Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2021:13809

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2021
Datum publicatie
04-01-2022
Zaaknummer
C/09/593719 / HA ZA 20-530
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming van vaststellingsovereenkomst tussen huizenhandelaren en de ACM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummers / rolnummers: C/09/593719 / HA ZA 20-530, C/09/593721 / HA ZA 20/531, C/09/593722 / HA ZA 20/532 en C/09/600787 / HA ZA 20/994

Vonnis van 15 december 2021

In de zaak met zaak/rolnummer C/09/593719 / HA ZA 20/530 van:

1 [eiser 1 (zaak 1)] te [plaats 1] ,

2 [eiser 2 (zaak 1)] te [plaats 1] ,

3 [eiser 3 (zaak 1)] te [plaats 1] ,

eisers,

advocaat: mr. S.M.M.C. Vinken te Waarle,

TEGEN

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT IN HET BIJZONDER AUTORITEIT CONSUMENT EN MARKT) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.

In de zaak met zaak/rolnummer C/09/593721 / HA ZA 20/531 van:

1 [eiser 1 (zaak 2)] te [plaats 6],

2 [eiser 2 (zaak 2)] te [plaats 6],

3 [eiser 3 (zaak 2)] te [plaats 2] ,

eisers,

advocaat: mr. S.M.M.C. Vinken te Waarle,

TEGEN

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT IN HET BIJZONDER AUTORITEIT CONSUMENT EN MARKT) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.

In de zaak met zaak/rolnummer C/09/593722 / HA ZA 20/532 van:

1 [eiser 1 (zaak 3)] te [plaats 4],

2 [eiser 2 (zaak 3)] [plaats 3] ,

3 [eiser 3 (zaak 3)] [plaats 4] ,

eisers,

advocaat: mr. S.M.M.C. Vinken te Waarle,

TEGEN

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT IN HET BIJZONDER AUTORITEIT CONSUMENT EN MARKT) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.

In de zaak met zaak/rolnummer C/09/600787 / HA ZA 20/994 van:

1 [eiser 1 (zaak 4)] te [plaats 5] ,

2 [eiser 2 (zaak 4)] [plaats 5] ,

eisers,
advocaat: mr. S.M.M.C. Vinken te Waarle,

TEGEN

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT IN HET BIJZONDER AUTORITEIT CONSUMENT EN MARKT) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.

Eisers worden hierna allen gezamenlijk de huizenhandelaren genoemd. Ieder afzonderlijk worden zij respectievelijk [eisers (zaak 1)] , [eisers (zaak 2)], [eisers (zaak 3)] en [eisers (zaak 4)] genoemd. Gedaagde wordt de Staat genoemd.

1 De procedures

1.1.

Het verloop van de procedures blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 25 mei 2020 met producties van [eisers (zaak 1)] , [eisers (zaak 2)] en [eisers (zaak 3)], en van 25 september 2020 met de afzonderlijk bij akte overgelegde producties van [eisers (zaak 4)] ;

  • -

    de aktes houdende een vordering tot voeging van de zaak [eisers (zaak 4)] met twee na de mondelinge behandeling doorgehaalde zaken;

  • -

    de conclusies van antwoord in alle zaken met producties, in de zaak [eisers (zaak 4)] ook inhoudende een antwoord in het incident tot voeging;

  • -

    de rolbeslissingen van 15 juli 2020 tot voeging van de zaken van [eisers (zaak 1)] , [eisers (zaak 2)] en [eisers (zaak 3)];

  • -

    het vonnis in het incident van 23 december 2020 ( [eisers (zaak 4)] ), waarbij deze zaak met die van [eisers (zaak 1)] , [eisers (zaak 2)] en [eisers (zaak 3)] is gevoegd;

  • -

    de tussenvonnissen van 28 april 2021 in alle zaken waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;

  • -

    de regiezitting op 14 juli 2021, die middels Skype is gehouden met de raadslieden van partijen, waarbij procesafspraken ten behoeve van de mondelinge behandeling zijn gemaakt, die bij e-mailbericht van dezelfde datum aan partijen zijn bevestigd;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in alle zaken van 20 september 2021 en de daarin genoemde stukken, waaronder de akte eiswijziging van [eisers (zaak 3)] c.s. waarbij de vorderingen van [eiser 2 (zaak 3)] en [eiser 3 (zaak 3)] zijn ingetrokken.

Het proces-verbaal van de zitting is in overleg met partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Zij hebben gelegenheid gekregen om eventuele onjuistheden in de verslaglegging schriftelijk onder de aandacht van de rechtbank te brengen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

1.2.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis nader bepaald op heden.

2 De feiten

De (aanloop naar de) boetebesluiten

2.1.

De Autoriteit Consument en Markt1 (ACM) is in 2009 een onderzoek gestart naar mogelijke overtredingen van het kartelverbod van handelaren die actief zijn op executieveilingen. Zij heeft daaraan ook in de media publieke ruchtbaarheid gegeven.

2.2.

De gang van zaken bij een executieveiling is in het algemeen aldus:

De prijs op een executieveiling komt tot stand in twee fasen: een veiling bij opbod (de inzetfase) en een veiling bij afslag (de afmijnfase). In de inzetfase wordt met een vast bedrag per bieding opgeboden. Bij het afmijnen begint de veilingmeester met een bedrag dat hoger ligt dan de inzetprijs en roept vervolgens een steeds lager wordende reeks bedragen af. Het bedrag waartegen wordt afgemijnd is ook de prijs die voor de woning betaald wordt.

De afmijnprijs kan nooit lager zijn dan de inzetprijs. Als in de afmijnfase niet wordt afgemijnd loopt de woning slag en wordt de bieder die in de inzetfase het hoogste bod heeft uitgebracht koper van de woning. Wordt de woning afgemijnd, dan ontvangt de bieder die in de inzetfase het hoogste bod heeft uitgebracht een premie van 1 % van de inzetprijs ('plok', 'plokgeld', 'strijkgeld' of 'trekgeld'). Daarmee wordt een prikkel geboden om te bieden in de inzetfase. Als de woning slag loopt, wordt de premie verrekend met de koopsom die de inzetter verschuldigd is.

De hypotheekverstrekker - veelal een bank - heeft belang bij de opbrengst tot de waarde van de nog openstaande schuld. De eventuele meeropbrengst komt toe aan de eigenaar van de geveilde woning. De bank heeft twee middelen om te verzekeren dat de veilingopbrengst voor haar acceptabel is: (i) de bank kan meebieden in de inzetfase, zodat de inzetprijs wordt opgedreven en (ii) de bank kan, als zij de prijs te laag vindt, besluiten de woning niet te gunnen. De eigenaar kan geen concrete invloed uitoefenen op het verloop van de executieveiling en - daarmee - op de prijs.

2.3.

Uit het onderzoek van de ACM kwam naar voren dat handelaren in de inzetfase samenwerkten om de inzetprijs laag te houden, door als groep te bieden. Deze samenwerking kon een opstap vormen naar een samenwerking in de afmijnfase (groepsmijnen), die er op was gericht de afmijnprijs zo laag mogelijk te houden. Werd het pand door een lid van de groep afgemijnd, dan werd dit vervolgens binnen de groep door middel van een zogenoemde naveiling doorverkocht. De handelaren deelden dan het verschil tussen de in de veiling gerealiseerde prijs, die in registers van het Kadaster werd ingeschreven, en de in de naveiling tot stand gekomen (doorgaans hogere) verkoopprijs.

2.4.

De huizenhandelaren waren actief op de markt van executieveilingen en zij hebben met vele anderen meegedaan aan de onder 2.3 genoemde samenwerking, waaronder de deelname aan naveilingen.

2.5.

De ACM heeft de besluitvorming naar aanleiding van haar onderzoek gesplitst in drie tranches, afhankelijk van de mate van betrokkenheid bij wat de ACM “besmette” executieveilingen noemde. De ACM heeft aan 79 handelaren boetes opgelegd.

[eisers (zaak 1)]

2.6.

