gelet op het belang van zulke maatschappelijke thema’s moet er een ruime vrijheid zijn voor onderzoeksprogramma’s zoals Zembla om misstanden op dit gebied aan te kunnen kaarten.
4.40.7.
Daarbij komt aan Zembla ook redactionele vrijheid toe in de manier waarop zij de door haar gesignaleerde maatschappelijke misstanden aan het publiek wil openbaren. De rechtbank stelt in dat verband vast dat Zembla weliswaar veel door GIB en RWS vooraf aangedragen feiten en omstandigheden in de uitzending niet heeft genoemd, maar Zembla heeft wel in de uitzending benoemd dat GIB en het ministerie in reactie op de bevindingen van Zembla hebben gesteld dat GIB niets illegaals doet en dat er geen bezwaar is tegen de huidige manier van certificeren. Daarbij is voor een volledige reactie verwezen naar de op de website van Zembla gepubliceerde schriftelijke reacties van GIB en het ministerie (hiervoor weergegeven bij 2.54 en 2.56 van dit vonnis). Met name in de reactie van het ministerie zijn de kernargumenten waarom geen sprake is van illegaal handelen, terug te lezen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de historie van granuliet, de definitie en eisen van het Bbk en de conclusies uit de milieurechtelijke rapporten (ook ten aanzien van het flocculant). Dat de rechtbank de verwijzing naar het schriftelijke wederhoor voor de hier beoordeelde uitlatingen – anders dan bij de uitlatingen van Biezeveld over strafbare feiten – wel voldoende vindt, heeft te maken met de verschillen tussen de uitlatingen in inhoud, context, ernst en feitelijke basis, zoals die hiervoor onder 4.40.1 tot en met 4.40.4 zijn beschreven.
4.40.8.
Ten slotte wordt in aanmerking genomen dat – zoals onder 4.11 en 4.23 al is vooropgesteld – GIB gelet op haar status als grote commerciële onderneming, gelet op de door haar ontplooide (bodem)activiteiten en gelet op het door haar via lobbyist Zijlstra gebruikte beschikbare netwerk bij RWS, een relatief dikke huid moet hebben als het gaat om de bescherming van haar maatschappelijke reputatie en om kritiek op haar maatschappelijk handelen. Ook dat weegt de rechtbank mee bij de beantwoording van de vraag of bij ook bij de hiervoor bij 4.39 aangehaalde uitlatingen de drempel van een onrechtmatige inbreuk op de reputatie en goede naam van GIB is overschreden.
4.41.
Die laatste vraag beantwoordt de rechtbank uiteindelijk ontkennend, op basis van alle hiervoor besproken gezichtspunten, tegen elkaar afgewogen.
4.42.
GIB heeft verder gesteld dat Zembla onrechtmatig heeft gehandeld door in haar publicatie na het Rondetafelgesprek de ongefundeerde stelling van Biezeveld te herhalen dat het productcertificaat dat GIB gebruikt voor granuliet ‘vals’ is (zie 2.74).
4.43.
De rechtbank volgt GIB niet in dit betoog, gelet ook op het verweer van Zembla daartegen. Het betreffende stuk in het artikel doet verslag van wat Biezeveld (als gehoord deskundige) tijdens het debat over granuliet in de Tweede Kamer heeft gezegd. Het staat Zembla vrij om dit te publiceren. Het verslag is ook op voldoende juiste en zorgvuldige wijze gedaan. De uiting dat het productcertificaat ‘vals’ is, is ook door Biezeveld gedaan. Weliswaar heeft Biezeveld de woorden ‘vermoedelijk schuldig gemaakt aan opzettelijk gebruik maken van een vals document’ gebruikt, maar gelet op de context is duidelijk wat Biezeveld met ‘vals’ bedoelt. Hij heeft tijdens het debat toegelicht dat het productcertificaat volgens hem niet van toepassing is op granuliet, omdat granuliet afkomstig is van graniet en kwartsiet en de BRL 9321 niet van toepassing is steenslag afkomstig van gesteente. Die toelichtende context op het woord ‘vals’ is ook overgenomen in het verslag dat Zembla van het pleidooi van Biezeveld heeft gedaan. Duidelijk is daarmee waarom Biezeveld het certificaat onrechtmatig of vals vindt. Dat Zembla daarbij niet het woord ‘vermoedelijk’ heeft geplaatst, maakt de publicatie niet onzorgvuldig, ook omdat Biezeveld dit voorbehoud niet zozeer heeft geplaatst bij de valsheid (ondeugdelijkheid) van het document, maar bij de juridische strafrechtelijke kwalificatie van het handelen van GIB (die niet in het artikel is overgenomen).
Granuliet zou schadelijk (giftig en/of kankerverwekkend) zijn voor mens en milieu
4.44.
