4 De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, zal de rechtbank deze gezamenlijk bespreken.
4.2.
Partijen hebben 32 jaar een relatie met elkaar gehad. Gedurende hun relatie hebben zij financiële afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een samenlevingsovereenkomst. Die afspraken hebben 18 jaar gegolden, maar partijen hebben die afspraken tijdens hun samenleving niet altijd nageleefd. Zo hebben zij (zoals overigens in relaties vaak gebeurt) niet scherp afgebakend hoe de verhouding van hun inkomsten was, om zo te bepalen wie welk deel van de kosten van de huishouding voor zijn rekening zou moeten nemen. Ook hebben zij het gedeelte van hun inkomsten, dat niet werd besteed aan het huishouden, niet ieder jaar met elkaar verrekend.
4.3.
Nu partijen uit elkaar zijn, willen zij beiden zo veel mogelijk “gerechtigheid”. Desgevraagd hebben zij ter zitting verklaard dat zij daarmee bedoelen dat recht gedaan moet worden aan de afspraken die zij hebben gemaakt in het samenlevingscontract. Complicerende factor daarbij is echter dat zij die afspraken ieder verschillend uitleggen. Bovendien is gebleken dat partijen geen van beiden bereid zijn de ander iets te gunnen. Dat resulteert erin dat partijen in deze procedure niet minder dan 41 vorderingen aan de rechtbank hebben voorgelegd, terwijl het procesdossier 11 orders aan papier beslaat. Daarnaast is er nog een procedure aanhangig bij team familie én een bij team kanton van deze rechtbank.
4.4.
Een bijkomende complicatie is dat een groot aantal vorderingen van partijen betrekking heeft op de kosten van de huishouding en de verrekening van overgespaarde inkomsten. Zoals de rechtbank hiervoor overwoog (zie 4.2), hebben partijen de afspraken die zij daarover in hun samenlevingscontract hebben gemaakt, gedurende hun relatie niet nageleefd. Uit dit vonnis zal blijken dat het voor de rechtbank nagenoeg onmogelijk is om nu nog te reconstrueren hoe de financiële handel en wandel van partijen gedurende hun – lange – relatie is geweest. Dat betekent dat de rechtbank in dit vonnis stevige knopen zal moeten doorhakken, waarbij partijen over en weer op punten in het ongelijk gesteld zullen worden. Het staat partijen vanzelfsprekend vrij de beslissingen van de rechtbank in hoger beroep aan de orde te stellen. Gelet echter op het feit dat partijen ter zitting beiden hebben verzucht dat zij ieder een modaal jaarsalaris aan advocaatkosten hebben uitgegeven en dat zij graag van de zaak af willen, geeft de rechtbank partijen dringend in overweging om de geschilpunten, die na dit vonnis resteren, in overleg op te lossen.
De samenlevingsovereenkomst
4.5.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van de vorderingen van partijen het volgende voorop. Partijen zijn niet met elkaar getrouwd geweest. Daarom is titel 6 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet van toepassing en moet op basis van het algemene vermogensrecht worden vastgesteld welke mogelijke rechten en verplichtingen er tussen partijen bestaan. Partijen hebben wel samenlevingsovereenkomsten gesloten. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een samenlevingsovereenkomst moet worden uitgelegd conform de zogenoemde Haviltex-maatstaf (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2931). Een samenlevingsovereenkomst is in het algemeen een duurovereenkomst. Voor de uitleg hiervan is niet alleen het moment van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst van belang, maar ook de wijze waarop partijen in de loop van de tijd invulling aan de samenlevingsovereenkomst hebben gegeven (HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741).
4.6.
Een overeenkomst kan stilzwijgend tot stand komen, maar kan ook stilzwijgend van inhoud veranderen op grond van de feitelijk tussen partijen bestaande situatie, die zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld (HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9539 en HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876). De rechtbank houdt bij de uitleg van de notariële samenlevingsovereenkomst daarom rekening met de wijze waarop partijen zich hebben gedragen en invulling hebben gegeven aan de tussen hen bestaande rechtsverhouding.
4.7.
De rechtsbetrekking tussen informeel samenwonenden (zonder contract) en formeel samenwonenden (met een contract) wordt mede beheerst door de redelijkheid en billijkheid (HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707). Wat redelijk en billijk is, hangt af van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De rechtsbetrekking tussen samenwonenden kan op basis van de redelijkheid en billijkheid worden aangevuld of beperkt.
4.8.
De rechtbank zal hierna de vorderingen die partijen hebben ingediend beoordelen in het licht van de hiervoor genoemde uitgangspunten. Daarbij zal zij, zo nodig, per geschilpunt de relevante feiten uiteen zetten.
4.9.
De vrouw heeft één dag voor de comparitie van partijen een conclusie van antwoord in reconventie / toelichting eiswijziging ingediend. Deze conclusie bevat ook een toelichting op de eiswijziging van de vrouw, die zij twee weken voorafgaand aan de zitting bij akte (zonder toelichting) indiende. De man heeft hiertegen geprotesteerd, en heeft ook in zijn akte na comparitie verzocht het processtuk van de vrouw buiten beschouwing te laten. Ter zitting heeft de rechtbank reeds beslist dat zij de conclusie van de vrouw wel toelaat. Deze beslissing is ook in het proces-verbaal van de comparitie opgenomen. De man is vervolgens nog in de gelegenheid gesteld om na de zitting een akte te nemen in reactie op de nieuwe stellingen van de vrouw. Van deze mogelijkheid heeft de man ook gebruik gemaakt: zijn akte beslaat 119 pagina’s en bevat 40 producties. Van een “onevenwichtig speelveld” is dus, anders dan de man stelt, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De conclusie van de vrouw maakt dus onderdeel uit van het procesdossier.
4.10.
In zijn akte na comparitie heeft de man zijn vordering vermeerderd, in die zin dat hij nu ook vordert dat de vrouw op grond van artikel 13 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst wordt veroordeeld tot het betalen van een boete ter hoogte van de helft van de koopsom van de woning. De man was alleen in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op de gewijzigde eis van de vrouw en op de door haar ingediende producties. Aan de man is geen toestemming gegeven zijn eis te wijzigen of vermeerderen. Daarbij komt dat niet is gesteld of gebleken dat de man deze eis niet eerder had kunnen indienen. Nu bovendien de vrouw niet op de eiswijziging heeft kunnen reageren, zal de rechtbank dit gedeelte van de vordering van de man (3.4 onder XVIII) als in strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing laten.
Ontbinding samenlevingsovereenkomsten en peildatum
4.11.
Partijen zijn het erover eens dat de samenlevingsovereenkomsten per
6 april 2018 zijn ontbonden. Deze datum geldt daarom als peildatum voor de omvang en samenstelling van de te verrekenen (of te verdelen) vermogensbestanddelen.
Kosten van de huishouding
4.12.
In artikel 3 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat partijen naar rato van hun inkomen moeten bijdragen in de kosten van de huishouding. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw tussen 2005 en 2018 € 84.648 minder aan de kosten van de huishouding heeft bijgedragen dan op grond van de afspraken van partijen had gemoeten. Hij vordert dat de vrouw wordt veroordeeld dit bedrag aan hem te betalen (3.4 onder XII). Ook de vrouw stelt zich op het standpunt dat zij méér heeft bijgedragen dan waartoe zij op grond van de samenlevingsovereenkomst gehouden was, al is het de rechtbank niet duidelijk of zij daaraan ook een vordering verbindt. Hoe dan ook: naar het oordeel van de rechtbank heeft geen van partijen voldoende gesteld om te kunnen vaststellen dat zij nog een vorderingsrecht hebben op de ander. Daartoe geldt het volgende.
4.13.
Partijen stellen allebei dat zij meer hebben bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe zij gehouden waren. Zij zijn het er echter niet over eens over wat precies kosten van de huishouding zijn en wat niet, over de omvang van die kosten gedurende de samenleving, over wie welk deel van de kosten van de huishouding heeft voldaan en over de vraag of de inkomsten uit arbeid voldoende waren om de kosten van de huishouding te betalen. Partijen hebben – naar de rechtbank aanneemt juist ter voorkoming van deze discussiepunten – in hun samenlevingsovereenkomst afspraken gemaakt. Zij hebben daarin in grote lijnen afgesproken wat “onder meer” kosten van de huishouding zijn. Zij hebben ook afgesproken dat de kosten van de huishouding door partijen worden betaald naar rato van hun inkomen en (als dat inkomen onvoldoende is) naar rato van hun vermogen. Partijen hebben echter jarenlang een gemeenschappelijke huishouding gevoerd zonder uitvoering te geven aan hun afspraken in de samenlevingsovereenkomst. Zij hebben naast de indicatieve opsomming in de samenlevingsovereenkomst niet afgesproken wat verder onder de kosten van de huishouding viel en partijen hebben (na de geboorte van hun kinderen) nagenoeg nooit verrekend, wat vanwege het ontbreken van een sluitende definitie van het begrip “kosten van de huishouding” een extra complicerende factor is.
4.14.
In deze procedure willen partijen alsnog uitvoering geven aan de afspraken over de kosten van de huishouding in de samenlevingsovereenkomst en proberen zij ieder voor zich te reconstrueren dat zij te veel hebben bijgedragen aan de kosten van de huishouding. Een dergelijke reconstructie kan alleen leiden tot een geslaagde vergoedingsvordering van degene die (naar verhouding) het meest heeft bijgedragen, als de rechtbank kan vaststellen:
- -
welke kosten golden als kosten van de huishouding;
- -
hoe hoog deze kosten maandelijks waren;
- -
hoe hoog de netto inkomens van partijen maandelijks waren;
- -
wie feitelijk wat heeft bijgedragen aan de huishoudelijke kosten en hoeveel partijen, gelet op de verhouding van hun inkomens, eigenlijk moesten bijdragen;
- -
of de inkomsten voldoende waren om de huishoudelijke kosten te betalen en zo nee, in hoeverre die kosten ten laste van het vermogen van een partij zijn gekomen of moesten komen.
4.15.
Nu iedere partij stelt dat hij teveel heeft bijgedragen (en de man daaraan ook een vordering verbindt), moeten zij ieder voor zich voldoende feiten en omstandigheden stellen en onderbouwen (en zo nodig ook bewijzen) om de in 4.14 genoemde vragen te beantwoorden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft geen van partijen dit gedaan. Partijen betwisten over en weer elkaars stellingen over wat, naast de opgesomde lijst van kosten in de samenlevingsovereenkomst, onder de kosten van de huishouding viel. De rechtbank zou daarover weliswaar een beslissing kunnen nemen (waarbij dan in ieder geval geldt dat beide partijen ten onrechte allerlei kosten die op grond van artikel 3 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst en/of het normale gebruik kosten van de huishouding zijn, aanmerken als privé-uitgaven van de ander, zodat de overzichten van partijen alleen al om die reden niet kunnen dienen ter onderbouwing van hun vordering), maar ook dan zouden de vorderingen van partijen niet kunnen worden toegewezen. Partijen hebben namelijk ook geen uitsplitsing per maand gemaakt van de kosten van de huishouding en van hun in de betreffende periode relevante inkomsten, en hebben evenmin inzichtelijk gemaakt hoe en door wie de maandelijkse uitgaven feitelijk zijn betaald. De rechtbank realiseert zich dat het na een samenleving van 28 jaar nagenoeg onmogelijk is om precies te reconstrueren hoe een en ander is gelopen, maar als partijen na zoveel jaar alsnog willen afrekenen, wordt wel van hen verlangd dat zij een heel precies en kloppend overzicht aanleveren. Dat hebben zij nagelaten. Nu partijen onvoldoende hebben gesteld, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De vorderingen van beide partijen worden afgewezen.
4.16.
Bij deze stand van zaken hoeft het standpunt van de vrouw dat het vorderingsrecht van de man is komen te vervallen dan wel is verjaard, dat de man zijn rechten heeft verwerkt of dat sprake is van een natuurlijke verbintenis, geen bespreking. De rechtbank zal dan ook de vordering van de vrouw om voor recht verklaren dat het recht van de man om de eventueel te veel door hem betaalde kosten van de de huishouding van haar te vorderen is komen te vervallen (3.1 onder VII), afwijzen.
