Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:432

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2022
Datum publicatie
26-01-2022
Zaaknummer
C/09/598248 / HA ZA 20-825
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen in zaak afstandsmoeders afgewezen

De rechtbank Den Haag heeft vandaag uitspraak gedaan in een zaak die ging over de vraag of de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van moeders in Nederland die in de periode 1956-1984 tegen hun wil afstand hebben gedaan van hun kind (afstandsmoeders). De zaak was aangespannen door de collectieve belangenorganisatie Clara Wichmann, die opkwam voor een groep afstandsmoeders, en door één individuele afstandsmoeder. De rechtbank wijst de vorderingen af.

Achtergrond

In de periode tussen 1956 en 1984 hebben naar schatting tussen de dertien- en veertienduizend vrouwen in Nederland één of meerdere kinderen afgestaan ter adoptie. Ongehuwde zwangere vrouwen werden destijds gestigmatiseerd als ‘gevallen vrouwen’ omdat zij buiten het huwelijk om seksuele gemeenschap hadden gehad. De maatschappelijke opvattingen zijn inmiddels sterk veranderd. Het is met ‘de blik van nu’ moeilijk te bevatten hoe er in die tijd werd gedacht over het doen van afstand van een kind. De afstand ter adoptie heeft afstandsmoeders diep verdriet gedaan. Veel van hen worstelen er nog steeds mee. Zij willen erkenning voor dit leed en daarom zijn eiseressen deze procedure begonnen.

De Raad voor de Kinderbescherming

De Raad voor de Kinderbescherming heeft volgens eiseressen actief eraan bijgedragen dat de betrokken moeders tegen hun wil afstand hebben gedaan van hun kind en in ieder geval niets gedaan om dat te voorkomen. De moeders zouden door toedoen of nalaten van de Raad niet (goed) zijn geïnformeerd over hun rechten en de praktische mogelijkheden om hun kind op te voeden.

Verjaring

Het is lang geleden dat de betrokken vrouwen hun kinderen hebben afgestaan. De Staat heeft zich daarom beroepen op verjaring. De rechtbank is van oordeel dat er goede gronden zijn dat de vorderingen van eiseressen zijn verjaard. Maar omdat niet is komen vast te staan dat de Raad destijds fouten heeft gemaakt die juridisch verwijtbaar zijn, wijst de rechtbank de vorderingen om die reden af.

Geen juridisch verwijtbare fouten

De rechtbank baseert dit oordeel wat betreft de collectieve actie van Clara Wichmann in belangrijke mate op een wetenschappelijk rapport uit 2017. Uit dit rapport blijkt dat de betrokken afstandsmoeders zich destijds gedwongen voelden om hun kind af te staan, die ervoor zorgde dat zij geen reële keuzevrijheid hadden. Die dwang is mede het gevolg geweest van druk van de omgeving, ingegeven door maatschappelijke, sociale en religieuze verhoudingen in die periode. Daarom kan niet worden gezegd dat juist de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig ten opzichte van de afstandsmoeders heeft gehandeld. Het was ook niet de taak van de Raad om de moeders te adviseren over praktische en juridische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden.

Deze algemene beoordeling van het handelen van de Raad voor de Kinderbescherming sluit op zichzelf niet uit dat de Raad in concrete individuele gevallen wel onrechtmatig ten opzichte van afstandsmoeders heeft gehandeld. In het geval van de individuele afstandsmoeder hebben partijen een verschillend standpunt ingenomen over de feitelijke gang van zaken destijds. De rechtbank kan nu, ruim vijftig jaar later, niet vaststellen dat de Raad bij deze afstand juridisch verwijtbare fouten heeft gemaakt.

Link:

Vorderingen in zaak afstandsmoeders afgewezen (rechtspraak.nl)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2022-0038
O&S 2022/14
JA 2022/61
RFR 2022/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/598248 / HA ZA 20-825

Vonnis van 26 januari 2022

in de zaak van

1. [eiseres 1] te [woonplaats] ,

2. STICHTING BUREAU CLARA WICHMANN te Amsterdam ,

eiseressen,

advocaat mr. L.-M. Komp te Amsterdam ,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.M. van Asperen te Den Haag.

Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiseres 1] , Clara Wichmann en de Staat worden genoemd. Gezamenlijk zullen [eiseres 1] en Clara Wichmann eiseressen worden genoemd.

De indeling van dit vonnis is als volgt.

1. Inleiding
Waar gaat deze zaak over?
De beslissing van de rechtbank in het kort

2. De procedure

3. Een kort overzicht van de feiten en partijen
Een korte schets van de feiten in de zaak [eiseres 1]
Een korte schets van partijen
De onderzoeken over afstand en adoptie en het vervolg

4. Het geschil

5. De beoordeling
De achtergrond van deze zaak en de juridische toets van de rechtbank
De ontvankelijkheid van Clara Wichmann
Het beroep van de Staat op verjaring
Heeft de Staat onrechtmatig gehandeld?
Inleiding
De taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming
De invoering van de adoptiewet
Veranderingen in maatschappelijke opvattingen over afstand en adoptie
De beoordeling van de vordering van Clara Wichmann
De beoordeling van de vordering van [eiseres 1]
De feiten over het verblijf van [eiseres 1] bij de Paula Stichting
De feiten over de Raad Arnhem en de ontheffingsprocedure
De feiten over de plaatsing in een pleeggezin en adoptie van de zoon van [eiseres 1]
De juridische beoordeling van het handelen van de Raad ten opzichte van [eiseres 1]

6. De beslissing

1 Inleiding

Waar gaat deze zaak over?

1.1.

Deze zaak gaat over de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld tegenover afstandsmoeders. In navolging van partijen doelt de rechtbank hierbij op moeders die in de periode 1956-1984 tegen hun wil zijn gescheiden en afstand hebben gedaan van hun kind.

1.2.

Naar schatting hebben tussen de dertien- en veertienduizend vrouwen tussen 1956 en 1984 één of meerdere kinderen afgestaan ter adoptie. Ongehuwd zwangere vrouwen werden destijds gestigmatiseerd als ‘gevallen vrouwen’ omdat zij buiten het huwelijk om seksuele gemeenschap hadden gehad. De maatschappelijke opvattingen zijn sindsdien sterk veranderd. Het is met de met ‘de blik van nu’ moeilijk te bevatten hoe destijds werd gedacht over het doen van afstand van een kind.

1.3.

[eiseres 1] is een individuele afstandsmoeder. Zij heeft deze zaak samen met Clara Wichmann aangespannen tegen de Staat. Clara Wichmann is een collectieve belangenorganisatie en komt in dit geval op voor de belangen van een bepaalde groep afstandsmoeders.

1.4.

Eiseressen verwijten de Staat – de Raad voor de Kinderbescherming – dat hij actief eraan bijgedragen heeft dat moeders tegen hun wil afstand hebben gedaan van hun kind en dat hij in ieder geval niets heeft gedaan om die afstand te voorkomen en dat hij daarom onrechtmatig heeft gehandeld. Zij stellen dat de Raad voor de Kinderbescherming ‘de spin in het web’ was in het traject dat leidde tot de afstand die een moeder deed van haar kind en de adoptie van dat kind door adoptiefouders. De moeders zijn door toedoen of nalaten van de Raad voor de Kinderbescherming eenzijdig, onvolledig en/of onjuist geïnformeerd over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden om hun kind op te voeden, aldus eiseressen. Zij stellen dat de Staat hiermee structureel in strijd met nationale wettelijke en internationale verdragsrechtelijke verplichtingen en het ongeschreven recht en daarmee onrechtmatig ten opzichte van de achterban van Clara Wichmann heeft gehandeld. Dit geldt ook voor het concrete individuele geval van [eiseres 1] . De Staat had volgens eiseressen een einde moeten maken aan een systeem waarvan duidelijk was dat het de onrechtmatige scheiding van ouders en hun kinderen niet kon voorkomen.

1.5.

De Staat is het hiermee niet eens en heeft verweer gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat Clara Wichmann niet in haar vorderingen kan worden ontvangen beroept zich op verjaring van de vorderingen van eiseressen. Ook is hij het inhoudelijk niet eens met de standpunten van eiseressen.

De beslissing van de rechtbank in het kort

1.6.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat Clara Wichmann ontvankelijk is in haar vordering. Zij beoordeelt dus de vorderingen van beide eiseressen.

1.7.

Verder is zij van oordeel dat er goede gronden zijn voor de conclusie dat het beroep van de Staat op verjaring slaagt, maar zij wijst de vorderingen van eiseressen op andere gronden af. Redengevend hiervoor is dat ook als de vorderingen niet zijn verjaard, zij moeten worden afgewezen. De rechtbank volstaat wat betreft de verjaring met enige overwegingen van algemene aard en laat dit geschilpunt verder onbeoordeeld. De rechtbank beantwoordt inhoudelijk of de Staat (de Raad voor de Kinderbescherming) onrechtmatig heeft gehandeld zoals eiseressen stellen.

1.8.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de Staat niet onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] . Redengevend is dat niet is komen vast te staan dat de Raad voor de Kinderbescherming in de periode 1956-1984 structureel en ook niet in het concrete geval van [eiseres 1] bij de uitoefening van zijn taken in verband met de afstand en adoptie van kinderen van de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] fouten heeft gemaakt die juridisch verwijtbaar zijn in de door eiseressen gestelde zin.

1.9.

De rechtbank baseert zich wat betreft de vordering van Clara Wichmann in belangrijke mate op het WODC-rapport “Beklemd in de scharnieren van de tijd” dat in 2017 in opdracht van de Minister voor Rechtsbescherming is uitgebracht. Daaruit blijkt onder meer dat de betrokken afstandsmoeders zich destijds informeel onder dwang hebben voelen staan om hun kind af te staan en dat zij toen daarbij geen reële keuzevrijheid hebben gehad. Uit het rapport blijkt ook dat het ontbreken van die keuzevrijheid het gevolg is van het samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze verhoudingen in die periode. Mede hierom kan niet worden gezegd dat juist de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig ten opzichte van de afstandsmoeders heeft gehandeld. Dat geldt temeer nu het niet de taak was van de Raad voor de Kinderbescherming om de moeders te adviseren over praktische en juridische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden.

1.10.

Ook in het geval van [eiseres 1] heeft de Raad voor de Kinderbescherming, waarbij het ging om de raad voor de kinderbescherming in Arnhem (hierna: de Raad Arnhem ), niet onrechtmatig gehandeld. Een belangrijke reden daarvoor is dat partijen verschillende standpunten hebben over de feitelijke gang van zaken destijds en de rechtbank nu, ruim vijftig jaar later, niet kan vaststellen wie van partijen gelijk heeft.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 24 juni 2020, met zevenenzestig producties,
- de conclusie van antwoord, met vijfentwintig producties,
- het tussenvonnis van 28 april 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte inbrengen producties en wijziging van eis aan de zijde van eiseressen, met negen producties;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 september 2021.

2.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is, met instemming van partijen, buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om commentaar te leveren op de verslaglegging, voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Bij brieven van 13 en 14 oktober 2021 van mr. Komp en mr. Van Asperen hebben zij van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van hun opmerkingen.

3 Een kort overzicht van de feiten en partijen

3.1.

Hieronder beschrijft de rechtbank in het kort de feiten waarover partijen het eens zijn in de zaak van [eiseres 1] , partijen, de onderzoeken over afstand en adoptie die hebben plaatsgevonden en het vervolg daarop en de aanloop naar deze procedure. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de feiten in de zaak van [eiseres 1] .

Een korte schets van de feiten in de zaak [eiseres 1]

3.2.

[eiseres 1] is geboren op 7 juni 1946 in [plaats] . Zij is in mei 1967 in verwachting geraakt en op 15 februari 1968 bevallen van een zoon, [zoon] (hierna: de zoon). [eiseres 1] was destijds ongehuwd en is bevallen in de Sint Paula Stichting tehuis voor moeder en kind in [plaats 1] (hierna: de Paula Stichting). De Paula Stichting was een rooms-katholieke instelling voor de opvang van ongehuwd zwangere vrouwen.

3.3.

De Paula Stichting heeft de raad voor de kinderbescherming in Arnhem (hierna: de Raad Arnhem ) schriftelijk geïnformeerd over de geboorte van de zoon. De Paula Stichting heeft de Raad Arnhem ook bericht dat [eiseres 1] aanvankelijk haar baby wilde houden, maar dat zij later heeft besloten afstand van hem te doen. Daarop heeft de rechter, op 25 maart 1968, op verzoek van de Raad Arnhem , de voogdij van [eiseres 1] over haar zoon geschorst en hem voorlopig aan de Raad Arnhem toevertrouwd. Op 4 december 1968 heeft de rechter [eiseres 1] op verzoek van de Raad Arnhem ontheven uit de voogdij over haar zoon. De Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming is toen benoemd tot voogdes over de zoon.

3.4.

De Paula Stichting en de Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming waren particuliere organisaties die niet met overheidsmiddelen waren gefinancierd. Zij bestaan niet meer.

3.5.

De zoon van [eiseres 1] heeft vanaf zijn geboorte tot 5 oktober 1970 verbleven in de Paula Stichting. Op die datum (toen hij dus ruim 2,5 jaar oud was) is hij opgenomen in een pleeggezin. Daarna is via de rechter de voogdij over hem overgegaan op de pleegouders en weer later, op 31 oktober 1973, heeft dit echtpaar de zoon geadopteerd. Het adoptievonnis is op 23 januari 1974 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand van de gemeente [plaats 2] en daarmee onherroepelijk geworden.

Een korte schets van partijen

3.6.

[eiseres 1] is een afstandsmoeder. In navolging van partijen bedoelt de rechtbank met het begrip afstandsmoeder, zoals gezegd, een moeder die tegen haar wil is gescheiden en afstand heeft gedaan van haar kind. [eiseres 1] heeft haar zoon op 29 augustus 2018 voor het eerst (weer) ontmoet en heeft sindsdien contact met hem.

3.7.

Clara Wichmann is een stichting die volgens haar statuten onder meer tot doel heeft het bevorderen van emancipatie van vrouwen, het verbeteren van hun rechtspositie en maatschappelijke en sociale positie en het bestrijden van hun discriminatie, in het bijzonder door het voeren van rechtszaken.

3.8.

Clara Wichmann komt in deze zaak op voor de belangen van die afstandsmoeders die in de periode 1956-1984 tegen hun wil zijn gescheiden en afstand hebben gedaan van hun kind en die eenzijdig, onvolledig en/of onjuist zijn geïnformeerd over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden.

De onderzoeken over afstand en adoptie en het vervolg

3.9.

In oktober 2014 heeft het KRO-programma Brandpunt in haar televisie-uitzending “Moederziel alleen” aandacht besteed aan het verzwegen leed van afstandsmoeders. In vervolg op Kamervragen daarover en een rondetafelgesprek heeft de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie in 2015 besloten om het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: het WODC) een verkennend onderzoek te laten uitvoeren om meer inzicht te krijgen in de problematiek en de lessen die hier voor het heden uit getrokken kunnen worden.

3.10.

Het verkennende onderzoek is (in opdracht van het WODC) uitgevoerd door de Radboud Universiteit en is afgerond in 2017. Het verslag daarvan staat in het rapport “Beklemd in de scharnieren van de tijd” (hierna: het WODC-rapport). Dit rapport gaat over het beleid over, de praktijk van en de ervaringen van afstand ter adoptie door niet-gehuwde moeders in Nederland tussen 1956 en 1984. Het beginpunt van het onderzoek wordt gemarkeerd door de inwerkingtreding van de Adoptiewet1 in 1956, het eindpunt door de inwerkingtreding van de Wet afbreking zwangerschap2 (Waz) in 1984.

3.11.

De stem van de afstandsmoeder is volgens het WODC-rapport (bewust of onbewust) genegeerd in de maatschappelijke dialoog over afstand ter adoptie. De onderzoekers pleiten voor een (gelijkwaardige) plaats voor de afstandsmoeder in ons maatschappelijk bewustzijn. Op die manier kan er volgens het rapport ook voor de afstandsmoeder, en met haar voor de afstandsvader, openlijk aandacht komen voor de grote emotionele gevolgen die afstand ter adoptie heeft op een mensenleven. De onderzoekers pleiten ook voor een vervolgstudie, waarin een grotere groep afstandsouders aan het woord kan komen.

3.12.

De minister voor Rechtsbescherming (hierna: de Minister) heeft vervolgens een verdiepend onderzoek aangekondigd in verband met, samengevat, afstand en binnenlandse adopties in de jaren 1956-1984. Met het oog op dit onderzoek is op 30 september 2019 een startconferentie gehouden. Ook is door en onder auspiciën van het Ministerie van Veiligheid en Justitie het zogenoemde Aanmeldpunt afstand en adoptie ingericht, waarbij mensen zich konden opgeven als potentieel deelnemer aan het verdiepende onderzoek. [eiseres 1] is een van de aanmelders.

3.13.

Op verzoek van de Minister heeft het WODC het Verwey Jonker Instituut opgedragen om het verdiepende onderzoek te verrichten. Het doel van dit verdiepende onderzoek was om vanuit de optiek van alle betrokkenen (afstandsouders, afstandskinderen, adoptieouders en hulpverleners) een completer beeld te verkrijgen van de wijze waarop de binnenlandse afstand en adoptie verliepen tussen 1956 en 1984.

3.14.

Er zijn problemen ontstaan rond het Aanmeldpunt afstand en adoptie. Zo waren er problemen in verband met de bemensing van het Aanmeldpunt, de wijze van verslaglegging van gesprekken met betrokkenen en het verwerken en opslaan van die verslagen in overeenstemming met privacywetgeving. Een Commissie van onafhankelijke deskundigen (hierna: de Commissie Finkenauer)3 en de Auditdienst Rijk hebben in opdracht van de Minister onderzoek naar die problemen verricht en daarover gerapporteerd.

3.15.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de (toenmalig) Minister nadien – en na de mondelinge behandeling op 24 september 2021 – gesproken heeft met een aantal belangengroepen, dat hij heeft besloten het lopende verdiepende onderzoek stop te zetten en dat hij een onafhankelijke commissie opdracht wil geven om onderzoek te doen naar de geschiedenis van het hele systeem van binnenlandse afstand en adoptie. Hierover heeft hij de Tweede Kamer op 9 november 2021 geïnformeerd.4

De aanloop naar deze procedure

3.16.

[eiseres 1] heeft na de ontmoeting met haar zoon in 2018 bij de Paula Stichting en de Raad voor de Kinderbescherming de dossiers over haar en haar zoon opgevraagd. Zij heeft deze dossiers, voor zover aan haar verstrekt, in februari en april 2019 ingezien. Zij heeft in januari 2019 ook een brief aan de Minister geschreven waarin zij ingaat op haar persoonlijke situatie, op het verdriet dat zij heeft doordat zij afstand heeft gedaan van haar zoon en op de omstandigheden waaronder zijn afstand en adoptie hebben plaatsgevonden.

3.17.

Bij brief van 9 september 2019 heeft [eiseres 1] vervolgens de Staat aansprakelijk gesteld voor het leed en de schade die de Staat volgens haar onrechtmatig aan haar heeft toegebracht in verband met haar onvrijwillige scheiding en afstand van haar zoon.

3.18.

Bij brief van 6 november 2019 heeft ook Clara Wichmann de Staat aansprakelijk gesteld op grond van onrechtmatige daad in verband met het leed en de schade die de Staat volgens Clara Wichmann heeft toegebracht aan de afstandsmoeders die haar achterban vormen. Bij brief van 20 mei 2020 heeft Clara Wichmann aangekondigd dat zij naast [eiseres 1] namens alle betrokken vrouwen zal optreden in een procedure tegen de Staat.

3.19.

