vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummer / rolnummer: C/09/573269 / HA ZA 19-472
1. mr. JOHANNES ADRIANUS DULLAART in zijn hoedanigheid van faillissementscurator van de heer [A], te [plaats 1] ,
advocaat mr. O. Heuverling te Naaldwijk,
2. [B.V. I], te [plaats 1] ,
3. [B.V. II], te [plaats 2] ,
advocaat mr. J.I. van Vlijmen te Den Haag,
eisers,
ON TOWER NETHERLANDS 3 B.V., te Amsterdam (voorheen Broadcast Newco B.V. te Terneuzen),
gedaagde,
advocaat mr. P.J. Winkel te Leiden.
Eisers zullen individueel ‘de curator’ (en de heer [A] als ‘ [A] ’), ‘ [B.V. I] ’ en ‘ [B.V. II] ’ worden genoemd. Zij zullen gezamenlijk als eisers worden aangeduid. De gedaagde zal ‘On Tower’ worden genoemd.
1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding van 24 april 2019;
- -
de akte overleggen producties van eisers van 8 mei 2019;
- -
de conclusie van antwoord;
- -
het tussenvonnis van 31 juli 2019, waarin een comparitie van partijen is bevolen;
- -
de akte vermeerdering eis, tevens overlegging producties van eisers van 29 november 2019;
- -
het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 29 november 2019;
- -
de akte uitlaten producties van On Tower van 15 januari 2020;
- -
de rolbeslissing van 5 februari 2020.
1.2.
Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele feitelijke onjuistheden binnen twee weken schriftelijk kenbaar te maken aan de rechtbank. Bij brief van 17 december 2019 hebben eisers daarvan gebruik gemaakt. Deze brief maakt deel uit van het procesdossier. Het proces-verbaal zal gelezen worden met inachtneming van de inhoud van deze brief.
1.3.
Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis nader bepaald op heden.
2 De feiten
2.1.
[A] was van 2008 tot 8 december 2016 certificaathouder en enig bestuurder van [B.V. I] . [B.V. I] was in die periode aandeelhouder en enig bestuurder van [B.V. II] . [B.V. II] was van 2006 tot 7 november 2014 enig bestuurder van [B.V. III] (hierna: [B.V. III] ) en van 2006 tot medio 2016 bestuurder van de Stichting Commerciële Omroep Exploitatie Zuid-Holland (hierna te noemen: Scoezh).
2.2.
[B.V. II] , [B.V. III] en Scoezh waren onderdeel van het concern dat het regionale commerciële radiostation ‘Fresh FM’ exploiteerde. Scoezh was de vergunninghouder van de radiofrequentie van Fresh FM en [B.V. III] exploiteerde aanvankelijk het radiostation. [B.V. III] was ook de partij die van On Tower onder meer zendapparatuur huurde.
2.3.
[B.V. III] is in 2012 en 2013 door respectievelijk de rechtbank Middelburg (in 2012) en de rechtbank Zeeland-West-Brabant (in 2013) veroordeeld tot betaling van diverse geldbedragen aan On Tower in verband met achterstallige huurpremies.
2.4.
[B.V. III] is op 7 november 2014 ontbonden door middel van een zogeheten ‘turboliquidatie’. On Tower heeft zich hierna op het standpunt gesteld dat eisers, als (indirect) bestuurders van [B.V. III] , aansprakelijk zijn voor het niet-nakomen van de betalingsverplichtingen van die vennootschap.
2.5.
Op 28 augustus 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag aan On Tower verlof verleend om ten laste van eisers conservatoir beslag te doen leggen.
2.6.
Op 2 en 7 september 2015 heeft On Tower diverse conservatoire beslagen doen leggen ten laste van eisers. Ten laste van [A] is onder meer beslag gelegd op zijn woning en op diens certificaten van aandelen in [B.V. I] . Ten laste van [B.V. I] is onder meer beslag gelegd op haar aandelen in [B.V. II] . Ten laste van [B.V. II] is onder meer onder E-Power Advertising B.V. (hierna E-Power) en onder Commerciële Radio Nederland B.V. (hierna: Commerciële Radio) derdenbeslag gelegd.
2.7.
In de periode juni 2015 tot november 2016 heeft [B.V. II] , althans Fresh FM, aan E-Power gefactureerd voor een totaalbedrag van € 146.265,67.
2.8.