GIB heeft last but not least voldoende concreet gesteld dat Zembla onrechtmatig jegens GIB heeft gehandeld door meerdere malen de ernstige beschuldiging te uiten dat ‘granuliet schadelijk zou zijn voor mens en milieu’. Zembla heeft aangevoerd dat dit nergens zo door Zembla is gezegd, maar uit de tekst van de vordering (‘of soortgelijke beschuldigingen’) en de toelichting daarop in het lichaam van de dagvaarding blijkt voldoende duidelijk dat GIB hiermee doelt op uitlatingen dat granuliet giftig en/of kankerverwekkend zou zijn. In de randnummers 406, 415 en 416 van de dagvaarding heeft GIB terugverwezen naar concrete uitlatingen van Zembla van deze strekking, die elders in de dagvaarding zijn besproken (randnummers 183, 245, 248, 249, 250, 277, 289, 290, 292, 293, 305, 308, 316, 318, 328, zie ook pleitnota mrs. Van Kaam en Mulder, 42 en 43). De rechtbank zal deze uitlatingen van Zembla hierna beoordelen.
4.45.
Bij de beoordeling komt veel belang toe aan de gezichtspunten die de rechtbank in dit vonnis bij 4.22 en 4.23 al heeft vooropgesteld. Gelet op de zwaarwegende maatschappelijke belangen die zijn gemoeid met het voorkomen van gezondheids- en milieuschade, moet er relatief veel ruimte bestaan voor onderzoeksjournalisten zoals die van Zembla om kritisch te kunnen berichten over het toepassen van materialen in natuurplassen waar mogelijk risico’s voor mens en milieu aan kleven. Andersom moet GIB, nu zij er zelf voor kiest om granuliet hiervoor te laten gebruiken, aanvaarden dat haar product onder kritische media aandacht kan komen te staan en onderwerp van maatschappelijk debat kan worden. Verder weegt de rechtbank mee dat Zembla, gelet op het specialistische karakter van de materie, in de regel belang mag toekennen aan bronnen die zij op dit gebied als gezaghebbend mag beschouwen. Daarbij geldt wel – als vierde gezichtspunt – dat Zembla, juist vanwege de onrust die potentiële milieu- of gezondheidsrisico’s met zich kunnen brengen, zorgvuldig te werk moet gaan bij haar publicaties en zich moet onthouden van verstrekkende uitingen waarvoor geen basis in het onderzochte feitenmateriaal bestaat.
Publicatie Zembla over Rondetafelgesprek 9 maart 2020
4.46.
GIB heeft in dit verband allereerst geklaagd over de publicatie op de website van Zembla van 9 maart 2020 naar aanleiding van het Rondetafelgesprek (zie 2.74), waarin, zo stelt GIB, flocculant een chemische en kankerverwekkende stof wordt genoemd. Dit is volgens GIB onterecht, omdat alle onderzoeken waarover Zembla op dat moment ook beschikte aantonen dat granuliet met flocculant geen risico’s voor mens en milieu opleveren.
4.47.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Feitelijk onjuist is dat, zoals GIB betoogt, Zembla in deze publicatie heeft gesteld dat flocculant kankerverwekkend is. In het artikel wordt weergegeven wat deskundige Vink van Deltares tijdens het Rondetafelgesprek heeft gezegd, namelijk dat als flocculant afbreekt, een risico bestaat op het ontstaan van een kankerverwekkende stof. Dit risico kan volgens Vink niet worden uitgesloten. Zembla stelt dus niet dat flocculant zelf kankerverwekkend is. GIB heeft niet bestreden dat feitelijk juist is weergegeven wat Vink heeft gezegd. Ook staat als onweersproken vast dat wat Vink zelf stelt, feitelijk juist is. Niet in geschil is immers dat bij afbraak van flocculant in theorie acrylamide kan vrijkomen, wat als kankerverwekkend wordt beschouwd. Zembla heeft deze stelling van Vink naar het oordeel van de rechtbank dan ook op deze wijze mogen publiceren. Dat GIB eerder rapporten heeft toegezonden van Haskoning en SoilConsult (waarin onder andere is vastgesteld dat bij een vers en vier jaar oud ontwaterd granuliet-monster geen acrylamide boven de detectiegrens is vastgesteld), maakt dat niet anders. Dit ook omdat Harmsen (die in de publicatie eveneens wordt aangehaald) tijdens het Rondetafelgesprek de conclusies in die rapporten heeft genuanceerd, onder meer door erop te wijzen dat met het storten van 500.000 ton granuliet 50.000 kilogram milieuvreemde stof (polyacrylamide) in de plas terecht komt en er onzekerheid is over hoe dit zich op lange termijn gaat gedragen. Zembla mocht deze standpunten van de deskundigen op deze wijze naar voren brengen. Zij heeft hiermee niet onrechtmatig gehandeld jegens GIB.
