2 De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I met parketnummer 09/842012-19
hij op of omstreeks 17 januari 2019 te ’s-Gravenhage [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door deze met (kracht) met een mes in het bovenlichaam te steken, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;
Dagvaarding II met parketnummer 09/837358-19
1.
hij op of omstreeks 17 januari 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [vriend slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken en/of een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [vriend slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 17 januari 2019 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [broer slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp meermalen, althans één maal heeft gestoken en/of een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van het lichaam van de zich in zijn, verdachte's, nabijheid bevindende [broer slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
6 De vordering van de benadeelde partijen
Als benadeelde partijen, met een vordering tot schadevergoeding, hebben zich gevoegd de vader ( [vader slachtoffer] ), de [moeder slachtoffer] ), de broer ( [broer slachtoffer] ) en een vriend [vriend slachtoffer] ) van het slachtoffer.
[vader slachtoffer] heeft een bedrag van € 27.646,28 gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit € 17.500,- aan immateriële schade (affectieschade) en € 10.146,28 aan kosten van de uitvaart.
[moeder slachtoffer] heeft een bedrag van € 19.010,69 gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit
€ 17.500,- aan immateriële schade (affectieschade) en € 1.510,69 aan kosten voor een retourticket Suriname – Nederland om bij de uitvaart van haar zoon aanwezig te zijn.
[broer slachtoffer] heeft een bedrag van € 22.500,- aan immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit € 17.500,- aan immateriële schade (affectieschade) en € 5.000,- aan shockschade.
[vriend slachtoffer] heeft een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
6.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen voldoende zijn onderbouwd en voor volledige toewijzing in aanmerking komen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle vorderingen moeten worden afgewezen vanwege de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair acht de verdediging de vorderingen te belastend voor het strafproces en onvoldoende onderbouwd. Voor de vorderingen tot vergoeding van immateriële schadevergoeding zou een klein voorschot op zijn plaats kunnen zijn, maar voor het overige zouden de benadeelde partijen hun vordering bij de civiele rechter aanhangig moeten maken.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Vordering [vader slachtoffer]
Affectieschade
Op grond van artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is, indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, die ander verplicht tot vergoeding van een bedrag voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat aan de in het vierde lid van dat artikel genoemde naasten. Onder deze naasten vallen onder meer degenen die ten tijde van het overlijden ouder van de overledene zijn (lid 4 sub c) en andere personen die ten tijde van de gebeurtenis (het overlijden) in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van lid 3 als naasten worden beschouwd (lid 4 sub g).
Het bedrag dat voor toekenning voor vergoeding van deze affectieschade in aanmerking komt wordt bij algemene maatregel van bestuur, in dit geval het Besluit Vergoeding Affectieschade, vastgesteld. Volgens artikel 1 lid 1 van dit Besluit geldt, in het geval van overlijden door een misdrijf, een vergoeding van € 17.500,- voor beide hiervoor genoemde categorieën van naasten.
Het voorgaande betekent dat [vader slachtoffer] , de vader van het slachtoffer, recht heeft op vergoeding van affectieschade van € 17.500.-, zoals hij heeft gevorderd. De rechtbank zal dit bedrag dan ook toewijzen.
Kosten uitvaart
Op grond van artikel 6:108 lid 2 BW is de aansprakelijke, in dit geval de verdachte, ook verplicht tot vergoeding van de kosten van lijkbezorging, voor zover deze kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. [vader slachtoffer] heeft gesteld en met bonnen onderbouwd dat zijn schade in dit verband € 10.146,28 (uitvaart en grafmonument) bedraagt. Dit zijn geen ongebruikelijk hoge kosten voor lijkbezorging. De vordering is hiermee voldoende onderbouwd en zal daarom worden toegewezen.
Conclusie:
De rechtbank zal de vordering van [vader slachtoffer] in het geheel toewijzen, inclusief de wettelijke rente met ingang van 17 januari 2019.
Nu de verdachte wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld en naar burgerlijk recht voor de door [vader slachtoffer] geleden schade aansprakelijk is, zal de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Vordering [moeder slachtoffer]
Affectieschade
Voor [moeder slachtoffer] , de moeder van het slachtoffer, bestaat op grond van dezelfde argumenten als hierboven voor [vader slachtoffer] beschreven een recht op vergoeding van affectieschade van € 17.500,-. Nu dit ook het bedrag is dat zij heeft gevorderd zal dit deel van haar vordering in het geheel worden toegewezen.