Op 9 november 2015 heeft [A] bij Rabobank geïnformeerd of het mogelijk was om een overbruggingskrediet van € 150.000 te verkrijgen in verband met de conservatoire beslagen ten laste van eisers. Daarbij vermeldde [A] het volgende per e-mailbericht van 10 november 2015:
‘Op de overwaarde van het woonhuis (+/- 350.000) is ook beslag gelegd voor eenzelfde bedrag. Op de belangrijkste crediteur is beslag gelegd, evenals alle aandelen van de vennootschappen. Dus door deze beslagen is er op dit moment geen mogelijkheid om zekerheden te stellen.’
2.9.
Op 12 november 2015 antwoordde de Rabobank daarop als volgt:
‘U kunt zich wellicht voorstellen dat, gezien het ontbreken van enige zekerheid het erg moeilijk zal zijn in deze situatie een financiering te verstrekken. Daarbij komt natuurlijk dat er een aanzienlijk risico bestaat dat uiteindelijk de procedure zal worden verloren, en de uiteindelijke vordering niet kan worden voldaan.
U zou een poging kunnen wagen een financieringsaanvraag te doen maar ik geef U op voorhand mee dat ik de kans nagenoeg nihil acht dat onder deze omstandigheden een dergelijke aanvraag zal worden gehonoreerd. (…)’
2.10.
De vereniging Buma (hierna: Buma) en de stichting Sena (hierna: Sena) zijn collectieve beheersorganisaties. In ruil voor een licentievergoeding verlenen zij namens de rechthebbenden die zij vertegenwoordigen toestemming aan derden tot openbaarmaking van muziekwerken waarop auteursrechten en naburige rechten rusten. Scoezh is in de periode vanaf 2003 in diverse gerechtelijke procedures meerdere keren veroordeeld tot het betalen licentievergoedingen. Ook is Scoezh door de rechter meerdere keren, op straffe van dwangsommen, verboden enig muziekwerk behorende tot het Buma-repertoire openbaar te maken (zolang zij geen licentie had). In dat kader heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam bij vonnis in kort geding van 24 mei 2016 [A] en Scoezh verboden om inbreuk te (doen) maken op de auteursrechten en naburige rechten van de rechthebbenden die door Buma en Sena worden vertegenwoordigd, op straffe van een dwangsom en (ten aanzien van [A] ) lijfsdwang. Daarbij zijn [A] en Scoezh veroordeeld in de proceskosten van Buma en Sena van € 13.522,38. [A] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 13 september 2016 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis bekrachtigd met uitzondering van de lijfsdwang, een en ander met compensatie van de in hoger beroep gevallen proceskosten.
2.11.
Bij vonnis van 1 juni 2016 heeft de rechtbank Den Haag de vorderingen van On Tower tegen eisers tot schadevergoeding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, waarvoor zij de onder 2.6 genoemde conservatoire beslagen had laten leggen, afgewezen. On Tower heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
2.12.
Op 10 juni 2016 heeft Commerciële Radio in totaal € 101.470,21 overgemaakt naar de bankrekening van [B.V. II] .
2.13.
Bij vonnis in kort geding van 10 april 2017 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam onder meer de door [A] jegens Buma en Sena gevorderde schorsing, opheffing of matiging van de aan hem bij vonnis van 24 mei 2016 opgelegde dwangsommen afgewezen. [A] is daarbij veroordeeld in de proceskosten van Buma en Sena van € 11.558,40.
2.14.
Op aanvraag van Buma, Sena en de Vereniging van Eigenaren van [A] appartementencomplex is [A] bij vonnis van deze rechtbank van 20 maart 2018 in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. Dullaart als de curator. Ter gelegenheid van de faillissementszitting heeft de advocaat van Buma en Sena de keuze voor de faillissementsaanvraag toegelicht en bepleit (samengevat) dat die aanvraag het enige resterende middel was om hun vorderingen uit hoofde van de onder en 2.10 en 2.13 bedoelde proceskostenveroordelingen op [A] te incasseren en dat het enige bekende verhaalsobject de woning van [A] was, maar dat hierop al beslagen bleken te liggen.
2.15.
Bij onherroepelijk geworden arrest van 18 september 2018 heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 juni 2016 – omtrent het afwijzen van de vorderingen van On Tower tot schadevergoeding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid – bekrachtigd.
2.16.
Bij brief van 5 april 2019 heeft de advocaat van eisers On Tower aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van ten onrechte gelegde conservatoire beslagen.
3 Het geschil
3.1.