Publicatie Zembla van 21 september 2009 over eerste rapport Kuijken
4.48.
GIB voert in dit verband van schadelijkheid voor mens en milieu ten tweede de klacht aan dat Zembla in haar artikel van 21 september 2020 over het eerste rapport van Kuijken flocculant een kankerverwekkende stof heeft genoemd (dagvaarding, 277).
4.49.
De rechtbank leest in het betreffende artikel (productie 98 van GIB) niet terug dat dit zo door Zembla is gesteld. Wel staat in het artikel bovenaan de pagina waar de bevindingen van Kuijken over flocculant worden besproken (en de reacties daarop van Biezeveld en de wethouder) het kopje ‘kankerverwekkende stof’. GIB heeft echter helemaal niet toegelicht waarom dat, ook gelezen in de context van het hele artikel (waarin juist wordt aangehaald dat Kuijken op basis van de rapporten heeft geconstateerd dat er geen enkele indicatie is dat flocculant milieuhygiënische risico’s met zich mee brengt) kan worden aangemerkt als een onrechtmatige uitlating van Zembla jegens GIB.
Publicaties Zembla over rekenfout in de memo van RWS van 3 juni 2020
4.50.
De klachten van GIB in dit verband richten zich ten derde op verschillende publicaties van Zembla over de rekenfout in de memo van RWS van 3 juni 2020. Het gaat om de radio-uitzending van 2 september 2020, de daaropvolgende artikelen op de website van Zembla van 2 en 3 september 2020 (zie 2.81), het opgenomen fragment in de Tweede Uitzending waar Bosma de rekenfout voorhoudt aan de wethouder van de gemeente (zie 2.91) en de podcast van Zembla van 29 september 2020 (zie 2.92). GIB stelt dat door Zembla ten onrechte de indruk wordt gewekt dat er door het granuliet van GIB daadwerkelijk duizend keer meer kankerverwekkende stof in de plas zou vrijkomen.
4.51.
Zembla heeft terecht aangevoerd dat de stelling dat RWS een rekenfout heeft gemaakt, feitelijk juist is. Dat is ook niet in geschil en de rekenfout is door RWS erkend. De rechtbank is ook met Zembla van oordeel dat Zembla niet onrechtmatig heeft gehandeld door over de rekenfout te publiceren op de wijze zoals zij dat heeft gedaan. Daarbij is van belang dat de aangekaarte rekenfout ziet op een berekening die RWS zelf naar voren had gebracht om aan te tonen dat zelfs onder het slechtst denkbare scenario het gehalte acrylamide dat per liter in Over de Maas zou kunnen vrijkomen, ruim onder de strengste beschermingswaarden voor levende organismen zou blijven. RWS had deze berekening in de bestuursrechtelijke handhavingsprocedure bij de voorzieningenrechter ingebracht om aan te tonen dat het onwaarschijnlijk is dat er gevaar is voor mens, milieu of bodemleven. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de ABRvS volgt ook dat de memo van RWS van 3 juni 2020 door de voorzieningenrechter is meegewogen in de beslissing. Vast staat ook dat het gehalte acrylamide, bij correctie van de rekenfout, in het slechtste scenario wél boven de eigen beschermingsgrens van RWS uitkomt (voor bodemleven en voor vissen). Zembla had tegen deze achtergrond een belang om de aandacht op de rekenfout te richten.
4.52.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Zembla daarbij op rechtmatige wijze over de rekenfout bericht. Weliswaar is minder zorgvuldig dat Zembla in het artikel van 2 september 2020 zonder onderbouwing stelt dat ‘in het slechtste geval 72.000 kilo van het giftige acrylamide in de natuurplas terechtkomt’, maar Zembla legt verderop in het artikel op juiste wijze uit waar de rekenfout precies over gaat en wat die inhoudt, namelijk dat in het door RWS berekende slechtst denkbare scenario het gehalte acrylamide in Over de Maas zou uitkomen op 0,0078 milligram per liter en daarmee onder de strengste grens van 2,04 milligram per liter, terwijl dat correct berekend 7,78 milligram per liter is. Bovendien heeft Zembla daarbij verwezen naar een pdf-bestand met de volledige reactie van RWS, waarin RWS uitlegt dat het een uiterst theoretisch scenario betreft dat zich in de praktijk niet zal voordoen (zie 2.82). De rechtbank kan GIB wel volgen in haar stelling dat de kop van het artikel dat sprake is van een ‘cruciale rekenfout’ in die context bezien misplaatst is. Maar dit maakt de publicatie als geheel bezien nog niet onrechtmatig jegens GIB.
4.53.
