Farmers Defence Force vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I te verstaan, dat Farmers Defence Force haar onderhavige vorderingen tot immateriële schadevergoeding jegens de Staat en [gedaagde] in verband met de competentiegrens van de kantonrechter en om proceseconomische redenen maximeert op € 25.000,00 per eisende partij, met inbegrip van de op de dag der dagvaarding verschenen wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten;
II te verklaren, dat de Staat en [gedaagde] jegens Farmers Defence Force onrechtmatig hebben gehandeld, namelijk in strijd met artikel 17 IVBPR, artikel 8 EVRM, artikel 7 Handvest Grondrechten EU, artikel 10 Gw en artikel 1.3 Aanwijzing opsporingsberichtgeving, althans hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, door met de gewraakte uitlatingen de eer en goede naam van Farmers Defence Force aan te tasten, terwijl een (deugdelijke) feitelijke onderbouwing ontbreekt;
III de Staat en [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele betaling, dat één en ander met dien verstande, dat als de één tot betaling mocht overgaan, de ander in zoverre zal zijn bevrijd;
IV de Staat en [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de stichting te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van dat bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele betaling, dat één en ander met dien verstande, dat als de één tot betaling mocht overgaan, de ander in zoverre zal zijn bevrijd;
V de Staat en [gedaagde] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en gebruikelijke nakosten, dat één en ander met dien verstande, dat als de één tot betaling mocht overgaan, de ander in zoverre zal zijn bevrijd.