Bij besluit van 13 december 2011 (de eerste tranche) heeft de ACM aan [eisers (zaak 1)] een boete opgelegd wegens overtreding van het kartelverbod (artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet) ter hoogte van € 450.000,- op basis van deelname aan 701 besmette veilingen, waarvan 147 met naveiling. Bij de (gewijzigde) beslissing op het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van 9 juli 2014 heeft de ACM de boete vanwege een wijziging in de boetesystematiek bijgesteld naar € 298.000,- en het besluit voor het overige gehandhaafd. In beroep heeft de rechtbank Rotterdam het besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betrof, deze vastgesteld op € 268.200,-, en de beslissing op bezwaar voor het overige in stand gelaten.

[eisers (zaak 2)]

2.7.

Bij besluit van 13 december 2011 (de eerste tranche) heeft de ACM aan [eisers (zaak 2)] een boete opgelegd wegens overtreding van het kartelverbod (artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet) ter hoogte van € 452.000,- op basis van deelname aan 358 besmette veilingen, waarvan 54 met naveiling. Bij de (gewijzigde) beslissing op het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van 9 juli 2014 heeft de ACM de boete vanwege een wijziging in de boetesystematiek bijgesteld naar € 123.000,- en het besluit voor het overige gehandhaafd. In beroep heeft de rechtbank Rotterdam het besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betrof, deze vastgesteld op € 110.700,- en de beslissing op bezwaar voor het overige in stand gelaten.

[eisers (zaak 3)]

2.8.

Bij besluit van 13 december 2011 (de eerste tranche) heeft de ACM aan [eisers (zaak 3)] een boete opgelegd wegens overtreding van het kartelverbod (artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet) ter hoogte van € 450.000,- op basis van deelname aan 413 besmette veilingen, waarvan 64 met naveiling. Bij de (gewijzigde) beslissing op het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van 9 juli 2014 heeft de ACM de boete vanwege een wijziging in de boetesystematiek bijgesteld naar € 144.000,- en het besluit voor het overige gehandhaafd. In beroep heeft de rechtbank Rotterdam het besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betrof, deze vastgesteld op € 129.600,- en de beslissing op bezwaar voor het overige in stand gelaten.

[eisers (zaak 4)]

2.9.

Bij besluit van 7 januari 2013 (tweede tranche) heeft de ACM aan [eisers (zaak 4)] een boete opgelegd wegens overtreding van het kartelverbod (artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet) ter hoogte van € 296.000,- op basis van deelname aan 330 besmette veilingen, waarvan 50 met naveiling. Bij de beslissing op het tegen dit besluit gemaakte bezwaar van 9 juli 2014 heeft de ACM de boete vanwege een wijziging in de boetesystematiek bijgesteld naar € 114.000,- en het besluit voor het overige gehandhaafd. In beroep heeft de rechtbank Rotterdam het besluit vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betrof, deze vastgesteld op € 92.600,- en de beslissing op bezwaar voor het overige in stand gelaten.

De publicatie van de boetebesluiten

2.10.

De ACM heeft in maart 2012 de boetebesluiten uit de eerste tranche geanonimiseerd en zonder lijsten met besmette veilingen openbaar gemaakt. Nadat ook de boetebesluiten in de tweede en derde tranche waren genomen heeft de ACM op 12 september 2013, na een vergeefse procedure bij de voorzieningenrechter op verzoek van de handelaren ter voorkoming daarvan, alle boetebesluiten in niet-geanonimiseerde vorm gepubliceerd op haar website.

De opzegging van de bankrelaties door de Rabobank

2.11.

De huizenhandelaren bankierden bij de Rabobank. Deze bank heeft onder verwijzing naar de in september 2013 gepubliceerde boetebesluiten de bancaire relatie met ieder van de huizenhandelaren opgezegd en krediet- en andere financieringsfaciliteiten beëindigd. De bank berichtte de huizenhandelaren hierover bij brieven van respectievelijk

25 juli 2014 ( [eisers (zaak 1)] ), 11 maart 2014 ([eisers (zaak 2)]), 23 juni 2014 ([eisers (zaak 3)]) en 28 januari 2015 ( [eisers (zaak 4)] ). De Rabobank schreef telkens dat zij de door de ACM vastgestelde betrokkenheid van de huizenhandelaren bij gedragingen die het eerlijk verlopen van executieveilingen hebben ondermijnd en daarmee het vertrouwen in het financiële stelsel hebben geschaad, een serieus integriteits- en reputatierisico achtte. Die gedragingen raakten volgens de Rabobank rechtstreeks de belangen van de overige klanten van de bank, van de bank zelf en van de financiële sector.

De herroeping van de boetebesluiten door de hoogste bestuursrechter

2.12.

Op 3 juli 2017 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) uitspraak gedaan op de hoger beroepen van 61 beboete handelaren, waaronder de huizenhandelaren.2

Het CBb heeft – samengevat en voor zover hier van belang – geoordeeld dat de ACM niet heeft aangetoond dat het gezamenlijk inzetten steeds bedoeld was om een lagere inzetprijs te realiseren of om tot samenspanning (collusie) in de afmijnfase te komen. Ten aanzien van veilingen waarvan was vastgesteld dat na het afmijnen een naveiling had plaatsgevonden heeft de ACM wel terecht geoordeeld dat het gedrag van die bij de naveiling betrokken handelaren erop gericht was de officiële veilingprijs zo laag mogelijk te houden en daarom mededingingsbeperkend was. Er was echter door de ACM onvoldoende bewijs geleverd om te kunnen concluderen dat de aangetoonde overtredingen konden worden aangemerkt als een enkele voortdurende overtreding (overtreding van het kartelverbod). Het CBb zag vanwege de fundamentele aard van de in het bewijs geconstateerde gebreken geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen om de ACM gelegenheid te geven die gebreken te herstellen. Het CBb vernietigde alle bestreden beslissingen op bezwaar en herriep alle primaire boetbesluiten, dus ook die van de huizenhandelaren.

De vaststellingsovereenkomst voor het collectief

2.13.

Met de uitspraak van het CBb van 3 juli 2017 stond de onrechtmatigheid van de boetebesluiten vast. Een groep van 48 handelaren (hierna: het collectief), onder wie de huizenhandelaren, heeft – bijgestaan door dezelfde advocaten – bij brief van 7 september 2017 de ACM aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelden te hebben geleden door de boetebesluiten en de daaraan gegeven publiciteit.

2.14.

Hierna zijn besprekingen op gang gekomen tussen de advocaten van het collectief en die van de ACM om te komen tot een collectieve minnelijke afwikkeling van de schadeclaims. Dit leidde tot een schikkingsvoorstel van de ACM met een model vaststellingsovereenkomst (VSO), waarin – kort gezegd – staat dat de ACM – ter finale kwijting en zonder erkenning van aansprakelijkheid – aan de huizenhandelaren een bedrag betaalt van € 25.000,- aan vermogensschade en € 10.000,- ter vergoeding van alle andere schade, ten gevolge van het uitgevoerde onderzoek, de boetebesluiten, de openbaarmaking daarvan en de berichtgevingen daarover.

Van de finale kwijting is een aantal schadeposten uitgezonderd (namelijk die genoemd in artikel 4.2 onder a tot en met f, mits die schade is ontstaan in de periode vanaf de datum van het boetebesluit tot de dag van de uitspraak van het CBb (3 juli 2017), deze het bedrag van € 25.000,- overstijgt en vóór 1 december 2018 aan de ACM is medegedeeld, steeds voor zover de ACM wettelijk verplicht is die vermogensschade te vergoeden.

2.15.

Handelaren, ook die buiten het collectief, kregen tot 1 december 2018 om het voorstel te accepteren. Indien zij meenden meer dan € 25.000,- aan vermogensschade te hebben geleden ten aanzien van in de VSO specifiek benoemde schadeposten, dienden zij naast de ondertekende VSO vóór 1 december 2018 ook hun aanvullende schadeclaim, van een onderbouwing voorzien, in te dienen bij de ACM. Indien over de aanvullende schadeclaim geen overeenstemming kon worden bereikt, diende de betreffende handelaar uiterlijk op 1 juli 20193 een procedure aanhangig te maken, op straffe van verval van recht. In totaal 48 handelaren, van wie 47 van het collectief en onder wie alle huizenhandelaren, hebben de VSO ondertekend.