Ook in de Tweede Uitzending van 24 september en in de podcast van 29 september 2020 heeft Zembla de rekenfout voldoende in de juiste context geplaatst, namelijk een gemaakte fout in een worst case scenario berekening die RWS zelf in de rechtszaak tussen het ministerie en de gemeente heeft gebruikt om aan te tonen dat het risico op vrijkomen van acrylamide nihil is, waarbij Zembla in de Tweede Uitzending ook heeft vermeld dat RWS heeft laten weten dat de aangehaalde risicoberekening puur theoretisch is en een onrealistisch beeld schetst. De stelling van GIB dat Zembla in de podcast heeft gezegd dat ‘granuliet kankerverwekkend zou zijn’, leest de rechtbank niet terug in het hiervoor bij 2.92 weergegeven transcript van die podcast.
4.54.
Ook de klacht van GIB dat Zembla heeft nagelaten GIB vóór de publicaties over de rekenfout om wederhoor te vragen, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Het ging immers om een rekenfout in een stuk van RWS. Zembla was niet gehouden GIB daarover om wederhoor te vragen. Evenmin wordt GIB gevolgd in haar stelling dat Zembla, naar aanleiding van de e-mail van mr. Van Kaam van 4 september 2020, had moeten overgaan tot een rectificatie. Zembla was daartoe niet gehouden, te minder nu Zembla bij de publicaties al de volledige reactie van RWS had geplaatst, waarin de volgens GIB ontbrekende nuances (het ging hier slechts om een niet-realistisch theoretisch scenario en in de praktijk is geen acrylamide gedetecteerd) al naar voren waren gebracht.
4.55.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat Zembla in verband met de publicaties over de rekenfout van RWS niet onrechtmatig tegenover GIB heeft gehandeld.
Uitlatingen Bosma radio-uitzendingen 24 september 2020 en tweet Bosma 27 oktober 2020
4.56.
De laatste klachten van GIB in dit verband van al dan niet schadelijkheid van granuliet voor mens en milieu betreffen de uitlatingen die Zembla in de persoon van Bosma tijdens twee radio-uitzendingen op 24 september 2020 heeft gedaan over een verband tussen (het flocculant in) granuliet en kankerverwekkende stoffen en in zijn twitterbericht van 27 oktober 2020, waarin hij spreekt over ‘de giftige stof die aan granuliet is toegevoegd’ (zie ook bij 2.88, 2.89 en 2.93 van dit vonnis). GIB stelt dat Zembla hiermee ongefundeerd de onterechte beschuldiging uit dat granuliet van GIB giftig en kankerverwekkend zou zijn.
4.57.
Zembla heeft aangevoerd dat het haar vrij stond om die uitlatingen te doen, omdat deze ruim steun vonden en vinden in het beschikbare feitenmateriaal. Het klopt immers dat flocculant het kankerverwekkende acrylamide kan voortbrengen, aldus samengevat Zembla.
4.58.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Vast staat dat aan granuliet door GIB een flocculant (een polyacrylamide) is toegevoegd. Het is tussen partijen niet in geschil dat dit flocculant zelf (de polyacrylamide) niet toxisch is. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat in elk geval in theorie bij afbraak van polyacrylamide de stof acrylamide kan vrijkomen en dat acrylamide wél als giftige en kankerverwekkende stof wordt aangemerkt. Dat het risico op vrijkomen van acrylamide door afbraak van polyacrylamide er in theorie is, wil echter nog niet zeggen dat dit risico zich bij het toepassen van granuliet ook daadwerkelijk voordoet, en ook nog eens in een mate dat dit daadwerkelijk schadelijke effecten voor mens en milieu doet ontstaan. Die nuance is bij de beoordeling van belang.
4.59.
Van belang is ook dat ten tijde van de hier gedane uitlatingen in opdracht van GIB en RWS al meerdere onderzoeken waren gedaan naar de risico’s van het flocculant en ook meer specifiek naar de (gezondheid)risico’s van het vrijkomen van arcylamide. Naast het al eerdergenoemde rapport van Haskoning (over de effecten van het gebruik van flocculant op de milieuhygiënische kwaliteit van de omgeving), betreft het de volgende onderzoeken, die op dat moment allemaal bij Zembla bekend waren of ten minste bekend hadden moeten zijn.
4.59.1.
In haar rapport van 19 juni 2019 had SoilConsult geconstateerd dat in een vers ontwaterd granulietmonster en in een vier jaar oud monster geen acrylamide boven de detectiegrens van 0,1 milligram/kilogram droge stof is aangetroffen. Volgens SoilConsult zijn er voor wat betreft de aanwezigheid van (restanten) acrylamide in de onderzochte granulietklei geen risico’s voor mens en milieu te verwachten.
4.59.2.
