3.1
Kortweg gezegd verzoekt [werknemer] dat bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident
a. een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv wordt getroffen voor de duur van deze
procedure, strekkende tot het gebieden van Centric om op de gebruikelijke wijze en tijdig
het loon van € 11.250,= bruto per maand, vermeerderd met de overeengekomen
emolumenten, aan [werknemer] te voldoen tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst
rechtsgeldig zal zijn geëindigd, alsmede tot veroordeling van Centric in de kosten van het
incident aan de zijde van [werknemer];
in de hoofdzaak
b. Centric wordt geboden om op gebruikelijke wijze en tijdig het loon van € 11.250,= bruto
per maand, vermeerderd met de overeengekomen emolumenten, aan [werknemer] te
voldoen tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd,
vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging met de wettelijke rente vanaf het
moment van verschuldigdheid;
c. de arbeidsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden op de langst mogelijke termijn
wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst
billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen;
d. aan [werknemer] een transitievergoeding van € 126.625,= bruto wordt toegekend als
gevolg van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Centric;
e. aan [werknemer] een billijke vergoeding van € 400.000,= bruto wordt toegekend als
gevolg van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van Centric;
f. wordt bepaald dat Centric geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en
relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst alsmede dat [werknemer] hieraan niet langer is
gebonden, althans dat deze bedingen worden vernietigd als in het verzoek is omschreven;
g. Centric wordt veroordeeld tot betaling aan [werknemer] van een vergoeding voor door
hem gemaakte juridische kosten, zijnde een bedrag van € 15.000,= exclusief BTW, althans
een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedragen, althans Centric wordt
veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [werknemer];
h. alvorens de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt uitgesproken, [werknemer]
een termijn wordt gesteld waarbinnen hij de mogelijkheid heeft zijn verzoek in te trekken.
3.2
Aan zijn verzoek heeft [werknemer] - samengevat - ten grondslag gelegd dat de onder 2 omschreven feiten tot geen andere conclusie kunnen leiden dan dat Centric ernstig verwijtbaar tegenover hem heeft gehandeld. Nadat Centric [werknemer] zonder reden en/of toelichting op non-actief had gesteld, heeft Centric de situatie doen escaleren. Gedurende de aan het inleidende verzoek voorafgaande periode heeft Centric [werknemer] telkens weer nieuwe, niet of nauwelijks onderbouwde verwijten gemaakt. [werknemer] herkent zich niet in deze verwijten. In dit verband wijst [werknemer] onder meer op zijn onberispelijke - 18 jaar durende - staat van dienst. Dat hij zou disfunctioneren, ontkent [werknemer] ten zeerste. [werknemer] heeft nimmer een negatieve beoordeling van zijn leidinggevenden gehad. Verder heeft Centric in de hiervoor bedoelde periode [werknemer] op onjuiste gronden onder meer gedreigd met een ontbindingsverzoek, een ontslag op staande voet en een (tijdelijke) stopzetting van de loondoorbetaling. Ook heeft [werknemer] ten onrechte een tweetal waarschuwingen van Centric ontvangen. Zeker aan de eerste waarschuwing is geen hoor en wederhoor vooraf gegaan. [werknemer] meent dat Centric vanaf het begin heeft aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Zo is, aldus [werknemer], Centric een mediationtraject uit de weg gegaan. Door Centric is weliswaar op enig moment na de op non-actiefstelling het gesprek met [werknemer] aangegaan omtrent zijn wedertewerkstelling, maar Centric heeft nooit - ook niet na het kort gedingvonnis van de kantonrechter d.d. 7 november 2019 - de bedoeling gehad om [werknemer] weer zijn eigen werkzaamheden te laten hervatten op het kantoor in IJsselstein. En dat terwijl [werknemer] gedurende zijn gehele dienstverband zijn werkzaamheden vanuit IJsselstein heeft verricht. [werknemer] is van mening dat nu van een normale en werkbare verhouding tussen partijen geen sprake meer is, de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen. Omdat Centric zich ernstig verwijtbaar tegenover hem heeft gedragen, verzoekt [werknemer] om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, de toekenning van zowel een transitievergoeding als een billijke vergoeding alsmede de bepaling dat Centric geen recht aan het concurrentie- en relatiebeding uit te arbeids-overeenkomst kan ontlenen, althans de vernietiging van het concurrentiebeding nu [werknemer] hierdoor onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het voor Centric te beschermen belang. Met betrekking tot de billijke vergoeding wijst [werknemer] er nog op dat indien de feiten zich niet zouden hebben voorgedaan, zijn dienstverband nog zeer lange tijd, en misschien wel tot aan zijn pensionering, zou hebben voortgeduurd. [werknemer] acht het niet aannemelijk dat hij nog een baan zal kunnen vinden op hetzelfde (salaris)niveau.