Verrekening van overgespaarde inkomsten
4.17.
Partijen zijn het er niet over eens hoe zij uitvoering moeten geven aan het in artikel 3 lid 5 van de samenlevingsovereenkomst neergelegde periodieke verrekenbeding. Niet in geschil is dat partijen (al dan niet met uitzondering van de eerste twee jaar na het aangaan van de samenlevingsovereenkomst) niet jaarlijks met elkaar hebben verrekend. Partijen zijn het er ook over eens dat de verrekenplicht is geëindigd op 6 april 2018.
4.18.
Als meest verstrekkende verweer voert de man aan dat het recht van de vrouw om verrekening te vorderen is vervallen. Hij wijst erop dat artikel 3 lid 6 van de samenlevingsovereenkomst, in samenhang gelezen met artikel 3 lid 3 van die overeenkomst, een vervaltermijn van zes maanden na ontbinding van de samenlevingsovereenkomst bevat en dat de vrouw de verrekenvordering te laat heeft ingesteld. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet opgaat. Vast staat immers dat de vrouw de man op 9 juli 2018 heeft gedagvaard en dat zij daarbij heeft gevorderd dat de man in verband met niet verrekende overgespaarde inkomsten aan haar nog een nader te bepalen bedrag moet betalen. De vrouw heeft haar aanspraak dus ruim binnen de contractuele vervaltermijn geldend gemaakt.
verrekening vanaf 1 januari 2007
4.19.
De rechtbank volgt de man wel in zijn stelling dat partijen zijn overeengekomen dat tussen [datum 1] 2001 en 1 januari 2007 verrekening van overgespaard inkomen achterwege blijft.
4.20.
Uit het door de man overgelegde verslag van het viergesprek van 20 augustus 2018 en de schriftelijke reactie daarop van de vrouw blijkt dat partijen tijdens deze bespreking zijn overeengekomen dat over de periode tussen [datum 1] 2001 en 1 januari 2007 geen verrekening van mogelijk overgespaard inkomen zal plaatsvinden, nu de vrouw niet meer beschikt over bankafschriften van voor 2007 en de man geen bankafschriften van voor 2004 meer heeft. Deze partijafspraak staat dus vast, zodat de rechtbank dan ook alleen kan oordelen over eventuele verrekenplichten tussen 1 januari 2007 en 6 april 2018. De stelling van de man dat op grond van artikel 1:139 BW eerste lid in samenhang gelezen met artikel 1:138 BW tweede lid opheffing van de wederzijdse verplichting tot verrekening over de periode van [datum 1] 2001 tot 1 januari 2007 moet plaatsvinden omdat de vrouw niet meer over administratie over deze periode beschikt, hoeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer besproken te worden.
analoge toepassing van artikel 1:141 lid 3 BW?
4.21.
Partijen zijn het er niet over eens welk vermogen voor verrekening in aanmerking komt. De vrouw stelt zich op het standpunt dat artikel 1:141 lid 3 BW in deze situatie analoog moet worden toegepast en dat dus het gehele vermogen van de man op 6 april 2018 in de verrekening moet worden betrokken. De man bestrijdt dat.
4.22.
Artikel 1:141 BW is geschreven voor de situatie dat partijen zijn getrouwd onder huwelijkse voorwaarden, houdende een periodiek verrekenbeding. Het artikel is een codificatie van de uitleg van verrekenbedingen die door de Hoge Raad daaraan in een reeks uitspraken is gegeven. De uitleg van de Hoge Raad is daarmee nog steeds van belang. De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 19 januari 1996 (NJ 1996, 617) ten aanzien van een periodiek verrekenbeding overwogen: “Laten partijen tijdens het bestaan van het huwelijk verrekening van het overgespaarde achterwege, hetgeen (…) de praktijk zal zijn, en blijft het recht tot verrekening bestaan, dan brengt een uitleg naar redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van het beding mee dat bij het einde van het huwelijk ook de vermogensvermeerdering, ontstaan door belegging van hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld gebleven, in de verrekening wordt betrokken.”
4.23.
De rechtbank Noord-Nederland heeft in haar vonnis van 1 juli 2015 (ECLI:NL:RBNNE:2015:6340) bepaald dat in beginsel, in het geval partijen ongehuwd hebben samengewoond, geen aanleiding bestaat voor analoge toepassing van artikel 1:141 lid 3 BW. De rechtbank is echter van oordeel dat dat in dit geval anders is. In de zaak die bij de rechtbank Noord-Nederland speelde, ging het om een samenlevingsovereenkomst waarin de verrekenvorderingen tijdens de samenwoning konden verjaren. Daarnaast was in dat geval in de samenlevingsovereenkomst opgenomen dat in geen geval meer kon worden gevorderd dan verdeling van het nominaal bespaarde bedrag. Partijen hebben in artikel 3 lid 6, in samenhang gelezen met artikel 3 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst, afgesproken dat het recht tot het vorderen van verrekening een half jaar na de ontbinding van de samenlevingsovereenkomst vervalt. Verrekenvorderingen kunnen dus in het geval van partijen niet verjaren tijdens de samenwoning. Daarnaast hebben partijen in artikel 3 lid 7 van de samenlevingsovereenkomst opgenomen dat als in enig kalenderjaar geen verrekening plaatsvindt, bij latere verrekening de waardeveranderingen van het vermogen waarin de niet-verrekende bedragen zijn belegd, moet worden meegenomen. Deze zogenoemde “beleggingsleer” heeft ook ten grondslag gelegen aan artikel 1:141 lid 3 BW. Hieruit en uit de omstandigheid dat partijen ook voor wat betreft het bepalen van de alimentatie en de verrekening van de pensioenen zijn aangesloten bij de regels die daarvoor gelden in het geval van een huwelijk, leidt de rechtbank af dat partijen vanaf de geboorte van hun eerste kind een periodiek verrekenbeding hebben willen overeenkomen die gelijke rechten en plichten zou laten ontstaan als artikel 1:141 lid 3 BW.
4.24.
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het gehele vermogen dat aanwezig was op 6 april 2018, minus het vermogen dat al aanwezig was op 1 januari 2007 en het vermogen waarvan duidelijk is dat dit in periode [datum 1] 2001 tot 6 april 2018 is geërfd of geschonken of is gefinancierd met privévermogen, vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen tussen partijen verrekend had moeten worden. Dit betekent dat de man, nu hij stelt dat een deel van het op 6 april 2018 aanwezige vermogen door hem aangebracht vermogen betreft, gefinancierd is met aangebracht vermogen of krachtens schenking is verkregen, dit moet aantonen. Het is dus aan de man om aannemelijk te maken dat de waarde van een bepaald goed op de peildatum niet is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden.
overzicht saldi spaarrekening man
4.25.
De man heeft financiële jaaroverzichten van de Rabobank overgelegd en daaruit blijkt dat hij in de periode tussen 1 januari 2007 en 1 januari 2018 op zijn spaarrekening bij de Rabobank het volgende vermogen had:
1-1-2007: € 31.244,92
1-1-2008: € 28.000,55
1-1-2009: € 26.506,09
1-1-2010: € 32.194,10
1-1-2011: € 30.221,23
1-1-2012: € 32.258,74
1-1-2013: € 31.202,54
1-1-2014: € 22.513,49
1-1-2015: € 20.001,86
1-1-2016: € 10.553,33
1-1-2017: € 12.054,51
1-1-2018: € 18.063,28
4.26.
Hieruit concludeert de rechtbank dat het spaargeld van de man tussen 1 januari 2007 (het moment waarop de verrekenverplichting op grond van de nadere afspraken van partijen inging) en 1 januari 2013 heeft geschommeld rond de € 30.000. Een duidelijke vermindering in zijn spaargeld is vervolgens zichtbaar in de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2016. Daarna stijgt zijn spaargeld weer. Nu niet gesteld noch gebleken is dat de man in de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2016 (privé)investeringen heeft gedaan die de daling van zijn privévermogen in dat betreffende jaar overtreffen dan wel schenkingen, erfenissen of andere bedragen heeft ontvangen die niet behoorden tot zijn inkomen, gaat de rechtbank ervan uit dat de kosten van de huishouding in deze periode hoger waren dan de inkomsten van partijen en dat de man daar met zijn eigen vermogen aan heeft moeten bijdragen, zoals ook afgesproken is in de samenlevingsovereenkomst. Dit betekent dat investeringen die in deze periode zijn gedaan niet zijn betaald met overgespaard inkomen maar dat de man deze investeringen heeft betaald vanuit zijn privévermogen. De rechtbank komt daarop later terug.
te verrekenen vermogensbestanddelen
4.27.
Partijen zijn het er over eens dat zij op 6 april 2018 de volgende vermogensbestanddelen bezaten:
-
de garage;
-
de Renault Clio;
-
een bankspaarrekening bij de Rabobank;
-
een bankbetaalrekening bij de Rabobank;
-
de lijfrentepolis;
-
de oldtimer Borgward;
-
de snorfiets Cita;
-
de Mazda Miata;
-
de Fiat 500L;
-
de scooter Sym Fiddle 2.
aan de zijde van de vrouw:
een bankspaarrekening bij de Rabobank;
een bankbetaalrekening bij de Rabobank.
4.28.
Zij zijn het er echter niet volledig over eens of en in hoeverre de vermogensbestanddelen van de man voor verrekening in aanmerking komen. De rechtbank overweegt als volgt.
4.29.
De man stelt dat de garage, die in 2016 is aangekocht, voor de helft is gefinancierd met een schenking van zijn vader van € 12.500 en voor de andere helft met privévermogen, zodat dit geen te verrekenen vermogensbestanddeel betreft. De vrouw betwist dit en stelt dat de man de helft van het aankoopbedrag van de garage heeft geleend van zijn vader en dat hij de garage voor het overige deel heeft gefinancierd met overgespaard inkomen.
4.30.
Uit een bankafschrift van 22 augustus 2016 blijkt dat de man op 10 augustus 2016 € 12.500 heeft ontvangen van zijn vader onder de vermelding “50 procent deelname in aankoop garagebox. Onderlinge afspraken worden op papier gezet”. De man heeft in deze procedure een verklaring van zijn vader overgelegd, ondertekend op 12 augustus 2016, waaruit blijkt dat vader de man € 12.500 heeft geschonken voor de aankoop van de garage. De vrouw heeft er echter terecht op gewezen dat uit de door de man in het geding gebrachte bankafschriften blijkt dat de man periodiek bedragen overmaakte naar zijn vader met daarbij de tekst “Gedeeltelijke aflossing lening Garage [plaats 2] ”, met daarbij een vermelding van het op dat moment nog openstaande bedrag van de lening. De man heeft vervolgens niet uitgelegd hoe de door hem gestelde schenking zich verhoudt met de door hem betaalde aflossingen op een lening. Daarmee heeft de man niet voldoende onderbouwd dat de garage (deels) is gefinancierd met een schenking.
4.31.
Voor wat betreft de andere helft van de aankoopprijs heeft de man niet aangetoond dat hij dit bedrag heeft betaald vanuit vermogen dat niet behoort tot het verrekenbare vermogen. Ook uit de hiervoor onder 4.25 genoemde financiële jaaroverzichten blijkt niet dat het spaargeld van de man in 2016 met een dergelijk bedrag is gedaald. Hieruit is juist op te maken dat in dit jaar zijn spaargeld weer is toegenomen, wat erop zou kunnen duiden dat er weer sprake van overgespaard inkomen was en dat dus de aanschaf van de garage hieruit betaald kon worden.
4.32.
Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de garage – met inachtneming van hetgeen de rechtbank overweegt in 4.34 – behoort tot het te verrekenen vermogen.
4.33.
Partijen zijn het niet eens over de waarde van de garage op 6 april 2018. De vrouw stelt die waarde op € 32.500, omdat de man de garage in maart 2020 voor dat bedrag te koop aanbood. De man stelt dat voor de waardering van de garage moet worden uitgegaan van de aanschafwaarde (€ 22.500) minus de schenking (€ 12.500) dus van € 10.000, en subsidiair van de op 6 april 2018 geldende WOZ-waarde van € 26.000.