Vliegtickets
[moeder slachtoffer] heeft gesteld dat zij woonachtig is in Suriname en voor de uitvaart van haar zoon naar Nederland is gekomen. Dit is door de verdediging niet weersproken. Ter onderbouwing van haar vordering heeft zij een kopie van haar vliegticket overgelegd met daarop een bedrag van € 1.510,69. Haar vordering is daarmee voldoende onderbouwd en zal daarom worden toegewezen.
Conclusie:
De rechtbank zal de vordering van [moeder slachtoffer] in het geheel toewijzen, inclusief de wettelijke rente met ingang van 17 januari 2019.
Nu de verdachte wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld en naar burgerlijk recht voor de door [moeder slachtoffer] geleden schade aansprakelijk is, zal de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Vordering [broer slachtoffer]
Affectieschade
is de broer van het slachtoffer. Hij heeft gesteld dat hij en het slachtoffer naast broers ook beste vrienden en sinds een aantal jaar ook huisgenoten waren. Zij gingen samen naar de sportschool en gingen samen op stap. Deze stellingen zijn door de verdediging niet betwist, zodat de rechtbank dit als vaststaand zal aannemen. Naar het oordeel van de rechtbank wijst dit alles op een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene dat uit de eisen van redelijkheid voortvloeit dat [broer slachtoffer] voor de toekenning van een schadevergoeding als naaste in de zin van artikel 6:108 lid 3 BW moet worden aangemerkt (artikel 108 lid 4 onder g BW). Ook [broer slachtoffer] heeft om die reden recht op de door hem gevorderde schadevergoeding van € 17.500,-. Dit deel van zijn vordering zal dan ook worden toegewezen.
Shockschade
Op basis van bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
[broer slachtoffer] was, zoals hierboven vastgesteld, broer, beste vriend en huisgenoot van het slachtoffer en stond om die reden in een nauwe affectieve relatie tot het slachtoffer. Op de bewuste 17 januari 2019 is hij er getuige van geweest hoe zijn broer op enkele meters afstand van hem werd neergestoken. Voorts blijkt uit het dossier dat hij kort hierna bij zijn broer is gebleven en het bloeden heeft proberen te stoppen met zijn sjaal. Korte tijd later is zijn broer overleden. Ter onderbouwing van zijn vordering is een Vastgesteld Behandelplan BasisGGZ van 6 november 2019 overgelegd, waarin de psychische gevolgen van de dood van zijn broer staan beschreven. Er is onder meer sprake van inslaapproblemen, nachtmerries, flash-backs, schrikreacties, verhoogde alertheid, vermijding van situaties en herinneringen en schuldgevoelens. Er is diagnostisch gezien sprake van een posttraumatische stressstoornis. Dit is een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [broer slachtoffer] als gevolg van het waarnemen van het tenlastegelegde een hevige emotionele schok heeft moeten ondergaan met geestelijk letsel tot gevolg. De vordering van € 5.000,- is onder de genoemde omstandigheden billijk en zal daarom door de rechtbank worden toegewezen.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van [broer slachtoffer] in het geheel toewijzen, inclusief de wettelijke rente met ingang van 17 januari 2019.
Nu de verdachte wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld en naar burgerlijk recht voor de door [broer slachtoffer] geleden schade aansprakelijk is, zal de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Vordering [vriend slachtoffer]
De vordering van [vriend slachtoffer] tot vergoeding van immateriële schade is gebaseerd op de ten laste gelegde poging tot doodslag/zware mishandeling van [vriend slachtoffer] door de verdachte. Zoals hierboven overwogen wordt de verdachte van dit feit vrijgesproken. Om die reden zal de rechtbank [vriend slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.
8 De beslissing
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I:
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vader slachtoffer] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [vader slachtoffer] een bedrag van € 27.646,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 27.646,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van benadeelde [vader slachtoffer] ;
bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 173 (honderddrieënzeventig) dagen;
bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [moeder slachtoffer] een bedrag van € 19.010,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 19.010,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van benadeelde [moeder slachtoffer] ;
bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 130 (honderddertig) dagen;
bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [broer slachtoffer] toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan die [broer slachtoffer] een bedrag van € 22.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 22.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van benadeelde [broer slachtoffer] ;
bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 147 (honderdzevenenveertig) dagen;
bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
bepaalt dat [vriend slachtoffer] niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.C. Kole, voorzitter,
mr. A.P. Sno, rechter,
mr. P.G. Salvadori, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. van Haalem, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2019.