3.4
Het verweer van Centric richt zich niet op de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst en de daarmee gepaard gaande voldoening van een nog te berekenen transitievergoeding. Ook kan Centric zich vinden in een ontbinding met inachtneming van de opzeggingstermijn van 4 maanden, zij het dat naar haar mening rekening moet worden gehouden met de duur van deze ontbindingsprocedure. Verder is Centric bereid af te zien van haar rechten op het concurrentiebeding voor zover dit beding geen betrekking heeft op de onderneming van Cegeka of op daaraan gelieerde ondernemingen. Cegeka waar in korte tijd 4 à 5 voormalig directeuren van Centric (waaronder [voormalig directeur] ) in dienst zijn getreden, is namelijk de grootste concurrent van Centric. Centric heeft dus een groot belang bij handhaving van het concurrentiebeding ten aanzien van deze onderneming(en). Centric meent dat [werknemer] geen billijke vergoeding toekomt omdat haar niet kan worden verweten dat zij ernstig verwijtbaar tegenover [werknemer] heeft gehandeld. Het is in de ogen van Centric juist [werknemer] die verwijtbaar tegenover haar heeft gehandeld.
Volgens Centric heeft zij tijdens het op 17 juli 2019 gehouden gesprek op goede gronden het vertrouwen in (het functioneren van) [werknemer] opgezegd. [werknemer] wordt onder meer gebrek aan transparantie (hij gebruikte namelijk een papieren agenda) en gebrek aan verantwoordelijkheid verweten. Zo werkte [werknemer] slechts halve dagen, gaf hij geen leiding, had hij geen visie en innoveerde hij niet. [werknemer] delegeerde alles. Beleids-stukken liet hij door medewerkers opstellen. Verder besteedde [werknemer] veel van zijn werktijd aan nevenwerkzaamheden zoals vastgoedtransacties in België en in Canada. Ten slotte accepteerde [werknemer] niet het gezag en de positie van [bestuurder]. [werknemer] vermengde zijn zakelijke en privéleven grenzeloos. De loyaliteit van [werknemer] lag en ligt niet bij de organisatie van Centric, maar eerder bij [voormalig directeur] (hierna: [voormalig directeur]) met wie hij bevriend is. En [voormalig directeur] staat weer in nauw contact met de ex-partner van [bestuurder]. Centric verdenkt [werknemer] ervan dat hij gevoelige informatie lekt naar [voormalig directeur] die dat weer deelt met de pers en/of met de ex-partner van [bestuurder]. Gebleken is dat [werknemer] tijdens werktijd zeer frequent telefonisch contact heeft gehad met [voormalig directeur].