In opdracht van RWS had Geonius in december 2019 en in februari 2020 meerdere monsters van granuliet (uit een beunbak van een schip) geanalyseerd op (onder andere) de aanwezigheid van acrylamide. Ook daarbij was geen gehalte acrylamide boven de detectiegrens aangetroffen. De minister heeft in een Kamerbrief van 31 maart 2020 over deze resultaten gecommuniceerd.
4.59.3.
In opdracht van GIB heeft SoilConsult een uitloogonderzoek uitgevoerd naar twee granulietmonsters (een vers en een twee jaar oud monster). In haar rapport van 29 juli 2020 heeft SoilConsult gemeld dat in het uitloogextract van beide monsters geen acrylamide is aangetoond boven de aantoonbaarheidsgrens (0,001 milligram/kilogram droge stof). De advocaat van GIB heeft Zembla bij e-mail van 4 september 2020 over deze onderzoeksresultaten geïnformeerd.
4.59.4.
Ten slotte had RWS, naar aanleiding van de door Zembla ontdekte rekenfout in de memo van RWS van 3 juni 2020, bericht dat de rekenfout niets afdoet aan de conclusie dat acrylamide in de praktijk niet voorkomt in het toegepaste granuliet en dat er geen sprake is van overschrijding van normen en/of een risico voor mens en milieu. De berekening waarin de fout was gemaakt betrof, zo heeft RWS toegelicht, slechts een theoretisch en onrealistisch worst case scenario en dus niet de (toenmalige) feitelijke situatie.
4.60.
Zembla heeft hiertegenover in deze procedure aangevoerd dat de omstandigheid dat het gehalte acrylamide de detectielimieten niet haalt, niet betekent dat het er niet in zit. Zembla heeft gewezen op een publicatie van het RIVM over het (latere) review-onderzoek van Arcadis, waarin Arcadis heeft geconcludeerd dat geen acrylamide is aangetroffen in Over de Maas en dat de vorming van acrylamide in de toekomst niet waarschijnlijk is (zie 2.99). Zembla wijst erop dat het RIVM hierover schrijft:
“Het is nog onbekend welke invloed de natuurlijke omstandigheden in de diepe plas hebben op het gedrag van polyacrylamide en de mogelijke vorming van acrylamide op de langere termijn. Zo schrijft Arcadis dat de vorming van acrylamide niet aannemelijk is, maar dat op basis van studies de vorming van acrylamide uit polyacrylamide niet kan worden uitgesloten onder anaerobe omstandigheden.”
Volgens Zembla sluit het RIVM de vorming van (kankerverwekkend) acrylamide in de toekomst dus niet uit, zoals vrijwel alle experts. Gewezen is ook op de stelling van Harmsen in de Eerste Uitzending: “je weet niet wat het in de toekomst brengt. Het kan meevallen, maar het is onbekend. En dat moet je zeker niet doen in een ongecontroleerd systeem als zo’n plas.”
4.61.
Naar de rechtbank begrijpt, beoogt Zembla in de persoon van Bosma met diens onderhavige publicaties meer prominent naar voren brengen dat op basis van het voorzorgsprincipe moet worden afgezien van het toepassen van granuliet in oppervlaktewateren zoals Over de Maas, zolang er nog enige onzekerheden of twijfels bestaan over de gezondheids- en milieurisico’s op de lange termijn (door de vorming van acrylamide). De rechtbank leest dat in de kern ook terug in het twitterbericht van Bosma: ‘Daarvan is niet duidelijk wat gevolgen zijn. (..) Bij twijfel niet doen. (..) Dat risico moet je dan toch niet nemen’. Gelet op het grote maatschappelijke belang van het onderliggende milieuonderwerp, staat het Zembla en Bosma vrij om deze invalshoek te kiezen. Echter, dit ontslaat Zembla niet van haar verantwoordelijkheid om in haar verslaggeving voldoende zorgvuldig en accuraat te zijn.
4.62.
De rechtbank is van oordeel dat Zembla de grenzen van zorgvuldige verslaggeving in het twitterbericht van 27 oktober 2020 nog niet heeft overschreden, althans niet in zodanige mate dat dit als onrechtmatig jegens GIB is aan te merken. Weliswaar begint Bosma het bericht met de onjuiste mededeling dat de aan granuliet toegevoegde stof giftig zou zijn, maar in het licht van de hele context van het bericht is dat onvoldoende om het bericht als onrechtmatig jegens GIB te beoordelen.
4.63.