2.16.

De tekst van de VSO is voor alle handelaren gelijk en luidt, voor zover in deze procedure relevant, als volgt4:

(…)

Overwegende

(a) In 2009 heeft ACM een onderzoek ingesteld naar kartelafspraken In verband met executieveilingen. In dat kader heeft ACM op [rb: datum boetebesluit] een boetebesluit gericht aan [rb: naam handelaar] genomen en op [rb. datum bekendmaking besluit] aan [rb: naam handelaar] bekendgemaakt (het "Boetebesluit"). Bij besluit op bezwaar d.d. 9 juli 2014 (het "Besluit op Bezwaar" en tezamen met het Boetebesluit, de "Besluiten") is de boete vastgesteld op [rb: boetebedrag].

(b) [rb: naam handelaar] heeft beroep ingesteld tegen het aan haar gerichte Besluit op Bezwaar. Bij uitspraak van [rb: datum uitspraak] heeft de rechtbank Rotterdam het Besluit op Bezwaar in stand gelaten. [rb: naam handelaar] heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Bij uitspraak van 3 juli 2017 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het "CBb") het hoger beroep van [rb: naam handelaar] en 60 andere handelaren op executieveilingen ("handelaren") gegrond verklaard, en

(onder meer) het Besluit op Bezwaar gericht aan [rb: naam handelaar] vernietigd en het oorspronkelijke Boetebesluit herroepen (de "Uitspraak").

ACM heeft op 12 september 2013 het Boetebesluit en op 15 oktober 2015 het Besluit op Bezwaar openbaar gemaakt via www.acm.nl (de "Openbaarmaking"). Na de Uitspraak heeft ACM de Besluiten van haar website gehaald.

(d) Zowel gedurende als ná het onder (a) bedoelde onderzoek en de Besluiten zijn publicaties en berichtgeving verschenen, waaronder begrepen persberichten, interviews en artikelen, gedeeltelijk met medewerking van (medewerkers en/of bestuursleden van) ACM.

(e) [rb: naam handelaar] heeft ACM aansprakelijk gesteld voor de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het hiervoor onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving, welke schade bestaat uit vermogensschade en niet­vermogensschade.

(f) Partijen hebben overeenstemming bereikt over de finale beëindiging van het aldus ontstane geschil en de hoogte van de vergoeding te betalen door ACM aan [rb: naam handelaar], met dien verstande dat ACM aanvaardt dat [rb: naam handelaar] geen afstand doet van het recht om van ACM een aanvullende vergoeding van vermogensschade te vorderen binnen de grenzen en onder de voorwaarden als in deze vaststellingsovereenkomst omschreven.

(g) Partijen verbinden zich om na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst te komen tot een voortvarende afwikkeling van de aanvullende vermogensschade voor zover [rb: naam handelaar] deze uiterlijk op 1 december 2018 (voorzien van een nadere onderbouwing en bewijsmiddelen) aan de ACM kenbaar heeft gemaakt.

(h) Partijen beogen met deze overeenkomst te voorzien in een allesomvattende regeling ter zake alle mogelijke gevolgen (voorzienbaar en onvoorzienbaar, bekend en onbekend, huidig en toekomstig) van het hiervoor onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving, met uitzondering van de hiervoor onder (f) bedoelde vermogensschadeschadeposten voor zover het totaal aan te vorderen vermogensschade het bedrag zoals opgenomen in artikel 1.2, onder a van deze vaststellingsovereenkomst overstijgt.

(i) [rb: naam handelaar] heeft bij de totstandkoming van deze vaststellingsovereenkomst juridische bijstand gehad, waarbij [rb: naam handelaar] is bijgestaan door Mrs. Vinken en Van de Hel die een collectief van handelaren vertegenwoordigen (het "Collectief''). Die handelaren die zijn aangesloten bij het Collectief staan vermeld op Bijlage 1 bij deze vaststellingsovereenkomst.

(j) ACM heeft een gelijkluidend aanbod gedaan aan andere handelaren c.q.

partijen die als appellant zijn vermeld in de Uitspraak, waaronder alle handelaren die zijn aangesloten bij het Collectief.

(k) Deze vaststellingsovereenkomst wordt aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat uiterlijk op 1 december 2018 ten minste 20 inhoudelijk gelijkluidende vaststellingsovereenkomsten rechtsgeldig door bij het Collectief aangesloten handelaren en eventuele mede-appellanten in de procedures bij het CBb tegen de tot de desbetreffende handelaren gerichte boetebesluiten zijn ondertekend en aan ACM ter hand gesteld.

Komen als volgt overeen:

Artikel 1 (vergoeding en betaling)

1.1.

ACM betaalt aan [rb: naam handelaar] een bedrag van in totaal € 35.000 overeenkomstig artikelen 1.2 en 1.3 hieronder en onder de voorwaarden zoals opgenomen in deze vaststellingsovereenkomst {"Schikkingsbedrag").

1.2.

Het schikkingsbedrag is als volgt opgebouwd:

a.

(…)

- € 25.000, = indien uiterlijk op 1 december 2018 in totaal ten minste 44 handelaren gelijkluidende overeenkomsten door de betreffende handelaren rechtsgeldig zijn ondertekend en aan ACM ter hand gesteld,

strekt tot vergoeding van vermogensschade zoals omschreven in artikel 4.2 als gevolg van de Besluiten alsmede ter vergoeding van kosten van juridisch advies ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte, een en ander als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b. en c. BW; en

b. € 10.000, = strekt tot vergoeding van alle andere schade (waaronder, maar

niet beperkt tot niet-vermogensschade) welke [rb: naam handelaar] stelt te hebben geleden als gevolg van het onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving.

1.3.

Na inwerkingtreding van deze overeenkomst door Partijen zal ACM het Schikkingsbedrag zoals omschreven in artikel 1.2 [conform de in artikel 1:2 omschreven verdeelsleutel] zo spoedig mogelijk voldoen door overmaking naar een door [rb: naam handelaar] op te geven bankrekening[en], onder vermelding van "schikking collectief executieveilingzaak".

1.4.

Het schikkingsbedrag zal niet met enig bedrag worden verhoogd. Het zal ook niet worden verhoogd met (te betalen) belasting of met enige andere heffing of belasting, hoe ook genaamd, noch met kosten van welke soort dan ook of met opslagen, hoe ook genaamd, noch met enigerlei compensatie voor dergelijke belastingen, heffingen, kosten of opslagen.

Artikel 2 (aansprakelijkheid)

2.1. [

[rb: naam handelaar] bevestigt dat betaling van het schikkingsbedrag niet impliceert dat ACM enige aansprakelijkheid met betrekking tot het hiervoor onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving, heeft erkend.

Artikel 3 (finale kwijting)

3.1. [

[rb: naam handelaar] verklaart hierbij dat zij, behoudens het in artikel 4 van deze overeenkomst bepaalde, niets (meer) van ACM te vorderen heeft met betrekking tot het hiervoor onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving, ook voor zover aanspraken mochten voortvloeien uit feiten, oorzaken en/of omstandigheden welke ten tijde van het ondertekenen van deze overeenkomst niet bekend waren of konden zijn en alle daaruit voortgevloeide en nog voortvloeiende gevolgen en daarmee anderszins verband houdende gevolgen, van welke aard dan ook.

3.2. [

[rb: naam handelaar] verleent, behoudens het in artikel 4 van deze overeenkomst bepaalde, ACM in verband met voornoemde feiten en omstandigheden volledige en finale kwijting.

(…)

Artikel 4 (uitzonderingen op finale kwijting)

4.1.

De hiervoor in artikel 3 bedoelde finale kwijting omvat alle schade van [rb: naam handelaar] (voorzienbaar en onvoorzienbaar, bekend en onbekend, huidig en toekomstig) als gevolg van het hiervoor onder (a) bedoelde onderzoek, de Besluiten, de Openbaarmaking en/of de onder (d) bedoelde publicaties en berichtgeving, met uitzondering van de in artikel 4.2 uitputtend omschreven vermogensschadeposten voor zover het totaal aan te vorderen vermogensschade het bedrag zoals opgenomen in artikel 1.2, onder a. van deze vaststellingsovereenkomst overstijgt.