Eisers vorderen – na vermeerdering van eis – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat alle door On Tower gelegde conservatoire beslagen onrechtmatig zijn;
II. voor recht verklaart dat On Tower aansprakelijk is voor de door eisers geleden en te lijden schade als gevolg van de door On Tower gelegde conservatoire beslagen;
III. On Tower veroordeelt tot vergoeding van de door eisers geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente;
een en ander met veroordeling van On Tower in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.2.
Eisers stellen dat zij schade hebben geleden als gevolg van de door On Tower ten laste van eisers gelegde conservatoire beslagen. Die beslagen zijn volgens eisers onrechtmatig gelegd, nu de onderliggende vorderingen zijn afgewezen door de rechtbank en het gerechtshof. De door eisers geleden schade dient daarom vergoed te worden.
3.3.
On Tower voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
Volgens vaste jurisprudentie rust op de beslaglegger een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag, indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is (vgl. Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2841). Niet in geschil is dat ten laste van eisers beslagen zijn gelegd en dat de onderliggende vorderingen van On Tower jegens die partijen bij inmiddels onherroepelijk geworden arrest van 18 september 2018 door het gerechtshof Den Haag zijn afgewezen. Daarmee staat in zoverre vast dat On Tower onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers. On Tower betwist dit overigens ook niet.
4.2.
Vervolgens moet worden beoordeeld of On Tower gehouden is tot vergoeding van de schade die eisers stellen te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige beslagen. Omdat deze schade volgens eisers op dit moment nog niet eenvoudig is vast te stellen, vorderen zij in deze procedure een verwijzing naar de schadestaatprocedure, zodat de schade daar te zijner tijd in volle omvang kan worden begroot. On Tower voert hoofdzakelijk verweer tegen het causaal verband tussen de door haar gelegde beslagen en de beweerdelijk door eisers geleden schade.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat aan een beslissing tot verwijzing naar de schadestaatprocedure geen strenge eisen worden gesteld. Artikel 612 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis nog niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Voor verwijzing naar de schadestaat is voldoende dat de eiser de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk maakt (vgl. Hoge Raad 8 april 2005, ECLI:NL:2005:AR7435). De rechtbank zal per individuele eiser beoordelen of aan die voorwaarde is voldaan.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de curator voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [A] mogelijk schade heeft geleden als gevolg van de beslagleggingen die ten laste van hem zijn gelegd. Op basis van de overgelegde pleitnota van Buma en Sena (in het kader van de faillissementszitting) en de verdere toelichting ter zitting namens de curator is aannemelijk geworden dat als gevolg van de beslaglegging door On Tower op de woning van [A] er voor Buma en Sena onvoldoende vermogensbestanddelen resteerden voor het verhaal van hun vorderingen op [A] en dat dit gegeven Buma en Sena noopte om, samen met de Vereniging van Eigenaren van [A] appartementencomplex, diens faillissement aan te vragen. Het ligt daarnaast in de rede dat dit faillissement, mede gelet op de toelichting ter zitting namens de curator over de kosten daarvan, nadelige effecten heeft gehad en dus tot schade heeft geleid. Aan die mogelijkheid doet niet, althans onvoldoende af dat de onderliggende vorderingen van Buma en Sena gedeeltelijk hun oorsprong vinden in bestuurshandelingen of -nalatigheden van [A] die hebben plaatsgevonden na de beslaglegging door On Tower in september 2015.
4.5.
De rechtbank gaat evenmin mee in het betoog van On Tower dat het faillissement louter is te wijten aan betalingsonwil van [A] in verband met het ongebruikt blijven van het geld dat destijds bij zijn advocaat geparkeerd stond. Op basis van hetgeen On Tower heeft aangevoerd kan niet met zekerheid wordt aangenomen dat [A] zijn faillissement had kunnen afwenden door de vorderingen van Buma en Sena te betalen met het geld dat geparkeerd stond op de derdengeldenrekening van zijn advocaat. Uit de toelichting ter zitting namens de curator leidt de rechtbank af dat dit geldbedrag van een derde afkomstig was en niet ter vrije beschikking van [A] stond.
4.6.
Ten aanzien van [B.V. I] geldt eveneens dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden. [B.V. I] heeft in dit kader toegelicht dat het beslag op haar aandelen in [B.V. II] in de weg heeft gestaan aan een overname, omdat [B.V. I] niet langer onbezwaard kon beschikken over haar aandelen. [B.V. I] heeft daarmee voldoende onderbouwd dat zij hiervan mogelijk financieel nadelige gevolgen heeft ondervonden en daarmee bestaat dus de mogelijkheid dat het beslag ook voor haar tot schade heeft geleid.