De rechtbank is met de man van mening dat voor het bepalen van de waarde van de garage op 6 april 2018 niet kan worden uitgegaan van de vraagprijs van de garage in 2020. Nu de vrouw geen enkel aanknopingspunt heeft verschaft voor de waarde van de garage per de peildatum, en de door de man genoemde WOZ-waarde de rechtbank niet onredelijk voorkomt (ook gelet op de vraagprijs van de garage in 2020), zal de rechtbank ervan uitgaan dat de garage op 6 april 2018 € 26.000 waard was.
4.34.
Uit de door partijen in het geding gebrachte bankafschriften leidt de rechtbank het volgende af. De laatste (voor de rechtbank kenbare) aflossing die de man heeft gedaan op de lening van zijn vader, dateert van 3 april 2018 (dus vlak vóór de peildatum). Deze aflossing vermeldt “Aflossing lening garage [plaats 2] , nog € 5.000 resterend”. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat op 6 april 2018 nog een schuld van € 5.000 open stond bij de vader van de man. Nu de vrouw meedeelt in de waarde van de garage, moet zij ook meedelen in de schuld die voor het verkrijgen van de garage is aangegaan.
4.35.
Dit betekent dat de garage voor (€ 26.000 – € 5.000 = ) € 21.000 zal worden betrokken in de verrekening. Dit betekent dat de man € 10.500 aan de vrouw moet betalen.
4.36.
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de Clio een gemeenschappelijk goed is omdat er sprake is van zaaksvervanging. Zij voert daartoe aan dat de Rover, die partijen bezaten bij het sluiten van de samenlevingsovereenkomst, gemeenschappelijk was en dat dit dus ook geldt voor alle auto’s die ter vervanging van de Rover zijn gekocht, waaronder de Clio. Subsidiair stelt de vrouw dat de man de helft van de waarde op 6 april 2018 aan haar moet vergoeden omdat de Clio is gefinancierd met overgespaard inkomen.
4.37.
De man betwist dat de Clio gemeenschappelijk eigendom is of dat deze is gefinancierd met overgespaard inkomen. Hij stelt dat de Clio privévermogen betreft dan wel dat de aanschaf van de auto valt onder de kosten van de huishouding. De Clio kan volgens hem niet worden beschouwd als zaaksvervanging voor de Rover omdat de vrouw nooit heeft bijgedragen in de kosten en afschrijving van alle opvolgende auto’s. Daarnaast heeft hij de verkoopopbrengst van de Clio gebruikt voor de kosten van de kinderen, waaraan de vrouw niets heeft bijgedragen.
4.38.
Uit de overgelegde stukken is de rechtbank het volgende gebleken. Bij het aangaan van de samenlevingsovereenkomst beschikten partijen over een Rover en op grond van artikel 4 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst was deze auto gemeenschappelijk eigendom van partijen. Uit een door de man overgelegd overzicht, dat niet door de vrouw is betwist, blijkt dat de Rover op 7 januari 2005 is verkocht voor een bedrag van € 4.900 en door middel van een bijbetaling van € 2.269 is ingeruild voor een Ford Fiësta. Deze Ford Fiësta is vervolgens in 2010 met bijbetaling ingeruild voor een Fiat en deze Fiat is in 2016 met bijbetaling ingeruild voor de Clio. De laatste drie auto’s stonden alleen op naam van de man en uit door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat de bijbetalingen zijn betaald vanaf zijn privébankrekening.
4.39.
Op grond van artikel 3:167 BW behoren goederen die geacht moeten worden in de plaats van een gemeenschappelijk goed te treden tot de gemeenschap. De rechtbank is van oordeel dat, omdat de Ford Fiesta in de plaats is gekomen van de Rover en deze beide auto’s door het gezin zijn gebruikt, sprake is van zaaksvervanging. De rechtbank gaat ervan uit dat de bijbetaling die in 2005 is gedaan, is betaald door de man uit zijn privévermogen omdat partijen zijn overeengekomen alleen het overgespaard inkomen na 1 januari 2007 te verrekenen. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet kunnen aantonen dat de bijbetalingen die in 2010 en 2016 zijn gedaan niet zijn betaald met inkomen dat anders zou zijn overgespaard (zie 4.25 en 4.26). Ook de opvolgende auto’s (en dus ook de Clio) worden daarom geacht gemeenschappelijk te zijn.
4.40.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man alleen ten aanzien van het bedrag dat hij in 2005 vanuit zijn privévermogen heeft bijbetaald voor de gemeenschappelijke auto, te weten een bedrag van € 2.269, een vergoedingsrecht heeft gekregen. Aangezien op dat moment de nominaliteitsleer de geldende vergoedingsleer was, is de rechtbank van oordeel dat de man recht heeft op een bedrag van € 2.269 en dat dit bedrag ten laste moet komen van de waarde van de Clio op 6 april 2018 en dat vervolgens het restant van de waarde door partijen gedeeld moet worden.
4.41.
De vrouw stelt dat de Clio op 6 april 2018 € 9.750 waard was en onderbouwt dit met de Koerslijst van de ANWB. Vast staat dat de man de Clio in januari 2019 heeft verkocht voor € 7.500. Waaraan de man dit geld vervolgens heeft besteed doet in het kader van de verrekening niet ter zake. Nu partijen na 6 april 2018 ieder nog voor de helft van de tijd (de vrouw van 6 april 2018 tot 1 september 2018 en de man van 1 september 2018 tot januari 2019) met uitsluiting van de ander gebruik hebben gemaakt van de Clio (en partijen dus een even groot aandeel hebben gehad in de waardevermindering tussen het moment van uiteengaan en de verkoop), acht de rechtbank het redelijk om voor de waarde van de Clio uit te gaan van de verkoopopbrengst in januari 2019, te weten € 7.500.
In verband met het hiervoor vastgestelde vergoedingsrecht van de man is de rechtbank van oordeel dat de man een bedrag van (€ 7.500 -/- € 2.269 ÷ 2 =) € 2.615,50 aan de vrouw moet betalen.
ad c) spaarrekening man (… [.1] )
4.42.
De vrouw stelt dat al het vermogen van de man dat op 6 april 2018 op zijn spaarrekening aanwezig was, overgespaard inkomen betreft. De man betwist dat en stelt dat het gehele saldo op de peildatum privévermogen is. De rechtbank stelt vast dat het saldo dat op 1 januari 2007 op de rekening stond, privévermogen van de man was. Partijen hebben immers afgesproken dat zij pas vanaf dat moment zouden gaan verrekenen. Niet in geschil is echter dat er na 1 januari 2007 op de spaarrekening van de man geld is gestort, dat verrekend moest worden. Daarmee is het privévermogen van de man vermengd geraakt met overgespaarde inkomsten. Het eventuele privévermogen van de man is daardoor niet meer te herleiden. Dat betekent dat aangenomen moet worden dat het gehele saldo op de spaarrekening van de man behoort tot het te verrekenen vermogen. Geen van partijen heeft zich uitgelaten over de hoogte van dit saldo. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man de helft van het saldo van de spaarrekening op 6 april 2018 aan de vrouw.
ad d) betaalrekening man (… [.2] )
4.43.
Net als voor de spaarrekening van de man het geval is (zie 4.42), is het privévermogen dat op 1 januari 2007 op de betaalrekening van de man stond, vermengd geraakt met overgespaard inkomen. Dit betekent dat ook het saldo van de betaalrekening van de man op 6 april 2018 in de verrekening moet worden betrokken. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van dat saldo: de vrouw becijfert het op € 3.929,73, de man op € 936. Uit de door de man overgelegde bankafschriften blijkt dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum € 934,16 bedroeg. Dit betekent dat de man de helft daarvan, te weten € 467,08, aan de vrouw moet betalen.
4.44.
De rechtbank zal de lijfrentepolis en de vraag of de waarde daarvan voor verrekening (of verdeling) in aanmerking komt, onder 4.101 en 4.102 behandelen.
ad f) oldtimer Borgward
ad g) snorfiets Cita
4.45.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat de Borgward en Cita aan de man zijn geschonken en dat deze dus geen onderdeel uitmaken van het te verrekenen vermogen.
4.46.
De man heeft de Mazda Miata in 1997 geïmporteerd uit Amerika. Hij heeft deze auto in december 2008 verkocht aan een collega voor € 3.000 en heeft deze vervolgens in september 2015 weer teruggekocht voor € 2.400. De vrouw stelt dat de man deze auto heeft teruggekocht met overgespaard inkomen en dat de waarde van de auto dus in de verrekening moet worden betrokken. De man betwist dit en stelt dat hij de verkoopopbrengst heeft gebruikt om de auto weer terug te kopen. Daarnaast stelt de man dat de Mazda op 6 april 2018 alleen nog emotionele waarde vertegenwoordigt. Nu de rechtbank heeft vastgesteld (zie 4.25 en 4.26) dat partijen in 2015 geen inkomsten hebben overgespaard, is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende heeft aangetoond dat de Mazda niet behoort tot het te verrekenen vermogen. Gelet op de “geschiedenis” van de Mazda (te weten het feit dat deze jarenlang tot het privévermogen van de man behoorde, vervolgens door hem is verkocht en daarna weer is teruggekocht), acht de rechtbank dit ook alleszins redelijk.
4.47.
De man stelt dat deze Fiat al sinds 1993 in zijn bezit is. De vrouw heeft dit niet betwist. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de Fiat privévermogen is van de man en de man de waarde van deze Fiat niet hoeft te verrekenen met de vrouw.
ad j) scooter Sym Fiddle 2
4.48.
De man heeft deze scooter (bouwjaar 2008) in 2017 aangeschaft voor het gezin. Partijen verschillen van mening of deze scooter is aangeschaft met overgespaard inkomen of dat het aankoopbedrag kosten van de huishouding bedroegen. De rechtbank is van oordeel dat uit de omschrijving van de kosten van de huishouding, opgenomen door partijen in artikel 3 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst, niet blijkt dat hieronder ook de aanschaf van vervoersmiddelen valt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat de scooter niet is aangeschaft met overgespaard inkomen. De waarde van de scooter op 6 april 2018 moet dan ook in de verrekening betrokken worden. Nu geen van partijen een standpunt heeft ingenomen over de waarde van de scooter, kan de rechtbank daarover geen beslissing nemen. Partijen zullen die waarde in onderling overleg moeten (laten) bepalen. Omdat de man de scooter in zijn bezit heeft, moet hij vervolgens de helft van de waarde van de scooter op 6 april 2018 aan de vrouw betalen.
ad k) spaarrekening vrouw (… [.3] )
4.49.
Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo op de spaarrekening van de vrouw per 6 april 2018 tot het verrekenbaar vermogen behoort. Geen van partijen heeft zich uitgelaten over de hoogte van dit saldo. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw de helft van het saldo van de spaarrekening op 6 april 2018 aan de man moet betalen.
ad l) betaalrekening vrouw (… [.4] )
4.50.
Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo op de betaalrekening van de vrouw op 6 april 2018 tot het verrekenbaar vermogen behoort. Geen van partijen heeft zich uitgelaten over de hoogte van dit saldo. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw de helft van het saldo van de betaalrekening op 6 april 2018 aan de man moet betalen.
Samenvattend: verrekenbaar vermogen
4.51.
In het licht van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat partijen in het kader van de verrekening het volgende van elkaar te vorderen hebben:
Door de man aan de vrouw te betalen:
|
Door de vrouw aan de man te betalen:
|
Garage
|
€ 10.500
|
helft saldo spaarrekening . [.3] per 6-4-2018
|
p.m.
|
Renault Clio
|
€ 2.615,50
|
helft saldo betaalrekening . [.4] per 6-4-2018
|
p.m.
|
helft saldo spaarrekening [.1] . per 6-4-2018
|
p.m.
|
|
|
helft saldo betaalrekening . [.2] per 6-4-2018
|
€ 467,08
|
|
|
helft waarde scooter per 6-4-2018
|
p.m.
|
|
|
4.52.