De Minister heeft bij brief van 20 november 2019 afwijzend gereageerd op de aansprakelijkstelling van [eiseres 1] . Bij brief van 5 juni 2020 heeft de Minister bericht dat hij de inhoud van de brief van Clara Wichmann van 20 mei 2020 voor kennisgeving aanneemt.

4 Het geschil

4.1.

Eiseressen vorderen – samengevat en na eiswijziging – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    i) voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig ten opzichte van [eiseres 1] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de Staat;

  • -

    ii) de Staat veroordeelt tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die [eiseres 1] als gevolg van dit onrechtmatig handelen en nalaten heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met rente vanaf de dag waarop zij feitelijk van haar zoon werd gescheiden, dan wel vanaf de dag waarop zij definitief uit de voogdij over haar zoon werd ontheven;

  • -

    iii) (wat betreft Clara Wichmann) voor recht verklaart dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de vrouwen die in de periode 1956 tot 1984 van hun kind zijn gescheiden en daarbij eenzijdig en/of onvolledig en/of onjuist waren geïnformeerd over hun rechten en/of de praktische mogelijkheden ten aanzien van de opvoeding van hun kind;

  • -

    iv) de Staat te veroordelen in de kosten van dit geding.

4.2.

Eiseressen baseren hun vorderingen op de stelling dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld omdat hij zijn internationaalrechtelijke verplichting om familierechtelijke betrekkingen te beschermen (onder andere voortvloeiend uit artikel 8 EVRM) heeft geschonden. Hij heeft ook gehandeld in strijd met de op hem rustende wettelijke verplichtingen en ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die hem ertoe verplichtte [eiseres 1] , en de afstandsmoeders waarvoor Clara Wichmann opkomt, te behoeden voor de scheiding van hun kind.

4.3.

De Staat voert verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De indeling van dit hoofdstuk is als volgt. Ter algemene inleiding van haar beoordeling gaat de rechtbank hierna vooraf in op de achtergrond van deze zaak in relatie tot haar juridische toets. Dan volgt een bespreking van de vraag of Clara Wichmann kan worden ontvangen in haar rechtsvordering, mede vanwege het door de Staat op dit punt gevoerde verweer, en of de rechtsvorderingen van eiseressen zijn verjaard, zoals de Staat op diverse gronden heeft bepleit. Daarna komt de rechtbank toe aan de beoordeling of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld zoals eiseressen stellen. Zij begint dat onderdeel met een inleiding met een beschrijving van de taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming destijds, de invoering van de adoptiewet en veranderingen in maatschappelijke opvattingen over afstand en adoptie. Vervolgens beoordeelt zij achtereenvolgens of de vordering van Clara Wichmann en de vorderingen van [eiseres 1] - [eiseres 1] kunnen worden toegewezen.

De achtergrond van deze zaak en de juridische toets van de rechtbank

5.2.

De achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] - [eiseres 1] behoren tot de groep vrouwen die in de periode 1956-1984 tegen hun wil afstand hebben gedaan van hun kind. Het diepe verdriet van de betrokken vrouwen over wat hen is aangedaan staat niet ter discussie. Ook is niet in geschil dat veel van de betrokken vrouwen tot op de dag van vandaag worstelen met de gebeurtenissen uit het verleden. Zij zoeken erkenning voor dit leed. Die erkenning hebben zij (nog) niet gevonden bij de Staat of anderszins in de samenleving. Daarom zijn zij deze procedure begonnen.

5.3.

De verwijten van eiseressen gaan over het handelen en nalaten van de Raad voor de Kinderbescherming als onderdeel van de Staat.5 Eiseressen stellen dat de Raad voor de Kinderbescherming de ‘de spin in het web’ was in het traject dat leidde tot de afstand die een moeder deed van haar kind en de adoptie van dat kind door adoptiefouders. Eiseressen betogen ook dat de Raad voor de Kinderbescherming in dit traject structureel fouten heeft gemaakt die juridisch als onrechtmatig moeten worden gekwalificeerd. De zaak van [eiseres 1] - [eiseres 1] is volgens eiseressen illustratief voor de gang van zaken rondom afstand in andere gevallen, zoals in die van de vrouwen voor wie Clara Wichmann opkomt. Eiseressen baseren zich ter onderbouwing van hun stellingen op het WODC-rapport, twee boeken over afstand en binnenlandse adoptie6, publicaties door Trouw en Omroep Gelderland in 2019 en 2020 en tien verklaringen van vrouwen die tegen hun wil afstand hebben gedaan van hun kind. Er zijn, aldus eiseressen, maar liefst vier onderzoeken en verder die verklaringen waaruit blijkt dat de betrokken vrouwen niet op de hoogte waren van relevante informatie en dat hen eenzijdig werd voorgehouden dat afstand doen de beste optie zou zijn.

5.4.

Ter zitting heeft [eiseres 1] - [eiseres 1] toegelicht waarom zij erkenning van het leed dat haar en zoveel andere vrouwen is aangedaan bijzonder belangrijk vindt. Zij en andere afstandsmoeders en -kinderen die aanwezig waren, hebben indringend over de betekenis van die erkenning verteld. [eiseres 1] - [eiseres 1] heeft uiteengezet dat je als ongehuwd zwangere vrouw werd weggezet als iemand die niet volwaardig was, buitengesloten werd en je je problemen maar zelf moest zien op te lossen. Bij haar en de andere vrouwen spelen gevoelens van schuld en schaamte. De aanwezige vrouwen hebben uiteengezet dat de individuele verhalen van afstandsmoeders verschillen, maar dat de constante factor is dat zij niet geloofd, niet gehoord en niet (goed) geïnformeerd werden. Zij hadden geen enkele keuze en zijn getraumatiseerd door de gang van zaken destijds. Nog altijd wordt niet erkend dat de mensen die vroeger hebben ‘geholpen’ verkeerde dingen hebben gedaan, wordt gezegd dat de herinneringen van de betrokken vrouwen niet kloppen en wordt hen ‘eigen schuld’ tegengeworpen. Zij hebben tot slot benadrukt dat zij deze procedure niet alleen begonnen zijn omdat zij erkenning willen voor wat hen zelf is overkomen, maar ook omdat die gebeurtenissen generaties lang doorwerken en dus ook hun kinderen en kleinkinderen raken.

5.5.

De toelichting die de rechtbank ter zitting heeft gehoord, is een fractie van de verhalen van de afstandsmoeders (en -kinderen) die blijken uit de schriftelijke documentatie die eiseressen in deze procedure in het geding hebben gebracht. Stuk voor stuk zijn die verhalen pijnlijk en verdrietig makend. Dat geldt ook voor het verhaal van [eiseres 1] - [eiseres 1] . De verhalen komen overeen met de constatering van de Commissie Finkenauer dat alle personen die zich bij het Aanmeldpunt afstand en adoptie hebben gemeld, eerder in hun leven:
• afhankelijk waren van een machtige overheid;

• deze overheid hebben ervaren als een instantie die in plaats van hen te beschermen, hen ernstig nadeel heeft berokkend;

• deze overheid hebben ervaren als instantie die zijn negatieve handelen heeft getracht weg te moffelen (onder andere door vernietiging of slechte/onvolledige archivering van documenten zoals geboorteaktes) en hen behandelde op een manier die hen benadeelt en niet respecteert;

• deze overheid hebben ervaren als een instantie die niet naar hen, hun belangenbehartigers en andere betrokkenen heeft geluisterd en die niet oprecht, rechtvaardig, en met sensitiviteit voor de ervaringen van aanmelders en wat hen is overkomen, met hen communiceert;

• een overheid hebben ervaren die hun leed niet of onvoldoende erkent.

5.6.

Gelet op de ervaringen van de betrokkenen, zijn de problemen rondom het Aanmeldpunt afstand en adoptie bijzonder pijnlijk. Extra pijnlijk is dat die problemen volgens de Commissie Finkenauer op onderdelen parallellen vertonen met het verleden van de betrokkenen en dat deze daarmee triggers zijn voor herbeleving van traumatische en negatieve ervaringen.

5.7.

Het is tegen deze achtergrond dat de rechtbank moet beoordelen of het handelen, dan wel nalaten van de Staat (de Raad voor de Kinderbescherming) ten opzichte van de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] - [eiseres 1] juridisch verwijtbaar is, namelijk onrechtmatig, zoals eiseressen stellen en de Staat bestrijdt.

5.8.

De beoordeling van de rechtbank is juridisch van aard en in die zin beperkt. De rechtbank heeft daardoor geen (of in ieder geval weinig) ruimte om in volle omvang aandacht te besteden aan de emotionele aspecten en de blijvende gevolgen van het doen van afstand voor de betrokken vrouwen. De rechtbank sluit niet uit dat haar beslissing – afwijzing van de vorderingen van eiseressen – leidt tot leed bovenop het leed dat de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] - [eiseres 1] al is aangedaan. Die bedoeling heeft de rechtbank uiteraard niet. Als [eiseres 1] - [eiseres 1] en de achterban van Clara Wichmann zich met deze uitspraak opnieuw “in de kou gezet” voelen, dan is dat een betreurenswaardig, maar tegelijkertijd onontkoombaar gevolg van de juridische beoordeling die de rechtbank moet maken. Dit onderstreept dan direct het belang van het buitengerechtelijke traject van gesprekken en het vervolgonderzoek dat in gang is gezet. Ter zitting heeft de Staat ook gezegd dat dit traject zal worden voortgezet, ongeacht de uitkomst van deze procedure.

5.9.

Dan volgt nu een bespreking van de juridische geschilpunten tussen partijen, te beginnen met de bespreking van de formele verweren van de Staat, namelijk of Clara Wichmann kan worden ontvangen in haar vordering en het beroep van de Staat op verjaring.

De ontvankelijkheid van Clara Wichmann

5.10.

Clara Wichmann heeft haar vordering ingesteld als collectieve actie op grond van artikel 3:305a BW (oud). Naar het oordeel van de rechtbank leent deze vordering zich voor een collectieve beoordeling en is ook verder aan de vereisten voor het instellen van een collectieve actie op grond van deze bepaling voldaan. Clara Wichmann is daarom ontvankelijk in de door haar gevorderde verklaring voor recht. De rechtbank licht dit als volgt toe.

5.11.

Niet in geschil is dat de gebeurtenissen waarop de vordering van Clara Wichmann betrekking heeft, hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, zodat op grond van artikel 119a lid 2 Overgangswet, artikel 3:305a BW (oud) van toepassing is.

5.12.

Op grond van artikel 3:305a BW (oud) kan een stichting met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, als zij deze belangen volgens haar statuten behartigt. De Staat heeft naar voren gebracht dat de belangen van de groep afstandsmoeders waarvoor Clara Wichmann opkomt zich niet voor bundeling lenen. Volgens de Staat is voor toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht nodig dat per individueel geval wordt beoordeeld of de Staat in dat geval onrechtmatig gehandeld heeft. Daar is een collectieve actie nu juist niet voor bedoeld. Om die reden moet Clara Wichmann volgens de Staat niet-ontvankelijk worden verklaard in haar rechtsvordering. De rechtbank volgt dit standpunt van de Staat niet, en wel om de volgende reden.

5.13.

Artikel 3:305a BW (oud) schijft voor dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling, zodat de rechtsbescherming van de belanghebbenden efficiënt en effectief kan worden gewaarborgd. De rechtbank moet dus toetsen of de rechtsvordering van Clara Wichmann zich voldoende leent voor een collectieve beoordeling, dat wil zeggen geabstraheerd van de bijzonderheden in individuele gevallen.

5.14.

Dit is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Allereerst geldt dat de achterban van Clara Wichmann gevormd wordt door een voldoende bepaalde groep vrouwen, namelijk door moeders die in een bepaalde periode tegen hun wil afstand hebben gedaan van hun kind en die zich op het standpunt stellen dat het leed dat hen daarmee is aangedaan het gevolg is van onrechtmatig handelen van de Staat.

5.15.

Hoe groot de groep vrouwen is die de achterban van Clara Wichmann vormt, is niet bekend. Naar schatting van het WODC hebben tussen de dertien- en veertienduizend vrouwen tussen 1956 en 1984 één of meerdere kinderen afgestaan ter adoptie. Onbekend is hoeveel vrouwen die hun kind hebben afgestaan, dat tegen hun wil hebben gedaan, zoals het geval is bij de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] - [eiseres 1] .

5.16.

De betrokken vrouwen stellen met de door Clara Wichmann gevorderde verklaring voor recht aan de orde of de Staat, en meer specifiek de Raad voor de Kinderbescherming als onderdeel van de Staat, zijn taken en bevoegdheden naar behoren heeft uitgeoefend, dat wil zeggen in overeenstemming met de verplichtingen die hij naar nationaal en internationaal recht tegenover hen als moeders had. Volgens hen is dat niet het geval omdat de Raad voor de Kinderbescherming hen eenzijdig, onvolledig en/of onjuist heeft geïnformeerd over hun rechten en over de praktische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden. De Staat meent dat hem juridisch geen verwijt treft.

5.17.

Deze geschilpunten tussen partijen kunnen op zichzelf, op basis van de beschikbare (onderzoeks)informatie over afstand en adoptie in de periode 1956-1984, voor de groep vrouwen waarvoor Clara Wichmann opkomt in het algemeen worden beoordeeld. Die beschikbare informatie is voldoende om inhoudelijk te beoordelen of de Raad voor de Kinderbescherming tegenover deze groep vrouwen, afgezien van hun individuele omstandigheden, onrechtmatig heeft gehandeld. Onmiskenbaar bestaan binnen de groep vrouwen waarvoor Clara Wichmann opkomt grote individuele verschillen. De aan de orde zijnde belangen hoeven voor de ontvankelijkheid van Clara Wichmann naar inhoud en omvang echter niet precies gelijk te zijn. Gelet hierop staan de individuele verschillen tussen de betrokken vrouwen niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de vordering van Clara Wichmann.

5.18.

De rechtbank verwerpt ook het verweer van de Staat dat Clara Wichmann geen overleg met hem heeft gevoerd en dat zij daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Nu de Staat afwijzend heeft gereageerd op de aansprakelijkstelling door [eiseres 1] - [eiseres 1] en niet inhoudelijk is ingegaan op de aansprakelijkstelling door Clara Wichmann, valt niet in te zien dat overleg in de gegeven omstandigheden tot het beoogde doel – een buitengerechtelijke erkenning van aansprakelijkheid en/of schadeafwikkeling ten behoeve van haar achterban – zou hebben kunnen leiden. Clara Wichmann kan dan ook niet worden verweten dat zij daartoe geen poging heeft ondernomen.

5.19.

Nu Clara Wichmann ontvankelijk is in haar vordering, beoordeelt de rechtbank hierna de vorderingen van beide eiseressen. De rechtbank zal eerst ingaan op het beroep van de Staat op verjaring van de vorderingen.

Het beroep van de Staat op verjaring

5.20.

De Staat voert terecht aan dat de rechtsvorderingen van eiseressen in beginsel zijn verjaard. Dat hebben eiseressen ook niet bestreden. Zowel in de collectieve actie van Clara Wichmann als in het individuele geval van [eiseres 1] - [eiseres 1] is de langst denkbare verjaringstermijn (volgens het huidige recht twintig jaar, zie artikel 3:110 lid 1 BW) immers verstreken zonder dat eiseressen de verjaring op tijd hebben gestuit. Partijen zijn het er niet over eens of de rechtbank het verjaringsverweer van de Staat in de collectieve actie in deze procedure kan en moet beoordelen en daarnaast of (zowel in het kader van de collectieve actie als in het individuele geval van [eiseres 1] - [eiseres 1] ) het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.21.

Volgens eiseressen moet een uitzondering worden gemaakt op de geldende verjaringstermijnen volgens de gezichtspunten die de Hoge Raad in zijn arrest van 28 april 2000 in de zaak Ervan van Hese/De Schelde7 heeft geformuleerd. Eiseressen stellen zich wat betreft de collectieve actie van Clara Wichman op het standpunt dat die gezichtspunten zodanig afhankelijk zijn van individuele omstandigheden dat dit geschilpunt zich niet leent voor een collectieve beoordeling en het verjaringsverweer daarom (pas) in een eventuele individuele (schadestaat)procedure aan bod moet komen. Zij beroepen zich in dit verband op uitspraken van de rechtbank Rotterdam en Amsterdam in collectieve acties waarbij het verweer werd gevoerd dat de vorderingen waren verjaard.

5.22.

De rechtbank volgt eiseressen niet. De opvatting van eiseressen dat de verjaringsvraag in de collectieve actie van Clara Wichmann moet worden “doorgeschoven” naar eventuele opvolgende individuele schadestaatprocedures, is niet goed verenigbaar met het absolute karakter van de lange verjaringstermijn en het doel van een collectieve actie om een efficiënte en effectieve rechtsbescherming te bevorderen. Zou zij worden gevolgd, dan zou dat allereerst tot resultaat hebben dat de groep betrokken vrouwen met de keuze voor een collectieve actie in deze procedure de geldende verjaringstermijnen kan omzeilen. Dat strookt niet met de rechtszekerheid die de verjaringsregels beogen te dienen. Bovendien staat de opvatting van eiseressen op gespannen voet met het doel van artikel 3:305a lid 1 BW (oud), namelijk het bevorderen van efficiënte en effectieve rechtsbescherming. Gelet op dit doel moeten er óók in het kader van de collectieve actie voldoende feitelijke aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat er in beginsel (of op zijn minst in een enkel individueel geval) gronden zijn voor een uitzondering op de toepasselijke verjaringstermijnen. Die aanknopingspunten ontbreken echter, zoals ook volgt uit de overwegingen van de rechtbank hierna in 5.53 e.v. Van belang acht de rechtbank ten slotte dat de rechtspraak waarnaar eiseressen verwijzen en waarin geoordeeld is dat verjaringsvragen niet of minder goed thuishoren in een collectieve actie, betrekking heeft op de korte verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:310 lid 1 BW). De aanvang van die korte termijn is, anders dan de lange verjaringstermijn, uitsluitend afhankelijk van subjectieve factoren, namelijk bekendheid van de benadeelde partij met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Mede hierom biedt die rechtspraak geen steun voor de opvatting van eiseressen.

5.23.

Een volgend geschilpunt in verband met het beroep van de Staat op verjaring is, zowel in het kader van de collectieve actie als in het geval van [eiseres 1] - [eiseres 1] , of er in deze zaak ruimte is voor toetsing aan de gezichtspunten uit het arrest Erven Van Hese/De Schelde en zo ja, of die toetsing meebrengt dat in de gegeven omstandigheden een uitzondering op de geldende verjaringstermijnen gerechtvaardigd is. De Staat heeft aangevoerd dat dit niet het geval is. Voor zover de Verjaringswet 1924 van toepassing is, betoogt hij dat de Hoge Raad slechts in twee situaties op grond van die wet een uitzondering op de verjaringstermijn van vijf jaar heeft aanvaard, die hier niet aan de orde zijn. Daarnaast stelt hij zich op het standpunt, wat betreft de vraag of een uitzondering gemaakt moet worden op de lange verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW, dat toetsing aan de gezichtspunten alleen aan de orde is in gevallen waarin de schade zich pas na het verstrijken van de lange verjaringstermijn heeft geopenbaard. Ook daarvan is volgens hem bij de achterban van eiseressen en in het geval van [eiseres 1] - [eiseres 1] geen sprake. Ten slotte heeft hij per gezichtspunt uiteengezet waarom er geen reden is om een uitzondering te maken.

5.24.

Er zijn naar het oordeel van de rechtbank goede gronden voor de conclusie dat het verjaringsverweer van de Staat slaagt. Tegelijkertijd geldt dat, ook als ervan wordt uitgegaan dat de vorderingen van eiseressen niet zijn verjaard, zij niet vatbaar zijn voor toewijzing. Bij die stand van zaken volstaat de rechtbank hierna met enige algemene overwegingen naar aanleiding van het verjaringsverweer van de Staat. Zij zal in dit geval niet concreet toetsen of de gezichtspunten van de Hoge Raad of andere omstandigheden meebrengen dat het beroep van de Staat op verjaring in de collectieve actie van Clara Wichmann moet worden gepasseerd en de vorderingen van eiseressen op die grond moeten worden afgewezen, maar overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de stelling van eiseressen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld.

5.25.

Allereerst geldt dat de toepasselijke verjaringstermijnen inmiddels lange tijd geleden zijn verstreken. De collectieve actie van Clara Wichmann ziet op de periode 1956-1984. De schadeveroorzakende gebeurtenissen waarop de vorderingen van [eiseres 1] - [eiseres 1] berusten, beslaan, in de meest ruime zin, de periode eind 1967 – begin 1974 (het moment van opname van [eiseres 1] - [eiseres 1] in de Paula Stichting tot aan het moment waarop de adoptie van haar zoon onherroepelijk is geworden). De kortst denkbare toepasselijke verjaringstermijn is een termijn van vijf jaar op grond van de specifieke verjaringsregeling voor geldschulden ten laste van het Rijk van de Verjaringswet 1924, die aanvangt op 31 december van het jaar waarin de geldschuld opeisbaar is geworden.8 In dat geval is de verjaringstermijn in het geval van de collectieve actie uiterlijk op 31 december 1989 en in het individuele geval van [eiseres 1] - [eiseres 1] uiterlijk op 31 december 1979 verstreken. De langst denkbare termijn is, nu, na de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek met ingang van 1 januari 1992, de lange verjaringstermijn van twintig jaar op grond van het huidige artikel 3:310 lid 1 BW, die aanvangt de dag nadat de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Bij toepassing van die termijn is de vordering van Clara Wichmann uiterlijk in 2004 en zijn de vorderingen van [eiseres 1] - [eiseres 1] uiterlijk in 1994 verjaard.9

5.26.

Verder is de rechtbank van oordeel dat moeilijk of niet gesproken kan worden van verborgen schade. Onder verborgen schade wordt verstaan schade die een schadelijdende partij niet kon kennen vóór het verstrijken van de lange verjaringstermijn. De omstandigheden van de vrouwen die afstand hebben gedaan van hun kind verschillen. In ieder geval voor de vrouwen die op het moment waarop zij afstand van hun kind deden meerderjarig en wilsbekwaam waren, en daarmee ook in het geval van [eiseres 1] - [eiseres 1] , kan worden aangenomen dat zij hun schade konden kennen vóór het verstrijken van de lange verjaringstermijn en er dus geen sprake is van een situatie van verborgen schade. Hoezeer de afstand tegen hun wil uiterst pijnlijk en verdrietig is geweest en hen ernstig leed heeft aangedaan, niet kan worden gezegd (anders dan in de zaak Erven Van Hese/De Schelde en andere rechtspraak over schade als gevolg van de ziekte mesothelioom) dat het, in ieder geval bij die vrouwen gaat om schade die naar haar aard verborgen is gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad, met als gevolg dat in feite de rechtsvordering van de betrokken vrouwen teniet is gegaan nog voordat zij met het ontstaan ervan bekend waren. Daarom hadden de betrokken vrouwen hun vorderingen in beginsel kunnen instellen voordat de toepasselijke verjaringstermijnen verstreken waren.

5.27.

De rechtbank laat in het midden of dan nooit sprake kan zijn van een uitzondering op de Verjaringswet 1924 op grond van de goede trouw (naar oud recht), of op de lange verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (naar huidig recht), zoals het standpunt van de Staat impliceert. Ook als er daarvoor wél ruimte is, komt naar het oordeel van de rechtbank bij de beoordeling of er gronden zijn voor een uitzondering op de geldende verjaringstermijn zwaarwegende betekenis toe aan de omstandigheid dat in het geval van de achterban van Clara Wichmann en in het geval van [eiseres 1] - [eiseres 1] moeilijk of niet gesproken kan worden van verborgen schade.

5.28.

De door eiseressen overgelegde rapportage van prof. dr. M. van den Hout, Klinisch Psycholoog BIG van de Universiteit Utrecht , “Ter adoptie afstaan van pasgeborenen door ongehuwde moeders (1956-1980)”, maakt dit niet anders. Weliswaar maakt die rapportage inzichtelijk en vanuit psychologisch perspectief verklaarbaar waarom de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] - [eiseres 1] niet eerder een vordering tegen de Staat hebben ingesteld of konden instellen, maar tegelijkertijd ziet de rechtbank in de geschetste emotionele obstakels, ingegeven door diepe gevoelens van spijt, schuld en schaamte, in de gegeven omstandigheden onvoldoende grond voor de juridische conclusie dat sprake is van verborgen schade of andere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering op de geldende verjaringstermijnen gerechtvaardigd is.

5.29.

De omstandigheid dat de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] - [eiseres 1] pas recent op de hoogte zijn geraakt van hun rechten en juridische mogelijkheden, ook wat betreft de mogelijkheid om destijds rechtsmiddelen aan te wenden tegen rechterlijke uitspraken, het voor hen moeilijk was om toegang te krijgen tot hun dossiers en om informatie te krijgen van betrokken instanties en zij niet eerder wisten dat anderen zich in een vergelijkbare positie bevonden, maakt dit evenmin anders. Het gaat hier om in beginsel subjectieve factoren aan de kant van eiseressen die om die reden onvoldoende grond vormen voor een uitzondering op de hier geldende verjaringstermijnen. Aanknopingspunten die maken dat, objectief bezien, het beroep van de Staat op verjaring ten opzichte van eiseressen tegen deze achtergrond in strijd is met de goede trouw of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zijn niet gesteld of gebleken.

5.30.

De rechtbank benadrukt dat volgens vaste rechtspraak slechts in uitzonderlijke gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op de lange verjaringstermijn en dat aan die termijn, mede vanwege de rechtszekerheid, strikt de hand moet worden gehouden, hoezeer dit ook moeilijk is te aanvaarden uit een oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van degene die schade heeft geleden.

5.31.

De rechtbank merkt ten slotte op dat de gevallen waarin recent in de rechtspraak de lange verjaringstermijn buiten toepassing is gelaten vanwege de onaanvaardbaarheid van het beroep van de Staat op verjaring, en waarop eiseressen zich mede beroepen, niet goed vergelijkbaar zijn met die van de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] - [eiseres 1] . In de zaken over de aansprakelijkheid van de Staat naar aanleiding van standrechtelijke executies in voormalig Nederlands-Indië stonden de onrechtmatige gedragingen van de Staat vast en dat waren geweldsdelicten in strijd met de artikelen 2 en 3 van het EVRM.10 Bovendien woonden of verbleven de gedupeerden in die zaken in het buitenland en hadden zij gezien hun juridische, maatschappelijke, culturele, politieke en economische positie lange tijd feitelijk geen toegang tot het recht. Dit alles kenmerkt mede het uitzonderlijke karakter van die zaken en is in deze zaak niet in die zin aan de orde. Ook de zaak naar aanleiding van de Molukse treinkaping bij de Punt laat zich, gezien de aard van de gedragingen die de overheid werden verweten en de feitelijke context van die zaak, niet op één lijn stellen met de zaak van eiseressen wat betreft de beantwoording van de vraag of er gronden zijn voor een uitzondering op de lange verjaringstermijn.11 Daarbij benadrukt de rechtbank dat zij niet gaat over de keuze van de Staat om (ook in dit geval) een verjaringsverweer te voeren. Dit staat hem vrij.

5.32.

De rechtbank laat het geschilpunt tussen partijen over de verjaring verder onbeoordeeld en gaat dus over tot een inhoudelijke beantwoording van de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld zoals eiseressen stellen en de Staat betwist. Zij beantwoordt die vraag ontkennend en acht daarvoor het volgende van belang.

Heeft de Staat onrechtmatig gehandeld?

Inleiding

5.33.

Eiseressen stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat de Staat (de Raad voor de Kinderbescherming) onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiseres 1] - [eiseres 1] en de achterban van Clara Wichmann door de betrokken vrouwen van hun kind te scheiden, althans door actief op die scheiding aan te sturen. Voor zover de rechtbank dat standpunt niet volgt, menen eiseressen dat de Staat onrechtmatig nalatig is geweest, door de scheiding van deze vrouwen en hun kinderen niet te voorkomen. Volgens eiseressen had de Raad voor de Kinderbescherming de plicht om de belangen van de afstandsmoeders te waarborgen door hen juist en volledig te informeren over hun rechten en praktische mogelijkheden bij het doen van afstand. Eiseressen baseren dat standpunt op de wettelijke taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming en artikel 8 EVRM (waarin het recht van eenieder op bescherming van zijn familie- en gezinsleven (‘family life’) is vastgelegd). De Staat heeft volgens eiseressen die zorgplicht geschonden. Hij heeft volgens eiseressen zijn bevoegdheden ingezet in strijd met de wet en artikel 8 EVRM en aangestuurd op, althans bijgedragen aan de scheiding tussen moeder en kind. De kinderbeschermingsmaatregelen die op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming in het geval van afstandsmoeders zijn getroffen, zijn volgens eiseressen niet zorgvuldig voorbereid. Ook is de Raad voor de Kinderbescherming tekort geschoten in de uitvoering van die maatregelen en het toezicht daarop, althans in de coördinatie van en het advies aan particuliere instellingen. Bovendien heeft hij nagelaten zijn bevoegdheden in te zetten om afstandsmoeders in staat te stellen om in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien, want hij heeft hen niet geïnformeerd over de financiële mogelijkheden daartoe. Daarnaast heeft de Staat niet voorkomen dat afstandsmoeders werden gediscrimineerd en werden gescheiden van hun kind. Hij heeft voorkomen dat de afstandsmoeders gebruik maakten van rechtsmiddelen die hen ter beschikking stonden en zich zodanig gedragen dat de waarborgen die het rechtssysteem hen theoretisch bood, in de praktijk geen effect hadden.

5.34.

Het verweer van de Staat houdt in essentie in dat eiseressen onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd dat de Raad voor de Kinderbescherming tekort is geschoten in de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden. De wettelijke taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming destijds gingen volgens de Staat ook niet zo ver als eiseressen stellen, waarbij de Staat er onder meer op wijst dat de Raad voor de Kinderbescherming geen instantie van maatschappelijk werk of voogdijinstelling was. De Staat stelt zich op het standpunt dat de positieve verplichtingen van de Staat op grond van artikel 8 EVRM niet verder gingen dan waartoe hij destijds op grond van het wettelijk stelsel was gehouden.

5.35.

Om te kunnen beoordelen of de Staat ten opzichte van de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] - [eiseres 1] onrechtmatig heeft gehandeld (door te handelen of na te laten in strijd een wettelijke plicht of met een verplichting die op grond van een ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm en/of artikel 8 EVRM op hem rust) is van belang welke wettelijke taken en bevoegdheden de Raad voor de Kinderbescherming destijds had. Ook is relevant of het ongeschreven recht en artikel 8 EVRM extra verplichtingen voor de Raad voor de Kinderbescherming meebrachten. De rechtbank geeft daarom hierna eerst een overzicht van de taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming (nummers 5.36 tot en met 5.43). Ook gaat zij kort in op de invoering van de Adoptiewet (nummers 5.44 en 5.45) en op de veranderende opvattingen ten opzichte van ongehuwde moeders en hun kinderen (nummers 5.46 tot en met 5.52). Daarna zal zij beoordelen of de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de vrouwen voor wie Clara Wichmann in deze procedure opkomt (nummers 5.53 tot en met 5.74) en ten opzichte van [eiseres 1] - [eiseres 1] (nummers 5.75 tot en met 5.140).

De taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming

5.36.

De rechtbank stelt voorop dat de rechtspositie en -bescherming van ongehuwde vrouwen die in de periode 1956-1984 tegen hun wil hun kind hebben afgestaan, verbonden is met de rechtspositie en -bescherming van hun kind destijds. In dit verband geldt dat tot 1998 wettelijk onderscheid werd gemaakt tussen zogenoemde ‘onwettige’ en ‘wettige’ kinderen, oftewel kinderen die wel en die niet uit een huwelijk tussen hun biologische ouders geboren waren. Lange tijd was de rechtspositie van ‘onwettige’ kinderen – met het oog op de bescherming van het monogame huwelijk en het tegengaan van buitenechtelijke relaties – ongunstiger dan die van ‘wettige’ kinderen. Mede in verband met internationale ontwikkelingen met het oog op de bescherming van het kind zijn er stapsgewijs wetswijzigingen geweest die de positie van het buiten huwelijk geboren kind hebben verbeterd. Baanbrekend in dit verband is het Marckx-arrest12 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geweest, waarin voor zover relevant het onderscheid tussen wettig en onwettig kind en (dus) het onderscheid tussen gehuwde en ongehuwde moeder als discriminatoir worden betiteld. De begrippen ‘wettig’ en ‘onwettig’ zijn in 1998 uit het Burgerlijk Wetboek verdwenen.13

5.37.

In de voor deze zaak relevante periode ontstonden met de geboorte van het kind van rechtswege familierechtelijke betrekkingen tussen de ongehuwde moeder en haar kind. Als de moeder meerderjarig was, stond het kind ook van rechtswege onder haar voogdij.14 Partijen zijn het erover eens dat het wettelijk stelsel was gericht op het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind.

5.38.

De Raad voor de Kinderbescherming, toen voogdijraad genoemd, is ontstaan met de invoering van de eerste Kinderwet in 1901, die in 1905 in werking is getreden. Toen werden de kinderbeschermingsmaatregelen van (onder andere) ontheffing van de ouderlijke macht en de voogdij ingevoerd. Van ouderlijke macht werd gesproken als een kind binnen het huwelijk was geboren, bij kinderen die buiten het huwelijk werden geboren was sprake van voogdij. De voogdijraad werd bij zijn invoering gezien als deskundige, vraagbaak voor de rechter en als orgaan van het openbaar gezag. De voogdijraad kreeg ook een toezichthoudende taak, namelijk voor zover na ontheffing de voogdij werd opgedragen aan een vereniging of ‘stichting of instelling van weldadigheid’. Verder werd de voogdijraad belast met de zorg over het kind in die gevallen waarin een tijdelijke gezagsvoorziening moest worden getroffen. In 1921 is de maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarigen geïntroduceerd, waarbij de voogdijraad de bevoegdheid is toegekend om de rechtbank te verzoeken die maatregel te treffen en een gezinsvoogd te benoemen. Toen de toenemende taken van de voogdijraad niet langer meer met het woord ‘voogdij’ konden worden getypeerd, zijn bij de wet van 1954 zijn taken opnieuw vastgesteld en is gekozen voor de naam ‘raad voor de kinderbescherming’. In diezelfde wet is bepaald dat de bemoeiingen van de Raad voor de Kinderbescherming niet van invloed (mogen) zijn op de geestelijke grondslag van de instellingen van kinderbescherming. Reden daarvoor was dat volgens de wetgever particuliere instellingen van kinderbescherming (zoals in het geval van [eiseres 1] - [eiseres 1] de particuliere instelling Nijmeegse R.K. kinderbescherming) veelal op levensbeschouwelijke grondslag stonden, die niet door staatsbemoeienis mocht worden aangetast.15

5.39.

De meeste taken van de Raad voor de Kinderbescherming waren (en zijn) geregeld in het BW.16 Concreet is voor de beoordeling van het door eiseressen gestelde onrechtmatige handelen van de Staat het volgende van belang.

- Uitgangspunt van het wettelijk stelsel was (ook in de periode waarop de vorderingen betrekking hebben) dat ouders niet alleen de plicht17, maar ook het recht hadden hun kinderen zelf te verzorgen en op te voeden, behoudens de mogelijkheid van de kinderbeschermingsmaatregelen ondertoezichtstelling, ontheffing en ontzetting, waarbij die maatregelen gericht waren op het herstel van het gezag van de ouder-voogd.

- De Raad voor de Kinderbescherming was bevoegd om de rechtbank te verzoeken om een maatregel van ondertoezichtstelling in die gevallen waarin het kind “zoodanig opgroeit, dat het met zedelijken of lichamelijken ondergang wordt bedreigd”.18 In het geval van een ondertoezichtstelling werd een gezinsvoogd benoemd, die tot taak had het “geestelijk, lichamelijk en toekomstig stoffelijk welzijn” van het kind te bevorderen en de ouders van advies te dienen bij de verzorging en opvoeding, te “tracht[en] hen te overreden hiertoe het noodige te doen” en hen aanwijzingen kon geven.19

- De Raad voor de Kinderbescherming was bevoegd om de rechtbank te verzoeken een ouder van de voogdij te ontheffen “mits het belang der kinderen zich daartegen niet verzet” en “op grond dat hij [de ouder-voogd, toevoeging rechtbank] ongeschikt of onmachtig was om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen”.20

  • -

    Gedurende het onderzoek naar ontheffing van de voogdij kon de rechtbank een ouder-voogd schorsen in de uitoefening van zijn voogdij, als de rechtbank dit in het belang van het kind noodzakelijk vond. Het kind werd gedurende de schorsing toevertrouwd aan de Raad voor de Kinderbescherming die daarmee ook de zorg had voor het kind.

  • -

    Een ontheffing kon alleen worden uitgesproken als de ouder-voogd zich niet tegen die ontheffing verzette. Als de ouder-voogd zich wél verzette, dan kon een ontheffing alleen worden uitgesproken als een maatregel van ondertoezichtstelling onvoldoende was. In het geval van verzet, wordt gesproken van een ‘gedwongen ontheffing’.

  • -

    Bij ontheffing was de rechtbank verplicht om te voorzien in de benoeming van een voogd en toeziend voogd. Zoals gezegd kon de voogdij worden opgedragen aan een rechtspersoon die aan bepaalde eisen voldeed. Deze rechtspersoon moest zich bereid verklaren de voogdij te aanvaarden.

  • -

    Als na ontheffing de voogdij werd opgedragen aan een rechtspersoon, zoals een voogdijvereniging of een voogdijstichting, moest deze de Raad voor de Kinderbescherming schriftelijk op de hoogte houden van de plaats waar het kind zich bevond.

  • -

    De Raad voor de Kinderbescherming moest de “pleeggezinnen en inrichtingen” waar de met voogdij belaste rechtspersonen de minderjarigen geplaatst hadden, bezoeken “zoo vaak hij dit ter beoordeling van den toestand der minderjarigen dienstig acht”.

  • -

    Een ouder-voogd die ontheven was uit de voogdij kon de rechtbank verzoeken om te worden hersteld in de voogdij. De rechter kon het gezag herstellen als hij ervan overtuigd was dat het kind weer aan de ouder-voogd mocht worden toevertrouwd.

5.40.

Ter onderbouwing van hun stelling dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, beroepen eiseressen zich mede op hun recht op een familie- en gezinsleven (‘family life’), zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen een alleenstaande (ongehuwde) vrouw en haar kind vanaf het moment van de geboorte een familie- en gezinsleven ontstaat. Partijen zijn het er ook over eens dat de moeder op grond van artikel 8 EVRM recht heeft op de verzorging en opvoeding van haar kind.21 Omdat zij op grond van artikel 8 EVRM recht heeft op bescherming van haar familie- en gezinsleven, heeft zij ook het recht om betrokken te worden in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven. Dat recht ziet ook op betrokkenheid in een gerechtelijke procedure. In hoeverre en op welke manier de moeder op grond van artikel 8 EVRM moet worden betrokken bij het besluitvormingsproces, is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen.22

5.41.

Artikel 8 EVRM verplicht de staten die partij zijn bij dat verdrag om te voorzien in een ‘legislative and administrative framework’ ter bescherming van de rechten die voortvloeien uit dit artikel.23 De Staat heeft met het hiervoor genoemde wettelijke en bestuurlijke kader aan deze verplichting voldaan. In dit wettelijk en bestuurlijk kader zijn ook aanspraken van de betrokken vrouwen op bescherming van hun rechten neergelegd. Gesteld noch gebleken is dat het Nederlandse wettelijke en bestuurlijke kader niet voldoet aan de eisen die artikel 8 EVRM daaraan stelt. Om die reden komt in zoverre geen zelfstandige betekenis toe aan artikel 8 EVRM bij de beoordeling van de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] - [eiseres 1] .

5.42.

Eiseressen stellen ook dat de Staat heeft gehandeld in strijd met ongeschreven zorgvuldigheidsnormen die de Raad voor de Kinderbescherming ten opzichte van de betrokken moeders in acht moest nemen. Eiseressen hebben echter niet geconcretiseerd om welke ongeschreven normen het dan gaat. De rechtbank heeft ook niet kunnen vaststellen dat er in de periode waarop de vorderingen betrekking hebben, concrete ongeschreven zorgvuldigheidsnormen bestonden die voor de Raad voor de Kinderbescherming zelfstandige en verdergaande verplichtingen ten opzichte van de afstandsmoeders meebrachten, dan de verplichtingen die hij had op grond van de destijds geldende wet- en regelgeving.

5.43.

Dit betekent dat de rechtbank zal beoordelen of de Staat (te weten de Raad voor de Kinderbescherming) bij de uitvoering van de toen voor hem geldende wet- en regelgeving onrechtmatig heeft gehandeld.

De invoering van de adoptiewet

5.44.

In 1956 is – na een parlementaire discussie van tientallen jaren – een wettelijke regeling over de adoptie van een kind ingevoerd als een maatregel van kinderbescherming in het belang van het kind.24 Adoptie was een nieuw instituut en ingegeven door de omstandigheid dat het aantal pleegkinderen in Nederland veel groter geworden was vanwege de eerder ingevoerde maatregelen van ontheffing (en ontzetting) van de voogdij en vanwege weeskinderen uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Beoogd werd met de mogelijkheid van adoptie de positie van die (als pleegkind in een gezin opgenomen) kinderen te verstevigen. In de wetsgeschiedenis is toen mede aandacht besteed aan het doen van afstand door de ongehuwde moeder.

5.45.

Volgens de toelichting bij het wetsvoorstel werd ervoor gevreesd dat invoering van de mogelijkheid van adoptie het vrijwillig afstaan van kinderen zou bevorderen, waarbij in het bijzonder gedacht werd aan ongehuwde moeders “die gevaar lopen onder druk van de naderende geboorte of onmiddellijk daarna gehoor te geven aan raadgevingen om het kind dadelijk af te staan aan een van de vele echtparen die een pleegkind verlangen”. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever het niet waarschijnlijk achtte dat de invoering van adoptie tot vergroting van dit gevaar zou leiden. Een reden daarvoor was dat er ook toen al (vóór de invoering van de Adoptiewet) veel meer vraag naar pleegkinderen was, dan ‘aanbod’. De wetgever zag daarnaast óók een mogelijk positieve invloed van het invoeren van de mogelijkheid van adoptie. De mogelijkheid van adoptie zou volgens de wetgever eraan kunnen bijdragen dat de moeders niet zouden ingaan op onderhandse bemiddelingspogingen, maar zich tot een kinderbeschermingsinstantie zouden wenden en dan overtuigd zouden worden van de plicht en de mogelijkheid om hun kind zelf groot te brengen. Volgens de toelichting op het wetsvoorstel zag de wetgever in dat ook na invoering van de adoptiemogelijkheid een reëel gevaar zou blijven bestaan voor het buitenwettelijk afstaan en opnemen van pleegkinderen en meende hij dat dit gevaar het meest de ongehuwde moeder bedreigde. Om dit gevaar tegen te gaan zag de wetgever allereerst een taak voor de particuliere instellingen die zich toelegden op de hulp en steun aan de ongehuwde moeder en daarnaast een rol voor de Raad voor de Kinderbescherming als centraal punt vanuit de overheid. Aangezien de wetgever daarbij ook onderkende dat het, ondanks de activiteiten van deze organisaties, toch niet mogelijk zou zijn om alle gevallen van afkeurenswaardige en schadelijke bemiddelingspogingen te achterhalen, werd voorgesteld om het uit winstbejag bevorderen van de opneming van pleegkinderen als misdrijf strafbaar te stellen.

Veranderingen in maatschappelijke opvattingen over afstand en adoptie

5.46.

Tot slot merkt de rechtbank op dat de manier waarop de Raad voor de Kinderbescherming in de periode 1956-1984 invulling gaf aan zijn taken en bevoegdheden ten opzichte van afstandsmoeders, samenhangt met de maatschappelijke opvattingen destijds over ‘de ongehuwde moeder’ en daaraan verwante onderwerpen zoals afstand en adoptie. Op hoofdlijnen merkt de rechtbank het volgende op over de veranderingen in die opvattingen.25

5.47.

Zoals in het WODC-rapport en de andere publicaties waarop eiseressen zich beroepen is beschreven, werden ongehuwde moeders destijds gezien als ‘gevallen’ vrouwen omdat zij buiten het huwelijk om gemeenschap hadden gehad.

5.48.

In de decennia daarna zijn ‘de ongehuwde moeder’ en het doen van afstand veelvuldig onderwerp geweest van wetenschappelijk onderzoek door psychiaters, psychologen en sociologen. Traditioneel was, om uiteenlopende redenen, de opvatting dat de band tussen de ongehuwde moeder en haar kind behouden moest worden. Overal in het land boden tehuizen voor moeder en kind na de Tweede Wereldoorlog onderdak aan ‘gevallen’ vrouwen en hun baby’s. Dat gebeurde niet uit puur mededogen. De heersende maatschappelijke opvatting was dat de vrouw de gevolgen van haar zonde moest dragen en dat betekende in de praktijk dat ze haar baby niet in de steek mocht laten. Onder meer de op particulier initiatief georganiseerde organisaties van moederzorg waren toen tegenstanders van het doen van afstand door de ongehuwde moeder van haar kind.

5.49.

Mede onder invloed van de psychiaters dr. C.J.B.J. Trimbos en H.F. Heijmans hebben geleidelijk andere opvattingen terrein gewonnen. Zij baseerden zich mede op een ontwikkeling destijds van internationale inzichten in de psychiatrie en psychologie. Deze psychiaters rekenden het ongehuwd moederschap tot de sociale pathologie en waren ervan overtuigd dat de ongehuwde moeder haar kind ernstig tekort deed. Zij bepleitten in 1964: “Van het kind uit gezien is het in verreweg de meeste gevallen, de beste en meest gewenste oplossing, dat het door zijn ongehuwde moeder wordt afgestaan en in een adoptiefgezin geplaatst wordt (…).”26 Zij vonden zij daarbij wel van belang dat geen vaste regels en slogans, maar een op ervaring en deskundigheid gebaseerde individuele benadering werd gehanteerd vanwege de individuele verschillen ten aanzien van zowel de moeder als het kind.

5.50.

Later kwamen er weer nieuwe inzichten. Sociologisch onderzoek in 1967 liet bijvoorbeeld een kritisch geluid horen over het principiële uitgangspunt van de meningen vóór en tegen afstand.27 De behandeling van de ongehuwde moeder als een aparte groep was discriminatie. De ongehuwde moederzorg moest zich volgens dit onderzoek bezig houden met de problemen van álle alleenstaande moeders en zou daarmee een bijdrage kunnen leveren aan de opheffing van de discriminatie van de ongehuwde moeder. Het probleem van ‘de ongehuwde moeder’ zou daarmee een ander, meer algemeen uitgangspunt krijgen, waarbij het niet zou gaan over de vraag of ze gehuwd of ongehuwd was, maar of ze een kind krijgt dat ze wenst en aankan.

5.51.

Vanaf de jaren zeventig kwam er vervolgens meer openheid over onderwerpen als seksualiteit en zwangerschap. De pil werd ingevoerd, abortus werd mogelijk en er kwamen betere regelingen voor alleenstaande ouders. Zo konden ook alleenstaande ouders gebruik maken van de in 1965 ingevoerde Kinderbijslagwet.

5.52.

Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank dan nu eerst de vordering van Clara Wichmann en vervolgens de vorderingen van [eiseres 1] - [eiseres 1] bespreken.

De beoordeling van de vordering van Clara Wichmann

5.53.

Hiervoor is benoemd dat sinds de periode waarin de achterban van Clara Wichman en [eiseres 1] - [eiseres 1] afstand hebben gedaan van hun kind, de maatschappelijke opvattingen over afstand en adoptie sterk zijn veranderd. Dit geldt ook voor de rol en betekenis van particuliere instanties daarbij, zoals destijds de Paula Stichting, de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming en het R.K. Bureau voor de Hulpverlening aan de Niet Gehuwde Moeder (K.B.M.). Maatschappelijke opvattingen kleuren ook de manier waarop de Raad voor de Kinderbescherming invulling gaf aan de taken en bevoegdheden die hij (destijds) had. De tijdgeest van nu is wezenlijk anders dan die van toen.

5.54.

De rechtbank moet op basis van de toen bestaande maatschappelijke opvattingen toetsen of de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig heeft gehandeld. Zij moet bij haar beoordeling buiten beschouwing laten dat met ‘de blik van nu’ moeilijk te bevatten is hoe destijds in de maatschappij werd gedacht over het doen van afstand en adoptie van een kind en hoe daarover in (wetenschappelijke) literatuur en wetsgeschiedenis werd geschreven.

5.55.

Zoals in het WODC-rapport wordt vermeld, moeten ook de afstandsdossiers van de betrokken vrouwen als producten van hun tijd worden gezien. De onderzoekers wijzen er bijvoorbeeld op dat psychiatrische en medische begrippen als ‘infantiel’, ‘debiel’, ‘imbeciel’ en ‘slons’ vandaag de dag een sterk normatieve en negatieve gevoelswaarde hebben, maar in de jaren vijftig, zestig en zeventig gangbare begrippen waren. Vanwege het risico van interpretatie van die dossiers naar de heersende opvattingen en waarden, moet de rechtbank die dossiers – net als andere documentatie uit die tijd die in het geding is gebracht – met voorzichtigheid lezen. Vanzelfsprekend betrekt de rechtbank daarbij wel de herinneringen van de achterban van Clara Wichmann en [eiseres 1] - [eiseres 1] . De rechtbank heeft geen enkele reden om aan die herinneringen te twijfelen.

5.56.

Wel geldt, overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat eiseressen voldoende feiten moeten stellen en (bij voldoende gemotiveerd betwisting door de Staat) bewijzen om te kunnen komen tot toewijzing van hun vorderingen. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of de feiten die eiseressen ten grondslag leggen aan hun vorderingen, in het licht van het verweer van de Staat juridisch vaststaan.

5.57.

De rechtbank neemt bij de beoordeling van de vordering van Clara Wichmann het WODC-rapport tot uitgangspunt. Daarin is de problematiek beschreven van vrouwen die in het verleden – al dan niet onder druk – afstand hebben gedaan van hun kind.

5.58.

Een centraal onderdeel van het rapport gaat over de (maatschappelijke of religieuze) druk die vrouwen destijds hebben ervaren om hun kind af te staan. Daarbij hebben de onderzoekers geprobeerd die druk via de begrippen ‘dwang’ en ‘drang’ handen en voeten te geven. De onderzoekers maken onderscheid tussen (formele en informele) dwang, als iemand tegen zijn wil of haar wil genoodzaakt wordt iets te doen of te laten, en drang, oftewel een zodanige beïnvloeding van de persoon dat hij of zij minder keuze heeft. Bij dat laatste gaat het volgens de onderzoekers meer om (psychologische) manipulatie dan om directe machtsuitoefening en normatieve druk die uitgaat van maatschappelijke of godsdienstige normen, zonder dat van directe machtsuitoefening of manipulatie sprake is.

5.59.

De onderzoekers schrijven over dat laatste in het WODC-rapport: “De omgeving kan op tal van manieren afkeuring laten blijken als die normen overschreden worden. We zullen zien dat ongehuwde moeders eerst te maken kregen met de norm die seks buiten het huwelijk afkeurde, en later met de norm die voorschreef dat een meisje haar opleiding diende te voltooien voor ze aan moederschap kon denken. Deze begrippen (formele en informele) dwang, (manipulatieve) drang en normatieve druk laten zich niet in een eenvoudig schema stoppen; er is eerder sprake van een schaal met aan het ene uiterste expliciete juridisch onderbouwde dwang en aan het andere uiterste het gevoel te moeten voldoen aan maatschappelijke verwachtingen en de vrees voor afkeuring.”

5.60.

Ongewenst zwangere meisjes of vrouwen werden volgens het rapport al snel omgeven door tal van ‘actoren’ die haar bijstonden en adviseerden, maar ook zwaar onder druk konden zetten. In het rapport worden de volgende actoren genoemd: de sociale omgeving (familie, vrienden, verwekker, kind, school, werkgever, parochie/kerkelijke gemeente, dorp, buurt), betrokken adviserende instanties (Sociale Dienst gemeente, priester of dominee, huisarts), hulpverleningsinstanties zoals HPV en RKMB, en de plek van verblijf tijdens zwangerschap, bevalling en kraamperiode (gastgezin, tehuis, ziekenhuis, thuis of bij familie).

5.61.

De onderzoekers hebben archiefonderzoek verricht en interviews gehouden met direct betrokkenen. Het onderzoek is niet representatief. Dit is mede waarom de onderzoekers een diepgaande vervolgstudie hebben bepleit, waarin een grotere groep afstandsouders aan het woord kan komen. De verkennende studie in opdracht van het WODC is wel het enige wetenschappelijke onderzoek waarin zowel de dossiers als de verhalen van afstandsmoeders zijn betrokken.

5.62.

Het WODC-rapport bevat geen juridische duiding van feiten en zegt dus op zichzelf niets zegt over de mogelijke aansprakelijkheid van de Staat ten opzichte van afstandsmoeders. Voor de rechtbank, die juist wel juridisch moet kwalificeren, is de inhoud van het rapport wel van belang voor haar beoordeling of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de achterban van Clara Wichmann. De rechtbank wijst op de volgende bevindingen van de onderzoekers:

“In beginsel was de hulpverlening aan ongewenst zwangere meisjes en vrouwen niet principieel voor of tegen het afstaan van een kind. In het merendeel van de dossiers, gedurende de gehele onderzoeksperiode, getuigt de rapportage van een zorgvuldig, afgewogen proces, waarin al dan niet het besluit werd genomen het kind af te staan ter adoptie. Deze twee zaken brengen ons tot de conclusie dat er, op basis van dit onderzoek, geen aanwijzingen zijn dat in Nederland tussen 1956 en 1984 sprake is geweest van formele dwang bij afstand ter adoptie. Hier moet echter de kanttekening bij worden geplaatst dat we geen diepgaand onderzoek hebben verricht naar afstandsprocedures in de protestants-christelijke, rooms-katholieke of neutrale tehuizen voor ongehuwde moeders. Zo hebben we bijvoorbeeld geen inzicht in de protocollen, die werden gehanteerd door de ordes en congregaties betrokken bij afstand ter adoptie in de onderzoeksperiode. Over informele dwang is minder stellig een uitspraak te doen. Er waren in de formele procedure rondom afstand ter adoptie veel personen die mogelijkerwijs invloed konden uitoefenen op de moeder, ook degenen die binnen de vastgelegde protocollen opereerden. De dossiers geven hier geen zicht op, omdat de rapportages vanuit de officiële richtlijnen zijn geschreven. Het is te betwijfelen of afwijkingen van het protocol ook daadwerkelijk gerapporteerd werden. Wij hebben in de dossiers geen bewijs van afwijkingen gevonden. De interviews geven echter reden tot een andere conclusie. Er is zeker sprake geweest van gepercipieerde informele dwang tot het afstaan van het kind in de onderzoeksperiode. De ervaringen van de afstandsmoeders uit de interviews laten zien dat huisartsen, maatschappelijk werkers, ouders en andere betrokkenen een moeder dusdanig onder druk konden zetten, dat zij bij het maken van de keuze haar kind af te staan geen gehoor meer kon geven aan haar eigen wens om het kind te houden. Bovendien lijkt er ook in veel gevallen sprake te zijn geweest van drang. Voornamelijk bij minderjarige afstandsmoeders waren de ouders een belangrijke machtsfactor binnen de besluitvorming. De maatschappelijk werker kon deze invloed niet altijd afdoende doorbreken, ook al probeerden hulpverleners door een-op-eengesprekken te achterhalen wat de moeder eigenlijk zelf wilde. De boodschap van de omgeving om het kind af te staan kon echter al dusdanig door een moeder zijn geïnternaliseerd dat zij niet in staat was om werkelijk autonoom een afweging te maken. Meerderjarige afstandsmoeders hadden ogenschijnlijk meer invloed op de afstandsprocedure. Toch werd ook bij hun keuze gekeken naar de standpunten van de ouders, ook al hadden deze vrouwen een baan en een zelfstandig bestaan. Voor hen was vaak een belangrijke overweging dat zij niet zelfstandig in staat waren om een kind op te voeden. Tegenwicht bieden aan de ouders was vaak moeilijk voor hulpverleners. Maar ook hulpverleners, zowel maatschappelijk werkers als huisartsen, konden al te zeer van invloed zijn bij de besluitvorming. Met hun professionele kennis konden zij het vooruitzicht op ongehuwd moederschap dusdanig kleuren dat een moeder ervan overtuigd raakte dat zij haar kind niet zelfstandig kón opvoeden. De informanten geven aan dat zij destijds niet afdoende zijn geïnformeerd, noch over de gevolgen van de afstand ter adoptie, noch over hun rechten en mogelijkheden – zoals een bijstandsuitkering na 1965 – als alleenstaande ouder. De normatieve maatschappelijke dan wel godsdienstige druk van met name de jaren vijftig, zestig en zeventig lijkt voor veel geïnterviewde afstandsmoeders van doorslaggevende rol te zijn geweest. De dreiging zichzelf door ongehuwd moederschap buiten de samenleving te plaatsen, was voor veel vrouwen genoeg reden om te besluiten het kind af te staan. De moeder kon – zo werd hun althans door hulpverleners verteld – na de afstand ter adoptie verder gaan met haar leven; ze kon een opleiding afmaken, gaan werken en een man vinden om een gezin mee te stichten. Voor veel afstandsmoeders is dit tijdsbeeld moeilijk uit te leggen aan hun (afstands)kinderen. De conservatieve ideaalbeelden, de normen en waarden, ten aanzien van huwelijk, seksualiteit en gezin leken in de jaren vijftig, zestig en vroege jaren zeventig onaantastbaar. Voor de latere generaties zijn deze echter maar moeilijk voor de geest te halen. De normatieve druk die afstandsmoeders in het verleden hebben ervaren, heeft hun dan ook reële keuzevrijheid ten aanzien van afstand ter adoptie ontnomen. Deze generatie vrouwen is door hun ongewenste zwangerschap beklemd komen te zitten in de scharnieren van de tijd. Slechts enige jaren later hadden zij veel meer mogelijkheden gehad – zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid om een kind zelfstandig op te kunnen voeden – dat zij in een ander tijdperk tot een heel andere beslissing hadden kunnen komen.”

5.63.

De rechtbank stelt op basis van het WODC-rapport vast dat

  • -

    i) er op basis van dit verkennende onderzoek geen aanwijzingen zijn dat in Nederland sprake is geweest van formele dwang bij afstand ter adoptie;

  • -

    ii) minder stellig een uitspraak te doen is over informele dwang, waarbij in de dossiers geen bewijs voor informele dwang is gevonden, maar zeker sprake is geweest van een gepercipieerde informele dwang tot het afstaan van het kind in de onderzoeksperiode;

  • -

    iii) huisartsen, maatschappelijk werkers, ouders en andere betrokkenen een dusdanige druk konden uitoefenen dat de betrokken afstandsmoeder niet in staat was om werkelijk een autonome afweging te maken; en

  • -

    iv) de normatieve maatschappelijke of godsdienstige druk die afstandsmoeders ervaren hebben hun een reële keuzevrijheid heeft ontnomen.

5.64.

De Raad voor de Kinderbescherming had destijds vanuit de overheid een centrale rol. Hij was gezien zijn wettelijke taken en bevoegdheden in verband met het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen betrokken bij gevallen waarin een moeder afstand deed van haar kind en dit kind (via de officiële weg) in een ander gezin werd ondergebracht. In zoverre vormde de Raad voor de Kinderbescherming inderdaad een ‘spin in het web’, zoals eiseressen stellen.

5.65.

Eiseressen gaan er echter aan voorbij dat in het stelsel destijds de voorlichting, het advies en de besluitvorming rondom het doen van afstand, voor zover een ‘formeel’ traject werd gevolgd (dat wil zeggen: afstand met het oog op het via een wettelijke procedure onderbrengen van het kind in een pleeggezin) en ook in het geval van de [eiseres 1] - [eiseres 1] , in de eerste plaats plaatsvond onder begeleiding van particuliere instellingen die zich toelegden op de hulp aan moeder en kind, zoals de Paula Stichting. Ook maatschappelijk werk ter ondersteuning van de moeder vond plaats vanuit particulier initiatief. De Raad voor de Kinderbescherming had hierbij geen rechtstreekse betrokkenheid. Hij had ook geen toezichthoudende taak op particuliere instellingen in de door eiseressen gestelde algemene zin, maar alleen voor zover een instelling, nadat een kinderbeschermingsmaatregel was getroffen, als rechtspersoon met de voogdij over een kind was belast.

5.66.

De Raad voor de Kinderbescherming moest zich op de hoogte houden van de ontwikkeling van de kinderbescherming in de regio waarin hij werkzaam was, moest de samenwerking bevorderen van de in dat gebied werkzame instellingen van kinderbescherming en op verzoek of uit eigen beweging autoriteiten en instellingen adviseren (artikel 1:461 BW oud). Anders dan eiseressen menen, was de Raad voor de Kinderbescherming, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Adoptiewet, vanuit die taak in beginsel niet betrokken bij individuele gevallen van afstand en dat hoefde hij ook niet te zijn.

5.67.

Nadat een melding van een afstandsbesluit gedaan was, was de Raad voor de Kinderbescherming wel rechtstreeks betrokken bij individuele gevallen in verband met te treffen kinderbeschermingsmaatregelen. Hij moest beoordelen of er voor die maatregelen gronden waren. Gezien het wettelijk uitgangspunt van het behoud van familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, lag het in dit kader, mede gelet op artikel 8 EVRM, ook op zijn weg om de moeder in voldoende mate te betrekken in het besluitvormingsproces. Hierin was in de procedure tot het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen ook voorzien. De Raad voor de Kinderbescherming had echter, anders dan eiseressen aannemen, niet tot taak om de betrokken individuele moeders voor te lichten over het aanvragen van een bijstands- en kinderbijslaguitkering, te helpen bij het zoeken van huisvesting of hen anderszins te adviseren, bijvoorbeeld over de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden.

5.68.

Voor zover eiseressen stellen dat de Raad voor de Kinderbescherming éérst de maatregel van ondertoezichtstelling van het kind had moeten onderzoeken en bevorderen, gaat die stelling niet op. Niet aan de orde was – naar de maatstaven van destijds – een situatie waarin een kind wat betreft zijn verzorging en opvoeding met de zedelijke of lichamelijke ondergang werd bedreigd en de ouders ondersteuning nodig hadden met als doel die bedreiging weg te nemen en verbetering in de relatie tussen ouders en kind te bevorderen.28

5.69.

Eiseressen wijzen ter onderbouwing van hun stellingen dat de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig heeft gehandeld mede op de toespraak van de zenuwarts (psychiater en neuroloog) dr. Gribling uit Utrecht bij de opening van de Paula Stichting. Dr. Gribling zei in deze toespraak dat het decennialang daarvoor geldende uitgangspunt “moeder en kind horen bij elkaar” verlaten was. Omdat dr. Gribling destijds ook rapporteerde aan de Raad voor de Kinderbescherming, verbinden eiseressen aan deze toespraak de conclusie dat de Raad voor de Kinderbescherming actief heeft aangestuurd op de scheiding van ongehuwde moeders en hun kinderen, en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank deelt deze opvatting niet. Anders dan eiseressen stellen, kan aan de inhoud van die toespraak niet de conclusie worden verbonden dat de Raad voor de Kinderbescherming juridisch verwijtbaar actief heeft bijgedragen aan de feitelijke scheiding van moeder en kind of heeft nagelaten die scheiding te voorkomen. De openingstoespraak vormt een reflectie van de toenmalige inzichten in de psychiatrie over de betekenis van een tehuis als de Paula Stichting voor de ongehuwde moeder en haar kind. Daarbij verdient opmerking dat blijkens deze toespraak (ook) dr. Gribling een gedifferentieerde benadering voorstond, met aandacht voor “het ongeboren, weerloze kind”, de moeder en de vader en het eventuele toekomstige huwelijk, ter bevordering van een “eigen verantwoorde beslissing” van de moeder.

5.70.

Gelet hierop en gelet op de bevindingen in het WODC-rapport zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor de juridische conclusie dat de Raad voor de Kinderbescherming, uitgaande van het destijds geldende wettelijk stelsel, bij de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden structureel fouten heeft gemaakt in de door eiseressen gestelde zin. De informele dwang die de betrokken afstandsmoeders hebben ervaren en die ertoe heeft geleid dat zij destijds geen reële keuzevrijheid hebben gehad, is volgens het WODC-rapport in het bijzonder het gevolg geweest van normatieve druk van de omgeving, waarbij allerlei actoren betrokken waren: hulpverleners zoals huisartsen en maatschappelijk werkers, ouders en factoren zoals maatschappelijke en godsdienstige overtuigingen. Mede tegen die achtergrond kan niet gezegd worden dat de Raad voor de Kinderbescherming, als centraal punt vanuit de overheid, onrechtmatig ten opzichte van de achterban van Clara Wichmann heeft gehandeld. Anders gezegd: de druk die de betrokken moeders hebben ervaren, waardoor zij zich gedwongen voelden hun kind af te staan, was het gevolg van het samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze verhoudingen in die periode. Mede in het licht daarvan kan niet worden gezegd dat juist de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig jegens de moeders heeft gehandeld. Dat geldt te meer nu het niet de taak was van de Raad voor de Kinderbescherming om de moeders te adviseren over de praktische en juridische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden.

5.71.

Het voorgaande (waarin het handelen van de Raad voor de Kinderbescherming in het algemeen is beoordeeld) sluit op zichzelf niet uit dat de Raad voor de Kinderbescherming in concrete individuele gevallen onrechtmatig ten opzichte van de betrokken afstandsmoeder heeft gehandeld. Eiseressen hebben in het kader van de collectieve actie de zaak van [eiseres 1] - [eiseres 1] gebruikt als ondersteuning van hun stellingen dat de Raad voor de Kinderbescherming in individuele gevallen veelvuldig onrechtmatig handelde. Zoals hierna wordt toegelicht (nummers 5.75 tot en met 5.140), is de rechtbank van oordeel dat de Raad voor de Kinderbescherming niet onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiseres 1] - [eiseres 1] . Deze stellingen helpen Clara Wichmann dus niet.

5.72.

Eiseressen verwijzen daarnaast naar andere individuele gevallen van ongehuwde vrouwen die tegen hun wil afstand gedaan hebben van hun kinderen. Zij hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling een aantal documenten uit de dossiers van de Raad voor de Kinderbescherming overgelegd die betrekking hebben op die vrouwen. Deze documenten leiden de rechtbank niet tot andere conclusies over het handelen van de Raad voor de Kinderbescherming in algemene zin. Daarbij geldt allereerst dat de rechtbank zich geen volledig beeld van de gang van zaken in die individuele gevallen kan vormen op basis slechts van enkele documenten uit de dossiers. Daarnaast zijn de overgelegde brief van de Raad Arnhem aan de adoptiefouders van de dochter van mevrouw [naam 9] en het rapport van de Raad Rotterdam onvoldoende voor de conclusie dat de Raad voor de Kinderbescherming zich destijds structureel wél bezighield met voorlichting, advies en praktische ondersteuning van de adoptiefouders, maar dat niet deed bij afstandsmoeders, zoals eiseressen stellen. Uit het rapport van de Raad Arnhem in het geval van mevrouw [naam 9] kan verder niet worden afgeleid dat de Raad Arnhem met het verzoek om een mondelinge behandeling vóórdat zij meerderjarig zou worden niet heeft gehandeld in het belang van het kind, maar zijn bevoegdheden heeft ingezet met als doel de rechtspositie van mevrouw [naam 9] te verslechteren.

5.73.

Het voorgaande betekent dat niet is komen vast te staan dat de Raad voor de Kinderbescherming structureel onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de vrouwen voor wie Clara Wichmann opkomt, door actief aan te sturen op de scheiding van de vrouwen en hun kinderen (of die scheiding niet te voorkomen), door de betrokken moeders onvoldoende voor te lichten of door zijn wettelijke taken niet naar behoren uit te voeren.

5.74.

De vordering van Clara Wichmann wordt gelet op het voorgaande afgewezen.

De beoordeling van de vordering van [eiseres 1] - [eiseres 1]

5.75.

[eiseres 1] - [eiseres 1] heeft afstand gedaan van haar zoon, die later geadopteerd is. Zij stelt zich allereerst op het standpunt dat de dossiers van de Paula Stichting en de Raad niet volledig zijn en onjuistheden bevatten over de feitelijke gang van zaken destijds. De Staat heeft de door [eiseres 1] - [eiseres 1] geschetste feitelijke gang van zaken bestreden. Om die reden zal de rechtbank hierna de feiten in chronologische volgorde weergeven, zoals blijkt uit de dossiers van de Paula Stichting en de Raad Arnhem , en zoals die zijn geschetst door [eiseres 1] - [eiseres 1] . Zij gaat achtereenvolgens in op de feiten over het verblijf van [eiseres 1] - [eiseres 1] bij de Paula Stichting, over de Raad Arnhem en de ontheffingsprocedure en over de plaatsing in een pleeggezin en adoptie van de zoon van [eiseres 1] - [eiseres 1] . Daarna zal de rechtbank beoordelen of de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig ten opzichte van [eiseres 1] - [eiseres 1] heeft gehandeld.

De feiten over het verblijf van [eiseres 1] - [eiseres 1] bij de Paula Stichting

De feiten volgens de dossiers van de Paula Stichting en de Raad Arnhem

5.76.

[eiseres 1] - [eiseres 1] is opgenomen in de Paula Stichting op 23 november 1967. Kort daarvoor, in oktober, had zij haar diploma als verpleegkundige behaald. [eiseres 1] - [eiseres 1] had haar baan in Zevenaar opgezegd, was weer bij haar ouders gaan wonen en wilde vanuit daar een nieuwe baan zoeken. Aanvankelijk wist alleen haar moeder dat [eiseres 1] - [eiseres 1] in verwachting was. Het verslag van de maatschappelijk werkster van de Paula Stichting vermeldt over een eerste gesprek met van [eiseres 1] - [eiseres 1] op 29 november 1967:

“Ze wist ook nog niet zeker of ze het kindje zou houden. “Hij (vader van het kind) zou het ook nog wel willen houden, maar het is zo moeilijk met het geld. We hebben nog helemaal niets en de onkosten zijn zo groot, als je het kindje houdt. We moeten toch ook kunnen sparen.” Thuis waren ze er op tegen dat ze zouden trouwen.” (…) Alleen haar moeder weet dat ze in verwachting is. (…) “Moeder (67 jr.) vindt het beter dat ik het afsta, maar ik denk wel dat ik het houd.” Moeder betaalt het verblijf in de Paula , vanwege de geheimhouding. Na de bevalling wil ze een baan in Utrecht (woont vriend) of omgeving zoeken.”

5.77.

Op enig moment heeft de moeder van [eiseres 1] - [eiseres 1] de zus op de hoogte gesteld van de zwangerschap van [eiseres 1] - [eiseres 1] . [eiseres 1] - [eiseres 1] heeft toen met haar zus gesproken over het doen van afstand. In het verslag van de Paula -Stichting is op 12 december 1967 daarover vermeld: “[ [eiseres 1] - [eiseres 1] , rb] was een paar dagen naar haar zus geweest. Haar moeder had deze getrouwde zus op de hoogte gesteld. Haar zus had gezegd dat ze ook beter afstand kon doen: “Waarom zei ze dat?” Ze haalde haar schouders op en zei: “dan ben je overal van af, dat is het gemakkelijkste. Dan kun je weer opnieuw beginnen.” Ze had tegen haar zus gezegd dat ze het kind misschien zou houden, omdat ze trouwplannen hadden. (…) Als de verhouding met haar vriend zou verslechteren, zou ze gemakkelijker afstand kunnen doen, zei ze. “Als je met elkaar trouwt, zou ik geloof ik nooit geen afstand kunnen doen.”

5.78.

De moeder van [eiseres 1] - [eiseres 1] heeft de Paula Stichting op 14 december 1967, kennelijk onaangekondigd, bezocht. Volgens de betrokken maatschappelijk werkster deed de moeder een sterk appel op het gevoel: “U moet maar eens tegen [naam 2] zeggen wat U van hem vindt. Misschien dat ze naar U wel luistert. [naam 2] . is veel te goed voor hem, ik geloof dat dat later nooit goed zou gaan. Het is een echte “slappe Tinus”. Hij vroeg een tijd geleden of hij mij kon spreken. Daar begon hij me wat te huilen en zat daar maar met rode ogen. Mijn man was niet thuis. Die mag nergens iets van weten. Hij weet ook niet dat ik hier ben. Dan begint hij maar te schelden. Mijn man denkt nu dat ik boodschappen aan het doen ben. Als hij begint te schelden dan ga ik. Dan is hij wel bang.” (…)” De maatschappelijk werkster heeft de moeder gevraagd waarom zij het liefste had dat [eiseres 1] afstand deed. In het verslag van de Paula Stichting is daarover opgenomen: “ “Dat is het beste voor haar. Waar moeten ze naar toe met het kind. Ze kan niet thuis komen.” Toen ik vroeg waarom ze niet thuis zou kunnen komen, zei ze dat het niet kon vanwege de ‘anderen’ “Wat zullen die ervan zeggen. En wie moet dan betalen voor het kind. Hij kan toch niet twee vrouwen en twee kinderen onderhouden?” Ze vertelde dat de vriend van [naam 2] . via de rechtbank ook voor een ander meisje moet betalen.”Dat had ze tegen haar zus verteld, niet tegen mij.” Moeder was verder inlichtingen over [naam 2] .’s vriend gaan inwinnen in Utrecht bij de pastoor en op zijn ‘vorige’ werk. Hij kwam uit een “werkmansbuurt”. Heeft 3 jaar H.B.S. gehad. Moeder is weggelopen. Wat zijn vader doet, daar kom je niet achter. Als ze het kind houdt, waar moet ze dan naartoe.?” Daarna heeft de moeder nog een brief aan de Paula Stichting geschreven, volgens het verslag van de Paula Stichting: “zelfbeklag en verder dezelfde strekking als het gesprek. Ze was blij met iemand er over te kunnen praten.”

5.79.

De maatschappelijk werkster heeft op 19 december 1967 met [eiseres 1] - [eiseres 1] een gesprek gehad naar aanleiding van het gesprek met en de brief van de moeder van [eiseres 1] - [eiseres 1] . Het verslag vermeldt daarover: “Toen ik over de verhouding met haar vriend begon, zei ze dat er wel twijfels waren. Ik vertelde dat moeder over het andere meisje gesproken had. “Hij (de vader v.h. kind) zegt dat hij niet van dat andere meisje houdt, dat hij met mij wil trouwen en daar geloof ik in. Hij is met dat andere meisje in ondertrouw gegaan op aandringen van haar ouders. Maar als de ondertrouw (in sept. ’68) is afgelopen, trouwt hij met mij.” Zou het invloed hebben op het houden van het kind? “Ik denk dat ik het toch zou houden.”

5.80.

De Paula Stichting heeft in december 1967 in het verslag het volgende aangetekend: “[ [eiseres 1] - [eiseres 1] ] wil zelf geen afstand doen van haar baby. Moeder wil dit wel en wil ook niet dat ze verkering met deze jongen voortzet. De relatie met deze jongen is niet goed. [naam 4] zou graag meer over de jongen willen weten. [naam 5] wil wel een gesprek met hem hebben. Waarschijnlijk is het een slappe figuur waar de ouders terecht bezwaren tegen hebben.”

5.81.

De Paula Stichting heeft de Raad Arnhem bij brief van 5 januari 1968 op de hoogte gesteld van het verblijf van [eiseres 1] - [eiseres 1] bij haar en de vermoedelijke bevallingsdatum. In die brief is vermeld dat [eiseres 1] - [eiseres 1] van plan is haar kind te houden en dat de aan haar verblijf verbonden kosten particulier worden betaald.

5.82.

De maatschappelijk werkster vermeldt in het verslag van de Paula Stichting op 29 januari 1968 dat [eiseres 1] - [eiseres 1] nu afstand wilde doen: “Ze wilde nu afstand doen, omdat het haar moeilijk leek alleen voor een kind te zorgen. Het lijkt me voor het kind ook beter. Eind dec. vriend voor het laatst gezien.”

5.83.

[eiseres 1] - [eiseres 1] is op 15 februari 1968 bevallen van haar zoon. Het verslag van de Paula Stichting vermeldt: “Zij heeft het kindje bij de geboorte gezien en enkele dagen daarna nog eens. Ze kon niet zeggen op wie het nu eigenlijk leek, zei ze.”

5.84.

Bij brief van 16 februari 1968 heeft de Paula Stichting de Raad Arnhem geïnformeerd over de bevalling. Daarbij gaf zij aan dat [eiseres 1] - [eiseres 1] aanvankelijk van plan was om haar baby te behouden en dat zij nu besloten heeft afstand te doen. De Paula Stichting kondigde aan verdere gegevens te zullen toezenden in verband met een te nemen maatregel voor deze baby.

5.85.

Het verslag van de Paula Stichting van 21 februari 1968 vermeld dat de maatschappelijk werkster van de Paula Stichting [eiseres 1] - [eiseres 1] enkele malen heeft aangeraden om contact te houden met een Katholiek Bureau voor Hulpverlening aan de niet-gehuwde moeder (hierna: K.B.M.), dat [eiseres 1] - [eiseres 1] hier aanvankelijk niet voor voelde, maar dat ze instemde met contact met het K.B.M. in Arnhem “Omdat ze inzag dat ze bij de afstandsprocedure nog contact nodig zou hebben”.

5.86.

Bij brief van 21 februari 1968 heeft de Paula Stichting aan de Raad Arnhem een “afstandsrapport betreffende het afstandsbesluit” van [eiseres 1] - [eiseres 1] gestuurd. Zij verzocht de Raad om zo spoedig mogelijk een maatregel te nemen over de baby. De bijlage bij de brief, het afstandsrapport, bevat onder meer de volgende informatie:

Cliënte: (…) moeder (…) heeft alles voor de opname van haar dochter hier geregeld. Cliënte zelf lijkt alles nogal laconiek op te nemen. “Ik had er (zwangerschap) helemaal niet op gerekend.”

De Staf zei over haar : (…) In december heeft moeder de getrouwde zus van cliënte op de hoogte gesteld van de zwangerschap. Cliënte is toen enkele dagen gaan logeren bij deze zus. Cliënte overwoog in deze tijd om het kindje te behouden. Zij heeft hierover met haar zus gesproken en gevraagd of deze niet met moeder over het eventueel behouden van het kind wilde spreken. Cliënte durfde niet met moeder over het eventueel behouden van het kindje te spreken, omdat ze moeder wilde sparen.

Gezinssamenstelling: (…) Moeder wilde persé dat haar dochter afstand zou doen van het kindje. Wat moet ze met een kindje beginnen? Thuis kan ze niet wonen en bij haar vriend thuis ook niet. Moeder was allerlei inlichtingen gaan inwinnen over cliëntes vriend in Utrecht (woonplaats van cliëntes vriend). Zij noemt hem een slappe figuur, waar niets bij zit. Ze hoopt dat haar dochter dit ook op tijd zal gaan zien en dat ze afstand doet van de baby.
Vader van het kind: (…) Toen hij van cliënte hoorde dat zij in verwachting was, heeft hij haar aangeraden eerst het verpleegstersdiploma te halen. Na 15 october heeft hij cliënte verteld, dat hij in september 1967 in ondertrouw was gegaan met een meisje uit Arnhem , dat van hem ook een kind verwachtte. De ouders hadden hem min of meer gedwongen tot deze ondertrouw. Hij zou niet van dit meisje houden en met cliënte gaan trouwen, wanneer deze ondertrouw verlopen zou zijn.

Cliënte zegt hierover: “Er zijn bij mij wel twijfels tegenover hem, maar dat hij met mij wil trouwen, daar twijfel ik niet aan”.

(…) Sinds cliëntes verblijf in de Paula heeft zij haar vriend ongeveer twee maal ontmoet. Er was verder regelmatig telefonisch contact met hem.

De laatste maal heeft zij hem gezien tussen Kerstmis en Nieuwjaar 1967.

Afstand: Cliënte wilde aanvankelijk de baby houden. Het houden van de baby was nauw verbonden met de relatie die zij had met haar vriend. “Als we toch gaan trouwen, zou ik het kind nooit kunnen afstaan, geloof ik.” De laatste maand van de zwangerschap heeft het besluit om afstand te doen meer en meer vaste vorm aangenomen. Vanaf nieuwjaar heeft zij niets meer van haar vriend gehoord. Het is voor cliënte steeds duidelijker geworden, dat zij niet meer op hem kan rekenen. Cliënte zegt afstand te doen omdat ze niet alleen voor het kindje kan zorgen en omdat het voor het kindje volgens haar ook beter is.

“Als ik eenmaal afstand van het kindje heb gedaan, wil ik geen contact meer met mijn vriend hebben.”

Cliënte meent, dat zij in staat is de afstand te verwerken.

Tijdens haar verblijf in ons tehuis, voor de bevalling, praatte zij weinig over het kindje.

Bevalling: (…) Tijdens de geboorte heeft zij het kindje gezien en na de bevalling, enkele dagen later, wilde zij het kindje nog eens zien.

Zij heeft het kindje zelf de namen gegeven: [zoon] .

Financiën: De kosten van het verblijf in de St . Paula stichting worden particulier betaald. Cliënte wilde niet dat de Gem. Soc. Dienst ingeschakeld zou worden, in verband met de geheimhouding.

Toekomstplannen: Cliënte zal op de tiende dag na de bevalling ons tehuis verlaten. Zij is van plan eerst enige weken thuis te blijven. Daarna is zij van plan als verpleegster in een ziekenhuis te gaan werken, waar zij zo gauw mogelijk de kraamopleiding kan volgen. Vanuit de Paula heeft zij al op enkele plaatsen gesolliciteerd.

Wij hebben cliënte aangeraden contact op te nemen met Mejuffrouw [naam 6] van het K.B.M. te Arnhem .

Wij zouden Uw Raad willen verzoeken in verband met het afstandsbesluit van cliënte en mede in verband met de financiële kosten voor cliënte, zo spoedig mogelijk een maatregel te willen nemen t.a.v. de baby.”

5.87.

Op 24 februari 1968 heeft [eiseres 1] - [eiseres 1] de Paula Stichting zonder haar zoon verlaten en is zij vertrokken naar haar ouders.

De feiten volgens [eiseres 1] - [eiseres 1]

5.88.

[eiseres 1] - [eiseres 1] heeft onder meer beschreven hoe eenzaam zij zich in de Paula Stichting heeft gevoeld, dat sprake was van een sfeer van geheimhouding en schaamte en dat haar bij aankomst op het hart gedrukt werd om niet met andere meisjes die in de Paula Stichting verbleven over haar zwangerschap en toekomstplannen te praten. Volgens [eiseres 1] - [eiseres 1] is haar bij de enkele gesprekken die zij met de maatschappelijk werkster van de Paula Stichting heeft gevoerd, steeds voorgehouden dat zij niet voor haar kind kon zorgen omdat haar dat alleen niet zou lukken en zij de middelen daarvoor niet zou hebben. Afstand doen werd haar voorgespiegeld als de enige en juiste oplossing en er werd niet gesproken over alternatieve oplossingen. Ook werd haar niets verteld over praktische oplossingen voor financiële en andere praktische problemen. [eiseres 1] - [eiseres 1] heeft zich steeds verder teruggetrokken en omschrijft de situatie alsof zij in een fuik was gelopen, waar zij geen inspraak meer had over haar eigen lot en dat van haar kind, maar alles erop was gericht haar van haar kind te scheiden. Er was geen ruimte voor vragen en van de nonnen in de Paula Stichting kwam ook geen informatie. [eiseres 1] - [eiseres 1] zelf heeft nooit gezegd dat zij afstand wilde doen van haar kind. Het verslag van de Paula Stichting van 29 januari 1968 vermeldt ten onrechte dat [eiseres 1] - [eiseres 1] kort voor de bevalling was teruggekomen van haar wens om zelf voor haar baby te zorgen. Zij wijst er ook op dat er geen enkele door haar ondertekende schriftelijke verklaring is waaruit blijkt dat zij afstand wilde doen van haar zoon.

5.89.

Tijdens haar bevalling heeft [eiseres 1] - [eiseres 1] zich verzet tegen het voorstel dat zij een doek voor haar gezicht zou houden en heeft zij gedreigd de doek opzij te trekken, zodat zij het kindje kon zien. Haar zoon is direct van haar weggenomen nadat hij was geboren. De zuster die hem op de arm had, draaide met haar rug naar haar toe, zodat zij slechts een glimp van hem kon opvangen. Nadat de zuster het kind in een laken had gewikkeld, droeg zij hem de kamer uit. Ondanks vragen van [eiseres 1] - [eiseres 1] , heeft zij haar zoon vóórdat zij de Paula Stichting negen dagen later moest verlaten, slechts één keer gezien. Toen zij door haar zus en zwager werd opgehaald uit de Paula Stichting, is er niet gesproken over de vraag of het een keuze van [eiseres 1] - [eiseres 1] was om haar kind achter te laten. [eiseres 1] - [eiseres 1] zelf had het plan opgevat om werk en woonruimte te zoeken en haar zoon dan op te halen.

5.90.

De Paula Stichting heeft volgens [eiseres 1] - [eiseres 1] ten onrechte in haar verslag van 21 februari 1968 aan de Raad vermeld dat [eiseres 1] - [eiseres 1] niet wilde dat de gemeentelijke sociale dienst zou worden ingelicht in verband met de geheimhouding. Die wens heeft zij nooit geuit.

5.91.

[eiseres 1] - [eiseres 1] is door de Paula Stichting weliswaar verwezen naar het K.B.M. in Arnhem en heeft zich daar gemeld, maar heeft geen reactie ontvangen. Daardoor heeft zij voorafgaand aan het verzoek van de Raad om haar te ontheffen uit de voogdij geen enkele voorlichting ontvangen over haar rechten, juridische mogelijkheden of praktische oplossingen.

De feiten over de Raad Arnhem en de ontheffingsprocedure

De feiten volgens de dossiers van de Paula Stichting en de Raad Arnhem

5.92.

De Raad Arnhem heeft op 12 maart 1968 de rechtbank Arnhem verzocht om ontheffing van [eiseres 1] - [eiseres 1] uit de voogdij van haar zoon. In het verzoekschrift is vermeld: “aangezien moeder – aanvankelijk hoopte zij op een huwelijk met de verwekker en overwoog daarom het kind te houden – sinds haar vriend verstek liet gaan definitief besloot tot afstand, hierin vooral gesteund door grootmoeder; moeder is van mening dat zij alleen niet voor het kind kan zorgen en acht afstand in het belang van haar baby; zij heeft de baby slechts enkele malen gezien.”

5.93.

Dit verzoekschrift is op 25 maart 1968 mondeling behandeld en op die datum heeft de rechtbank Arnhem onmiddellijk uitspraak gedaan, waarbij zij de voogdij heeft geschorst en de zoon van [eiseres 1] - [eiseres 1] voorlopig toevertrouwd heeft aan de Raad Arnhem . Volgens de handgeschreven aantekeningen van de Raad Arnhem op het verzoekschrift in zijn dossier is ”moeder verschenen akkoord met ontheffing”. Ook op de oproep van de rechtbank aan de Raad om ter zitting te verschijnen is in het dossier van de Raad aangetekend “25-3-68 [eiseres 1] verschenen”.

5.94.

Het K.B.M. heeft de Raad Arnhem bij brief van 22 maart 1968 bericht dat [eiseres 1] zich bij hem heeft aangemeld.

5.95.

Op 22 mei 1968 is de zoon van [eiseres 1] onderzocht door een psycholoog. In het verslag daarvan, dat is opgesteld door de Paula Stichting en aan de Raad Arnhem is gestuurd, is vermeld:

Algemene indruk

[zoon] maakt een kwijnende trieste indruk. Tengevolge van ernstige nerveuze voedingsstoornissen is hij lichamelijk achterop geraakt. Volgens de verzorgsters is er verbetering speurbaar sinds de laatste weken. Psychisch vertoont zijn ontwikkeling een flinke vertraging. (…) Veeleer vertoont [zoon] het uitgesproken beeld van heimweelijden (…)

Conclusie en advies :

Momenteel is [zoon] gezien zijn lichamelijke onderontwikkeling niet adoptabel.

Wij adviseren pleegplaatsing op termijn van twee á drie maanden onder voorwaarde dat zijn algehele gezondheidstoestand vooruit blijft gaan.

Psychisch-emotioneel lijkt [zoon] alleen te aarden in de besloten en vertrouwelijke omgeving van gezin en is zijn huidig gedrag een duidelijk teken van moeder-gemis dat zo spoedig mogelijk dient opgeheven.”

5.96.

Op 3 september 1968 hebben de Raad Arnhem en de medewerkster van K.B.M. telefonisch contact gehad. De notitie van de Raad Arnhem van dit gesprek is als volgt: “Mej.v.L. is een paar dagen na het tel. gesprek met mw. [naam 8] naar de Paula geweest en heeft het kindje gezien, dat de laatste weken flink opgeknapt was. Zij heeft mej. [eiseres 1] niet meer gesproken, wel op 12-8 een briefje geschreven, waarop zij de 14e opbelde om een afspraak te maken. Mej.v.L. was er toen niet en mdr. heeft zich sindsdien steeds aan een afspraak weten te onttrekken. Er is geen begeleiding mogelijk, er gaat niets van deze mdr. uit. Voor het kind doet zij ook niets, gaat er ook niet heen. Zij werkt thans weer in het WG te Amsterdam spaart haar vrije dagen op om lange weekenden thuis te hebben, dus altijd met een vrijdag of een maandag eraan vast en ondanks het verzoek van mej.v.L. om dan op een van die dagen te komen, laat zij niets horen. Mej.v.Leeuwen stelt voor haar nu door de Raad op te laten roepen, in de hoop dat dat meer effect zal sorteren. Mdr. heeft weer contact met de verwekker, buiten medeweten van haar ouders.”

5.97.

Hierna heeft de Raad Arnhem [eiseres 1] uitgenodigd voor een gesprek op zijn kantoor. Op 27 september 1968 heeft [eiseres 1] gesproken met een maatschappelijk medewerkster van de Raad Arnhem . Vervolgens heeft de Raad Arnhem in een rapport geadviseerd om [eiseres 1] te ontheffen van de voogdij over haar zoon. Uit dit rapport, gedateerd 30 september 1968, blijkt dat [eiseres 1] is teruggekomen van haar afstandsbesluit. De Raad schetst de situatie van [eiseres 1] , haar vriend en de mogelijke reactie van haar ouders en vreest een langdurig verblijf van de zoon van [eiseres 1] in de Paula Stichting als geen oplossing wordt gezocht. Het lijkt de Raad op basis van het psychologisch rapport over de zoon van [eiseres 1] beter dat hij zo snel mogelijk in een pleeggezin geplaatst wordt, waarbij hij opmerkt dat dit via een voogdijvereniging misschien te realiseren zal zijn in een gezin, waar ook [eiseres 1] en haar vriend welkom zijn. In het advies is ook vermeld dat [eiseres 1] ermee instemt te worden ontheven van de voogdij ten gunste van een rooms-katholieke voogdijvereniging en dat van de zijde van de Raad Arnhem getracht zal worden [eiseres 1] en haar vriend te verwijzen naar een bureau voor Levens- en Gezinsmoeilijkheden. Het rapport bevat onder meer de volgende passages:
Voorgeschiedenis van moeder:

(…) Moeder wilde aanvankelijk de baby houden, doch besloot in de laatste maanden van de zwangerschap afstand te doen, omdat zij nooit alleen voor het kindje zou kunnen zorgen en het voor het kind ook beter is, wanneer het in een gezin kan opgroeien.

(…)

Door de medewerkers van de St . Paula Stichting werd moeder voor verdere hulp en begeleiding verwezen naar het Katholiek Bureau voor Hulpverlening aan de Niet-Gehuwde Moeder te Arnhem . De contacten met dit bureau verliepen echter zeer moeizaam, doordat moeder zich steeds aan afspraken onttrok.

(…)

Moeder

(…)

Moeder is thans werkzaam in het [bedrijf] te [plaats 6] , alwaar ook de vader van het kind nu woonachtig is.

Met iets van triomf in haar stem vertelde zij, dat hij het andere meisje “heeft laten schieten” en weer bij haar teruggekomen is. Zij hebben het plan in februari te trouwen en dan het kind bij zich nemen.

Als met moeder de moeilijkheden rondom dit plan besproken worden, dan erkent zij dat die er terdege zullen komen, maar tegelijkertijd heeft zij de neiging die uit te stellen: dat zien we dan wel weer.

Nadat moeder de St . Paula Stichting verlaten heeft, heeft zij niet weer het kind bezocht. Zij zegt daar geen gelegenheid voor te hebben gehad , niettegenstaande het feit, dat zij twee dagen in de week vrij is en veelvuldig thuis komt.

Daarbij zou zij angst hebben om zich in de St . Paula Stichting te laten zien: “Het is al zo lang geleden dat ik niet naar hem geïnformeerd heb.”

Moeder zegt, dat zij van meet af aan het gevoel gehad heeft dat zij nooit afstand zou kunnen doen of daar op terug zou komen, als zij weer contact kreeg met de vader van [zoon] . Zij is blij dat “het kind daar bleef liggen”, omdat zij dan geen keus behoefde te maken in de tijd toen zij nog geen zekerheid had omtrent haar vriend.

Moeder vertelde wel zeker van hem te zijn dat hij haar trouwen zal, maar aan de andere kant leeft zij toch nog met het onrustige idee, dat hij haar en tevens een ander meisje ongeveer tegelijkertijd zwanger gemaakt heeft. Dat hij nog niet aan haar ouders is voorgesteld, die hem niet kennen en niet weten dat hij de vader is van haar kind, vindt zij niet vreemd. “Dat komt allemaal nog”. Ook lijkt zij zich geen zorgen te maken over het feit, hoe haar familie zal reageren als zij thuis komt met haar dan eenjarig kind. Deze problemen schuift zij opzij, als nog niet aan de orde zijnde.

Moeder vroeg in dit gesprek of zij naar haar kind zou gaan of niet. Wil zij het bij zich nemen te zijner tijd, dan vindt zij het wel nodig dat [zoon] wat aan haar went. “Alhoewel”, voegde zij er aan toe, “hij toch niet direct bij mij zal kunnen komen, omdat het de vraag is of wij een huis krijgen, zo gauw”.

Moeder heeft het plan, als zij getrouwd is, zeker voor halve dagen te blijven werken: “Hij verdient niet zo veel en de meubels, die we kopen moeten, moeten afbetaald worden en hij moet alimentatie betalen voor het andere kind. [zoon] zal dan een oppas moeten hebben of naar de crèche gebracht moeten worden.”

Het liefst zag moeder – al zei ze dit niet met zoveel woorden – dat de baby voorlopig het eerste jaar in de St . Paula Stichting zou blijven. Wie dan voor de baby opkomt, de onkosten betaalt, was iets waar moeder totaal nog niet aan gedacht had. Zij ging ermee akkoord, dat de Raad hiervoor die stappen zal ondernemen die hem nodig lijken, doch zij is er op tegen dat er via de gemeentelijke sociale dienst betaling gevraagd wordt. Zij wil zich ten gunste van een voogdijvereniging laten ontheffen, mits zij de garantie krijgt dat zij met het gezag bekleed wordt zodra dit kan in het belang van [zoon] .

Moeder zou graag nog eens met haar vriend op het kantoor van de Raad terug komen om te praten over hun verhouding en op welke wijze ze verder moeten gaan op de eenmaal ingeslagen weg.

Het leek, dat moeder door dit gesprek zich wat bewuster is geworden dat er allerlei vraagtekens zijn in haar leven, waarmee zij graag geholpen zal willen worden.

In het volgend gesprek met moeder en haar vriend zal getracht worden hen te verwijzen naar een bureau voor Levens- en Gezinsmoeilijkheden.

Moeder gaf nadrukkelijk te kennen dat dit volgend gesprek – d.d. 5-10-1968 – niet bedoeld is om nog over de ontheffing en voogdijoverdracht te spreken. Zij ziet in, dat zij en de baby op deze wijze het beste geholpen zullen kunnen worden.

Het kind :

Over [zoon] werd op 24-5- 1968 gerapporteerd (…). [zoon] kwam uit dit rapport naar voren als een wat kwijnend triest jongetje (…) Bij telefonische informatie op 27-9-1968 bij de St . Paula Stichting werd verteld, dat [zoon] erg bijgekomen is en nu “een wolk” van een kind is.

Conclusie :

(…)

Aanvankelijk overwoog zij het kind te houden, doch toen haar bleek, dat de verwekker met een ander meisje in ondertrouw was, dat eveneens zwanger door hem geworden is, besloot zij afstand te doen van haar zoontje.

Inmiddels heeft zij weer contact met de verwekker gekregen, waardoor zij terug kwam op haar afstandsbesluit. Moeder hoopt in februari 1969 te trouwen en dan [zoon] bij zich te nemen.

(…)

Moeder heeft op dit moment geen enkele reële oplossing aan haar zoontje te bieden, daarbij lijken haar toekomstplannen nog erg onzeker. (…)

Afgewacht dient tevens te worden hoe haar ouders en verdere familie zullen reageren op moeders vriend als deze wordt voorgesteld, en hoe zal moeders houding zijn als die negatief uitvalt.

Een en ander lijkt zo dubieus, dat mijns inziens gedacht moet worden aan een langdurig verblijf van [zoon] in de inrichting, als voor hem niet iemand anders dan de “ouders” een oplossing zoekt.

Gezien hetgeen [naam 5] in zijn psychologisch rapport over [zoon] schrijft, lijkt het mij toe, dat hoe eerder dit kind in een pleeggezin geplaatst wordt, hoe beter het voor hem is.

(…)

Moeder stemt er mee in, dat zij van de voogdij ontheven wordt ten gunste van een R.K. voogdijvereniging. (…)

Advies:

Gezien het bovenstaande zou ik u willen voorstellen moeder (…) te doen ontheffen van de voogdij over haar zoontje (…).”

5.98.

De Paula Stichting heeft de zoon van [eiseres 1] op 3 oktober 1968 opnieuw door een psycholoog doen onderzoeken. In het onderzoeksrapport van 10 oktober 1968 is vermeld:

Algemene indruk.

[zoon] is sinds het vorige onderzoek d.d. 21-5-’68 sterk vooruit gegaan. De belangrijkste verandering is wel de sterke en stabiele verbetering van zijn stemming. (…)

Conclusie en advies.

[zoon] is een geheel adoptabele baby. Wij adviseren plaatsing op korte termijn in adoptief pleeggezin uit de eenvoudige middengroepen.”

5.99.

De Raad Arnhem heeft bij brief van 11 oktober 1968 de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming verzocht om de voogdij over [zoon] te aanvaarden.

5.100. De adoptiecommissie van de Raad heeft op 11 november 1968 geadviseerd om de verenigingsvoogdij ten aanzien van de zoon van [eiseres 1] te bevorderen.

5.101. De Raad Arnhem heeft daarop bij brief van 21 november 1968 de rechtbank Arnhem verzocht om [eiseres 1] te ontheffen van haar gezag over haar zoon en de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming te benoemen tot voogd over hem. Bij het verzoek zijn (onder andere) het psychologisch rapport van de Paula Stichting en het afstandsrapport van de Raad gevoegd.. In het verzoek wordt ook verzocht om “het rekest vervroegd in behandeling te nemen opdat de voogdijvereniging de plaatsing in een gezin, waarop in het bijgaande psychologisch rapport wordt aangedrongen, zo spoedig mogelijk kan realiseren”.

5.102. Bij beschikking van 4 december 1968 heeft de rechtbank Arnhem de ontheffing van [eiseres 1] van de voogdij uitgesproken en de Nijmeegse R. K. Stichting voor Kinderbescherming benoemd tot voogdes en mevrouw [naam 7] tot toeziend voogdes. De rechtbank overweegt daarbij dat [eiseres 1] zich niet tegen de ontheffing verzet.

De feiten volgens [eiseres 1]

5.103. De Raad Arnhem heeft in het verzoekschrift van 12 maart 1968 aan de rechtbank ten onrechte doen voorkomen dat [eiseres 1] afstand wilde doen van haar kind. Ook is ten onrechte gesuggereerd dat [eiseres 1] geen interesse had in haar zoon en is haar vertrek uit de Paula Stichting – met achterlating van haar zoon – neergezet als een zelfstandige gedraging van [eiseres 1] . [eiseres 1] moest de Paula Stichting slechts enkele dagen na haar bevalling verlaten en had in feite geen andere keuze dan haar zoon daar achter te laten. De Raad Arnhem heeft ten onrechte het verzoek tot ontheffing gepresenteerd als de wens van [eiseres 1] , terwijl de Raad Arnhem toen nooit met haar heeft gesproken en er ook geen enkele schriftelijke verklaring is.

5.104. [eiseres 1] is niet opgeroepen voor en was niet aanwezig bij de zitting van 25 maart 1968. Zij is dus niet gehoord en heeft niet kenbaar kunnen maken aan de rechter dat zij geen afstand wilde doen van haar zoon. De notities hierover in het dossier van de Raad Arnhem en dat van de rechtbank Arnhem destijds zijn onjuist.

5.105. Na haar vertrek uit de Paula Stichting is [eiseres 1] in Amsterdam bij het [bedrijf] gaan werken. Zij heeft zich drie keer tot de gemeente gewend om woonruimte voor haar en haar zoon te vinden. Dat is niet gelukt omdat zij niet in aanmerking kwam voor een urgentieverklaring vanwege het verblijf van haar zoon in de Paula Stichting. De bij de gemeente werkzame ambtenaren hebben haar het gevoel gegeven dat zij haar veroordeelden, omdat zij een ongehuwde moeder was.

5.106. [eiseres 1] heeft in de zomer van 1968 op eigen initiatief contact opgenomen met het K.B.M.. Zij heeft ook direct gebeld nadat het K.B.M. haar geschreven had op 12 augustus 1968 en is daarna ondanks haar verzoek daartoe niet teruggebeld. Zij heeft zich niet “aan iedere afspraak onttrokken”, zoals in de telefoonnotitie van 3 september 1968 van de Raad is vermeld.

5.107. [eiseres 1] heeft zelf het initiatief genomen tot contact met de Raad Arnhem met de uitdrukkelijke wens om zelf voor haar zoon te gaan zorgen. De maatschappelijk werkster van de Raad Arnhem , volgens [eiseres 1] een onprettige, autoritaire vrouw, was niet blij met die wens en zij heeft in het gesprek met [eiseres 1] voorafgaand aan het rapport van de Raad Arnhem van 30 september 1968 op haar ingepraat dat zij haar zoon niet kon verzorgen omdat zij niet getrouwd was en dat afstand het beste was voor haar zoon. De maatschappelijk werkster heeft kenbaar gemaakt dat de vader van de zoon van [eiseres 1] niet zou deugen en ongeschikt zou zijn als vader. Zij zou haar zoon leed aandoen als zij hem bij zich zou nemen. Opnieuw heeft [eiseres 1] de situatie ervaren als een fuik zonder dat zij daadwerkelijk inspraak had. Er is met [eiseres 1] , anders dan in het gespreksverslag staat vermeld, niet gesproken over een voogdijopdracht aan een stichting en een lopende ontheffingsprocedure. [eiseres 1] was zich in het geheel niet bewust van het juridische traject, waarbij de voogdij was geschorst en het voornemen tot definitieve ontheffing bestond. Ook is niet gesproken over de verblijfskosten van haar zoon in de Paula Stichting. Verder is de verslaglegging van de Raad tegenstrijdig met de eerdere berichtgeving van de Paula Stichting en wordt daarin een verkeerd beeld geschetst van [eiseres 1] . Het is ook onjuist voor zover daarin is vermeld dat zij geen gelegenheid had gehad om haar zoon te bezoeken, dat zij twee dagen in de week vrij en veelvuldig thuis was. [eiseres 1] heeft haar zoon op eigen aandringen sinds de zomer van 1968 zo vaak als mogelijk bezocht in de Paula Stichting en wilde ook niets liever dan hem zien. Daarnaast kende haar familie, anders dan het verslag vermeldt, de vader van haar zoon wél en heeft [eiseres 1] het nooit gehad over een trouwdatum in februari 1969.

5.108. [eiseres 1] heeft geen oproep ontvangen voor een zitting en is ook niet gehoord voorafgaand aan de beschikking van de rechtbank Arnhem van 4 december 1968 waarbij zij definitief uit de voogdij is ontheven.

De feiten over de plaatsing in een pleeggezin en adoptie van de zoon van [eiseres 1]

De feiten volgens de dossiers van de Paula Stichting en de Raad Arnhem

5.109. Bij brief van 4 mei 1970 heeft een psycholoog van de Paula Stichting met klem bij de Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming aangedrongen op plaatsing van drie kinderen, waaronder de zoon van [eiseres 1] , die bij de Paula Stichting verbleven en onder verantwoordelijkheid van de Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming vielen. Hij schrijft: “(…) In het ontwikkelingsgebied van de drie kinderen (…) die onder verantwoordelijkheid staan van Uw Stichting, vonden we duidelijke indicaties dat een te lang gerekt verblijf in ons tehuis risico’s met zich brengt voor de verdere ontwikkeling. Ten aanzien van [zoon] was dit het meest uitgesproken. De mogelijkheden van onze tehuis voor werkelijk pedagogische opvang van kinderen boven het jaar zijn te beperkt (…) Wij dringen er bij U dus met klem op aan spoedig een pleeggezin-situatie voor deze kinderen te realiseren. (…)”. Bij brief van 21 mei 1970 stuurt de psycholoog van de Paula Stichting een afschrift van deze brief aan de psychologisch adviseur van de Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming met daarin: “Ik meen dat enige druk door U uitgeoefend op de Stichting zou kunnen bewerken dat op korte termijn voor deze kinderen een pleeggezin-situatie gevonden wordt”.

5.110. De Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming reageert bij brief van 25 mei 1970 aan de Paula Stichting dat zij de noodzaak van overplaatsing van de drie genoemde kinderen onderschrijft en dat zij al bezig is met de voorbereidingen daartoe. Zij vertrouwt erop de overplaatsingen nog deze zomer te kunnen realiseren.

5.111. Bij brief van 29 mei 1970 aan de Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming heeft ook de Raad Arnhem , naar aanleiding van “haast wanhopige berichten” vanuit de Paula Stichting, zijn ernstige bezorgdheid geuit over de eerdergenoemde drie kinderen, waaronder de zoon van [eiseres 1] . Ook is in deze brief vermeld dat [eiseres 1] in juli 1969 definitief afstand heeft gedaan. In de brief staat:

“(…) Baby [zoon] , geboren d.d. 15-2-1968 . Aanvankelijk wilde moeder afstand, kwam er later op terug en dacht in februari 1969 uiterlijk het kind bij zich te kunnen nemen. De zorg voor uw Vereniging ging in op 24-12-1968. In juli 1969, aldus onze berichten, heeft moeder definitief afstand gedaan. Ik weet door uw mededelingen, dat het kind drie weken in februari j.l. in het ziekenhuis opgenomen is geweest en ik vraag me af of ook hier de hospitalisatie niet de grondslag voor leverde.


Hoewel het frustrerend en wellicht in uw oren beledigend zal klinken, vraag ik mij af, of als uw vereniging de kinderen niet of niet goed naar uw mening, kan plaatsen, of u dan niet of de collega-vereniging te Arnhem in de arm moet nemen of FIOM of FIKA. Vanuit het belang van de kinderen gezien zou dit overweging verdienen.”

5.112. Bij brief van 6 oktober 1970 heeft de Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming in reactie op de brief van 29 mei 1970 de Raad Arnhem bericht dat [zoon] zeer binnenkort geplaatst zal worden. Uit die brief blijkt ook dat een eerdere plaatsing op het allerlaatste moment geen doorgang kon vinden omdat de beoogde pleegmoeder zich had teruggetrokken omdat zij zwanger was geworden.

5.113. Op 5 oktober 1970 wordt de zoon van [eiseres 1] geplaatst in het gezin dat hem later zal adopteren. De Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming heeft de Raad Arnhem daarover op 28 oktober 1970 bericht.

5.114. Bij brief van 29 juni 1971 bericht de Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming de Raad Arnhem dat zij de kantonrechter wil verzoeken te worden ontslagen uit de voogdij over de zoon van [eiseres 1] . Zij vraagt om de zienswijze van de Raad over de ontslagaanvraag. Bij deze brief is gevoegd een verslag van het verloop van de uitoefening van de voogdij, met daarin onder meer het volgende:

[zoon]

verbleef op het ogenblik van de ondervoogdijstelling in de Paulastichting te Oosterbeek , waar zijn moeder hem aanvankelijk regelmatig opzocht, met haar verloofde, de verwekker van [zoon] , met wie moeder binnen afzienbare tijd hoopte te trouwen.

In die tijd werd [zoon] een leuk kereltje, dat enorm bij kwam. Door de regelmatige komst van zijn moeder begon hij haar te leren kennen en huilde hij bij haar vertrek. Plotseling bleef moeder weg (± mei 1969) zonder dat ze iets van zich liet horen, noch aan de Paulastichting, noch aan de Vereniging.

Moeders verblijfplaats was onbekend en in verband met geheimhouding van het bestaan van [zoon] konden wij hierbij haar ouders ook niet inschakelen. (…)

Inmiddels echter (oktober 1969) nam moeder kontakt op met onze instelling. Zij gaf te kennen, dat de verkering met de verwekker ten einde was en dat zij daarom in het belang van [zoon] afstand van hem wenste te doen. Moeder heeft in de periode van mei 1969 tot oktober van dat jaar serieus nagedacht over deze beslissing. Dit verklaarde achteraf ook haar houding tegen [zoon] .

In het belang van [zoon] wenste zij hem niet meer te bezoeken, ook niet als hij in het pleeggezin geplaatst zou zijn. Wel stelde moeder als voorwaarde persoonlijk kennis te maken met de pleegouders. (…)

[zoon] was ruim 2 ½ jaar toen hij op 5 oktober 1970 werd geplaatst in het gezin […].

De aanpassing in dit kinderloos gezin, dat liefdevol voor hem open stond, verliep erg goed.

(…) Maakte [zoon] in de Paulastichting soms de indruk van een triest, wat aan heimwee leidend jongetje, momenteel manifesteert hij zich als een blij kind, dat al veel van zijn kwetsbaarheid heeft verloren.

(…)

Moeder (…) Tot op heden heeft moeder met niemand (uitgezonderd haar moeder en zus) over het bestaan van [zoon] gesproken. Of dit mede van invloed is geweest op haar besluit tot afstand te doen is moeilijk te achterhalen, evenzo in hoeverre zij een en ander verwerkt heeft. Wel geeft zij de indruk zeker te zijn van haar beslissing: na plaatsing en de kennismaking die met de pleegouders heeft plaats gevonden voelde zij zich enorm opgelucht. Samen zijn ze overeengekomen dat moeder van belangrijke gebeurtenissen op de hoogte blijft; onze Stichting zal dan als tussenpersoon fungeren.

(…)

Moeder staat achter onze plannen, de voogdij aan de pleegouders op te dragen zij zal te zijner tijd ook meewerken aan adoptie.

Conclusie en advies

(…) Aangezien ook moeder achter een voogdij-overdracht aan pleegouders […] staat, verzoeken wij in het belang van [zoon] om een spoedige verwezenlijking hiervan.”
5.115. Vervolgens zijn met ingang van 3 september 1971 de pleegouders de voogd en voogdes over de zoon van [eiseres 1] geworden. Bij beschikking van 31 oktober 1973 heeft de rechtbank Den Haag de adoptie van de zoon door de pleegouders uitgesproken. In de beschikking is overwogen: “overwegende, dat de moeder van de minderjarige, hoewel terzake behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting is verschenen, doch telefonisch aan de griffie heeft laten weten met de gevraagde adoptie in te stemmen”.

5.116. Op 20 december 1973 heeft de Raad [eiseres 1] bezocht om een akte van berusting te ondertekenen. [eiseres 1] heeft dit document getekend.

5.117. Het adoptievonnis is vervolgens op 23 januari 1974 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand en [eiseres 1] is hiervan op 24 januari 1974 op de hoogte gesteld.

De feiten volgens [eiseres 1]

5.118. In april 1969 is [eiseres 1] gaan werken in Wageningen zodat zij dichter bij haar zoon kon zijn. Zij heeft hem zo vaak als mogelijk opgezocht. Zij kreeg het gevoel dat het aan haar te wijten was dat hij bleef in de trieste omgeving van de Paula Stichting zolang zij hem niet zou afstaan ter adoptie. Haar zoon ging zich steeds meer aan haar hechten, terwijl er geen uitzicht was voor [eiseres 1] om hem bij zich te nemen. Vanaf juli 1969 is zij hem minder frequent gaan bezoeken omdat zij zich realiseerde hij in een ander gezin geplaatst zou moeten worden en zij wilde dat hij zich daar ging hechten. [eiseres 1] herinnert zich dit als een dieptepunt in haar leven. Zij wilde dolgraag voor haar zoon zorgen, maar had daartoe geen praktische mogelijkheden en daarom kon zij niet anders dan – uit liefde voor haar zoon – afstand te doen van haar zoon.

5.119. In oktober 1969 heeft [eiseres 1] er bij de Raad op aangedrongen om zo snel mogelijk een pleeggezin voor haar zoon te zoeken. Haar mededeling aan de Raad Arnhem dat zij niet langer een obstakel wilde zijn en dat zij hoopte dat hij in een gezin zou worden geplaatst waar zij hem kon bezoeken, heeft de Raad Arnhem ter kennisgeving aangenomen. De maatschappelijk werkster heeft opnieuw bevestigd dat afstand doen het beste zou zijn voor de zoon van [eiseres 1] . Nadien heeft [eiseres 1] haar zoon niet meer bezocht, hoewel zij niets liever wilde dan dat wel te doen. In mei 1970 heeft [eiseres 1] een oproep ontvangen in verband met een mogelijke plaatsing van haar zoon in een pleeggezin. Die plaatsing is niet doorgegaan en zij heeft uit vrees dat haar zoon nóg langer in de Paula Stichting moest blijven besloten afstand te doen ter adoptie. In juli 1970 kreeg zij bericht dat een gezin gevonden was en heeft [eiseres 1] met dat gezin kennis kunnen maken, waarna haar zoon uiteindelijk op 5 oktober 1970, toen hij twee jaar en acht maanden oud was, in het gezin is geplaatst dat hem later zou adopteren.

De juridische beoordeling van het handelen van de Raad ten opzichte van [eiseres 1]

De verwijten van [eiseres 1]

5.120. [eiseres 1] stelt zich op het standpunt dat de Raad Arnhem onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld, door

  1. onjuist- en onvolledigheden op te nemen in de rapportages over haar, waardoor een negatief beeld van haar werd geschetst en de rechtbank onjuist en onvolledig werd geïnformeerd;

  2. er actief op aan te sturen dat zij afstand zou doen van haar zoon;

  3. haar te voorzien van onjuiste, of onvolledige informatie over haar mogelijkheden om haar zoon zelf op te voeden;

  4. direct te verzoeken om ontheffing van [eiseres 1] uit de voogdij over haar zoon, en niet (eerst) aan te sturen op een minder vergaande maatregel, zoals een ondertoezichtstelling;

  5. geen, of onvoldoende onderzoek te doen naar haar situatie en die van haar zoon, voordat hij verzocht haar uit de voogdij over haar zoon te ontheffen en niet te controleren of de informatie van de Paula Stichting (waaronder de mededeling dat zij afstand wilde doen van haar zoon) juist was;

  6. niet (voldoende) toe te zien op het handelen van de particuliere hulpverleningsinstanties, in haar geval de Paula Stichting en de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming;

  7. nalatig te zijn in de uitvoering van de verzochte kinderbeschermingsmaatregel, door in de periode waarin de zoon van [eiseres 1] aan hem was toevertrouwd, geen actie te ondernemen, terwijl het als gevolg van het lange verblijf van haar zoon in de Paula Stichting niet goed met hem ging.

De rechtbank overweegt over deze verwijten het volgende.

Ad i.

5.121. [eiseres 1] verwijt de Staat dat de Raad Arnhem in zijn ‘rapportages’ (waarmee zij kennelijk doelt op het raadsrapport van 30 september 1968 en andere stukken uit het raadsdossier) over haar allerlei onjuistheden heeft opgenomen. Zo staat daarin ten onrechte dat [eiseres 1] zich aan alle afspraken zou onttrekken, dat zij haar zoon niet bezocht, dat zij blij was dat haar zoon in de Paula Stichting “bleef liggen”, dat zij niet wilde dat de sociale dienst werd ingeschakeld en dat zij zich van de voogdij wilde laten ontheffen, mits zij later opnieuw met het gezag zou kunnen worden bekleed. Daarmee werd een negatief beeld over haar geschetst en lichtte de Raad Arnhem de rechter onjuist voor. Ook is [eiseres 1] nooit opgeroepen voor een zitting bij de rechtbank, laat staan dat zij tijdens zo’n zitting is verschenen en heeft gezegd dat zij het eens was met de gevraagde ontheffing.

5.122. Ter onderbouwing van haar standpunt dat het raadsrapport en andere stukken uit het raadsdossier onjuistheden bevatten, verwijst [eiseres 1] naar de hiervoor in 5.3 genoemde stukken, waaruit volgens haar blijkt dat de verhalen van afstandsmoeders stelselmatig afwijken van de papieren werkelijkheid zoals die is opgetekend in de verslagen van de Raad voor de Kinderbescherming. Ook heeft [eiseres 1] verklaringen overgelegd van haar dochter en zus. In deze verklaringen staat – kort gezegd – dat [eiseres 1] geschokt was toen zij haar Raadsdossier had ingezien, omdat dit dossier doorspekt is met leugens en onwaarheden.

5.123. De Staat meent dat er geen reden is om aan te nemen dat de Raad Arnhem onjuist heeft gerapporteerd.

5.124. De herinneringen van [eiseres 1] over de feitelijke gang van zaken destijds lopen op veel onderdelen uiteen met de inhoud van het dossier van de Raad Arnhem daarover. Het is voor de rechtbank niet mogelijk om – ruim vijftig jaar later – feitelijk vast te stellen wie van partijen het bij het rechte eind heeft. Het klopt, zoals [eiseres 1] stelt, dat in een aantal publicaties over binnenlandse afstand en adoptie is geconstateerd dat de herinneringen van de betrokken afstandsmoeders vaak op belangrijke punten afwijken van de officiële rapportages uit die tijd. Daarbij past echter de kanttekening dat in geen van die onderzoeken is vastgesteld dat de Raad voor de Kinderbescherming onjuist- en onvolledigheden in zijn stukken opnam en in ieder geval niet bewust. Dat dit in het geval van [eiseres 1] anders was (en dat de betrokken raadsmedewerkster in het raadsrapport aan de rechtbank of in andere stukken [eiseres 1] (bewust) zwart heeft willen maken) kan niet worden vastgesteld.

5.125. Uit het raadsrapport blijkt wel dat de Raad Arnhem weinig heil zag in het (medio 1968 door haar geuite) voornemen van [eiseres 1] om haar zoon zelf op te voeden en een plaatsing in een pleeggezin in zijn belang achtte. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat het raadsrapport de door eiseressen gestelde onjuiste en onvolledige of suggestieve weergave van het gesprek met haar bevat. Ook hiervoor geldt dat zonder concrete aanknopingspunten niet aannemelijk lijkt dat de betrokken raadsmedewerkster/maatschappelijk werkster (bewust) in strijd met de waarheid heeft opgeschreven dat [eiseres 1] ermee instemde dat zij van de voogdij zou worden ontheven en evenmin dat er in het geheel niet over voogdij-overdracht is gesproken, zoals eiseressen stellen.

5.126. Kortom: voor zover de herinneringen van [eiseres 1] over de feiten uiteenlopen met de inhoud van het dossier van de Raad Arnhem daarover, kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen wie van partijen gelijk heeft. In deze gerechtelijke procedure, waarin [eiseres 1] juridische consequenties verbindt aan haar stelling dat de Raad Arnhem bewust onjuistheden over haar in de rapportages heeft opgenomen en onvolledig en suggestief heeft gerapporteerd, komt dat voor risico van [eiseres 1] . Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door [eiseres 1] gestelde feiten, in het licht van de betwisting daarvan door de Staat, onvoldoende om uit te gaan van de juistheid van die feiten. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe.

5.127. Een en ander betekent niet dat aan de schriftelijke informatie van de Raad Arnhem méér betekenis toekomt dan aan de herinneringen en ervaringen van [eiseres 1] over de feitelijke gang van zaken destijds. De rechtbank verwijst naar de voorzichtigheid waarmee de dossiers van destijds moeten worden gelezen en naar het WODC-rapport, waarin is vermeld dat de rapportages uit die tijd vanuit de officiële richtlijnen werden geschreven en te betwijfelen valt of afwijkingen van het protocol ook daadwerkelijk gerapporteerd werden. Omgekeerd kan ook niet worden gezegd dat de herinneringen en de ervaringen van [eiseres 1] prevaleren, alleen al omdát de schriftelijke informatie van de Raad Arnhem op onderdelen daarvan wezenlijk verschilt.

Ad ii., iii., iv.

5.128. Ook Clara Wichmann heeft haar vordering gebaseerd op de verwijten dat de Raad voor de Kinderbescherming stelselmatig aanstuurde op het doen van afstand, afstandsmoeders niet informeerde over hun praktische in juridische mogelijkheden en steevast aanstuurde op een ontheffing, waar ook een ondertoezichtstelling tot de mogelijkheden had behoord. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar wat zij daarover in het kader van de collectieve actie overwoog.

5.129. Dat de Raad Arnhem in het concrete geval van [eiseres 1] – ondanks hetgeen de rechtbank in het kader van de collectieve actie overwoog – onrechtmatig heeft gehandeld, is niet komen vast te staan.

5.130. De rechtbank stelt daarbij vast, voor zover mogelijk op basis van de beschikbare informatie, dat de Raad Arnhem voorafgaand aan het verzoek om een definitieve ontheffing, óók oog heeft gehad voor de wens van [eiseres 1] om haar zoon zelf op te voeden. Volgens het raadsrapport was het de bedoeling dat [eiseres 1] en haar vriend verder met de Raad Arnhem in gesprek zouden gaan en dat de Raad Arnhem hen dan zou verwijzen naar een bureau voor Levens- en Gezinsmoeilijkheden. [eiseres 1] heeft tijdens de zitting verteld dat zij daar nooit is geweest en dat zij niet wist dat zij met hulpvragen kon aankloppen bij een dergelijke instantie. Wellicht is er sprake geweest van een miscommunicatie tussen [eiseres 1] en de Raad Arnhem . Hoe het ook zij: op basis van de beschikbare informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat de Raad Arnhem onrechtmatig nalatig is geweest, door [eiseres 1] niet te wijzen op instanties die haar zouden kunnen helpen om haar wens zelf voor haar kind te zorgen te verwezenlijken. Zoals de rechtbank eerder overwoog was het niet de taak van de Raad Arnhem om [eiseres 1] zelf de praktische hulp te bieden die zij nodig had.

Ad v.

5.131. Anders dan eiseressen stellen, was er geen wettelijke verplichting van de Raad Arnhem om voorafgaand aan zijn verzoek aan de rechtbank om [eiseres 1] te ontheffen uit de voogdij een gesprek met [eiseres 1] aan te gaan. Ook was de Raad Arnhem in dat stadium niet gehouden om zelfstandig onderzoek te verrichten naar de omstandigheden waaronder [eiseres 1] had besloten afstand te doen van haar zoon. Uit niets blijkt dat de Raad Arnhem bij zijn beoordeling of er gronden waren om een kinderbeschermingsmaatregel te treffen, gezien zijn wettelijke taken en bevoegdheden, niet heeft mogen afgaan op het afstandsrapport van de Paula Stichting. Dit rapport vermeldde dat [eiseres 1] haar zoon aanvankelijk wilde houden, maar dat zij later had besloten afstand van hem te doen. De Raad heeft deze informatie ook in zijn verzoek opgenomen.

5.132. Het rapport van de Raad Arnhem van 30 september 1968 en het daarop volgende verzoek van de Raad Arnhem van 21 november 1968 aan de rechtbank, zijn vervolgens gebaseerd op informatie die de Raad Arnhem nadien zelf heeft ingewonnen, door middel van psychologisch onderzoek van de zoon van [eiseres 1] , een telefoongesprek met het K.B.M. en een gesprek met [eiseres 1] zelf.

5.133. Gelet op het voorgaande, in samenhang met wat de rechtbank in het kader van de vordering van Clara Wichmann overwoog, zijn er op basis van de beschikbare informatie onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de Raad Arnhem bij de voorbereiding van de getroffen kinderbeschermingsmaatregelen ten opzichte van [eiseres 1] onrechtmatig heeft gehandeld.

Ad vi.

5.134. Hiervoor is al overwogen dat de Raad voor de Kinderbescherming, en dus ook de Raad Arnhem , een beperkte taak had om toe te zien op particuliere instellingen die hulp boden aan de ongehuwde moeder en haar kind. De Paula Stichting is geen voogdes van de zoon van [eiseres 1] geweest en niet kan worden gezegd dat de Raad Arnhem gedurende de periode waarin de zoon voorlopig aan hem was toevertrouwd (tot 4 december 1968) en de zoon in de Paula Stichting verbleef tekort is geschoten in de uitvoering van zijn wettelijke taken ten opzichte van de Paula Stichting (zie ook hierna bij de bespreking van verwijt vii). Daarbij geldt bovendien ook in het kader van de voorlopige toevertrouwing dat de toezichthoudende taak van de Raad Arnhem op de Paula Stichting niet, althans niet rechtstreeks, strekt tot bescherming van [eiseres 1] . Wat betreft het verwijt aan de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming verwijst de rechtbank verder ook naar de bespreking van verwijt vii.

Ad vii.

5.135. Tot slot verwijt [eiseres 1] de Raad Arnhem dat hij onrechtmatig heeft gehandeld bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen, door geen actie te ondernemen toen men voor haar zoon geen geschikt pleeggezin vond en het met hem niet goed ging.

5.136. Het verblijf van de zoon van [eiseres 1] in de Paula Stichting heeft veel te lang geduurd. Daarover zijn partijen het eens. Dat betekent echter niet dat de Raad Arnhem juridisch verwijtbaar heeft gehandeld ten opzichte van [eiseres 1] als zijn moeder. De Raad Arnhem heeft er gedurende de tijd dat de zoon van [eiseres 1] voorlopig aan hem was toevertrouwd in redelijkheid voor kunnen en mogen kiezen dat de zoon van [eiseres 1] verbleef in de Paula Stichting. De Raad Arnhem is gedurende de periode waarin de zoon van [eiseres 1] onder voogdij van de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming stond ook niet tekortgeschoten in zijn toezichthoudende taak, en zeker niet op een manier die onrechtmatig is ten opzichte van [eiseres 1] als moeder van haar zoon. Uit het psychologisch onderzoek van mei 1968 blijkt dat zijn lange verblijf in de Paula Stichting ernstig nadelige gevolgen heeft gehad voor de ontwikkeling van de zoon van [eiseres 1] . Dat is tragisch en met de kennis van nu is nauwelijks te begrijpen dat de zoon van [eiseres 1] pas na ruim 2,5 jaar in een pleeggezin is geplaatst. Niet is echter gesteld of gebleken dat destijds een beter alternatief beschikbaar was, ook niet in de periode nadat de definitieve ontheffing door de rechter was uitgesproken. Daarbij komt dat uit de beschikbare correspondentie blijkt dat de Raad Arnhem er verschillende keren bij de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming op heeft aangedrongen dat de zoon van [eiseres 1] zo snel mogelijk in een pleeggezin zou worden geplaatst.


Afsluitend

5.137. In het licht van het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de Raad Arnhem onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres 1] . Het is juist – zoals [eiseres 1] stelt – dat de Raad Arnhem zich er niet actief voor heeft ingezet om ervoor te zorgen dat zij haar zoon zelf zou kunnen opvoeden. Gelet op de taken die de Raad voor de Kinderbescherming destijds had, en de afbakening van taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming enerzijds en rol van de private instellingen voor moederzorg anderzijds, leidt dat niet tot het oordeel dat de Raad Arnhem ten opzichte van [eiseres 1] tekort is geschoten.

5.138. De rechtbank merkt verder op dat uit het afstandsrapport blijkt dat de moeder van [eiseres 1] er fel voorstander van was dat [eiseres 1] afstand deed van haar kind. Zij was aanvankelijk de enige die op de hoogte was van de zwangerschap van [eiseres 1] , had haar verblijf in de Paula Stichting geregeld en bekostigde dit verblijf. Haar vader was van de zwangerschap überhaupt niet op de hoogte. [eiseres 1] werd moeder in een periode waarin er een duidelijk stigma rustte op ongehuwde moeders. De rechtbank sluit niet uit dat het feit dat [eiseres 1] geen reële keuzevrijheid had in verband met de afstand van haar zoon, ook in haar geval in ieder geval mede het gevolg is geweest van (informele, normatieve) druk die op haar is uitgeoefend vanuit haar familie en de maatschappij. Die omstandigheid mag, hoe pijnlijk ook, niet uit het oog worden verloren bij de beoordeling van de verwijten die [eiseres 1] de Staat maakt. Ook geldt dat [eiseres 1] destijds meerderjarig was en daarom – in ieder geval juridisch – in staat was om zelfstandig keuzes te maken.

5.139. Niet kan worden vastgesteld dat de Raad Arnhem onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiseres 1] in het kader van de afstand, de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en de latere adoptie, zoals eiseressen stellen. Dit alles laat onverlet dat de gang van zaken destijds uitermate triest is. De tijd kan niet worden teruggedraaid. Het is niet de schuld van [eiseres 1] dat het zo is gelopen en er zijn geen gronden om de Staat daarvoor juridisch verantwoordelijk te houden.

5.140. Ook de vorderingen van [eiseres 1] worden afgewezen.

Proceskosten

5.141. Eiseressen worden als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordeeld in de kosten van de procedure. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op € 1.782, namelijk € 656 aan griffierecht en € 1.126 aan salaris advocaat (2 punten à € 563 per punt, volgens tarief II), te vermeerderen met de volgens het liquidatietarief te begroten nakosten en wettelijke rente zoals door de Staat is gevorderd.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen van [eiseres 1] en Clara Wichmann af;

6.2.

veroordeelt [eiseres 1] en Clara Wichmann hoofdelijk in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Staat begroot op € 1.782 aan tot op heden gemaakte proceskosten, en op € 163 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 85 in geval van betekening, alle kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis, indien [eiseres 1] en Clara Wichmann voormelde kosten niet voordien hebben vergoed, tot de dag van algehele voldoening;

6.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling in 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, mr. J. Brandt en mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021.

1 Wet van 26 januari 1956, Stb. 1956, 42.

2 Wet van 1 mei 1981, houdende regelen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap, Stb. 1981, 257.

3 Het aanmeldpunt Afstand en adoptie in Nederland: vertrouwen is mensenwerk, Rapportage van de Commissie van onafhankelijke deskundigen inzake het onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie onder voorzitterschap van prof. dr. C. Finkenauer.

4 Brief van de Minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 9 november 2021, Kamerstukken II 2020 -2021, 31 265, nr. 97.

5 Er is nu één Raad voor de Kinderbescherming (artikel 1:238 lid 1 BW), sinds 1996 landelijk georganiseerd (Wet van 13 juni 1996, Stb. 1996, 328). Vóór die tijd, sinds 1954, was er in ieder arrondissement een raad voor de kinderbescherming, waarmee er in totaal negentien raden – destijds genoemd voogdijraden – waren (Wet van 24 december 1954, Stb. 1954, 602). Hierna wordt in navolging van partijen gesproken over “de Raad voor de Kinderbescherming”, waarmee gedoeld wordt op de negentien raden voor de kinderbescherming destijds.

6 E. Smits-van Waesberghe “Zwartboek Adoptie – een schoot vol tranen” (Blaricum, 2020) en C. Don “Afstandsmoeders, Over vrouwen die gedwongen hun kind afstonden 1956-1984” ( Amsterdam , 2021).

7 HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635.

8 Wet van 31 oktober 1924, houdende voorschriften nopens de verjaring van geldvorderingen ten laste van het Rijk, de provinciën, de gemeenten en de waterschappen en veenpolders, Stb. 1924, 482.

9 Artikel 2004 BW (oud) in verbinding met de artikelen 73 en 68a Overgangswet Nieuw BW en artikel 3:310 lid 1 BW.

10 Gerechtshof Den Haag 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2524 en ECLI:NL:GHDHA:2019:2525.

11 Rechtbank Den Haag 1 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:782 en 25 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8895 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:8895).

12 EHRM 13 juni 1979, ECLI:NL:XX:1979:AC3090, Marckx vs België.

13 Wet van 24 december 1997 tot herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie, Stb. 1997, 772.

14 Artikelen 335, 336 en 380 van de Wet van 10 juli 1947 (Stb. H 232), omgenummerd in 1969 tot de artikelen 221, 222, en 287 BW (Beschikking van de Minister van Justitie houdende vaststelling van de nieuwe nummering van het nieuwe Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en plaatsing van de bijgewerkte tekst van dat boek in het Staatsblad, Stb. 1969, 257).

15 Asser-Wiarda I-1, 1957 en Asser-De Ruiter I-1, 1974.

16 De relevante taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming in de periode 1956-1984 zijn vastgelegd in de artikelen 461 tot en met 461e BW (oud) in verbinding met de artikelen 419-425 BW (oud) over ontzetting en ontheffing en artikel 418 BW (oud) over ondertoezichtstelling en de artikelen 389 tot en met 417a BW (oud) over de voogdij en toeziende voogdij. Deze artikelen zijn in 1969 omgenummerd tot de artikelen 238 tot en met 243 BW (oud) in verbinding met artikel 266-278 BW (oud) over ontzetting en ontheffing en artikel 326 BW (oud) over ondertoezichtstelling en de artikelen 295 tot en met 325 BW (oud) over de voogdij en toeziende voogdij.

17 Vgl. artikel 355 BW (oud), omgenummerd in 1969 tot artikel 245 BW.

18 Artikel 365 BW (oud), omgenummerd in 1969 tot artikel 254 BW.

19 Artikel 370 BW (oud), omgenummerd in 1969 tot artikel 259 BW.

20 Artikel 374 BW (oud), omgenummerd in 1969 tot artikel 266 BW.

21 EHRM 26 mei 1994, ECLI:NL:XX:1994:AD2111, NJ 199/247 (https://www.navigator.nl/document/id5219940526nj1995247dosred?idp=LegalIntelligence), Keegan vs Ierland.

22 Vergelijk EHRM 8 juli 1987, ECLI:NL:XX:1987:AC0468, NJ 1988/828, I.W. vs Verenigd Koninkrijk, EHRM 6 oktober 2015, 58455/13, EHRC 2015/239, N.P. vs Moldavië en ook de conclusie van PG R.H. de Bock van 12 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1059.

23 EHRM 13 juni 1979, ECLI:NL:XX:1979:AC3090, Marckx vs België.

24 Wet van 26 januari 1956, houdende invoering van de mogelijkheid van adoptie en wijziging, in verband daarmede, van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafrecht, Stb. 1956, 42, zoals gewijzigd bij wet van 11 december 1958, houdende vaststelling van Boek 1 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de titels 9 en 10, Stb. 1958, 590 en ingevoerd bij Invoeringswet Boek 1 nieuw B.W. (wet van 3 april 1969, Stb. 167) en in werking getreden bij besluit van 4 juni 1969, Stb. 1969, 256. Sinds 1 januari 1970 is de adoptie geregeld in de artikelen 1:227-1:229 BW.

25 Zie naast de publicaties die eiseressen hebben overgelegd onder meer Astrid Werdmuller, de geschiedenis van afstand ter adoptie, www.fiom.nl.

26 H.F. Heijmans en dr. C.J.B.J. Trimbos, De niet-gehuwde moeder en haar kind, Hilversum (1964), p. 338.

27 Zie over dit onderzoek H.Ph. Milikowski, Toleren of accepteren?, Tijdschrift voor Maatschappelijk Werk, 1969, afl. 23.

28 Vergelijk in deze zin mr. A.M.J. Post, kinderrechter in Zutphen, in een inleiding bij een algemene vergadering van de F.I.O.M. in 1962.