4.2.

De volgende vermogensschadeposten zijn uitgezonderd van de in artikel 3 opgenomen finale kwijting, mits:

i. de vermogensschade onder a. tot en met f. hieronder is ontstaan in de periode vanaf de datum van het Boetebesluit tot 3 juli 2017, voor zover deze het bedrag vermeld in artikel 1.2, onder a. van deze vaststellingsovereenkomst overstijgt; alsmede

ii. [rb: naam handelaar] uiterlijk op 1 december 2018 bij ACM het bedrag en de onderbouwing van haar vordering, vergezeld van de nodige schriftelijke bewijsstukken, heeft meegedeeld respectievelijk heeft ingediend,

steeds voor zover ACM wettelijk verplicht is deze vermogensschadeposten te vergoeden:

a. vermogensschade door (hogere) kosten voor de financiering van transacties en beleggingen in onroerend goed, waaronder door [rb: naam handelaar] betaalde hogere rente als gevolg van de opzegging door een (of meer) derde(n) (waaronder banken) van een (of meer) (krediet)relatie(s) als gevolg van de Besluiten;

b. gederfde winst of geleden verlies als gevolg van gedwongen verkoop van onroerend goed door [rb: naam handelaar] als gevolg van de Besluiten;

c. vermogensschade door (hogere) kosten in verband met het oversluiten van een of meerdere (hypotheek)lening(en) voor onroerende goederen door [rb: naam handelaar] als gevolg van de Besluiten;

d. gederfde winst of geleden verlies als gevolg van een (of meer) niet­doorgegane en/of misgelopen transactie(s) in onroerend goed tussen [rb: naam handelaar] en een of meer derden als gevolg van de Besluiten;

e. gederfde winst of geleden verlies met betrekking tot de aan- en verkoop van onroerend goed door [rb: naam handelaar] als gevolg van de Besluiten;

f. redelijke kosten van juridisch en financieel advies ter vaststelling van schade, alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte, een en ander als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b. en c. BW, voor zover gemaakt tussen 3 juli 2017 en 1 december 2018 ter verkrijgen van vergoeding van de hiervoor onder a. tot en met e. genoemde schadeposten;

een en ander maximaal tot het bedrag zoals door [rb: naam handelaar]i Ingevolge het hiervoor onder ii. bepaalde uiterlijk op 1 december 2018 aan ACM is meegedeeld, zulks te vermeerderen met:

i. wettelijke rente over de hiervoor onder a. tot en met e. genoemde schadeposten vanaf het moment van het ontstaan van de verplichting tot betaling van schadevergoeding van ACM aan [rb: naam handelaar] tot het moment van betaling; en

ii. redelijke kosten van juridisch en financieel advies ter vaststelling van schade, alsmede ter verkrijging van voldoening buiten rechte, een en ander als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b. en c. BW, voor zover gemaakt na 1 december 2018 ter verkrijgen van vergoeding van de hiervoor onder a. tot en met e. genoemde schadeposten.

4.3.

Andere dan de hierboven gedefinieerde schadeposten (ongeacht of deze op 1 december 2018 bij Partijen bekend zijn of niet), waaronder alle (bekende en niet bekende) vermogensschadeposten, vallen onder de in artikel 3 bedoelde finale kwijting.

(…)

De afwikkeling van de VSO

2.17.

De ACM heeft alle deelnemers aan de VSO, waaronder de huizenhandelaren, uiterlijk eind 2018 een bedrag van € 35.000,- betaald.

2.18.

In totaal achttien handelaren, onder wie de huizenhandelaren, hebben vóór 1 december 2018 een aanvullende schadeclaim bij de ACM ingediend, voorzien van een onderbouwing. De ACM heeft deze claims in onderzoek genomen.

2.19.

Op 24 september 2019 heeft het CBb einduitspraak gedaan in drie schadevergoedingsverzoeken op de voet van artikel 8:73 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht van drie handelaren die in de in 2.12 genoemde procedure daartoe een verzoek hadden gedaan. Deze handelaren stelden onder meer vermogensschade te hebben geleden door de boetebesluiten, bestaande uit gederfde inkomsten uit de handel op executieveilingen en kosten in verband met de gevolgen van door de banken beëindigde financieringen. Het CBb wees de vermogensschade af, kort gezegd, omdat het van oordeel was dat deze schade niet in voldoende verband stond met de boetebesluiten zodat die schade niet als een gevolg daarvan aan de ACM kon worden toegerekend.

2.20.

De ACM heeft alle handelaren van het collectief bij e-mailbericht van 29 oktober 2019 laten weten dat de ACM de aanvullende schadeclaims afwees. Volgens de ACM was, op basis van de onderbouwingen daarvan – voor zover al sprake was van binnen de limitatieve opsomming van in artikel 4.2 van de VSO vallende schadeposten – de schade het gevolg van keuzes van de handelaren zelf, dan wel van beslissingen van de Rabobank waarvan de gevolgen niet aan de ACM kunnen worden toegerekend. Ook achtte de ACM de claims voor een groot deel inhoudelijk niet steekhoudend onderbouwd.

2.21.

Met een aantal handelaren is de ACM vervolgens tot overeenstemming gekomen. Zes handelaren hebben binnen de overeengekomen termijn een dagvaarding uitgebracht waarmee de onderhavige procedure is ingeleid. Na de mondelinge behandeling in de zes gevoegde zaken is in twee zaken om doorhaling verzocht in verband met alsnog bereikte overeenstemming.

3 Het geschil in alle zaken

De vorderingen

3.1.

De huizenhandelaren, [eisers (zaak 3)] na vermindering van eis, vorderen – samengevat – dat de rechtbank, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    i) voor recht verklaart dat de Staat gehouden is tot nakoming van de VSO, dan wel dat de Staat de VSO tot op heden niet is nagekomen;

  • -

    ii) voor recht verklaart dat de Staat jegens ieder van hen aansprakelijk is als gevolg van onrechtmatig handelen zoals in de dagvaarding uiteengezet;

  • -

    iii) de Staat veroordeelt om aan hen te betalen een bedrag van:

  • -

    € 1.618.087,- aan [eisers (zaak 1)] ;

  • -

    € 811.575,93 aan [eisers (zaak 2)];

  • -

    € 1.058.200,- aan [eisers (zaak 3)];

  • -

    € 234.000,- aan [eisers (zaak 4)] ;

als aanvullende vermogensschade, steeds te vermeerderen met wettelijke rente;

( iv) de Staat veroordeelt om aan hen te betalen een bedrag van:

  • -

    € 6.000,- aan advocaatkosten en € 13.691,56 aan accountantskosten aan [eisers (zaak 1)] ;

  • -

    € 6.000,- aan advocaatkosten en € 16.017,50 aan accountantskosten aan [eisers (zaak 2)];

  • -

    € 2.000,- aan advocaatkosten en € 7.725,- aan accountantskosten aan [eisers (zaak 3)];

  • -

    € 7.260,- aan advocaatkosten en € 7.701,61 aan accountantskosten aan [eisers (zaak 4)] ,

steeds te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;

  • -

    v) de Staat veroordeelt om aan hen te betalen een nader te bepalen aanvullend bedrag aan advocaat- en accountantskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding,

  • -

    vi) de Staat verplicht inzage te geven in de gespreksverslagen en correspondentie van de met andere huizenhandelaren afgehandelde zaken waarin schadevergoedingen zijn uitgekeerd;

  • -

    vii) de Staat veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en de nakosten.

De grondslag van de vorderingen

3.2.