De man heeft niet betwist dat het voorgaande er toe leidt dat de vrouw per saldo een vordering heeft op hem. De rechtbank zal daarom naar aanleiding van de door de vrouw gevorderde wettelijke rente (die de man niet heeft betwist) bepalen dat het bedrag dat de man uit hoofde van de verrekening per saldo aan de vrouw verschuldigd is, wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding, 9 juli 2018. De vorderingen van de vrouw ter zake van de verrekening (3.1 onder V, VIII en IX) worden in zoverre toegewezen. De vorderingen van de man in het kader van de verrekening (3.4 onder XVI en XVII) worden afgewezen.
De (berekening van de overwaarde van de) woning en wat daarmee samenhangt
4.53.
De woning is gemeenschappelijk eigendom van partijen en deze eenvoudige gemeenschap moet verdeeld worden. Aan de woning is een hypothecaire lening bij Rabobank verbonden, waarvoor partijen ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn. Aan die lening is vervolgens weer een spaarpolis verbonden. Ook deze spaarpolis betreft een eenvoudige gemeenschap.
4.54.
Partijen waren het er aanvankelijk over eens dat het aandeel van de vrouw in de woning aan de man moet worden toegedeeld. In haar conclusie van antwoord in reconventie / toelichting eiswijziging heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat de woning moet worden verkocht, omdat de termijn van 3 maanden die is opgenomen in artikel 13 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst is verstreken. De rechtbank passeert dit standpunt. Gebleken is immers dat de man tijdig een akte van verdeling heeft laten opstellen, maar dat de vrouw heeft geweigerd daaraan mee te werken. Bij die stand van zaken kan de vrouw de man niet houden aan de overeengekomen uiterste termijn, waarbinnen de woning aan hem moest worden geleverd.
4.55.
Ervan uitgaande dat de man de benodigde financiering kan verkrijgen, zijn partijen het erover eens dat het aandeel van de vrouw in de woning zo snel mogelijk aan de man moet worden toegedeeld, onder de voorwaarde dat de man de hypotheekschuld als eigen schuld voor zijn rekening neemt en ervoor zorgt dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot deze hypotheekschuld.
Partijen zijn het er ook over eens dat de vrouw op grond van artikel 1 van de aanvullende samenlevingsovereenkomst een schuld aan de man heeft ter grootte van de helft van de overwaarde van [adres 1] .
Partijen verschillen met elkaar van mening over de volgende onderwerpen:
-
de waarde waartegen de woning en de spaarpolis aan de man moeten worden toegedeeld;
-
de hoogte van de overwaarde van [adres 1] ;
-
de vraag of de vrouw moet bijdragen in de kosten van levering van de woning.
waardepeildatum woning en spaarpolis
4.56.
Partijen zijn het niet eens over de waarde waartegen de woning aan de man moet worden toegedeeld. Ook verschillen partijen over welke datum als waardepeildatum dient te gelden voor de verdeling van de spaarpolis. De man stelt zich op het standpunt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een waarde van € 515.000 en vordert dat de woning voor dit bedrag aan hem wordt overgedragen en dat de vrouw moet meewerken aan levering. Daarnaast moet volgens de man de waarde van de spaarpolis op 6 april 2018 bij helfte worden verdeeld (3.4 onder I, IV, V en VI). De vrouw meent dat de waarde van de woning op het moment van verdeling bepalend is, stelt dat deze nog moet worden vastgesteld en vordert dat de woning tegen de getaxeerde waarde aan de man wordt geleverd. Daarnaast moet volgens de vrouw voor de waarde van de spaarpolis uitgegaan woden van de datum van feitelijke levering van de woning (3.1 onder I, II en III).
4.57.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor de waardering van de woning en de spaarpolis geldt de datum van de verdeling als uitgangspunt. Een andere peildatum dan de datum van verdeling is mogelijk als partijen deze zijn overeengekomen, of als zo’n ander peilmoment uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit. In deze zaak wordt ten aanzien van de bepaling van de waardepeildatum het volgende overwogen.
4.58.
Overeenstemming wordt enkel bereikt als een aanbod van de ene partij wordt aanvaard door de ander partij. In dit geval heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de waarde van de woning van € 515.000. Daartoe geldt het volgende.
4.59.
Uit de grote hoeveelheid correspondentie, die partijen in het geding hebben gebracht, blijkt dat de vrouw op 1 mei 2018 de woning op eigen initiatief heeft laten taxeren. Uit dit taxatierapport bleek een waarde van € 515.000. Tijdens de latere onderhandelingen is de vrouw nagenoeg altijd uitgegaan van de in haar opdracht vastgestelde waarde van € 515.000. De man ging daarmee destijds niet akkoord. In de dagvaarding heeft de vrouw de waarde van de woning opnieuw gesteld op € 515.000 (dagvaarding par. 18). Zij heeft in die dagvaarding weliswaar gesteld dat zij de overwaarde van de woning op het moment van levering nog niet exact kan berekenen, maar dat is volgens haar toelichting het gevolg van het feit dat de waarde van de spaarpolis en de hoogte van de hypotheekschuld op het moment van levering nog niet bekend zijn (dagvaarding par. 18). Ten aanzien van de waarde van de woning heeft de vrouw geen enkel voorbehoud geformuleerd.
4.60.
In zijn conclusie van antwoord is de man akkoord gegaan met de door de vrouw gestelde waarde van de woning van € 515.000 (cva pag. 45 onderaan). Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank tussen partijen in ieder geval op dat moment overeenstemming bereikt dat de woning tussen partijen wordt verdeeld voor € 515.000, te weten de vastgestelde waarde op de peildatum.
4.61.
Ook los daarvan geldt nog het volgende. Vast staat dat de vrouw zich sinds het moment waarop zij de woning verliet, niet heeft bekommerd om de woning. De man heeft niet alleen de hypotheekrente, maar ook alle overige eigenaarslasten voor zijn rekening genomen. De man heeft ook de premies van de spaarpolis voldaan en heeft de lasten voor onderhoud van de woning alleen gedragen. De vrouw heeft geen aanstalten gemaakt om bij te dragen in deze lasten, heeft niet bij de man geïnformeerd of de woning onderhouden moest worden en heeft ook verder geen verantwoordelijkheid voor de woning genomen. Partijen hebben zich aldus vanaf het moment waarop de vrouw de woning verliet, feitelijk gedragen alsof de de woning al was verdeeld. Ook om die reden vindt de rechtbank het redelijk om er bij het bepalen van de overwaarde en bij de beslissing op de overige vorderingen die betrekking hebben op de woning, vanuit te gaan dat partijen zijn overeengekomen dat – ongeacht het moment waarop (het aandeel van de vrouw in) de woning aan de man zou worden geleverd – voor de woning moet worden uitgegaan van de waarde per de peildatum.
4.62.
In het verlengde daarvan is de rechtbank van oordeel dat voor het bepalen van de over- of onderwaarde van de woning, ook voor wat betreft de hoogte van de hypotheekschuld moet worden uitgegaan van de openstaande lening op de peildatum. Tussen partijen staat vast dat de hoogte van de hypotheekschuld op 6 april 2018 € 274.000 was. Nu de spaarpolis aan de hypothecaire lening is verbonden, moet ook die polis in de verdeling worden betrokken naar de waarde op 6 april 2018. Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de spaarpolis op 6 april 2018 € 38.300 was. Bij het bepalen van de overwaarde zal rekening worden gehouden met dit bedrag. Nu de vrouw niet meeprofiteert van de waardestijging van de spaarpolis sinds 6 april 2018, heeft de man geen recht op vergoeding door de vrouw van de helft van de premies die hij sinds die datum heeft betaald. Het gedeelte van de vordering van de man dat strekt tot vergoeding van de helft van de premies door de vrouw (3.4 onder XI) zal worden afgewezen.
toedeling van de woning aan de man
4.63.
Beide partijen hebben gevorderd dat de woning aan de man wordt toegedeeld. Daarom zal de rechtbank de wijze van verdeling dienovereenkomstig vaststellen. De man krijgt drie maanden de gelegenheid om aan de vrouw aan te tonen dat hij de benodigde financiering kan verkrijgen en dat hij haar kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van de hypothecaire geldlening. Lukt dat niet, dan moet de woning worden verkocht aan een derde. De man heeft daarbij geen verweer gevoerd tegen de vordering van de vrouw dat in dat geval binnen een week een verkoopopdracht moet worden verstrekt aan makelaarskantoor [Makelaarskantoor] te [plaats 3] , zodat de rechtbank ervan uitgaat dat deze termijn en makelaar de instemming hebben van beide partijen. De vorderingen van de vrouw en de man als weergegeven in 3.1 onder I en 3.4 onder I zullen in zoverre worden toegewezen. De overige vorderingen van de vrouw die zien op de waardebepaling van de woning (3.1 onder II en III) zullen worden afgewezen.
4.64.
De man vordert zowel dat de vrouw wordt veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning op straffe van een dwangsom als dat dit vonnis in de plaats treedt van de voor levering benodigde medewerking van de vrouw (3.4 onder IV, V en VI). Hoewel de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw dit vonnis zal nakomen, zal de rechtbank zekerheidshalve bepalen dat de man – mocht de vrouw onverhoopt niet meewerken – de levering kan bewerkstelligen door middel van dit vonnis. Bij die stand van zaken heeft de man geen belang meer bij toewijzing van de gevorderde dwangsommen, zodat dat gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.
4.65.
In artikel 13 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat zij beiden de helft van de kosten van de akte van verdeling moeten betalen. De rechtbank zal daarom de vordering van de man die ziet op de kosten van de akte van verdeling (3.4 onder VI) toewijzen en de vordering van de vrouw die ziet op de notariskosten (3.1 onder I e) afwijzen.
4.66.
De man stelt dat de overwaarde van de woning aan [adres 1] moet worden bepaald op € 196.038. Dit bedrag is gelijk aan de verkoopprijs van de woning aan [adres 1] , verminderd met de hypotheekschulden die ten tijde van de levering op die woning rustten en de kosten van de overdracht van deze woning. De vrouw stelt daartegenover dat enkel van de door de man gestelde overwaarde kan worden uitgegaan als de stand van de hypotheek op [datum 1] 2001 (de datum waarop het verrekenbeding in werking is getreden) gelijk was aan de stand van de hypotheek ten tijde van de verkoop van deze woning. Als dit niet het geval is, heeft de man immers met te verrekenen vermogen aflossingen gedaan op de hypotheek en moet als overwaarde te worden genomen de netto verkoopprijs van de woning aan [adres 1] minus de hypotheekschuld per [datum 1] 2001. Dit is – aldus de vrouw – alleen anders als de man kan aantonen dat de aflossingen na [datum 1] 2001 niet zijn gedaan met overgespaard inkomen.
4.67.
In zijn akte na comparitie (en de bijbehorende productie 100) heeft de man inzichtelijk gemaakt dat de hypothecaire lening, verbonden aan [adres 1] , aflossingsvrij was en dat daarop sinds [datum 1] 2001 niet is afgelost. Voor zover de vrouw nog heeft gesuggereerd dat de man wellicht na [datum 1] 2001 nog investeringen heeft gedaan in de woning, heeft zij die suggestie (die is bestreden door de man) onvoldoende gemotiveerd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
4.68.
Dit betekent dat is komen vast te staan dat de overwaarde van [adres 1] € 196.038 bedroeg (waarvan een groot deel is gebruikt voor de aflossing van het overbruggingskrediet en het restant is ingebracht in de woning). Op grond van artikel 1 van de aanvullende samenlevingsovereenkomst moet de vrouw de helft van dat bedrag (dus € 98.019) aan de man betalen. Bij die stand van zaken heeft de vrouw geen belang meer bij haar vordering, die ziet op de manier waarop de overwaarde van [adres 1] moet worden berekend (3.1 onder IV), zodat die vordering zal worden afgewezen.
Vergoedingsvorderingen in verband met de woning
4.69.
