3.1.
[verzoeker] verzoekt 't Goude Hooft bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en na vermeerdering van zijn verzoek op 13 oktober 2021:
a. a) te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 224,00, wegens het niet nakomen van de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2021;
b) te veroordelen tot betaling van € 2.130,66 bruto ter compensatie van opgebouwde, niet-genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 3 februari 2021, alsmede vermeerderd met de wettelijke verhoging van € 1.065,33 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2021;
c) te veroordelen tot betaling van € 1.914,64 bruto ter compensatie van gewerkte overuren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020, alsmede vermeerderd met de wettelijke verhoging ten bedrage van € 957,32 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020;
d) te bevelen om binnen twee maanden na datum van de beschikking een correcte eindafrekening te verschaffen waarin in ieder geval de op de einddatum openstaande overuren en tijdens het dienstverband opgebouwde, niet-genoten vakantiedagen worden opgenomen, op straffe van een dwangsom van € 50,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze niet-nakoming voortduurt;
e) te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van de uitspraak.
3.2.
Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag – kort gezegd – dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is aangegaan voor bepaalde tijd en is geëindigd op 3 februari 2021, en dat 't Goude Hooft heeft verzuimd om hem uiterlijk een maand daarvoor te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Pas op 5 januari 2021 heeft [verzoeker] de ontslagbrief ontvangen. Voorts maakt [verzoeker] aanspraak op uitbetaling van opgebouwde, niet-genoten vakantiedagen op grond van artikel 7:641 lid 1 BW. Op grond van artikel 5 van de arbeidsovereenkomst en artikel 3.15 lid 1 van de cao heeft [verzoeker] recht op 25 vakantiedagen in het vakantiejaar dat loopt van 1 juni tot en met 31 mei. [verzoeker] heeft berekend dat hij over de periode van 1 juni 2020 tot 3 februari 2021 17,1 vakantiedagen heeft opgebouwd, terwijl hij in deze periode geen vakantiedagen heeft genoten. De 17,1 vakantiedagen vertegenwoordigen 152,19 werkuren. Het bruto uurloon van [verzoeker] bedroeg
€ 14,00. Aldus maakt [verzoeker] aanspraak op een bedrag van (152,19 x € 14,00 =) € 2.130,66 bruto. [verzoeker] heeft voorts om uitbetaling van gewerkte overuren verzocht. Op grond van artikel 3.13 en 3.14 van de cao worden de uren waarmee de normale arbeidstijd wordt overschreden, gekwalificeerd als overwerk. In de periode van 4 november 2019 tot 1 november 2020 heeft [verzoeker] gemiddeld 42,63 uur per week gewerkt, terwijl in de arbeidsovereenkomst een arbeidsomvang van 40 uur per week was overeengekomen. Het saldo aan onbetaalde overwerkuren heeft een waarde van (2,43 x 52 weken x € 14,00 bruto =) € 1.914,64 bruto. Ten slotte heeft [verzoeker] op grond van artikel 7:625 BW recht op de maximale wettelijke verhoging en op grond van artikel 6:119 BW op de wettelijke rente, omdat 't Goude Hooft steeds geweigerd heeft de betalingen te voldoen dan wel in verzuim is met betaling van de niet-genoten vakantiedagen en de overwerkuren.