De huizenhandelaren baseren hun vorderingen kort gezegd op de stelling dat de Staat op grond van de VSO gehouden is om de aanvullend geclaimde schadevergoeding te betalen. De door hen gevorderde schadevergoeding betreft buiten de kwijtingsafspraak vallende schadeposten, die zij – zoals afgesproken – vóór 1 december 2018 van een onderbouwing hebben voorzien, en in deze procedure ook met (ter zitting nader toegelichte) schaderapporten van de hand van dr. [X] . Hun schade bestaat in hoofdzaak uit winstderving vanwege substantieel verminderde handelsactiviteiten en gedwongen verkopen, hogere financieringslasten en kosten vanwege de opzegging van de bankrelatie. Daarnaast uit extra notariële kosten, taxatiekosten, accountantskosten en kosten van juridische bijstand. Ten aanzien van deze schadeposten komt de Staat, gelet op (de wijze van totstandkoming van) de VSO, geen beroep meer toe op het ontbreken van causaal verband met de boetebesluiten of op de aanwezigheid van eigen schuld. Ter onderbouwing van dit laatste punt verzoeken de huizenhandelaren de rechtbank ook om met gebruikmaking van de bevoegdheid in artikel 22 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) de Staat te verplichten inzage te geven in alle relevante documentatie over de afhandeling van de schadeclaims van de niet bij deze procedure betrokken huizenhandelaren.

Het verweer

3.3.. De Staat concludeert in alle zaken tot afwijzing van de vorderingen. Hij betwist dat hij op grond van de VSO gehouden is tot het vergoeden van aanvullende schade aan de huizenhandelaren. Hij wijst er daarbij op dat de gevorderde schade niet in causaal verband staat met de boetebesluiten, althans daaraan niet kan worden toegerekend. Ook is volgens hem niet voldaan aan de relativiteitseis van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Hoe dan ook dient volgens de Staat eventuele schade geheel voor rekening van de huizenhandelaren zelf te blijven omdat die schade is ontstaan door hun eigen (mededingingsbeperkende) handelingen in het kader van de naveilingen (artikel 6:101 BW). De Staat betwist voorts de omvang van de gestelde schade van ieder van de huizenhandelaren en de deugdelijkheid van de onderbouwing daarvan. Voor de gevraagde inzage in stukken over de afwikkeling van schadevorderingen van andere huizenhandelaren bestaat volgens de Staat geen grond.

3.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna verder ingegaan, zowel ten aanzien van de in alle zaken aan de orde zijnde geschilpunten als voor wat betreft de zaakspecifieke aspecten.

4 De beoordeling in alle zaken

Waar gaat deze zaak over?

4.1.

Het onderzoek dat de ACM vanaf 2009 heeft uitgevoerd naar mededingingsbeperkende handelingen en overtreding van het kartelverbod door handelaren op de markt van executieveilingen, is op 3 juli 2017 uitgemond in de vernietiging door het CBb van een grote hoeveelheid boetebesluiten, waaronder die van de huizenhandelaren.

Met deze vernietiging was de onrechtmatigheid van de boetebesluiten gegeven en daarmee ook de aansprakelijkheid van de ACM (van de Staat) voor de schade die van die besluiten het gevolg is geweest. In het kader van de afwikkeling van deze aansprakelijkheid is de VSO tot stand gekomen. De VSO voorziet in de betaling van een geldbedrag ter finale kwijting en zonder erkenning van aansprakelijkheid voor vermogens- en andere schade van respectievelijk € 25.000,- en € 10.000,- , zonder dat daarvan een onderbouwing of bewijs werd verlangd. Handelaren die meenden meer vermogensschade te hebben geleden dan € 25.000,- konden daarvoor een aanvullende claim neerleggen. Dat hebben de huizenhandelaren gedaan.

4.2.

Dit geschil draait om de vraag of de ACM op grond van de VSO gehouden is tot vergoeding aan de huizenhandelaren van vermogensschade ten gevolge van de vernietigde boetebesluiten in aanvulling op de € 25.000,- die de ACM hen in verband daarmee al heeft betaald. De VSO bepaalt de kaders waarbinnen de ACM deze aanvullende schade zou vergoeden, namelijk voor zover:

  • -

    daartoe een wettelijke verplichting bestaat;

  • -

    het een of meer van de schadeposten betreft die van de verleende finale kwijting zijn uitgezonderd;

  • -

    de schade is ontstaan in de periode tussen het primaire boetebesluit en 3 juli 2017;

  • -

    die de al betaalde € 25.000,- overstijgt;

  • -

    de omvang ervan uiterlijk op 1 december 2018 aan de ACM is medegedeeld (voorzien van onderbouwing en bewijsstukken) en ook tot dát maximum.

4.3.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de ACM niet gehouden is tot vergoeding van de aanvullende schadeclaims van de huizenhandelaren. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Moest de ACM de aanvullende claims voldoen?

de inhoud van de VSO

4.4.

De huizenhandelaren stellen zich primair op het standpunt dat ACM zich in de VSO heeft verbonden om de aanvullende schadeclaims uit te keren onder de enkele voorwaarde dat die van een voldoende onderbouwing zouden worden voorzien. Zij konden volstaan met het overleggen van een (gemotiveerde en met stukken gestaafde) berekening daarvan. Volgens hen komt de ACM geen beroep meer toe op het vereiste van causaal verband tussen de in de VSO van de kwijting uitgezonderde schadeposten en de boetebesluiten, noch op eigen schuld, en had de ACM de aanvullende claims moeten voldoen.

4.5.

De rechtbank volgt de huizenhandelaren niet in dit standpunt. De tekst van de VSO biedt geen steun aan die stelling en uit wat door de huizenhandelaren is aangevoerd kan ook niet afgeleid worden dat het partijen desalniettemin zo voor ogen heeft gestaan. De VSO is tot stand gekomen tegen de achtergrond van enerzijds de wens van de handelaren en de ACM om tot een voortvarende, zo mogelijk collectieve, afhandeling te komen en anderzijds de daarbij gebleken verschillen van inzicht over de voor vergoeding in aanmerking komende schade. De VSO stelt uitdrukkelijk voorop dat de ACM met de betaling van het bedrag van € 35.000, aansprakelijkheid niet heeft erkend en dat de ACM aanvullende schade alleen vergoedt wanneer daartoe een wettelijke verplichting bestaat. Tegen deze achtergrond moet artikel 4 van de VSO worden gelezen. Artikel 4 van de VSO maakte mogelijk dat een handelaar en de ACM over een aantal in geschil zijnde posten individueel tot een nadere afwikkeling konden komen. Het gegeven dat de in artikel 4.2 onder a tot en met f van de VSO genoemde schadeposten van de kwijting zijn uitgesloten, betekent dat de mogelijkheid van vergoeding ervan niet werd uitgesloten, maar houdt – mede gelet op de vooropstelling – geen erkenning van de verschuldigdheid ervan. In de omschrijving van de van kwijting uitgezonderde schadeposten staat bovendien met zoveel woorden dat het moet gaan om schade “als gevolg van de Besluiten”. Dit betekent dat de aanwezigheid van een rechtstreeks (causaal) verband van de geclaimde schade met de boetebesluiten door de handelaar dient te worden aangetoond en dat uit de onderbouwing van de aanvullende schade dus dient te blijken dat het om schade gaat die een gevolg is van het boetebesluit en daaraan kan worden toegerekend.

4.6.

De huizenhandelaren hebben ter zitting nog betoogd dat met de passage “voor zover daartoe een wettelijke verplichting bestaat” is bedoeld dat de handelaren “wettelijk bewijs” moesten leveren van de schadeposten, waaronder van de opzegging door de banken van de financieringsrelatie. De juistheid hiervan valt niet in te zien. De verwijzing naar de noodzaak van de indiening van een onderbouwing van de claim, vergezeld van de nodige schriftelijke bewijsstukken, is immers afzonderlijk opgenomen, namelijk in artikel 4.2 onder II van de VSO, en wordt direct gevolgd door de passage over de wettelijke schadevergoedingsplicht. Het gaat dus om een onderbouwing van de vordering met bewijsstukken tegen de achtergrond van de wettelijke schadevergoedingsplicht. Dat de ACM en de huizenhandelaren bij het aangaan van de VSO iets anders voor ogen stond is door de huizenhandelaren niet voldoende onderbouwd. De ACM heeft met het sluiten van de VSO niet het recht verloren om te beoordelen of de aanvullende schadeclaims voor vergoeding in aanmerking komen als een gevolg van de vernietigde boetebesluiten of om andere, op de betwisting van (de omvang van) haar aansprakelijkheid gerichte verweren te voeren.

door de ACM opgewekt vertrouwen

4.7.