Volgens de man heeft de vrouw nooit premie voor de spaarpolis betaald terwijl partijen in artikel 3 onder 2 van de aanvullende samenlevingsovereenkomst zijn overeengekomen dat zij de premies ieder voor de helft voor hun rekening zouden nemen. Deze achterstallige premie moet, zo stelt de man, bij de uitkering van de spaarpolis dan ook aan hem worden vergoed en in mindering worden gebracht op het aandeel van de vrouw in de uit te keren spaarpolis (3.4 onder XI). Daarnaast stelt de man dat hij tijdens de samenwoning van zijn privérekening € 13.500 extra heeft afgelost op de hypotheekschuld en dat hij een bedrag van € 17.777 van zijn privévermogen heeft gebruikt voor verbouwing en verfraaiing van de woning. De vrouw moet de helft van deze bedragen aan hem vergoeden, aldus de man.
4.70.
Volgens de vrouw heeft de man geen recht op vergoeding van de door hem betaalde spaarpremie, aflossingen op de hypotheekschuld en investeringen in de woning. Volgens de vrouw zijn deze vergoedingsrechten van de man primair (deels) verjaard. Subsidiair is sprake van rechtsverwerking aangezien de man, gelet op zijn uitlatingen en gedragingen, de schijn heeft gewerkt dat hij deze vergoedingsrechten niet meer geldend zou maken jegens haar. Meer subsidiair moeten de door de man gedane premiebetalingen, aflossingen en investeringen worden aangemerkt als een natuurlijke verbintenis, omdat de man dit aan haar verschuldigd is uit een dringende verplichting uit moraal en fatsoen. Uiterst subsidiair heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat de vergoedingsrechten van de man moeten worden verrekend met de vorderingen die zij op de man heeft in verband met overgespaard niet-verrekende inkomsten. Omdat de betaalde premies, aflossingen en investeringen zijn gedaan met overgespaarde inkomsten, kunnen de vorderingen tegen elkaar worden weggestreept. De vrouw betwist de door de man gestelde investeringen van € 17.777 ook inhoudelijk, en vindt dat de man die onvoldoende heeft onderbouwd.
4.71.
Op haar beurt vordert de vrouw dat de door de man gestelde betalingen worden aangemerkt als overgespaarde inkomsten en dat wordt bepaald dat de vrouw daarvan de helft toekomt (3.1 onder V).
4.72.
De rechtbank zal eerst beslissen op de formele verweren van de vrouw (te weten verjaring, rechtsverwerking en voldoen aan een natuurlijke verbintenis).
4.73.
Uit artikel 6 lid 3 in samenhang gelezen met artikel 8 van de samenlevingsovereenkomst maakt de rechtbank op dat partijen de bedoeling hebben gehad om vorderingen die zijn ontstaan omdat de lasten voor de woning, aflossingen op de hypothecaire lening dan wel investeringen in de woning door partijen niet gezamenlijk zijn betaald, pas opeisbaar te laten zijn bij ontbinding van de samenlevingsovereenkomst. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat partijen in dit geval verjaring van dergelijke vorderingen gedurende de samenleving hebben willen uitsluiten. Nu partijen het er over eens zijn dat de samenlevingsovereenkomsten per 6 april 2018 zijn opgezegd en partijen in de periode rondom en binnen zes maanden na de opzegging van de samenlevingsovereenkomsten overleg hebben gehad over de verrekening van de diverse vorderingen over en weer, en niet in geschil is dat daarbij de premiebetalingen, aflossingen en investeringen aan de orde zijn geweest, is de verjaringstermijn niet voltooid en gaat het beroep op verjaring niet op.
4.74.
Daarnaast ziet de rechtbank, gelet op de afspraken over de opeisbaarheid van de vorderingen, geen reden om aan te nemen dat sprake is van rechtsverwerking. De vrouw heeft geen (of voldoende) concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de man zijn aanspraken, ondanks de afspraken die gemaakt zijn in de samenlevingsovereenkomst, niet (meer) geldend zou maken. Haar enkele stelling dat de man in 2008 tegen haar heeft gezegd dat hij de kosten van de huishouding niet wilde verrekenen (wat de man overigens heeft betwist), is in dit verband onvoldoende.
4.75.
Ook voor de beoordeling of de man met de door hem gedane betalingen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw is volgens de rechtbank van belang dat partijen voornoemde artikelen in hun samenlevingsovereenkomst hebben opgenomen. Gelet op deze afspraken over de opeisbaarheid ligt het niet voor de hand dat op de man een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw rust (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2931). Voor het overige heeft de vrouw onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat sprake is van de door haar gestelde natuurlijke verbintenis.
4.76.
Nu geen van de formele verweren van de vrouw slaagt, zal de rechtbank de vorderingen van de man inhoudelijk beoordelen.
aflossing hypotheekschuld
4.77.
Niet in geschil is dat er tussen 2013 en 2017 voor een bedrag van € 13.500 op de hypotheek is afgelost. Ook is niet in geschil dat deze aflossingen zijn gedaan vanaf de privébankrekening van de man. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem moet vergoeden, de vrouw betwist dat met de stelling dat de aflossingen zijn gedaan met overgespaard inkomen. Gelet op wat is overwogen in 4.25 en 4.26 is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aflossingen op de hypotheek die hebben plaatsgevonden tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2016 niet zijn betaald met overgespaard inkomen en dus afkomstig zijn vanuit zijn privévermogen. In deze periode is een bedrag van € 8.500 afgelost op de hypotheeklening. Nu de man voor de periode na 1 januari 2016 niet heeft aangetoond dat op zijn privérekening geen gelden terecht zijn gekomen die eigenlijk verrekend hadden moeten worden (het saldo op zijn spaarrekening is in die periode immers toegenomen), is de rechtbank van oordeel dat de man ten aanzien van dat gedeelte niet heeft aangetoond dat de aflossingen op de hypotheek hebben plaatsgevonden vanuit zijn privévermogen. Gelet op het voorgaande heeft de man dus een vergoedingsrecht op de gemeenschap van € 8.500 (of op de vrouw ter hoogte van de helft van dit bedrag).
investering man in woning
4.78.
Partijen zijn het erover eens dat de man van het bedrag van € 196.038, dat hij heeft ontvangen terzake van de overwaarde van de [adres 1] , een bedrag van € 150.000 heeft aangewend voor de aflossing van een overbruggingskrediet en dat hij het restant van € 46.038 heeft geïnvesteerd in de woning. Vast staat ook dat de man recht heeft op vergoeding van dit bedrag (zie 4.66 tot en met 4.68). De man stelt dat hij daarnaast nog een bedrag van € 17.777 vanuit zijn privévermogen in de woning heeft geïnvesteerd. De vrouw betwist dat. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de man, in het licht van de betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat hij extra investeringen heeft gedaan en hoe hoog het bedrag aan extra investeringen is geweest. Uit de door de man overgelegde nota’s, offertes en bankafschriften is niet op te maken dat de man naast het genoemde bedrag van € 46.038 (dat als gezegd niet ter discussie staat) nog een bedrag van € 17.777 heeft geïnvesteerd in de woning. Daarnaast heeft de man niet aangetoond dat hij, mochten de investeringen in de woning al meer bedragen dan € 46.038, deze investeringen uit privévermogen en niet uit overgespaard inkomen heeft betaald. Gebleken is dat de investeringen in de woning zijn betaald van de betaalrekening van de man en dat op deze betaalrekening, naast stortingen vanaf de spaarrekening van de man, ook het salaris van de man werd gestort. Hierdoor is het voor de rechtbank niet meer te achterhalen of deze investeringen met privévermogen dan wel overgespaard inkomen zijn gefinancierd. Nu de man niet heeft aangetoond dat de door hem gestelde investeringen daadwerkelijk zijn gefinancierd met vermogen dat niet tot het te verrekenen inkomen behoort, is niet komen vast te staan dat de man daarvoor een vergoedingsvordering heeft op de vrouw.
4.79.
Ten aanzien van het volgens de man ontstane vergoedingsrecht omtrent de betalingen van de spaarpremie overweegt de rechtbank het volgende. Volgens artikel 3 van de aanvullende samenlevingsovereenkomst dient de spaarpremie door beide partijen, ieder voor de helft, te zijn betaald. Deze premies worden, zie daarvoor artikel 3 lid 2 van de aanvullende samenlevingsovereenkomst, niet als kosten van de huishouding beschouwd en zijn vermogen vormend. Nu de spaarpolis op 6 april 2018 aanwezig was, wordt het saldo daarop vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Nu de man ten aanzien van de premiebetalingen niet heeft kunnen aantonen dat deze niet zijn betaald met overgespaard inkomen, oordeelt de rechtbank ten aanzien van de spaarpremie dat er geen vergoedingsvordering van de man op de vrouw is ontstaan.
Rente over inbreng man in woning
4.80.
In artikel 3 lid 4 van de aanvullende samenlevingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de vordering die de man op de vrouw heeft (van, zoals de rechtbank hiervoor vaststelde € 98.019, zie 4.68) na de beëindiging van de samenwoning een rente draagt gelijk aan de wettelijke rente. De man stelt zich op het standpunt dat dit betekent dat de vrouw een rente van 2% van dit bedrag aan hem verschuldigd is, te weten een bedrag van € 163,36 per maand vanaf 6 april 2018 tot aan de datum van levering van de woning (3.4 onder VII).
4.81.
De vrouw stelt hier primair tegenover dat artikel 3 lid 4 van de aanvullende samenlevingsovereenkomst niet meebrengt dat zij in verzuim is. Naar haar mening is het onverenigbaar met het wettelijk stelsel van artikel 6:119 BW dat zij, zonder in verzuim te zijn, aan de man een rentevergoeding zou moeten betalen over zijn inbreng in de woning. De vrouw betoogt dat de bepaling is geschreven voor de situatie waarin partijen in goed overleg hun samenleving zouden beëindigen. Die situatie doet zich volgens de vrouw niet voor. Volgens de vrouw is de bepaling bedoeld om de man te compenseren voor het geval hij niet bij zijn inbreng kan komen dan wel daar geen genot van kan hebben. Nu de man vanaf 1 december 2018 alleen in de woning heeft verbleven en bij uitsluiting van de vrouw genot heeft gehad van de woning en zijn inbreng daarin, is er geen reden tot compensatie.
4.82.
Zoals de rechtbank hiervoor overwoog, is zij van oordeel dat partijen zich feitelijk hebben gedragen alsof de woning per 6 april 2018 is verdeeld. Dat betekent dan dat het moment van het verbreken van de samenleving samenvalt met het (feitelijke) moment van vervreemding in de zin van artikel 3 lid 4 van de aanvullende samenleving. De vrouw is daarom geen rente verschuldigd. Daarbij komt dat de rechtbank met de vrouw van oordeel is dat de man sinds het vertrek van de vrouw uit de woning bij uitsluiting van de vrouw het genot heeft gehad van de woning, en daarmee van zijn investering daarin. Ook om die reden kan de man – uitgaande van de door de vrouw gestelde ratio van artikel 3 lid 4 van de aanvullende samenlevingsovereenkomst (die de man niet heeft bestreden) – geen aanspraak maken op een rentevergoeding. De daartoe strekkende vordering van de man wordt afgewezen.
Samenvattend: financiële afwikkeling bij levering van de woning
4.83.
In het licht van hetgeen zij overwoog in 4.53 tot en met 4.82 stelt de rechtbank vast dat de vrouw bij levering van (haar aandeel in) de woning aan de man recht heeft op betaling van het volgende bedrag:
waarde woning per 6 april 2018 € 515.000
hypotheekschuld per 6 april 2018 -/- € 274.000
inbreng man [adres 1] -/- € 196.038
hypotheekaflossing uit privévermogen man -/- € 8.500
waarde spaarpolis per 6 april 2018 + € 38.400
--------------------
€ 74.862 ÷ 2 = € 37.431
De vordering van de man (3.4 onder II) zal in zoverre worden toegewezen.
De woonlasten van de woning en de gebruiksvergoeding
4.84.
