vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummer / rolnummer: C/09/625192 / HA ZA 22-165
GEMEENTE BODEGRAVEN-REEUWIJK, te Bodegraven,
eiseres,
advocaat mr. C.A.H. van de Sanden te Utrecht,
1
[gedaagde 1], te [plaats 1] Noord-Ierland,,
2. [gedaagde 2], te [plaats 2],
3. [gedaagde 3], te [plaats 3],
gedaagden,
niet verschenen.
2 De beoordeling
2.1.
Voor de ingestelde vorderingen en de daartoe gestelde feiten verwijst de rechtbank, gelet op artikel 230 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kortheidshalve naar de aan dit verstekvonnis gehechte en gewaarmerkte kopie van de dagvaardingen.
2.2.
Gedaagde onder 1 woont in het buitenland. Daarom moet eerst beoordeeld worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om over de vorderingen tegen hem te oordelen.
2.3.
De huidige woonplaats van gedaagde sub 1 is gelegen buiten de Europese Unie, te weten Noord-Ierland (Verenigd Koninkrijk). Op grond van artikel 6 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1 (Brussel I bis-Verordening) wordt de rechtsmacht van de aangezochte rechter in dit geval bepaald door de bevoegdheidsregels van de betreffende lidstaat. De bevoegdheid van de rechtbank wordt aldus getoetst aan de hand van de betreffende bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.4.
Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat als er in dezelfde procedure meer dan één gedaagde is, de gedaagden kunnen worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van één van hen indien tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Die situatie doet zich in deze zaak voor. Gedaagden onder 2 en 3 wonen in Nederland en er is een nauwe band tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden. Eiseres stelt dat de onrechtmatige gedragingen door de gedaagden gezamenlijk zijn gepleegd en zij vordert in het verlengde daarvan hoofdelijke veroordeling van de drie gedaagden. Zij voert daartoe voor de drie gedaagden dezelfde feiten en omstandigheden aan. Dit brengt mee dat er een concreet risico bestaat op onverenigbare beslissingen wanneer aansprakelijkheid jegens de gedagen in afzonderlijke procedures zou worden beoordeeld.
2.5.
Omdat gedaagde onder 3 in het arrondissement van de rechtbank Den Haag, is deze rechtbank bevoegd van het geschil kennis te nemen.
2.6.
Het geschil wordt beheerst door Nederlands recht. Dit omdat op grond van artikel 10:159 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de bepalingen in de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) van toepassing zijn verklaard op verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op persoonlijkheidsrechten, waaronder smaad. Voor een via internet gepleegde onrechtmatige daad geldt dan ook artikel 4 lid 1 Rome II, waarin is bepaald dat op een onrechtmatige daad het recht van toepassing is van het land waar de schade zich voordoet. In zijn arrest van 3 juni 2016 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:1054 (journalist/Dahabshiil Transfer Services Ltd.)) overwogen dat in geschillen waarin het gaat om de gestelde onrechtmatigheid van de plaatsing van diffamerende mededelingen op websites, het recht wordt toegepast van het land waar het centrum van de belangen van het slachtoffer zich bevindt. Het centrum van de belangen van eiseres bevindt zich in Bodegraven Reeuwijk, zodat Nederlands recht van toepassing is.
2.7.
De gedaagden zijn niet in deze procedure verschenen en hebben geen verweer gevoerd tegen de vorderingen en wat daaraan ten grondslag is gelegd. Het gevorderde komt de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal daarom worden toegewezen, met inachtneming van het volgende.
2.8.
Eiseres maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft echter niet gesteld wat de omvang van de door haar gemaakte kosten is. Ook heeft zij niet onderbouwd welke buitengerechtelijke incassowerkzaamheden er zijn verricht. Voor zover eiseres ter onderbouwing van haar vordering verwijst naar de bedragen als genoemd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten merkt de rechtbank op dat dit besluit niet van toepassing is op vorderingen die voortvloeien uit een onrechtmatige daad, tenzij er een vaststellingsovereenkomst is gesloten. In zoverre zal de rechtbank de vordering van eiseres dus afwijzen.
2.9.
Gedaagden zullen hoofdelijk, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:
- dagvaarding € 288,42
- griffierecht € 5.737
- salaris advocaat € 2.491 (1,0 punt × tarief VI)
Totaal € 8.516,42
2.10.
De over de proceskosten gevorderde rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.
2.11.
Voor afzonderlijke veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.
3 De beslissing
De rechtbank:
3.1.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling aan eisers van een bedrag van € 215,153,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
3.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 8.516,42, en op € 163 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 85 in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening van de proceskosten;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2022, in tegenwoordigheid van de griffier.