Datzelfde geldt voor de mededeling die Bosma tijdens de eerste radio-uitzending op 24 september 2020 heeft gedaan. Hij zegt daarin (in het kader van het samenvatten van de eerste uitzending) dat in ‘dat afval’ (waarmee hij granuliet bedoelt) een flocculant zit, wat giftig is, en waar mogelijk kankerverwekkende stoffen uit kunnen komen.’ Dat er mogelijk een kankerverwekkende stof (acrylamide) uit polyacrylamide kan ontstaan, is feitelijk juist. Daarnaast heeft Zembla voldoende onderbouwd dat het risico op het ontstaan van acrylamide volgens verschillende deskundigen op de langere termijn niet helemaal kan worden uitgesloten. Aan GIB kan worden toegegeven dat minder zorgvuldig is dat Zembla hierbij flocculant giftig heeft genoemd en niet, om een volledig beeld van de risico’s op het ontstaan van kankerverwekkende stoffen te schetsen, ook heeft vermeld dat verschillende onderzoeken tot dan toe geen acrylamide boven de detectiegrens hebben aangetoond en dat de risico’s voor mens en milieu tot dusver niet aannemelijk worden geacht. Dit een en ander is naar het oordeel van de rechtbank, ook gelet op de door Bosma gekozen woorden (‘mogelijk (..) uit kunnen komen’) en de context waarin de uitlating is gedaan, onvoldoende om te oordelen dat Zembla in dit geval de grenzen van haar uitingsvrijheid op jegens GIB ontoelaatbare wijze heeft overschreden.
4.64.
De rechtbank oordeelt alles afwegende in gelijke zin over de uitlatingen die Bosma daarna tijdens de tweede radio-uitzending van 24 september 2020 in het radio-programma ‘De Wild in de Middag’ heeft gedaan. Daarin heeft Bosma onder meer het volgende gezegd:
(presentator Ruud de Wild): “(…) Zeg, maar even qua granuliet alarm. Is het een keer aankijken en dood?”
(Bosma): “Nee, gelukkig niet. Er zit wel een kankerverwekkende stof in en dat is ook waar de zorg vandaan komt. Zij voegen daar iets aan toe dat bedrijf en dat is bindmiddel en daar zit een kankerverwekkende stof in. Die kunnen bij het storten, het lozen in die plas vrijkomen.
4.65.
Bosma uit zich hier - wellicht uitgelokt door De Wild - nog ongenuanceerder over de gezondheidsrisico’s van granuliet van GIB dan in de eerdere radio-uitzending van 24 september 2020. Desondanks brengt hij nog wel de nuance aan dat kankerverwekkende stoffen bij het lozen van granuliet in plassen kunnen vrijkomen. Ook gelet op de gehele context en op de vele overige besproken onderwerpen in de tweede radio-uitzending is de rechtbank alles afwegende van oordeel dat Bosma hiermee nog net niet de grenzen van het toelaatbare jegens GIB heeft overschreden.
4.66.
De rechtbank weegt bij het oordeel over de rechtmatigheid van deze uitlatingen van Zembla in de persoon van Bosma op 24 september 2002 in beide radio-uitzendingen tenslotte opnieuw ook mee dat GIB gelet op het grote maatschappelijk milieubelang en als grote onderneming die er zelf voor heeft gekozen haar granuliet met daaraan toegevoegd een flocculant in (toekomstige) natuurplassen te doen storten een publiek debat en kritische media aandacht daarover als hoofdregel heeft te dulden, waardoor de drempel voor onrechtmatige uitingen in dat verband relatief hoog ligt. Die grens is hier naar het oordeel van de rechtbank door Bosma en Zembla wel opgezocht maar nog net niet overschreden.
Conclusie vordering i. (verklaringen voor recht onrechtmatige beschuldigingen)
4.67.
De rechtbank zal, op grond van al het voorgaande, voor recht verklaren dat Zembla onrechtmatig (want niet met de van haar te verwachten zorgvuldigheid) tegenover GIB / Bontrup heeft gehandeld door de door Biezeveld gedane uitlatingen over het opzettelijk plegen van strafbare feiten door GIB in de eerste uitzending van 6 februari 2020 op te nemen, zonder voldoende feitelijke basis en op de ongenuanceerde en onvoorwaardelijke wijze zoals Zembla dat toen heeft gedaan. Voor al het overige zal de rechtbank vordering i. van GIB tegen Zembla afwijzen.
Conclusie vordering ii. (weigeren rectificatie)
4.68.
GIB heeft ook een verklaring voor recht gevorderd dat Zembla onrechtmatig jegens GIB heeft gehandeld ‘zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding’ door te weigeren de onder vordering i. genoemde beschuldigingen recht te zetten.
4.69.
De rechtbank merkt in de eerste plaats op dat een algemene verwijzing in de vordering naar ‘het lichaam van de dagvaarding’ het lastig maakt voor Zembla om gericht verweer te kunnen voeren tegen de vordering en voor de rechtbank om te beoordelen welke concrete feiten en omstandigheden precies aan deze vordering ten grondslag worden gelegd.
4.70.