Er zijn ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de ACM het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij voor de schadeposten genoemd in artikel 4.2 a tot en met f van de VSO het causaal verband met de boetebesluiten al onvoorwaardelijk had aangenomen. De huizenhandelaren menen dat dit kan worden afgeleid uit de handelwijze van de ACM; door het sluiten van de VSO, het vergoeden van immateriële schade en een deel van de vermogensschade, door het inschakelen van een schade-expert én door het vergoeden van soortgelijke aanvullende schadeclaims van andere handelaren. Daarin volgt de rechtbank de huizenhandelaren niet. Die omstandigheden wijzen er noch ieder voor zich, nog in onderling verband op dat de ACM causaal verband tussen de besluiten en de gestelde schade al had aangenomen. Uit het feit dat de ACM heeft willen schikken met de huizenhandelaren en in dat kader bereid is geweest om– zonder erkenning van aansprakelijkheid – een bedrag te betalen, kan het gestelde vertrouwen, mede gelet op hetgeen in 4.5 is overwogen niet worden afgeleid. Dat de ACM daarbij in de VSO vergoeding van bijvoorbeeld gederfde winst en kosten in verband met beëindigde financieringen niet heeft uitgesloten is niet genoeg om aan te nemen dat zij (cijfermatig onderbouwde) claims voor die posten zal vergoeden. Dat de ACM een schade-expert heeft ingeschakeld om de onderbouwingen van de aanvullende claims te kunnen beoordelen, betekent evenmin dat geen beoordeling meer zou plaatsvinden op het verband tussen de gestelde schade en de boetebesluiten. En uit het feit dat de ACM aan andere handelaren aanvullende vergoedingen heeft uitgekeerd, valt tot slot ook niet af te leiden dat de ACM bij de individuele beoordeling van de aanvullende claims geen aantoonbaar causaal verband met de boetebesluiten meer zou verlangen. Dat er door de ACM concrete toezeggingen zijn gedaan in dat verband is niet gesteld of gebleken. De ACM heeft – zo is ook niet in geschil – mogelijke aansprakelijkheid voor bijvoorbeeld de gevolgen van de beëindiging van de bankrelaties niet uitgesloten maar dat zij er op enig moment blijk van heeft gegeven dat zij voor het vergoeden van deze post (en dus ook het aannemen van causaal verband met het boetebesluit) genoegen zou nemen met de opzeggingsbrieven van de bank, zoals de huizenhandelaren stellen, blijkt uit niets.

4.8.

Ook de presentatie die de advocaten van het collectief op 10 oktober 2018 aan onder meer de huizenhandelaren over de contouren van de VSO hebben gegeven, leidt niet tot een ander oordeel. Of de ACM die nu wel of niet vooraf ter goedkeuring voorgelegd heeft gekregen, is daarbij niet relevant. De tekst van de slides van de getoonde PowerPointpresentatie stemt inhoudelijk overeen met die van de VSO. Nadrukkelijk is vermeld dat een niet deugdelijke onderbouwing zou leiden tot afwijzing van de claim door de ACM. Uit niets blijkt dat die onderbouwing niet mede betrekking zou moeten hebben op het verband van de schade met de boetebesluiten. Dit geldt ook voor het beroep dat de ACM doet op de aanwezigheid van eigen schuld.

4.9.

Gelet op het bovenstaande slaagt het beroep dat de huizenhandelaren in dit verband hebben gedaan op het vertrouwensbeginsel niet.

4.10.

Uit het feit dat de ACM nog niet is overgegaan tot uitkering van de tijdig ingediende aanvullende vermogensschadeclaims, volgt dus niet dat zij (dat de Staat) de VSO niet nakomt.

4.11.

Daarom ligt hierna ter beoordeling voor of de schade die de huizenhandelaren in deze procedure vorderen toewijsbaar is als aanvullende vermogensschade als gevolg van de vernietigde schadebesluiten zoals in (artikel 4.2 van) de VSO is omschreven.

Moet de ACM de gestelde (aanvullende) schade vergoeden?

4.12.

Voorop staat, zoals de Staat terecht aanvoert, dat alleen schade voor vergoeding in aanmerking komt die – als gezegd – van de boetebesluiten het gevolg is, voor zover die is geleden in de periode tussen het boetebesluit en 3 juli 2017, voor zover die het al betaalde bedrag van € 25.000,- overstijgt en met een gemaximeerde hoofdsom van de bij de ACM voor 1 december 2018 ingediende claim. Schade die het gevolg is van, of is toe te rekenen aan, het onderzoek dat de ACM naar de huizenhandelaren heeft uitgevoerd, aan de publicaties daarover en aan de openbaarmaking van de boetebesluiten valt immers onder de overeengekomen finale kwijting. Het ligt op de weg van de huizenhandelaren om in deze procedure hun schadevorderingen, dit mede in acht nemende, van een deugdelijke onderbouwing te voorzien.

4.13.

In hun, vrijwel gelijkluidende, dagvaardingen hebben de huizenhandelaren aan de omvang van de schade slechts zeer summier aandacht besteed. Er is volstaan met te verwijzen naar de onderbouwingen die vóór 1 december 2018 bij de ACM zijn ingediend (in alle zaken productie 8 bij dagvaarding) die in alle zaken moeten worden bezien in samenhang met (als producties 22) overgelegde schaderapporten van dr. [X] (verder: [X] ). Daarbij is opgemerkt dat de schaderapporten dienen als een nadere onderbouwing dan wel herberekening van de bij de ACM ingediende claims, hetgeen een verklaring is voor de verschillen in de genoemde bedragen. Verder is opgemerkt dat de bijlagen bij de schaderapporten de documenten bevatten die aan de berekeningen van [X] ten grondslag hebben gelegen. Iedere verdere toelichting ontbreekt in de dagvaardingen. Dit wreekt zich omdat de schaderapporten van [X] in geen enkele zaak voortbouwen op, verwijzen naar of samenhang vertonen met de bij de ACM ingediende onderbouwingen. Verschillen tussen deze stukken in benadering, berekening en uitkomsten, die in alle zaken in het oog springen, zijn niet expliciet gemaakt, laat staan van een verklaring voorzien. Ook ter zitting is dit niet gebeurd. Ter zitting hebben de huizenhandelaren desgevraagd verklaard dat voor de schadeberekeningen de schaderapporten leidend zijn. De rechtbank zal bij de verdere beoordeling van de schadevorderingen dan ook alleen de schaderapporten betrekken.

4.14.

Uit de schaderapporten volgt dat de huizenhandelaren stellen dat hun schade – samengevat weergegeven – bestaat uit (a) de gevolgen van de opzegging van de bancaire relaties (gedwongen verkopen, noodzakelijke winstdelingen met derden, hogere financieringslasten, extra kosten), (b) gederfde winsten en huuropbrengsten vanwege verminderde handelsactiviteiten en (c) kosten voor accountants, advocaten en advies.

4.15.

De Staat heeft in alle zaken de gestelde schadeomvang uitvoerig en gemotiveerd weersproken, met zowel argumenten die in alle zaken gelden als argumenten die op de (onderbouwing van de) onderscheidenlijke vorderingen van de huizenhandelaren betrekking hebben.

schade die het gevolg is van de boetebesluiten

4.16.

De Staat voert aan dat alle schade van de huizenhandelaren moet worden toegeschreven aan de openbaarmaking van de boetebesluiten en niet aan de boetebesluiten zelf. Nu de openbaarmaking voor rechtmatig moet worden gehouden, is het causaal verband tussen boetebesluiten en iedere schade doorbroken, volgens de Staat.

De rechtbank volgt de Staat hierin niet. De Staat onderbouwt zijn standpunt dat álle gestelde schade louter aan de openbaarmaking van de boetebesluiten valt toe te schrijven niet en zonder die onderbouwing valt dat – mede gelet op de stellingen van de huizenhandelaren – niet zonder meer in te zien. Van een doorbreking van het causaal verband (in de zin van het vereiste condicio sine qua non verband) vanwege de publicatie van de boetebesluiten ten aanzien van alle gevorderde schade kan niet worden uitgegaan.

4.17.

De Staat kan zijn aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van de boetebesluiten evenmin afwenden met het beroep op het ontbreken van relativiteit. In zijn algemeenheid kan niet worden volgehouden – zoals de Staat aanvoert – dat vermogensschade zoals hier aan de orde buiten het beschermingsbereik valt van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (dat kort gezegd een zorgvuldige voorbereiding van besluiten voorschrijft). Schending van dit artikel was de formele vernietigingsgrondslag van de boetebesluiten, hetgeen tot inhoudelijk gebrekkige boetebesluiten heeft geleid. De Staat heeft zijn standpunt niet nader inhoudelijk toegelicht en zonder die toelichting ziet de rechtbank geen aanleiding hier nader op in te gaan.

ten aanzien van schade die verband houdt met opzegging bancaire relatie

4.18.

De Staat voert aan dat de Rabobank de bancaire relaties niet heeft opgezegd vanwege de boetebesluiten, maar vanwege de handelingen van de huizenhandelaren die uit het onderzoek van de ACM zijn gebleken en die het CBb als mededingingsbeperkend heeft aangemerkt, in het bijzonder de deelname aan naveilingen. Indien en voor zover de Staat daarmee bedoelt te betogen dat de boetebesluiten geen reden of aanleiding waren voor de Rabobank om tot opzegging van de bancaire relatie met de huizenhandelaren over te gaan, slaagt dit niet. In de opzeggingsbrieven van de Rabobank aan de huizenhandelaren is steeds ook expliciet verwezen naar de boetebesluiten (zie 2.11), zodat niet kan worden volgehouden dat die bij de opzegging geen rol hebben gespeeld. Dat er geen causaal verband (in de zin van een condicio sine qua non verband) is tussen de boetebesluiten en de schade ten gevolge van de opzeggingen, volgt de rechtbank dus niet.

4.19.

Het zijn echter niet alleen de boetebesluiten zelf geweest die de Rabobank tot de opzegging van de bancaire relaties heeft gebracht. In de opzeggingsbrieven wordt niet alleen melding gemaakt van niet toegestane prijsafspraken op executieveilingen, in deze brieven wordt ook meer in het algemeen verwezen naar uit het onderzoek van de ACM gebleken gedragingen van de huizenhandelaren die het eerlijk verlopen van executieveilingen hebben ondermijnd en daarmee het vertrouwen in het financiële stelsel hebben geschaad. De Rabobank noemt dit een serieus integriteits- en reputatierisico. Die gedragingen raakten volgens de Rabobank rechtstreeks de belangen van de overige klanten van de bank, van de bank zelf en van de financiële sector. In het geval van [eisers (zaak 2)] komt daar nog bij dat de Rabobank de opzegging mede baseerde op onjuiste informatieverstrekking in 2012 over de betrokkenheid bij integriteitsincidenten, door in een vragenlijst de in 2011 opgelegde boete te verzwijgen. Ook uit de door de Staat in het geding gebrachte brief van de Rabobank van 6 oktober 2019 blijkt dat niet louter de kwalificatie van de ACM van de gedragingen van de handelaren als overtreding van het kartelverbod – die bij het CBb geen stand heeft gehouden – voor de bank doorslaggevend was, maar ook de impact van de gedragingen van de handelaren op het eerlijke verloop van executieveilingen. In deze brief schreef de Rabobank aan de advocaten van het collectief, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, dat met de uitspraak van het CBb van 3 juli 2017 is komen vast te staan dat naveilingen hebben plaatsgevonden waardoor nog steeds geldt dat de vastgestelde gedragingen van de handelaren het eerlijke verloop van executieveilingen hebben ondermijnd, ten nadele van de bank, haar klanten en het financiële stelsel.

4.20.

Dat de huizenhandelaren aan naveilingen hebben meegedaan is niet in geschil. De boetebesluiten vermelden voor ieder van hen met hoeveel naveilingen zij op grond van het onderzoek van de ACM in verband zijn gebracht. Voor het eerst ter zitting hebben de huizenhandelaren in algemene termen de juistheid van de door de ACM genoemde aantallen naveilingen betwist. Zij hebben echter niet concreet weersproken dat zij op naveilingen actief zijn geweest. De rechtbank concludeert dan ook dat voor ieder van de huizenhandelaren geldt dat hun eigen door de Rabobank als oneerlijk en nadelig beschouwde gedragingen evenzeer oorzaak zijn van de opzegging door de Rabobank van de bancaire relatie.

4.21.

Aangezien de opzegging door de Rabobank het gevolg is van een omstandigheid die aan de huizenhandelaren moet worden toegerekend, dient te worden bepaald in welke mate de aan de Staat en de huizenhandelaren toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. In dit verband is van belang dat niet in geschil is dat het onderzoek van de ACM waarvan de boetebesluiten het gevolg waren, rechtmatig was, en dat eventuele schade ten gevolge van het onderzoek onder de reikwijdte van de kwijting in de VSO valt. Voorts is relevant dat tussen de huizenhandelaren en de Rabobank sprake was van een contractuele relatie en konden de huizenhandelaren ten tijde van de naveilingen rekening houden met de belangen van de Rabobank en haar cliënten. Gelet hierop en gelet op de ernst van de door de huizenhandelaren jegens de Rabobank en haar cliënten gemaakte fouten, vervalt de vergoedingsplicht van de Staat tegenover de huizenhandelaren ter zake van de met de opzegging van de bancaire relatie samenhangende schade.

ten aanzien van schade door gederfde inkomsten

4.22.

Ten aanzien van de gestelde gederfde inkomsten uit de handel en verhuur van woningen in verband met verminderde handelsactiviteiten op executieveilingen, geldt het volgende. De boetebesluiten hielden geen verbod of beperking in voor de huizenhandelaren om actief te zijn en te blijven op de markt van de executieveilingen. Noch gedurende het onderzoek dat vooraf ging aan de boetebesluiten, noch daarna heeft de ACM belemmeringen opgeworpen om op rechtmatige wijze aan executieveilingen te kunnen blijven deelnemen. Indien en voor zover de huizenhandelaren in het onderzoek en in de boetebesluiten zelf aanleiding hebben gezien om hun handelsactiviteiten terug te schroeven, zijn dat ondernemingsbeslissingen die niet voor rekening van de ACM komen. Bovendien is niet in geschil dat het onderzoek van de ACM waarvan de boetebesluiten het gevolg waren, rechtmatig was, en dat eventuele schade ten gevolge van het onderzoek onder de reikwijdte van de kwijting in de VSO valt. Voor zover de huizenhandelaren stellen dat hun verminderde handelsactiviteiten het gevolg waren van een gebrek aan financieringsmogelijkheden door de opgezegde kredietfaciliteiten, stuit dit af op wat de rechtbank hiervoor in 4.21 heeft overwogen.

4.23.

In het licht van het voorgaande, maar ook los daarvan, geven de schaderapporten van [X] onvoldoende handvatten om te kunnen vaststellen dat de huizenhandelaren door de boetebesluiten vermogensschade hebben geleden die het op grond van de VSO al betaalde bedrag overstijgt. Daartoe geldt het volgende.

4.24.

In alle schaderapporten ontbreekt een zichtbaar en beredeneerd verband met de boetebesluiten. [X] beschrijft telkens het onderzoek van de ACM, de berichtgeving erover, de boetebesluiten en de openbaarmaking ervan en de opzeggingen door de Rabobank, en neemt dit alles tezamen tot uitgangspunt bij de bepaling van de schadeomvang (“het handelen van de ACM en de daarop volgende opzegging van de financiering”). Alleen al hierom laten zijn schaderapporten zich niet goed lezen als een onderbouwing van door de boetebesluiten geleden schade. Ook blijkt niet dat [X] zich rekenschap heeft gegeven van de in de VSO neergelegde afbakening van de schadeperiode. Zo heeft hij in de rapporten van [eisers (zaak 4)] en [eisers (zaak 3)] de schadeperiode tot en met respectievelijk 2018 en 2019 genomen en in dat van [eisers (zaak 1)] heeft hij heel 2017 betrokken (terwijl die op grond van de VSO loopt tot 3 juli 2017). De manier waarop [X] uit het gemiddelde van de jaarcijfers van de verschillende huizenhandelaren een schade-effect afleidt, verschilt per handelaar, zowel ten aanzien van de bepaling van de markttendensen als in de bepaling van de referentieperiodes, zonder dat voor deze verschillen een duidelijke verklaring is aangedragen. Dat een landelijke trend in executieveilingen een geschikte vergelijking vormt voor de verwachte transacties van een individuele huizenhandelaar is niet onderbouwd of beredeneerd. De Staat heeft de deugdelijkheid van deze werkwijze in het algemeen en per individuele handelaar gemotiveerd bestreden en op de kennelijke willekeurigheid ervan gewezen. Voorts heeft de Staat er terecht op gewezen dat in de rapporten aannames worden gedaan over gestelde gedwongen verkopen van panden, noodzakelijke winstdelingen, verkoopcijfers, financieringsperikelen en extra kosten, die niet zijn toegelicht en ook niet zonder meer blijken uit de bijgevoegde stukken.