Zolang de woning niet notarieel is geleverd, zijn partijen formeel gezamenlijk eigenaar van de woning. Dat betekent dat zij in beginsel gezamenlijk de eigenaarslasten van die woning moeten betalen. Daartegenover staat dat de vrouw op grond van artikel 3:169 BW een redelijke vergoeding van de man kan verlangen voor het feit dat hij de woning alleen bewoont.
4.85.
De man vordert dat de vrouw wordt veroordeeld om de helft van de door hem betaalde eigenaarslasten te vergoeden. Hij becijfert het bedrag dat hij ten behoeve van de vrouw heeft betaald in de periode tussen 6 april 2018 tot 1 december 2018 op € 4.011,25. Voor de periode na 1 december 2018 (en tot het moment van levering van de woning) vordert de man betaling van een bedrag van € 585 per maand (3.4 onder IX en X).
4.86.
De vrouw verweert zich tegen de vordering van de man. Zij voert allereerst aan dat partijen tot december 2018 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, dat zij tot die tijd heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding en dat de man over de periode tussen 6 april 2018 en 1 december 2018 daarom niets van haar kan vorderen. De vrouw betwist bovendien de hoogte van het door de man gevorderde bedrag en wijst erop dat de woonlasten van de man per 1 augustus 2020 aanzienlijk zijn verlaagd. De vrouw meent dat alle lasten die de man heeft gedragen, voor zijn eigen rekening komen en wil dat de rechtbank dat met zoveel woorden vaststelt (3.1 onder VI).
4.87.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat partijen zich feitelijk hebben gedragen alsof de woning op 6 april 2018 is verdeeld. Daarmee is ook rekening gehouden met het bepalen van de overwaarde van de woning. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank ook dat de lasten van de woning vanaf 6 april 2018 voor rekening van de man komen en dat er geen aanleiding bestaat de vordering van de man ten aanzien van de woonlasten toe te wijzen. De vorderingen van de man met betrekking tot de woonlasten zullen dus worden afgewezen. Gelet op de beslissingen die worden genomen, heeft de vrouw geen belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht en deze zal daarom worden afgewezen.
4.88.
De vrouw vordert op haar beurt dat de man haar vanaf 7 december 2018 (het moment waarop zij de woning verliet) een gebruiksvergoeding moet betalen ter hoogte van € 891,36 per maand, dan wel een gebruiksvergoeding ter hoogte van haar aandeel in de eigenaarslasten of een door de rechtbank te bepalen vergoeding (3.1 onder XI). De man voert verweer tegen deze vordering.
4.89.
Nu de man met uitsluiting van de vrouw gebruik heeft gemaakt van de woning, kan de vrouw daarvoor in beginsel een redelijke vergoeding van de man verlangen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw daarop in dit geval ook recht heeft. De man heeft de woning immers vanaf het vertrek van de vrouw uit de woning exclusief in gebruik. Weliswaar is de rechtbank van oordeel dat partijen zich feitelijk hebben gedragen alsof de woning per 6 april 2018 is verdeeld, maar dat laat onverlet dat de woning op dat moment niet is geleverd aan de man. Als gevolg hiervan heeft de man het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning tot op heden tot zijn beschikking gehad. Hij heeft daarvoor tot dusver geen financiering hoeven aangaan en heeft daardoor kosten kunnen besparen. De vrouw heeft daarentegen in deze periode niet over haar aandeel in de overwaarde van de woning kunnen beschikken.
4.90.
Het aandeel van de vrouw in de overwaarde heeft de rechtbank becijferd op € 37.431 (zie 4.83). Als de man dit bedrag direct in 2018 had moeten financieren, had hij daarvoor een geldlening moeten aangaan bij een geldverstrekker. In dat licht bezien acht de rechtbank het redelijk om bij de berekening van de gebruiksvergoeding uit te gaan van een rentepercentage dat de man over dat bedrag had moeten betalen. De rechtbank bepaalt het rentepercentage op 2%, zodat de man tot het moment waarop de woning aan hem is geleverd (of hij de woning in verband met de verkoop aan een derde zal verlaten) een gebruiksvergoeding aan de vrouw moet betalen van € 748,62 per jaar, ofwel € 62,39 per maand. Tegen de door de vrouw gevorderde ingangsdatum van 7 december 2018 heeft de man geen verweer gevoerd, zodat de vordering van de vrouw (3.1 onder XI) in zoverre zal worden toegewezen.
4.91.
De man stelt dat de vrouw, om aanspraak te kunnen maken op de helft van de hypotheekrenteaftrek, ervoor heeft gezorgd dat partijen in 2018 geen fiscaal partner meer waren. Omdat de vrouw echter geen hypotheekrente heeft betaald in 2018, heeft zij volgens de man geen recht op deze aftrekpost. Tegelijkertijd heeft de man, zo stelt hij, door de handelwijze van de vrouw alleen recht op de helft van de hypotheekrenteaftrek. Daardoor lijdt de man een schade van € 2.500 per jaar. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw door haar handelwijze onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Hij vordert dat de vrouw wordt veroordeeld de door hem geleden schade aan hem te vergoeden (3.4 onder VIII).
4.92.
De vrouw stelt dat zij het overgrote deel van 2018 nog in de woning heeft gewoond en in die periode haar bijdrage heeft geleverd aan de huishouding in de vorm van boodschappen, betaling premie zorgverzekering voor het gezin en de kosten voor de kinderen. Mede hierdoor is de man in staat geweest de woonlasten te betalen. De vrouw is dan ook van mening dat zij over 2018 recht heeft op de helft van de hypotheekrenteaftrek. Zij heeft deze ook van de belastingdienst teruggevraagd. De hypotheekrenteaftrek over de jaren 2019 en 2020 heeft de vrouw, in afwachting van deze procedure, nog niet teruggevraagd. Daarnaast is het de vrouw onduidelijk welk voordeel de man heeft gemist en/of het door hem gestelde gemiste bedrag aan hypotheekrenteaftrek wel juist is.
4.93.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor het jaar 2018 hadden partijen de mogelijkheid om elkaar aan te wijzen als fiscaal partner omdat zij het grootste deel van dat jaar nog samen in de woning hebben gewoond. Als partijen daar gezamenlijk voor hadden gekozen, hadden zij de mogelijkheid gehad om in 2018 de aftrekpost eigen woning (het verschil tussen het eigenwoningforfait en de hypotheekrente) toe te rekenen aan één van de partners of aan hen beiden in elke gewenste verhouding. Nu partijen in 2018 niet gezamenlijk voor het fiscaal partnerschap hebben gekozen, is toerekening van de aftrekpost vanaf het belastingjaar 2018 niet meer mogelijk en moet de aftrek worden genomen in de verhouding tot de gerechtigdheid van het eigendom van de woning (zie artikel 3.115 Wet IB 2001). Hieruit blijkt dat het voor de belastingen niet relevant is wie de rentelast van de hypotheek betaalde. Zolang de woning niet is verkocht of is overgeschreven op naam van de man, hebben beide partijen recht op 50% van de aftrekpost eigen woning. Voor de vrouw vervalt deze aftrek echter twee jaar na het tijdstip waarop zij is vertrokken uit de woning. Vanaf dat moment wordt de woning bij de vrouw belast in box 3. (zie artikel 3.111 lid 4 wet inkomstenbelasting 2001)
4.94.
Gelet op het voorgaande hebben de man en de vrouw over de jaren 2018, 2019 en 2020, ongeacht wie de hypotheeklasten heeft voldaan en hoe zij zich ten opzichte van elkaar hebben gedragen, ieder recht op de helft van de aftrekpost eigen woning. Ten aanzien van de vorderingen van de vrouw (3.1 onder XIV en XV) kan de rechtbank dan ook enkel dit voor recht verklaren. Dat de vrouw de door haar genoten helft van de aftrekpost over de jaren 2018, 2019 en 2020 niet aan de man wenst te betalen ondanks dat hij in die jaren alle lasten voor de echtelijke woning heeft voldaan, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de vrouw onrechtmatig jegens de man handelt. Hoewel de rechtbank kan invoelen dat de man van mening is dat de vrouw geen recht heeft op een belastingteruggave voor lasten die zij niet heeft betaald, maakt de vrouw (en niet de man) fiscaalrechtelijk gezien wel aanspraak op de aftrek ter zake van (de lasten verbonden aan) haar deel van de woning. Van onrechtmatig handelen is dan ook geen sprake. Ook anderszins heeft de man niet onderbouwd dat de gedragingen van de vrouw die betrekking hebben op deze aftrekpost onrechtmatig zijn, zodat de rechtbank de vordering van de man (3.4 onder VIII) zal afwijzen.
4.95.
De man stelt dat de vrouw tot 1 januari 2019 de kinderbijslag op haar privérekening gestort heeft gekregen en dat zij dit bedrag niet, althans niet geheel aan de kinderen heeft besteed, terwijl hij het overgrote deel van de kosten voor de kinderen betaalde. De man vordert de gehele door de vrouw ontvangen kinderbijslag tussen 6 april en 31 december 2018 van de vrouw terug (3.4 onder XIII).
4.96.
De vrouw bevestigt dat zij de kinderbijslag in die periode op haar rekening heeft ontvangen. Volgens de vrouw wordt de kinderbijslag echter pas achteraf uitgekeerd. De vrouw heeft tot 1 december 2018 nog kosten van de kinderen betaald. Er is daarom in het geheel geen recht op teruggave, zo voert de vrouw aan.
4.97.
De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de Sociale Verzekeringsbank de kinderbijslag voor het gehele jaar 2018 op de bankrekening van de vrouw heeft gestort. Kinderbijslag is bedoeld voor de ouder(s) bij wie de kinderen wonen en is ter bestrijding van de kosten van de kinderen. Nu partijen in de periode tussen 6 april 2018 en 7 december 2018 nog een gezamenlijke huishouding voerden met de kinderen en de man, tegenover de betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat alleen hij en niet de vrouw in deze periode kosten voor de kinderen heeft betaald, acht de rechtbank het redelijk om te bepalen dat de vrouw en de man ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de kinderbijslag van 6 april tot en met 31 december 2018. Het gaat dan om drie kwartalen. Nu de vrouw inmiddels de helft van het 3e kwartaal en het gehele 4e kwartaal, dus in totaal anderhalf kwartaal, aan de man heeft terugbetaald, is de rechtbank van oordeel dat partijen ten aanzien van de kinderbijslag over 2018 niets meer van elkaar te vorderen hebben. De rechtbank zal de vordering van de man dan ook afwijzen.
4.98.
Partijen zijn het erover eens dat zij op grond van de samenlevingsovereenkomst hun pensioenaanspraken, die zij hebben opgebouwd tussen [datum 1] 2001 en
6 april 2018, bij helfte moeten verdelen. Daarnaast zijn partijen het erover eens dat de Wet verevening Pensioenrechten niet van toepassing is nu zij niet gehuwd waren. Het Pensioenfonds Metaal en Techniek (hierna: PMT), het pensioenfonds waar beide partijen ten tijde van de samenleving pensioen hebben opgebouwd, heeft partijen laten weten dat het niet meewerkt aan verevening dan wel verrekening van de waarde van het pensioen. De rechtbank zal dan ook het door de vrouw gevorderde onder XIX afwijzen. Dit betekent dat partijen buiten PMT om samen een regeling moeten treffen om de door hen opgebouwde waarde aan ouderdomspensioenrechten in de periode [datum 1] 2001 en 6 april 2018 te verdelen. Om tot een verdeling van deze ouderdomspensioenrechten te kunnen komen is het mogelijk om bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd elkaar maandelijks een bedrag te betalen waarop partijen jegens elkaar recht hebben of partijen kunnen ervoor kiezen om al eerder, bijvoorbeeld door het vaststellen van een afkoopsom, de waarde van het opgebouwde pensioen met elkaar verrekenen. Nu de vrouw vordert dat de man bij het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd de helft van het door hem tussen [datum 1] 2001 en 6 april 2018 opgebouwde ouderdomspensioen aan haar moet voldoen, de man deze wijze van verdeling niet heeft betwist en de vrouw haar vordering hieromtrent niet heeft gewijzigd, zal de rechtbank het door de vrouw gevorderde (3.1 onder XVI, voor zover deze vordering betrekking heeft op het ouderdomspensioen, en XXI) toewijzen.