Weliswaar heeft GIB in de randnummers 458 tot en met 460 van de dagvaarding (onder de bespreking van ‘pijler 2’) een kopje opgenomen met ‘stelselmatig weigeren rectificeren (en volharden)’, maar daar wordt – voor wat betreft de door de rechtbank vastgestelde ongefundeerde beschuldigingen – door GIB niet meer gesteld dan dat Zembla op 10 september 2020 de Eerste Uitzending integraal en ongewijzigd heeft uitgezonden, ondanks alle ontwikkelingen vanaf februari 2020 en ondanks het verzoek van GIB om van integrale en ongewijzigde herhaling af te zien. De rechtbank verklaart voor wat betreft vordering i. al voor recht dat het opnemen door Zembla van de door Biezeveld geuite beschuldigingen van strafbare feiten in de Eerste Uitzending in de gegeven omstandigheden jegens GIB onrechtmatig is. Die verklaring voor recht bestrijkt vanzelfsprekend ook de herhaalde Eerste Uitzending, waarin dit fragment Biezeveld door Zembla opnieuw is getoond. Zonder nadere toelichting van GIB - die ontbreekt – valt niet in te zien welk concreet rechtens te respecteren belang GIB tegen deze achtergrond heeft bij een afzonderlijke verklaring voor recht dat Zembla de uitlatingen op eerste verzoek of sommatie van GIB meteen had moeten rectificeren. Los daarvan ziet de rechtbank aldus niet in waarom het enkele feit dat Zembla de hierboven omschreven beschuldigingen niet op eerste verzoek heeft gerectificeerd (omdat zij zich op het standpunt stelde dat zij niet onrechtmatig had gehandeld), maakt dat zij daarmee een zelfstandige onrechtmatige daad tegenover GIB heeft gepleegd. De rechtbank wijst deze vordering van GIB dan ook af.
Vordering iii. (journalistieke handelswijze)
4.71.
GIB heeft ten derde gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat Zembla onrechtmatig tegenover GIB heeft gehandeld ‘met haar journalistieke handelswijze, zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding’.
4.72.
Deze vordering is zoals Zembla terecht aanvoert veel te vaag en onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen. Een verwijzing naar ‘het lichaam van de dagvaarding’, volstaat niet bij een dagvaarding van 174 pagina’s waarbij (onder pijler 2) talloze klachten worden geuit over inkleding van bepaalde feiten, eenzijdige berichtgeving of het ontbreken of niet goed toepassen van wederhoor. Van Zembla en de rechtbank kan niet worden verwacht dat zij al deze klachten individueel langslopen en zelfstandig beoordelen. Dit geldt te meer, omdat deze klachten in de bredere context van de publicaties, als geheel, moeten worden beoordeeld. GIB heeft in haar omvangrijke dagvaarding ook zelf verschillende elementen die zij onder ‘de onrechtmatige journalistieke handelswijze’ noemt tegelijkertijd als gezichtspunt betrokken in de beoordeling of sprake is van ongefundeerde beschuldigingen (‘pijler 1’). Het gaat dan bijvoorbeeld om de klachten dat tendentieus en eenzijdig is bericht, dat bepaalde informatie is genegeerd, dat deskundigen onvolledig zijn geïnformeerd, dat Zembla zich zou hebben verscholen achter de deskundigen en dat wederhoor niet of onvoldoende is toegepast (allemaal genoemd in de dagvaarding bij randnummers 403 tot en met 434). De rechtbank heeft al deze klachten, waar van belang, hiervoor in dit vonnis als gezichtspunt betrokken in de beoordeling of sprake is geweest van onrechtmatige uitlatingen. Indien en voor zover GIB naast de hiervoor al beoordeelde publicaties ook nog andere concrete publicaties, gedragingen of uitlatingen van Zembla op onrechtmatigheid had willen laten beoordelen, had GIB dat duidelijker en concreter in de vordering (en de toelichting daarop) tot uitdrukking moeten brengen, zodat voor Zembla en de rechtbank duidelijk zou zijn geweest waarop zij zich concreet moesten richten.
4.73.
Opgemerkt wordt nog dat GIB stelt dat zij bij het opsommen van de omstandigheden die bijdragen aan de onrechtmatige handelswijze van Zembla ook heeft benoemd dat Zembla de conclusie van de RvdJ van 7 december 2020 niet, zoals aanbevolen, heeft gepubliceerd, maar juist inhoudelijk heeft weersproken. Zonder nadere toelichting van GIB - die opnieuw ontbreekt – valt echter niet in te zien waarom het naast zich neerleggen van een aanbeveling van de RvdJ (omdat Zembla het daarmee niet eens was) een onrechtmatige daad van Zembla in de zin van artikel 6:162 BW tegenover GIB oplevert.
4.74.
De rechtbank wijst de gevorderde verklaring voor recht onder iii. dan ook af.