4.7.
Ten slotte heeft [B.V. II] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de beslagen onder E-Power en Commerciële Radio mogelijk schade heeft geleden.
Hoewel de rechtbank niet nauwkeurig heeft kunnen vaststellen op welke partij(en) [B.V. II] een vordering had (E-Power en/of Commerciële Radio), is wel duidelijk geworden dat [B.V. II] door de derdenbeslagen in kwestie tijdelijk niet kon beschikken over inkomsten waarvan zij in hoge mate afhankelijk was. [B.V. II] heeft voldoende onderbouwd dat dit gegeven bij haar een liquiditeitstekort veroorzaakte. Voorts valt uit de door eisers overgelegde correspondentie met de Rabobank af te leiden dat de door On Tower ten laste van [A] gelegde beslagen verhinderden dat [A] een overbruggingskrediet kon verkrijgen. [A] heeft ter zitting toegelicht dat hij met dit krediet het liquiditeitstekort bij [B.V. II] wilde en kon verhelpen. On Tower heeft die toelichting op haar beurt onvoldoende weersproken. Ook volgt uit de stellingen van eisers dat door het uitblijven van het overbruggingskrediet belangrijke crediteuren, waaronder Buma en Sena, niet (alsnog) konden worden betaald, waardoor Fresh FM niet langer populaire auteursrechtelijk beschermde muziek kon uitzenden. Het ligt in de rede dat een dergelijke beperking leidt tot lagere luistercijfers, daarmee samenhangend verminderde (advertentie)inkomsten en dientengevolge een verslechtering van de financiële situatie.
4.8.
On Tower heeft weliswaar betoogd dat ook zonder de beslagen onvoldoende middelen beschikbaar zouden zijn om Buma en Sena te betalen, maar zij heeft tegenover de onderbouwde toelichting van eisers geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de juistheid van haar betoog kan worden aangenomen. De mogelijkheid van schade bij [B.V. II] als gevolg van de beslagen is dus voldoende aannemelijk gebleken.
4.9.
On Tower heeft verder aangevoerd dat eisers onvoldoende hebben gedaan om hun schade te beperken. Zij hadden namelijk in reconventie of in kort geding opheffing van de beslagen kunnen vorderen, maar zij hebben dit nagelaten. Aan de beoordeling van dit beroep van On Tower op de eigen schuld van eisers (artikel 6:101 BW) komt de rechtbank in deze procedure niet toe, omdat daarvoor eerst moet worden beoordeeld of er schade is geleden en wat de omvang daarvan is. Dit debat zal daarom moeten worden gevoerd in de schadestaatprocedure.
Conclusie en proceskosten
4.10.
De uitkomst van het voorgaande is dat de mogelijkheid van schade bij eisers als gevolg van de door On Tower gelegde beslagen voldoende aannemelijk is geworden. Anders dan On Tower heeft betoogd, hebben eisers daarmee voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW bij de door hen gevorderde verklaringen voor recht (vgl. Hoge Raad 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760).
4.11.
De conclusie is dat de vorderingen onder I, II en III zullen worden toegewezen, een en ander op na te melden wijze.
4.12.
On Tower zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van eisers. Weliswaar hebben eisers zich laten bijstaan door verschillende advocaten, maar van hen is één gezamenlijk griffierecht geheven en zij hebben ook telkens gezamenlijk processtukken ingediend. Daarom wordt één proceskostenveroordeling ten behoeve van eisers gezamenlijk uitgesproken. De proceskosten aan de zijde van eisers worden tot op heden begroot op:
4.13.
Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat alle door On Tower ten laste van eisers gelegde conservatoire beslagen onrechtmatig zijn;
5.2.
verklaart voor recht dat On Tower aansprakelijk is voor alle door eisers geleden en te lijden schade als gevolg van de onrechtmatige conservatoire beslagen;
5.3.
veroordeelt On Tower tot vergoeding van alle door eisers geleden en te lijden schade als gevolg van de door On Tower gelegde conservatoire beslagen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens te wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;
5.4.
veroordeelt On Tower in de proceskosten, aan de zijde van eisers begroot op € 1.801,40 en € 157 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening;
5.5.
verklaart de veroordelingen onder 5.3 en 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken door mr. D. Nobel, rolrechter, op 8 april 2020.