4.99.
De verdeling van het partnerpensioen wordt in artikel 57 van de Pensioenwet (Pw) geregeld. Voor de verdeling van het partnerpensioen gelden, mits de samenwonende partner ook is aangemeld als partner in de pensioenregeling, bij het verbreken van de samenleving in principe dezelfde regels als wanneer sprake is van echtscheiding. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat partijen elkaar over en weer hebben aangewezen als partnerpensioengerechtigde. Nu de man niet heeft betwist dat het opgebouwde partnerpensioen verdeeld moet worden, is de rechtbank van oordeel dat partijen overeenkomstig artikel 57 van de Pensioenwet het partnerpensioen opgebouwd tot 6 april 2018 moeten verdelen. De rechtbank zal dan ook het door de vrouw gevorderde (3.1 onder XVIII) toewijzen.
4.100. Uit de door de man overgelegde stukken van PMT blijken de pensioenaanspraken voor partijen over en weer voor zowel het ouderdomspensioen als het partnerpensioen. Het door de vrouw gevorderde (3.1 onder XX) zal de rechtbank dan ook afwijzen, omdat zij daar geen belang meer bij heeft. Daarentegen heeft de man geen pensioenoverzicht (afkomstig van “mijnpensioenoverzicht.nl”) in het geding gebracht en is niet gebleken dat de vrouw dit overzicht al op een andere wijze van de man heeft ontvangen. De rechtbank zal de man dan ook veroordelen om dit overzicht binnen twee weken na dit vonnis aan de vrouw te overleggen. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de man aan deze veroordeling geen uitvoering zal geven en zal daarom geen dwangsommen aan deze veroordeling verbinden.
4.101. De man bezit daarnaast een lijfrentepolis. De man heeft deze polis in januari 1998 afgesloten. Sindsdien werd de polis jaarlijks aangevuld door middel van een spaarloonregeling. De vrouw stelt dat de vermogensopbouw in de lijfrentepolis tussen [datum 1] 2001 en 6 april 2018 voor verrekening of verdeling in aanmerking komt en heeft daartoe een vordering ingesteld (3.1 onder XVI). De man stelt dat hij de polis heeft afgesloten vanwege een pensioengat tussen augustus 1997 en december 2000 en dat hij deze heeft afgesloten vóór de geboorte van [de zoon] en dat de polis om die reden überhaupt niet hoeft te worden verdeeld of verrekend (3.4 onder XV). Subsidiair stelt hij dat zijn spaarloon niet onder de noemer “te verrekenen inkomen” als bedoeld in de samenlevingsovereenkomst valt, zodat ook de vermogensopbouw niet verrekend hoeft te worden.
4.102. De rechtbank overweegt allereerst dat de datum van afsluiting van de lijfrentepolis, gelet op hetgeen partijen zijn overeengekomen in hun samenlevingsovereenkomst, niet bepalend is voor de vraag of de aanspraak van de man op de toekomstige lijfrenteuitkeringen al dan niet moet worden verrekend. Tussen partijen is overeengekomen dat aanspraken op uitkeringen, bestemd voor de ouderdagvoorziening, bij helfte worden verdeeld als deze zijn opgebouwd tussen [datum 1] 2001 en 6 april 2018. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de door de man opgebouwde lijfrentepolis, nu vast staat dat de man deze polis heeft afgesloten om een pensioengat te dichten omdat zijn toenmalige werkgever geen pensioenregeling aanbood. Nu de man zelf stelt dat hij ook na [datum 1] 2001 premies voor deze polis heeft voldaan, is de rechtbank van oordeel dat de man, gelet op artikel 11 van de samenlevingsovereenkomst, het gedeelte van de aanspraak op de lijfrente dat is opgebouwd tussen [datum 1] 2001 en 6 april 2018 met de vrouw moet delen, ongeacht de vraag of de premies in die periode wel of niet zijn betaald vanuit de spaarloonregeling van de man. Deze vordering van de vrouw zal daarom worden toegewezen en de vordering van de man hieromtrent zal worden afgewezen.
4.103. Partijen zijn in artikel 14 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst overeengekomen dat de hoogte en duur van de alimentatieverplichting wordt vastgesteld door een door de kantonrechter aan te wijzen deskundige, als partijen zelf niet tot overeenstemming komen. Zij zijn het er niettemin over eens dat de rechtbank in deze procedure moet beslissen over dit geschilpunt. Voor zover de man zich nog op het standpunt heeft gesteld dat een verzoekschriftprocedure de aangewezen route was, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Vast staat immers dat tussen partijen geen wettelijke onderhoudsplicht geldt (zij waren immers niet gehuwd en hadden ook geen geregistreerd partnerschap). De vordering van de vrouw is dan ook in feite een vordering tot nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraken over partneralimentatie. Zo’n vordering moet bij dagvaarding worden ingesteld. Dit betekent dat de rechtbank zal overgaan tot een beoordeling van de stellingen van partijen.
4.104. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij niet in staat is te voorzien in haar eigen behoefte. Zij vordert daarom een bijdrage van de man. Tot het moment waarop de woning aan de man wordt geleverd vordert zij een bijdrage gelijk aan haar aandeel in de lasten van de woning, na dat moment becijfert zij de bijdrage van de man op € 952 bruto per maand (3.1 onder XXI).
4.105. De man stelt zich allereerst op het standpunt dat de vrouw in viergesprekken te kennen heeft gegeven af te zien van partneralimentatie. De vrouw heeft dat standpunt betwist, zodat de juistheid daarvan niet is komen vast te staan. Voor zover de man heeft willen stellen dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar rechten op grond van de samenlevingsovereenkomst, gaat de rechtbank daaraan dus voorbij.
4.106. De man stelt daarnaast dat niet is voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 14 van de samenlevingsovereenkomst, en dat hij daarom geen bijdrage verschuldigd is aan de vrouw. Hij stelt dat het de bedoeling was dat de alimentatieplicht alleen zou gelden, als één van hen in verband met de zorg voor jonge kinderen niet of minder zou kunnen werken. Omdat van deze situatie geen sprake is, kan de vrouw volgens de man geen aanspraak maken op een onderhoudsbijdrage. De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Nu de uitleg van de man geen steun vindt in de tekst van artikel 14 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst, gaat de rechtbank er vanuit dat de vrouw in beginsel een onderhoudsbijdrage kan vorderen. Omdat partijen zijn overeengekomen dat de onderhoudsbijdrage moet voldoen aan de richtlijnen die geldt voor de vaststelling van partneralimentatie, kan de vordering van de vrouw alleen worden toegewezen, als komt vast te staan dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man en dat de man beschikt over draagkracht om een bijdrage te betalen. De rechtbank zal daarom de behoefte en draagkracht achtereenvolgens beoordelen. Eerst zal de rechtbank beslissen over de vraag met ingang van welke datum de man een onderhoudsbijdrage aan de vrouw moet betalen.
4.107. De vrouw vordert (na wijziging van eis) dat de man aan haar een onderhoudsbijdrage betaalt vanaf het moment waarop de samenlevingsovereenkomst is beëindigd, dus – naar de rechtbank begrijpt – vanaf 6 april 2018. Zij heeft de door haar voorgestelde ingangsdatum niet toegelicht. Nu de man vanaf de datum van dagvaarding rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat hij aan haar een onderhoudsbijdrage verschuldigd zal zijn, is de rechtbank van oordeel dat de man in beginsel met ingang van 9 juli 2018 een bijdrage aan de vrouw moet betalen. De hoogte van die bijdrage zal de rechtbank hierna berekenen.
4.108. De zogenoemde “behoefte” is het bedrag dat de vrouw maandelijks nodig heeft om op (ongeveer) hetzelfde welstandsniveau te kunnen leven als tijdens de relatie. De vrouw berekent haar behoefte op basis van de “hofnorm”. Dit is de vuistregel die inhoudt dat de totale behoefte van een echtgenoot wordt gesteld op 60% van het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, na aftrek van eventuele kosten van kinderen. De man betwist allereerst dat de hofnorm van toepassing is, nu in artikel 14 van de samenlevingsovereenkomst specifieke afspraken zijn gemaakt over alimentatie. Volgens artikel 14 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen echter beoogd voor de hoogte van de alimentatie aan te sluiten bij de manier waarop een wettelijke onderhoudsbijdrage wordt berekend. De behoefte van een alimentatiegerechtigde wordt doorgaans bepaald aan de hand van een behoeftelijst, en anders op basis van de hofnorm. Hoewel het vaststellen van de behoefte aan de hand van een behoeftelijst de voorkeur verdient, heeft de man niet gesteld dat toepassing van de hofnorm in dit geval tot een onredelijk hoge behoefte aan de zijde van de vrouw leidt. Zo is bijvoorbeeld gesteld noch gebleken dat partijen tijdens hun relatie een afwijkend bestedingspatroon hadden, waardoor de vuistregel in hun geval onaanvaardbaar zou zijn. Dit betekent dat de rechtbank de behoefte van de vrouw op basis van de hofnorm zal bepalen.
4.109. De volgende vraag is dan hoe de behoefte van de vrouw, uitgaande van de hofnorm, moet worden berekend. De vrouw becijfert haar totale behoefte op € 2.593 netto per maand. Daarbij gaat zij uit van een netto gezinsinkomen van € 5.556 en kosten van de kinderen van € 1.234. De man heeft de berekening van de vrouw betwist, onder andere door erop te wijzen dat het inkomen van de vrouw in 2019 hoger was.
Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de behoefte van de vrouw moet worden beoordeeld aan de hand van het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen in april 2018, verminderd met de kosten van de kinderen op datzelfde moment. Voor zover de man de berekening van de vrouw, uitgaande van de gegevens uit 2018, heeft betwist, heeft hij die betwisting niet voldoende onderbouwd. Zo stelt hij wel dat de vrouw in 2018 drie werkgevers had, maar hij onderbouwt deze stelling vervolgens niet. Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van het door de vrouw genoemde netto besteedbaar gezinsinkomen in 2018 van € 5.556 en het daarmee corresponderende eigen aandeel in de kosten van de kinderen van € 1.234. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de netto behoefte van de vrouw € 2.593 bedraagt.
4.110. Nu duidelijk is wat de netto behoefte van de vrouw is, moet de vraag worden beantwoord in hoeverre zij redelijkerwijs zelf in die behoefte kan voorzien. De vrouw heeft immers alleen behoefte aan een onderhoudsbijdrage van de man, als zij onvoldoende eigen inkomsten heeft en zij ook niet genoeg inkomen kan verdienen om te voorzien in haar eigen levensonderhoud.
4.111. De vrouw meent dat (alleen) rekening kan worden gehouden met het inkomen dat zij verdient bij het [Bedrijf] (€ 2.207 bruto per maand) en haar WW-uitkering (€ 525 bruto per maand). Uitgaande van deze gegevens, becijfert zij haar behoefte aan een bijdrage van de man op € 395 bruto per maand. De man daarentegen is van mening dat de vrouw in staat is volledig te voorzien in haar eigen behoefte. Haar dienstbetrekking bij het [Bedrijf] is niet fulltime, terwijl niets de vrouw belet op fulltime te werken. Dat heeft zij ook een tijdlang gedaan, en de vrouw moet in staat worden geacht weer een nieuwe (tweede) baan te vinden, zo betoogt de man.
4.112. De rechtbank is met de vrouw van mening dat op dit moment moet worden uitgegaan van de daadwerkelijke inkomsten van de vrouw. Zij is er weliswaar in 2019 in geslaagd een tweede baan te vinden waarmee ze in haar eigen levensonderhoud kon voorzien, maar dat contract is als gevolg van de corona-crisis niet verlengd. Gelet op de huidige economische situatie valt naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten dat de vrouw reeds nu door middel van eigen arbeidsinkomsten volledig in haar eigen levensonderhoud voorziet. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man van € 395 bruto per maand.
Voor wat betreft de verdiencapaciteit van de vrouw verwijst de rechtbank verder naar hetgeen zij hierna onder 4.122 overweegt in het kader van de looptijd van de onderhoudsverplichting van de man.
draagkracht man vanaf 1 augustus 2020
4.113. Tussen partijen is niet in geschil dat de woonlasten van de man zijn verlaagd met ingang van 1 augustus 2020, omdat de man de hypothecaire geldlening toen heeft overgesloten. Om praktische redenen zal de rechtbank eerst de draagkracht van de man met ingang van 1 augustus 2020 beoordelen. Partijen zijn het er immers niet over eens of de man beschikt over voldoende draagkracht om de volledige aanvullende behoefte van de vrouw voor zijn rekening te nemen.
4.114. De rechtbank gaat er – in navolging van de man – vanuit dat de draagkracht van de man vanaf 1 augustus 2020 moet worden berekend aan de hand van zijn jaaropgave 2019, waaruit blijkt van een inkomen van € 82.794 bruto per jaar, verminderd met een bijtelling voor de auto van de zaak van € 6.504.
4.115. Verder heeft de man in zijn laatste draagkrachtberekening (overgelegd als productie 115 bij akte na comparitie) de volgende lasten opgevoerd:
- -
fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 4.524 per jaar;
- -
de hypotheekrente van € 4.524 per jaar;
- -
de hypotheekaflossing/premie levensverzekering van € 303 per maand;
- -
bijtelling eigen-woningforfait van € 2.820 per jaar;
- -
de basispremie ZVW van € 149 per maand;
- -
het verplicht eigen risico ZVW van € 385 per jaar;
- -
het eigen aandeel kosten kinderen van € 969 per jaar.
De vrouw heeft deze lasten niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de genoemde bedragen.
4.116. De vrouw heeft de volgende opgevoerde maandelijkse lasten betwist:
- -
werkelijke verwervingskosten van € 150 per maand;
- -
studiekosten van € 20 per maand;
- -
overige kosten van € 208 per maand.
De rechtbank zal met deze lasten geen rekening houden en overweegt daartoe het volgende.
- -
De man heeft gesteld dat de verwervingskosten reiskosten zijn, die hij niet vergoed krijgt door zijn werkgever. Nu de vrouw heeft betwist dat de man dergelijke kosten maakt en de man zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, wordt met de opgevoerde last geen rekening gehouden.
- -
De man heeft gesteld dat de “studiekosten” de kosten zijn van de aanvullende ziektekostenverzekering van [de zoon] , die hij voor zijn rekening neemt. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat deze kosten worden geacht te zijn inbegrepen in de behoefte van [de zoon] .
- -
De “overige kosten” is de schade die de man stelt te lijden doordat de vrouw zelf een gedeelte van de hypotheekrente van de belastingdienst heeft teruggevraagd. Nog afgezien van het feit dat dit naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig is, (zie 4.94), strekken de door de man gestelde kosten niet in mindering op de draagkracht van de man voor het betalen van partneralimentatie.
4.117. Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.
4.118. Wanneer wél rekening wordt gehouden met de in 4.115 genoemde lasten en niet met de lasten genoemd in 4.116, leidt dat tot de gevolgtrekking dat de man – rekening houdend met de fiscale gevolgen – vanaf 1 augustus 2020 een bruto draagkracht heeft van € 400 per maand. Dit betekent dat hij vanaf dat moment precies in staat is te voorzien in de aanvullende behoefte van de vrouw van € 395.
4.119. Voor zover de door de vrouw gevorderde bijdrage van de man in de periode voorafgaand aan de levering van de woning hoger is dan € 395, is de constatering dat die vordering bij gebrek aan draagkracht van de man moet worden afgewezen. De vraag of haar vordering – die hoger is dan haar behoefte, becijferd aan de hand van de hofnorm – voldoet aan de wettelijke maatstaven, kan dan ook onbeantwoord blijven.
4.120. Dit betekent dat de rechtbank zal beslissen dat de man vanaf 1 augustus 2020 een onderhoudsbijdrage aan de vrouw moet betalen van € 395 bruto per maand.
draagkracht man tussen 9 juli 2018 en 1 augustus 2020
4.121. Tussen partijen is niet in geschil dat de bruto hypotheekrente die de man tot 1 augustus 2020 maandelijks moest betalen, € 1.027 bedroeg. Na het oversluiten van de hypotheek werd dat € 377 per maand (zie 4.115). De hypotheekaflossing / premie levensverzekering bedroeg aanvankelijk € 143 per maand, en werd na oversluiting € 303 per maand. De bruto woonlasten van de man waren dus in de periode tot 1 augustus 2020 ((€ 1.027 + € 143 =) € 1.170 -/- (€ 377 = € 303 =) € 680 = ) € 490 hoger dan in de periode daarna. Daarbij komt dat de man in die periode niet de gehele hypotheekrenteaftrek heeft kunnen genieten, omdat de vrouw die aftrek zelf heeft willen verkrijgen (zie 4.91 tot en met 4.94). Het fiscaal voordeel dat de man had over de door hem betaalde hypotheekrente, was dus beperkt. Met inachtneming van het voorgaande stelt de rechtbank vast, dat het de man in de periode tussen 9 juli 2018 en 1 augustus 2020 ontbrak aan draagkracht om de vrouw een bijdrage tot haar levensonderhoud te betalen. De door de man verschuldigde onderhoudsbijdrage wordt daarom over die periode op nihil bepaald.
4.122. Zoals de rechtbank in 4.112 overwoog, kan niet worden aangenomen dat de vrouw al op dit moment in staat is volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Wel gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw zich inspant om haar huidige inkomen aan te vullen, en dat zij er binnen twee jaar daadwerkelijk in slaagt volledig in haar eigen behoefte te voorzien. Dit betekent dat de rechtbank zal oordelen dat de man tot 1 april 2023 gehouden is de nu vast te stellen onderhoudsbijdrage te betalen, en dat de onderhoudsbijdrage vanaf die datum nihil is. Wanneer de vrouw erin slaagt al vóór die tijd een nieuwe baan te vinden waarmee zij volledig of deels in haar eigen behoefte kan voorzien, moet zij dat vanzelfsprekend aan de man melden, zodat partijen de dan door de man verschuldigde bijdrage zelf opnieuw kunnen vaststellen.
samenvattend: verschuldigde partneralimentatie
4.123. Het voorgaande betekent dat de man de volgende onderhoudsbijdrage aan de vrouw moet betalen:
- -
over de periode tussen 9 juli 2018 en 1 augustus 2020: nihil
- -
over de periode tussen 1 augustus 2020 en 1 april 2023: € 395
- -
over de periode vanaf 1 april 2023: nihil
4.124. Partijen hebben de inboedel in overleg verdeeld. Zij zijn het echter niet eens over de verdeling van drie fotoboeken van gezamenlijke vakanties. De vrouw vordert afgifte van deze fotoboeken en van kopieën van de digitale foto’s van de kinderen.
4.125. De man biedt aan om de drie fotoboeken aan de vrouw te overhandigen nadat hij deze fotoboeken heeft gekopieerd. Daarnaast is hij bereid digitale kopieën te maken van de beschikbare digitale bestanden en deze op een harde schijf te zetten als de vrouw deze aanlevert. Ter zitting heeft hij nog gezegd dat hij de kosten wil delen.
4.126. De rechtbank zal de vordering van de vrouw (3.1 onder X) toewijzen met dien verstande dat de man de kosten draagt voor het kopiëren van de fotoboeken en de vrouw zo spoedig mogelijk een harde schijf bij de man aanlevert zodat hij daarop de digitale bestanden/foto’s van de kinderen kan zetten. De rechtbank ziet, nu de man aangeeft mee te werken, geen reden om hier een dwangsom aan te verbinden. Wel acht de rechtbank het redelijk om te bepalen dat de man de fotoboeken en de digitale foto’s uiterlijk twee weken na ontvangst van de harde schijf aan de vrouw dient af te geven in plaats van twee weken na dit vonnis.
Spaarrekeningen van de kinderen
4.127. Partijen zijn het er uiteindelijk over eens geworden dat de spaarrekeningen van de kinderen bestemd zijn voor de kinderen en buiten de verrekening blijven. De daartoe strekkende vordering van de man (3.4 onder XIV) behoeft daarom geen bespreking meer.
4.128. De man heeft een verklaring voor recht gevorderd dat hij de bedragen die hij op grond van dit vonnis aan de vrouw moet betalen, mag verrekenen met vorderingen die hij op grond van hetzelfde vonnis op de vrouw heeft (3.4 onder III). De verrekenbevoegdheid van de man vloeit voort uit de wet (artikel 6:127 lid 2 BW). De vrouw heeft ter zitting erkend dat de man zijn schuld aan de vrouw mag verrekenen met de vordering die hij op haar heeft. Voor zover de vrouw anders heeft gevorderd (3.1 onder I d), moet die vordering dan ook worden afgewezen. Gelet op het voorgaande, heeft de man geen belang bij toewijzing van zijn vordering. Ook deze zal daarom worden afgewezen.
4.129. De man vordert veroordeling van de vrouw in zijn daadwerkelijke proceskosten, die hij vooralsnog begroot op € 30.000, te vermeerderen met kantoorkosten, BTW, incassokosten en de kosten van betekening van het vonnis (3.4 onder XVIII). De vrouw voert verweer en vordert dat de man wordt veroordeeld in de proceskosten (naar de rechtbank begrijpt: conform het toepasselijke liquidatietarief), dan wel dat de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseert (3.1 onder XXII).
4.130. Ter onderbouwing van zijn vordering voert de man aan dat de vrouw zonder goede grond drie afzonderlijke procedures voert (afgezien van deze, ook een procedure over kinderalimentatie bij team familie en een procedure over partneralimentatie bij team kanton), waardoor hij onnodig op kosten wordt gejaagd. Ook laat de vrouw volgens de man in haar dagvaarding veel informatie weg, verandert zij steeds van standpunt en zijn haar processtukken ondoorgrondelijk. Ook werkt zij de pogingen van de man om tot een oplossing te komen tegen en legt zij bepaalde informatie, die de man nodig heeft om zijn standpunten te onderbouwen, stelselmatig niet over. Tot slot stelt de man zich op het standpunt dat hij schade lijdt doordat hij belastingvoordeel misloopt, omdat de vrouw niet meewerkt aan levering van de woning en geen kinderalimentatie betaalt. De vrouw bestrijdt de stellingen van de man gemotiveerd.
4.131. De rechtbank stelt voorop dat de artikelen 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepalen dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld in de kosten kan worden veroordeeld. Volgens vaste jurisprudentie bevatten deze artikelen (afgezien van wettelijke uitzonderingsgevallen, die zich hier niet voordoen en afgezien van bijzondere omstandigheden) een limitatieve en exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Voor een volledige vergoedingsplicht, zoals de man vordert, is alleen in buitengewone omstandigheden plaats. Daarbij moet worden gedacht aan gevallen als misbruik van procesrecht en onrechtmatig handelen. Dat daarvan sprake is, kan alleen in zeer bijzondere omstandigheden worden aangenomen, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.
4.132. De rechtbank is van oordeel dat van zo’n situatie geen sprake is. Hoewel aan de man kan worden toegegeven dat de vrouw haar standpunt vlak voor de comparitie zeer ingrijpend heeft gewijzigd, is van onrechtmatig procederen geen sprake. Daarbij komt dat beide partijen zich in deze procedure bepaald niet onbetuigd hebben gelaten met het aantal stukken dat zij hebben ingediend en de omvang daarvan, terwijl de stukken van de vrouw naar het oordeel van de rechtbank zeker niet moeilijker te doorgronden zijn dan die van de man. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat de (proces)opstelling van de vrouw zodanig is geweest, dat dit een veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten rechtvaardigt. Weliswaar is de rechtbank van oordeel dat de vrouw ten onrechte heeft geweigerd mee te werken aan levering van de woning aan de man tegen de overeengekomen waarde, maar op andere punten is zij in deze procedure in het gelijk gesteld.
4.133. Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld en nu zij langdurig een relatie hebben gehad, zal de rechtbank daarom bepalen dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten moet betalen.