Rectificatie met dwangsom
4.75.
GIB heeft ten vierde samengevat gevorderd dat de rechtbank Zembla beveelt om haar ongefundeerde beschuldigingen te rectificeren op de door GIB gevorderde wijze of op een door de rechtbank vast te stellen wijze, die veroordeling ten vijfde versterkt door een dwangsom van € 25.000,- per dag of dagdeel dat Zembla daarmee in gebreke blijft. Zembla voert daartegen gemotiveerd verweer.
4.76.
De hiervoor door de rechtbank onrechtmatig geoordeelde beschuldigingen van Zembla tegenover GIB / Bontrup bestaan uit dezelfde beschuldigingen van het plegen van strafbare feiten, die Biezeveld in de Eerste Uitzending heeft geuit. Zembla heeft, naar aanleiding van het eerdere vonnis van de rechtbank van 8 december 2021 in de zaak tussen GIB en Biezeveld, al een rectificatie op haar website geplaatst. Die rectificatie is ook in de Eerste Uitzending gemonteerd (na het fragment met de uitlatingen van Biezeveld). Deze geplaatste rectificatie geeft al goed de kern weer waarom de beschuldigingen van Biezeveld tegenover GIB / Bontrup onrechtmatig waren en rectificatie behoeven, namelijk omdat daarvoor een voldoende feitelijke basis ontbrak.
4.77.
De rechtbank zal daarom Zembla in dit vonnis bevelen om op al haar webpagina’s over de Eerste Uitzending en in de montage van die eerste uitzending - in een nieuwe alinea direct na de door Zembla al permanent geplaatste rectificatietekst over Biezeveld - permanent de volgende rectificatietekst te publiceren:
“
Rectificatieverplichting Zembla
De Rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 31 augustus 2022 geoordeeld dat Zembla onrechtmatig (want niet met de van Zembla te verwachten zorgvuldigheid) tegenover het bedrijf Graniet Import Benelux (ook handelend onder de naam Bontrup) heeft gehandeld door de door Gustaaf Biezeveld gedane uitspraken over het opzettelijk plegen van strafbare feiten door het bedrijf Bontrup in de uitzending van 6 februari 2020 op te nemen. Dit echter zonder voldoende feitelijke basis en op de ongenuanceerde en onvoorwaardelijke wijze zoals Zembla dat toen heeft gedaan. De rechtbank Den Haag heeft BNNVARA / Zembla bevolen deze rectificatie te plaatsen.”
4.78.
De rectificatie inclusief de montage in de eerste uitzending moet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis zijn geplaatst, op de wijze zoals hiervoor is bepaald. Aan deze verplichting wordt gelet op het door Zembla op dit punt gevoerde verweer een dwangsom verbonden van € 2.000,- per dag, met een maximum van € 100.000,-. Al hetgeen GIB voor wat betreft de rectificatie en de dwangsom meer of anders heeft gevorderd zal mede gelet op het verweer daartegen van Zembla worden afgewezen.
verwijzing schadestaatprocedure
4.79.
Voor verwijzing naar een schadestaatprocedure is voldoende dat de eisende partij de mogelijkheid van schade als gevolg van het onrechtmatig handelen aannemelijk maakt.10 GIB heeft gesteld dat na de eerste uitzending verschillende zakelijke klanten hebben laten weten voorlopig geen granuliet meer te willen afnemen en/of gebruiken. GIB heeft aldus voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de in dit vonnis vastgestelde onrechtmatige daad van Zembla mogelijk materiële schade heeft geleden. De drempel voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is daarmee in ieder geval voor wat betreft de gestelde materiële schade gehaald.
4.80.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade, voor wat betreft de gevorderde betalingstermijn en voor wat betreft de gevorderde wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding zal de rechtbank om praktische redenen en alles afwegende de beslissingen daarover aanhouden tot na het partijdebat in de eventuele schadestaatprocedure. Volstaan zal nu dus worden met een algemene verwijzing naar de schadestaatprocedure.
Proceskosten en uitvoerbaar verklaring bij voorraad
4.81.
Als de in relevante mate in het ongelijk gestelde partij zal de rechtbank Zembla veroordelen in de proceskosten van GIB inclusief de gevorderde nakosten. De rechtbank begroot die proceskosten van GIB tot dusver op € 98,52 voor dagvaardingskosten deurwaarder, € 667,- voor betaald griffierecht, € 1.126,- voor forfaitair salaris advocaat (2 x tarief II) en € 163,- forfaitaire nakosten, dat is in totaal dus € 2.054,52, ingeval van betekening van dit vonnis nog te vermeerderen met € 85,- aan forfaitaire nakosten.
4.82.
De rechtbank zal tenslotte – zoals gevorderd en niet weersproken – dit vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren.