Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2022:3650

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-04-2022
Datum publicatie
25-04-2022
Zaaknummer
C/09/607828 / HA ZA 21-189
Rechtsgebieden
Strafrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Transactie ex art. 74 Sr. Vordering verdachte tot vernietiging transactie wegens bedrog/dwaling afgewezen. Burgerlijk Wetboek niet rechtstreeks op de strafrechtelijke overeenkomst toepasbaar. Geen schending beginselen behoorlijke strafrechtspleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/607828 / HA ZA 21-189

Vonnis van 20 april 2022

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.Ph. de Korte te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Hoe deze procedure is verlopen blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 december 2020;

  • -

    de akte overlegging producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 5 januari 2022 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;

  • -

    de akte wijziging eis, tevens akte overlegging en toelichting producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 4 maart 2022 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Zij zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging kenbaar te maken. Mr. De Korte heeft bij brief van 21 maart 2022 opmerkingen gemaakt namens [eiser] . Mr. Bitter heeft bij brief van 21 maart 2022 namens de Staat opmerkingen gemaakt. De rechtbank neemt (alleen) de in deze brieven vervatte opmerkingen over de verslaglegging van de zitting mee in haar beoordeling.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is voormalig bestuurder van OV-bedrijven Qbuzz B.V. en Abellio Nederland B.V., dat bestuurder en enig aandeelhouder is van Abellio Limburg B.V. Deze

vennootschappen zijn onderdeel van NS Groep N.V.

2.2.

Naar aanleiding van een openbare aanbesteding in 2014 van de OV-concessie in Limburg zijn, kort samengevat, verdenkingen gerezen van strafbare feiten. Het strafrechtelijk onderzoek ‘[X]’ is in april 2015 gestart op basis van verdenking van valsheid in geschrift. Dat is later aangevuld met verdenking van het delen van bedrijfsgeheimen en van niet-ambtelijke corruptie en witwassen.

2.3.

[eiser] werd in dit kader verdacht van feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht (Sr)), niet-ambtelijke omkoping (artikel 328ter Sr) en schending van bedrijfsgeheimen (artikel 273 Sr). Schending van bedrijfsgeheimen is een klachtdelict. Dat is een delict waarbij de verdachte pas vervolgd kan worden als het slachtoffer van het delict zelf heeft aangegeven strafrechtelijke vervolging te wensen.

2.4.

Tot de stukken in het strafdossier waarover [eiser] vanaf augustus 2015 beschikte, behoorden twee processen-verbaal van aangifte van Veolia (in de persoon van haar HR-directeur), van 7 mei 2015 en van 11 juni 2015. In het proces-verbaal van 7 mei 2015 stond niet dat de aangeefster een klacht wenste in te dienen. Het proces-verbaal van 11 juni 2015 is een aanvullend proces-verbaal van aangifte, dat is opgemaakt naar aanleiding van het gesprek met de HR-directeur van Veolia op 7 mei 2015. In het proces-verbaal van 11 juni 2015 (hierna: het klachtdocument) is opgenomen dat de aangeefster zou hebben gezegd: “Ik doe klacht en wens dat er een strafvervolging wordt ingesteld.”

2.5.

Op 15 oktober 2015 hebben [eiser] en het NS-concern een overeenkomst gesloten op grond waarvan de tussen hen bestaande arbeidsrelatie per 1 maart 2016 werd beëindigd. Reden hiervoor was de tegen [eiser] bestaande verdenking.

2.6.

Op 15 februari 2016 heeft [eiser] in zijn strafzaak het eindproces-verbaal van 18 januari 2016 ontvangen. Hierin is onder meer vermeld: “Op 7 mei 2015 en 11 juni 2015 heeft Veolia aangifte gedaan respectievelijk een klacht ingediend en gevraagd om strafvervolging in te stellen.”

2.7.

Vanaf half mei 2016 heeft overleg tussen het openbaar ministerie en (de raadsman van) [eiser] plaatsgevonden over een alternatieve afdoening van de strafzaak tegen hem. Het openbaar ministerie was bereid een alternatieve vorm van afdoening te overwegen, omdat uit het onderzoek was gebleken dat [eiser] niet actief bij de feiten was betrokken. Zijn rol werd daarmee door het openbaar ministerie als minder ernstig beoordeeld dan die van zijn medebestuurders.

2.8.

Medio 2016 heeft een beoogde nieuwe werkgever van [eiser] ervan afgezien om hem in dienst te nemen in verband met de tegen hem bestaande verdenking.

2.9.

Op 14 november 2016 heeft het openbaar ministerie aan [eiser] een transactie als bedoeld in artikel 74 Sr aangeboden voor schending van bedrijfsgeheimen, inhoudende betaling van een bedrag van € 30.000 binnen twaalf weken. Onderdeel van het transactieaanbod was voorts dat [eiser] geen aanspraak zou maken op schadevergoeding. Ook zou in de strafzaak op een regiezitting publiekelijk verantwoording worden afgelegd over de afdoening. Verder zou [eiser] volgens het transactieaanbod 120 uur werk moeten verrichten. Over (details van) het transactieaanbod is vervolgens overleg geweest tussen het openbaar ministerie en de raadsman van [eiser] .

2.10.

Ondertussen was een aantal medeverdachten van [eiser] door het openbaar ministerie gedagvaard. In de strafzaak tegen verdachte NS Groep N.V. heeft de verdediging bij brief van 16 november 2016 onderzoekswensen geformuleerd in verband met de inhoud en totstandkoming van de aangifte. Vervolgens heeft nader onderzoek bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. In dat kader zijn in mei 2017 de HR-directeur van Veolia en de verbalisant die het klachtdocument had opgemaakt gehoord.

2.11.

Op 16 december 2016 is het transactieaanbod door het openbaar ministerie in zijn definitieve vorm aan [eiser] verstuurd. [eiser] heeft dit vervolgens geaccepteerd. Op 20 december 2016 heeft de raadsman van [eiser] het transactieaanbod dat [eiser] op 19 december 2016 had ondertekend (hierna: de transactie) retour gezonden aan het openbaar ministerie. Op het door hem ondertekende stuk heeft [eiser] handmatig bijgeschreven: “Ik heb me aan geen enkel strafbaar feit schuldig gemaakt, maar gegeven de situatie kan ik niet anders dan de transactie accepteren. Iedere maand langer werkeloos maakt de kans op een nieuwe baan kleiner.”

2.12.

De begeleidende brief van de raadsman van [eiser] van 20 december 2016 vermeldt onder meer: “Namens cliënt benadruk ik dat hij ontkent zich aan een strafbaar feit te hebben schuldig gemaakt. Dat hij niettemin uw transactieaanbod aanvaardt, is enkel ingegeven door het feit dat hij als gevolg van het onderhavige strafrechtelijke onderzoek substantiële schade heeft geleden, en hij zich niet kan permitteren die schade nog verder te laten oplopen door het transactieaanbod niet te aanvaarden en dus te worden geconfronteerd met de door u alsdan aangekondigde dagvaarding en openbare berechting, hoe die ook uitvalt. Meer specifiek: cliënt is zijn werk en zijn inkomen kwijtgeraakt en iedere dag langer werkloos maakt de kans op een nieuwe werkkring kleiner. In feite heeft hij geen keus. Ik heb u deze situatie eerder uitvoerig uiteengezet en mondeling en schriftelijk toegelicht, waarnaar ik wel mag verwijzen.”

2.13.

In januari, februari en maart 2017 heeft [eiser] aan zijn verplichtingen uit hoofde van de transactie voldaan. Daarmee is de strafzaak tegen [eiser] op de voet van artikel 74 lid 1 Sr geëindigd.

2.14.

Per 1 mei 2017 is [eiser] gaan werken als financieel directeur bij een bedrijf. Nadat het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag [eiser] had bericht dat het voornemens was de aanvraag voor een verklaring omtrent gedrag (hierna: VOG) af te wijzen, heeft het bedrijf de arbeidsrelatie met [eiser] op 15 mei 2017 beëindigd. Op 22 juni 2017 volgde, na bezwaar van [eiser] , de definitieve beslissing met de afwijzing van de VOG. Reden voor de afwijzing was het bestaan van de transactie die voorkwam in het Justitieel Documentatie Systeem.

2.15.

Op 21 december 2017 heeft de rechtbank Oost-Brabant in verschillende zaken tegen medeverdachten van [eiser] vonnis gewezen.1 De rechtbank heeft de officieren van justitie niet-ontvankelijk verklaard in hun vervolging voor de schending van bedrijfsgeheimen en de verdachten van de overige tenlastegelegde feiten vrijgesproken. De rechtbank overwoog voor wat betreft de schending van bedrijfsgeheimen dat het tweede proces-verbaal van aangifte (van 11 juni 2015) in strijd met de waarheid was opgemaakt. Het tweede proces-verbaal van aangifte moest als een vals klachtdocument worden aangemerkt en moest daarmee als onbetrouwbaar worden bestempeld en van het bewijs worden uitgesloten. De rechtbank achtte een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens onherstelbaar vormverzuim als sanctie niet op haar plaats, omdat niet was gebleken van verhullen door politie en openbaar ministerie in de aanloop naar de getuigenverhoren en van boos opzet aan de zijde van politie en openbaar ministerie. De rechtbank was evenwel van oordeel dat niet was voldaan aan het klachtvereiste, omdat niet was gebleken van een onmiskenbare bedoeling bij aangeefster dat degene tegen wie aangifte werd gedaan zou worden vervolgd. Daarmee ontbrak de bevoegdheid van het openbaar ministerie tot vervolging voor schending van bedrijfsgeheimen. Op die grond heeft de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor dit tenlastegelegde feit.

2.16.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 21 december 2017.

2.17.

Naar aanleiding van de vonnissen van 21 december 2017 heeft [eiser] zich tot het openbaar ministerie gewend en verlangd dat het openbaar ministerie, kort gezegd, de

transactie ongedaan zou maken, omdat [eiser] door de vonnissen op de hoogte was geraakt van de valsheid van het klachtdocument en hij van oordeel was dat het openbaar ministerie hem vanwege die valsheid geen transactieaanbod had mogen doen, althans niet onder dezelfde voorwaarden. Het openbaar ministerie heeft geweigerd de transactie ongedaan te maken.

2.18.

Eind 2017 heeft [eiser] weer een betaalde baan gevonden. Sindsdien is hij werkzaam als controller.

2.19.

In november 2020 heeft het openbaar ministerie het hoger beroep ingetrokken. In een persbericht van 13 november 2020 heeft het openbaar ministerie toegelicht dat de feiten waarvan de meeste verdachten werden verdacht niet bewijsbaar werden geacht en dat betrokkenen daarnaast, op basis van hun handelen en hun positie, al zodanige gevolgen hadden ondervonden dat het doorzetten van het hoger beroep niet opportuun werd geacht.

2.20.

Bij brief van 7 december 2020 heeft de advocaat van [eiser] de Staat onder toezending van een concept-dagvaarding bericht (kort gezegd) dat [eiser] gerechtelijke vernietiging vordert van de transactie op grond van bedrog dan wel dwaling. Ook maakt [eiser] jegens de Staat aanspraak op vergoeding van schade als gevolg van het strafrechtelijk onderzoek ‘[X]’, het opmaken van het valse klachtdocument van 11 juni 2015, het opmaken van het valse eindproces-verbaal van 18 januari 2016, het verhullen althans verzwijgen dat deze documenten vals waren en het [eiser] laten aangaan van de transactie van 19 december 2016.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat en na eiswijziging:

  1. de transactie te vernietigen en de Staat te gebieden alle daarop gebaseerde (rechts)handelingen ongedaan te maken;

  2. de Staat te veroordelen om binnen vijf dagen na de datum van vonnis een bedrag van € 30.000 aan [eiser] te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente;

  3. de Staat te veroordelen om binnen vijf dagen na de datum van vonnis een bedrag van € 10.000, althans een bedrag van € 6.300 of een door de rechtbank vast te stellen bedrag, wegens de 120 uur verrichte arbeid aan [eiser] te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente;

  4. voor recht te verklaren dat de Staat een onrechtmatige daad jegens [eiser] heeft gepleegd en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg daarvan heeft geleden, waaronder als gevolg van het opmaken van het valse klachtdocument, het nemen van vervolgingsmaatregelen tegen [eiser] op grond van dat valse klachtdocument, het opmaken van het valse eindproces-verbaal, het verhullen althans verzwijgen dat deze documenten vals waren en het [eiser] laten aangaan van de transactie, op te maken bij staat;

  5. de Staat te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

  6. de Staat te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag, kort samengevat.

Het openbaar ministerie heeft [eiser] opzettelijk de onjuiste mededeling gedaan dat er terzake van de verdenking van de schending van bedrijfsgeheimen door de aangeefster een klacht zou zijn ingediend, althans heeft het openbaar ministerie opzettelijk verzwegen dat er géén klacht was ingediend. Door deze kunstgreep heeft het openbaar ministerie [eiser] ertoe bewogen de transactie aan te gaan. Indien het openbaar ministerie [eiser] naar waarheid had voorgehouden dat er geen klacht was ingediend, dan hadden er geen vervolgingshandelingen kunnen plaatsvinden en was [eiser] nimmer de transactie aangegaan, althans niet op dezelfde voorwaarden. Daarmee is sprake van bedrog en is de transactie om die reden vernietigbaar. Daarnaast is sprake van een dwaling aan de zijde van [eiser] die is te wijten aan de onjuiste inlichting van het openbaar ministerie in het proces-verbaal van 11 juni 2015 dat de aangeefster een klacht wenste in te dienen, althans het openbaar ministerie had [eiser] naar waarheid behoren in te lichten dat er géén klacht was ingediend. Ook om deze reden is de transactie vernietigbaar.

Door de vernietiging van de transactie komt de rechtsgrond te ontvallen aan de betaling van € 30.000 die [eiser] op grond van de transactie heeft verricht. [eiser] vordert dit bedrag dan ook terug als onverschuldigd betaald. Daarnaast heeft hij recht op een compensatie van € 10.000 voor de 120 uur werk die hij op grond van de transactie heeft verricht. Subsidiair is de Staat ongerechtvaardigd verrijkt door de betaling van € 30.000 en de 120 uur onbetaalde arbeid die [eiser] heeft verricht.

Daarnaast heeft [eiser] een vordering op de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad. De onrechtmatige gedraging van de Staat is gelegen in het (laten) opmaken van het klachtdocument van 11 juni 2015 en het eindproces-verbaal van 18 januari 2016 in strijd met de waarheid en het nemen van vervolgingsmaatregelen tegen [eiser] op basis daarvan. De onrechtmatige gedraging is de Staat alleen al gelet op het opzettelijke karakter ervan zonder meer toerekenbaar. [eiser] heeft door de onrechtmatige gedragingen van de Staat aanzienlijke schade geleden. Door het jegens [eiser] op grond van het valse klachtdocument ingestelde strafrechtelijke onderzoek is [eiser] zijn baan bij het NS-concern kwijtgeraakt. Dit onderzoek heeft [eisers] carrièreperspectieven en verdiencapaciteit verder ernstig geweld aangedaan.

3.3.

De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De burgerlijke rechter is bevoegd tot kennisneming van de vorderingen. [eiser] kan in zijn vorderingen ook worden ontvangen, nu voor hetgeen hij met zijn vorderingen beoogt geen andere, met voldoende waarborgen omklede, rechtsgang openstaat. Dit is tussen partijen overigens niet in geschil.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat een transactie in de zin van artikel 74 Sr een eigensoortige, strafrechtelijke overeenkomst is. Aangezien de transactie geen overeenkomst is in de civielrechtelijke betekenis, zijn de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) die zien op de totstandkoming en inhoud van een overeenkomst niet rechtstreeks op de transactie toepasbaar.2 Vernietiging van de transactie op grond van artikel 3:44 lid 2 BW (bedrog) dan wel artikel 6:228 BW (dwaling) is daarom niet aan de orde. Voor het privaatrecht kan een aanvullende rol zijn weggelegd als (bijvoorbeeld) vragen omtrent de totstandkoming van een transactie rijzen die niet aan de hand van de strafrechtelijke normering kunnen worden beantwoord, mits daarbij de aard van de strafrechtelijke rechtsbetrekking in acht wordt genomen en deze zich daartegen niet verzet.3 Dit betekent dat hooguit kan worden bezien of bij de totstandkoming van de transactie de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging in acht zijn genomen, hetgeen mogelijk moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad van de Staat. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.3.

[eiser] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de Staat geen feiten en omstandigheden aangedragen waaruit valt af te leiden dat het openbaar ministerie hem opzettelijk de onjuiste mededeling gedaan dat er ter zake van de verdenking van de schending van bedrijfsgeheimen door de aangeefster een klacht zou zijn ingediend, althans dat het openbaar ministerie opzettelijk heeft verzwegen dat er géén klacht was ingediend. Uit de beschikbare documentatie uit de periode van het overleg tussen [eiser] en de Staat over een alternatieve afdoening van zijn strafzaak, vanaf half mei 2016, en het moment waarop het openbaar ministerie zijn definitieve transactieaanbod aan [eiser] deed, 16 december 2016, kan niet worden afgeleid dat het openbaar ministerie er toen van op de hoogte was dat het tweede proces-verbaal van aangifte in strijd met de waarheid was opgemaakt. Het gegeven dat op 16 november 2016 namens verdachte NS Groep N.V. onderzoekwensen waren ingediend in verband met de inhoud en totstandkoming van de aangifte, maakt dit niet anders. De formulering van de onderzoekswensen is algemeen en neutraal en wijst niet op een vermoeden van het opmaken van het proces-verbaal in strijd met de waarheid. Daar komt bij dat de rechtbank Oost-Brabant in haar vonnissen van 21 december 2017 als volgt heeft geoordeeld: “Er is niet gebleken dat politie en openbaar ministerie in de aanloop naar de getuigenverhoren de gang van zaken omtrent het vals klachtdocument hebben willen verhullen of anderszins het onderzoek naar de gang van zaken rondom de aangifte/klacht hebben willen tegenwerken. Het boos opzet die de verdediging aan de zijde van de politie en openbaar ministerie in de gang van zaken vermoedt - met stelligheid weersproken door de officieren van justitie - vindt geen steun in het dossier. De enkele omstandigheid dat de officieren van justitie zich aanvankelijk hebben verzet tegen het horen van de direct bij het opnemen van de aangifte van [aangeefster] betrokken personen acht de rechtbank niet voldoende om een dergelijke vooropgezette bedoeling aan te nemen. Het valse klachtdocument heeft in de procedure ook overigens geen bepalende rol vervuld. De rechtbank is van oordeel dat de gang van zaken rondom het vormverzuim, bezien in het licht van het strafproces als geheel, geen afbreuk heeft gedaan aan het recht op een eerlijk proces voor verdachte.” In de onderhavige civiele procedure zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die ten aanzien van [eiser] een andere conclusie rechtvaardigen. De door [eiser] bedoelde ‘kunstgreep’ is daarmee niet komen vast te staan.

4.4.

Het ontbreken van een klacht, waardoor geen vervolgingshandelingen voor schending van bedrijfsgeheimen konden plaatsvinden, betekent nog niet dat het openbaar ministerie de transactie met [eiser] ongedaan moest maken. Het strafrechtelijk onderzoek was immers ingezet op basis van de verdenking van valsheid in geschrift. [eiser] spreekt dit ook niet tegen. Valsheid in geschrift is geen klachtdelict, zodat het openbaar ministerie tegen [eiser] opsporingsonderzoek had kunnen verrichten ongeacht de vraag of er klacht was gedaan voor de schending van bedrijfsgeheimen.

4.5.

Tijdens de strafzaken die hebben geleid tot de vonnissen van 21 december 2017 heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat ondanks de valsheid van het klachtdocument was voldaan aan het klachtvereiste ter zake van de verdenking van schending van bedrijfsgeheimen. Het gegeven dat de rechtbank dat standpunt niet heeft gevolgd en tot een ander oordeel is gekomen, betekent niet dat het openbaar ministerie achteraf onzorgvuldig handelen valt te verwijten doordat het [eiser] een transactie heeft aangeboden. Dat het standpunt van het openbaar ministerie over het klachtvereiste op voorhand evident onhoudbaar was, wordt door [eiser] overigens niet gesteld.

In zoverre verschilt de zaak van [eiser] dus niet van andere strafzaken waarin een of meer verdachten ook een transactie is aangeboden en waarin andere verdachten worden berecht en het niet tot een veroordeling komt.

4.6.

Niet gebleken is dat het openbaar ministerie bij het aanvaarden van het transactieaanbod druk op [eiser] heeft uitgeoefend, bovenop de druk die nu eenmaal eigen is aan een strafvervolging. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat het initiatief tot een alternatieve afdoening van de strafzaak van [eiser] is uitgegaan. Zijn handgeschreven opmerking op het ondertekende transactieaanbod en de begeleidende brief van zijn advocaat wijzen erop dat het beëindigen van zijn werkloosheid voor [eiser] de belangrijkste drijfveer is geweest om, ongeacht de uitkomst van een berechting door de strafrechter, de strafvervolging zo snel mogelijk te doen eindigen. In de aard van een transactie als de onderhavige ligt besloten dat een berechting anders had kunnen aflopen. In positieve zin voor degene die een transactieaanbod aanvaardt (vrijspraak) en in negatieve zin (veroordeling). [eiser] , die rechtsbijstand van een advocaat had, zal in dit opzicht de goede en kwade kansen van een berechting hebben gewogen en is, om hem moverende redenen, tot de beslissing gekomen om het transactieaanbod te aanvaarden. Met juistheid betoogt de Staat dat de omstandigheid dat medeverdachten wel worden berecht, omdat zij geen transactieaanbod hebben willen aanvaarden of omdat het openbaar ministerie hen geen transactieaanbod heeft gedaan, en vervolgens niet worden veroordeeld, niet betekent dat het openbaar ministerie onrechtmatig handelen valt te verwijten als het vervolgens niet wil terugkomen op een afgeronde transactie in hetzelfde strafrechtelijke onderzoek.

4.7.

Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat het openbaar ministerie de beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging heeft miskend bij de vervolging van [eiser] en de totstandkoming van de transactie. Van een verhullen of verzwijgen van de valsheid van het klachtdocument en het eindproces-verbaal door het openbaar ministerie is geen sprake geweest. Onder deze omstandigheden handelt het openbaar ministerie dan ook niet onrechtmatig door niet mee te werken aan ongedaanmaking van de transactie.

4.8.

De uitkomst van het voorgaande is dat de onder A gevorderde vernietiging van de transactie zal worden afgewezen. De rechtsgrond voor de betaling van € 30.000 en de 120 uur onbetaalde arbeid blijft in stand. Van een onverschuldigde betaling door [eiser] of van een ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de Staat is daarmee geen sprake. Dat betekent dat ook de onder B gevorderde terugbetaling en de onder C gevorderde compensatie zullen worden afgewezen.

4.9.

Met de door hem onder D gevorderde verklaring voor recht en verwijzing naar de schadestaatprocedure verwijt [eiser] het openbaar ministerie (i) het opmaken van het valse klachtdocument, (ii) het nemen van vervolgingsmaatregelen tegen [eiser] op grond van dat valse klachtdocument, (iii) het opmaken van het valse eindproces-verbaal, (iv) het verhullen althans verzwijgen dat deze documenten vals waren en (v) het [eiser] laten aangaan van de transactie.

4.10.

Uit hetgeen hiervoor al is overwogen, volgt dat de onder (ii), (iv) en (v) bedoelde verwijten geen doel treffen. Voor wat betreft de verwijten met betrekking tot (i) het opmaken van het valse klachtdocument en (iii) het opmaken van het valse eindproces-verbaal volgt uit de stukken niet dat het openbaar ministerie zelf het klachtdocument of het eindproces-verbaal heeft opgemaakt of zou hebben laten opmaken. [eiser] heeft voorts geen feiten en omstandigheden gesteld die maken dat aan het openbaar ministerie de kennis kan worden toegerekend die aanwezig was bij de politie, maar waar het openbaar ministerie nog niets van wist. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank hetgeen de rechtbank Oost-Brabant in de vonnissen in de strafzaak van 21 december 2017 op dit punt heeft overwogen (zie 4.3). De verwijten (i) en (iii) gaan dus evenmin op. Daarnaast miskent [eiser] met zijn vordering onder D dat een gewezen verdachte die een transactie heeft aanvaard zich naderhand niet met succes op het standpunt kan stellen dat zich onrechtmatigheden in het strafrechtelijk onderzoek hebben voorgedaan en dat hij daarvoor de Staat alsnog aansprakelijk kan houden. [eiser] heeft niet concreet toegelicht waarom dat wel zou kunnen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiser] uitdrukkelijk heeft ingestemd met de transactievoorwaarde dat hij geen aanspraak zou maken op schadevergoeding.

4.11.

Op dit alles stuit de onder D gevorderde verklaring voor recht af.

Slotsom en proceskosten

4.12.

Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] , als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van de Staat die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 3.466,00, waarvan € 2.076,00 aan griffierecht en € 1.390,00 (2,0 punten × tarief € 695,00) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op vandaag begroot op € 3.466,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken door mr. P. Dondorp, rolrechter, op 20 april 2022.4

1 Zie onder meer ECLI:NL:RBOBR:2017:6647.

2 Vgl. rechtbank Den Haag 30 januari 2008 (ECLI:NL:RBDHA:2008:BC3361) en rechtbank Den Haag 25 juli 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:9536).

3 J.H. Crijns: De strafrechtelijke overeenkomst: de rechtsbetrekking met het Openbaar Ministerie op het grensvlak van publiek- en privaatrecht, Deventer 2010, p. 553-554.

4 type: 1324