Centric begrijpt niet dat [werknemer] destijds geen tegenvoorstel heeft gedaan naar aanleiding van het onder 2.7 omschreven voorstel tot beëindiging van de arbeids-overeenkomst. Bij Centric bestaat het gevoel dat [werknemer] zijn verzoek tot wedertewerkstelling heeft gebruikt als drukmiddel. Centric heeft in de aanloop van de kort gedingzitting de op non-actiefstelling opgeheven en [werknemer] meermaals in de gelegenheid gesteld zijn werkzaamheden (waaronder het maken van een businessplan voor 2020) weer op te pakken, zij het vanaf het kantoor van Centric Holding in Gouda. [werknemer] zou van daaruit kunnen werken aan het door hem beschadigde vertrouwen. Voor [werknemer] was echter een werkhervatting vanuit Gouda onbespreekbaar. Om die reden is mediation niet van de grond gekomen. Bovendien had [werknemer] zich inmiddels weer ziek gemeld. Na het wijzen van het onder 2.15 omschreven vonnis in kort geding heeft Centric aan [werknemer] weer toegang tot het systeem gegeven, hem kantoorruimte in Gouda gegarandeerd, evenals secretariële en juridische ondersteuning. Centric heeft gekozen voor Gouda omdat er in IJsselstein geen passende ondersteuning meer voorhanden was. Bovendien was er in IJsselstein een diep verdeelde organisatie met medewerkers die voor dan wel tegen de terugkomst van [werknemer] waren. Ook waren er vele digitale bestanden en mails uit de bestanden en de mailbox van [werknemer] gewist. Centric meent met de keuze voor Gouda niet in strijd te hebben gehandeld met het vonnis in kort geding. Met zijn ontbindingsverzoek heeft [werknemer] een fait accompli gecreëerd. Het einde van het dienstverband moet als een gegeven worden geschouwd. Volgens Centric heeft [werknemer] met zijn stellingname in de afgelopen maanden beoogd een situatie te bewerkstelligen om de aandacht af te leiden van waar het werkelijk om gaat. Het gaat dan om het ontbreken van loyaliteit naar zijn leidinggevende, [bestuurder] alsmede om de leugens over zijn afwezigheid en zijn activiteiten buiten Centric. De verwijten die [werknemer] vanaf het op 17 juli 2019 gehouden gesprek zijn gemaakt, waren in de ogen van Centric volkomen terecht. [werknemer] heeft bijgedragen aan het ontstaan en in stand houden van het conflict. Dit is op zichzelf genomen geen teken van goed werknemerschap. Ten slotte is [werknemer] in de aanloop naar de zitting waarop het ontbindingsverzoek zou worden behandeld, niet ingegaan op de poging van Centric om tot een minnelijke regeling te komen.
in het voorwaardelijk tegenverzoek
3.5
Centric verzoekt - kortweg gezegd - dat voor het geval [werknemer] zijn verzoek intrekt - bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de tussen partijen bestaande arbeids-overeenkomst, rekening houdende met de opzegtermijn en de looptijd van deze procedure, wordt ontbonden op g-, h-, dan wel i-grond, met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten aan de zijde van Centric.
3.6
Onder verwijzing naar wat zij onder 3.4 heeft aangevoerd, is Centric van mening dat
er redelijke gronden zijn om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. Herplaatsing van [werknemer] in een andere passende functie ligt, aldus Centric, niet in de rede. Er is, naar de mening van Centric, sprake van een zodanig verstoorde arbeids-verhouding, van zodanige andere dan de in artikel 7:669,3e lid, onderdeel a tot en met g, BW genoemde omstandigheden dan wel van een zodanige combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer van de in de onderdelen c tot en met h van artikel 7:669, 3e lid, BW omschreven gronden dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De ontbinding kan volgens Centric gepaard gaan met de toekenning van een transitievergoeding. Deze kan overigens pas worden berekend als de ontbindingsdatum bekend is. Zoals zij al in het kader van het inleidende verzoek naar voren heeft gebracht, meent Centric dat [werknemer] geen billijke vergoeding toekomt. Haar kan niet worden verweten dat zij ernstig verwijtbaar tegenover [werknemer] heeft gehandeld. Het is juist [werknemer] geweest die verwijtbaar tegenover haar heeft gehandeld. Ook in dit kader is Centric bereid af te zien van haar rechten op het concurrentiebeding voor zover dit beding geen betrekking heeft op de onderneming van Cegeka of op daaraan gelieerde ondernemingen. Centric heeft, zoals hiervoor al is aangegeven, een groot belang bij handhaving van het concurrentiebeding ten aanzien van deze onderneming(en).
3.7 [
werknemer] heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van Centric. Voor zover hier van belang zal de kantonrechter bij zijn beslissing op dit verweer ingaan. Ter zitting heeft [werknemer] nog benadrukt dat als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op één van de door Centric genoemde gronden, hij aanspraak blijft maken op een transitievergoeding die berekend is alsof het ontbindingsverzoek vóór 1 januari 2020 is gedaan alsmede op een billijke vergoeding ter grootte van € 400.000,=. Ook wenst [werknemer] dat wordt bepaald dat Centric geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst, althans dat [werknemer] hieraan niet langer is gebonden, althans dat deze bedingen worden vernietigd als in het inleidende verzoek is omschreven. Ten slotte maakt [werknemer] aanspraak op vergoeding door Centric van de door hem gemaakte juridische kosten, zijnde een bedrag van € 15.000,= exclusief BTW, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, althans dat Centric wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [werknemer];