Kosten, zoals extra taxatie- en notariskosten, provisies en extra financieringslasten zijn kosten die ook op het bedrijfsresultaat drukken. De Staat heeft er terecht op gewezen dat het opnemen in de schadebegroting van deze concrete posten – wat in alle schaderapporten gebeurt – niet zonder meer rijmt met het daarnaast begroten van de schade aan de hand van gederfde inkomsten. Ook wordt uit de rapporten niet duidelijk of de opgevoerde kosten door de ondernemingen van de betreffende huizenhandelaar zijn gedragen dan wel door hen in privé.

4.25.

De Staat heeft in de individuele zaken nog meer vragen opgeworpen over en kanttekeningen geplaatst bij de schadeberekeningen van [X] , die om een nadere verklaring van de betreffende huizenhandelaren vragen. De rechtbank laat die hier verder onbesproken. Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen moet worden geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten en ook geen aanleiding bestaat voor het begroten van de hiervoor besproken vermogensschadeposten van de huizenhandelaren. Zo te dien aanzien al sprake zou zijn van aan de boetebesluiten toe te rekenen schade, hebben zij voor een realistische begroting daarvan onvoldoende handvatten aangereikt.

ten aanzien van de overige schadeposten

4.26.

Daarmee resteren de vorderingen die bestaan uit de door de huizenhandelaren gemaakte kosten voor accountants en advocaten, zoals weergegeven in 3.1 onder iv en v. Daarbij is van belang dat redelijke kosten van juridisch en financieel advies ter vaststelling van de schade en ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b en c BW, zowel tussen 3 juli 2017 en 1 december 2018 als na 1 december 2018 in de VSO buiten de kwijtingsafspraak zijn gehouden.

4.27.

De Staat betwist niet gehouden te zijn tot vergoeding van de in 3.1 onder iv genoemde bedragen aan reeds bekende gemaakte accountants- en advieskosten. Hij wijst er echter terecht op dat toewijzing van deze bedragen alleen aan de orde is wanneer sprake is van aanvullende schade die het bedrag van € 25.000,- overstijgt. Dat is in geen van de zaken het geval.

4.28.

Ten aanzien van de in 3.1 onder v weergegeven vordering stelt de rechtbank vast dat de huizenhandelaren deze niet nader hebben ingevuld of onderbouwd. Noch voor de omvang ervan noch voor de redelijkheid ervan hebben eisers enig aanknopingspunt geboden. Dit lag wel op hun weg. Mede gelet op de betwisting van deze post door de Staat, ziet de rechtbank dan ook geen grond en geen handvatten om tot de bepaling in redelijkheid van enig bedrag aan advocaat- en accountantskosten te bepalen in aanvulling op de in 3.1 onder (iv) genoemde bedragen.

Conclusie

4.29.

In deze procedure is niet gebleken van op de voet van de VSO te vergoeden aanvullende schade van de huizenhandelaren. De vorderingen genoemd in 3.1 onder iii, iv en v worden afgewezen.

4.30.

Er bestaat geen belang bij de gevraagde inzage in documenten over de afwikkeling van de schade van andere handelaren. Evenmin bestaat bij deze stand van zaken een zelfstandig belang bij de in 3.1 onder i en ii gevorderde verklaringen voor recht. De vorderingen van de huizenhandelaren in alle zaken worden afgewezen.

4.31.

De huizenhandelaren zijn de in het ongelijk gestelde partij en zij worden in hun respectievelijke zaken in de proceskosten van de Staat veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals door de Staat gevorderd. Voor de ook gevorderde nakosten is geen afzonderlijke veroordeling vereist, omdat de proceskostenveroordeling zich ook daarover uitstrekt. Zij worden in de beslissing begroot conform het liquidatietarief.

De proceskosten van de Staat worden tot op heden begroot, waarbij voor het salaris advocaat geen acht wordt geslagen op de procestukken met betrekking tot de voeging en op de regiezitting:

  • -

    in de zaak van [eisers (zaak 1)] op € 4.131,- aan griffierecht en € 7.998,- aan salaris advocaat (2 punten à € 3.999,- op basis van tarief VIII), dus in totaal € 12.129,-;

  • -

    in de zaak van [eisers (zaak 2)] op € 4.131,- aan griffierecht en € 6.428,- aan salaris advocaat (2 punten à € 3.999,- op basis van tarief VII), dus in totaal € 10.559,-

  • -

    in de zaak van [eisers (zaak 3)] op € 4.131.,- aan griffierecht en € 7.998,- aan salaris advocaat (2 punten à € 3.999,- op basis van tarief VIII), dus in totaal € 12.129,-;

  • -

    in de zaak van [eisers (zaak 4)] op € 4.131.- aan griffierecht en €.4.982,-,- aan salaris advocaat (2 punten à € 2.491,- op basis van tarief VI) dus in totaal € 9.113,-.

5 De beslissing

De rechtbank

in de zaak met zaak/rolnummer C/09/593719 / HA ZA 20/530

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisers (zaak 1)] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 12.129,- (€ 4.131,- aan griffierecht en € 7.998,- aan salaris advocaat), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de vijftiende dag na heden;

5.3.

begroot de nakosten op € 163,- nog met € 85,- te vermeerderen in geval van betekening van het vonnis;

5.4.

verklaart de veroordeling in 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak met zaak/rolnummer C/09/593721 / HA ZA 20/531

5.5.

wijst de vorderingen af;

5.6.

veroordeelt [eisers (zaak 2)] in de in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 10.559,- (€ 4.131,- aan griffierecht en € 6.428,-,- aan salaris advocaat), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de vijftiende dag na heden;

5.7.

begroot de nakosten op € 163,- nog met € 85,- te vermeerderen in geval van betekening van het vonnis;

5.8.

verklaart de veroordeling in 5.6. uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak met zaak/rolnummer C/09/593722 / HA ZA 20/532

5.9.

wijst de vorderingen af;

5.10.

veroordeelt [eisers (zaak 3)] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 12.129,- (€ 4.131,- aan griffierecht en € 7.998,- aan salaris advocaat), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de vijftiende dag na heden;

5.11.

begroot de nakosten op € 163,- nog met € 85,- te vermeerderen in geval van betekening van het vonnis;

5.12.

verklaart de veroordeling in 5.10. uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak met zaak/rolnummer C/09/600787 / HA ZA 20/994

5.13.

wijst de vorderingen af;

5.14.

veroordeelt [eisers (zaak 4)] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 9.113,- (€ 4.131,- aan griffierecht en € 4.982,- aan salaris advocaat), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van de vijftiende dag na heden;

5.15.

begroot de nakosten op € 163,- nog met € 85,- te vermeerderen in geval van betekening van het vonnis;

5.16.

verklaart de veroordeling in 5.14. uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Willems, mr. P. Dondorp en mr. A.G. Castermans en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2021.5

1 Met ingang van 1 april 2013 de rechtsopvolger van onder meer de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa).

2 ECLI:NL:CBB:2017:204

3 Deze datum is nadien verlengd tot uiteindelijk 25 mei 2020.

4 De op een specifieke huizenhandelaar betrekking hebbende tekst is in het citaat door de rechtbank opengelaten.

5 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.