2 De feiten
2.1.
[gedaagde] is agrariër en veehouder van beroep. Daarnaast heeft [gedaagde] in het verleden diverse oude panden gekocht om op te knappen en te verhuren aan derden.
2.2.
Het agrarische bedrijf van [gedaagde] wordt momenteel gedreven door zijn zoons [X] en [Y] .
2.3.
In de voorbije jaren is [gedaagde] geconfronteerd geraakt met dwangsommen en beslaglegging (van overheidswege) op zijn onroerende goederen. Hierdoor is hij in ernstige financiële problemen geraakt. Met behulp van derden is getracht een persoonlijk faillissement af te wenden.
2.4.
Bij koopovereenkomst van 3 november 2017 heeft [gedaagde] aan de heer [A] (hierna: [A] ) zes onroerende zaken verkocht, waaronder de woning die [A] van [gedaagde] huurde en ook een perceel grond met opstallen en verder aanbehoren, plaatselijk bekend [adres] (hierna: het perceel aan [adres] ). De koopprijs bedroeg in totaal € 488.000,--. De levering van de onroerende zaken heeft plaatsgevonden op 22 december 2017 aan [B.V. I] (hierna: [B.V. I] ), de vennootschap van [A] .
2.5.
Bij bovengenoemde verkoop waren er twee units gelegen op het perceel aan [adres] verhuurd aan derden.
2.6.
In januari 2018 heeft [gedaagde] een gesprek gehad met de heer [B] (hierna: [B] ).
2.7.
Op 2 februari 2018 heeft [B.V. I] het perceel aan [adres] tegen een koopprijs van € 260.000,-- geleverd aan [B] , die bij deze levering handelde als zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder van Direct Baan Holding B.V., die als zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder van DB Totaal Beheer B.V. optrad, die weer zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder is van Totaal Investments.
2.8.
Eveneens op 2 februari 2018 heeft [gedaagde] de koopovereenkomst van 3 november 2017 met [A] en de bijbehorende leveringsakte buitengerechtelijk vernietigd en leverings- en verhaalsbeslag laten leggen op de op 22 december 2017 aan [B.V. I] geleverde onroerende zaken.
2.9.
Op 14 februari 2018 vond opnieuw een gesprek plaats tussen [gedaagde] en [B] , in aanwezigheid van de echtgenote van [gedaagde] . Van dit gesprek is een geluidsopname gemaakt. Van een gedeelte van deze geluidsopname is een transcriptie gemaakt (productie 16 van de zijde van [gedaagde] ).
2.10.
[gedaagde] heeft op 31 maart 2018 een dagvaarding uitgebracht tegen [A] en [B.V. I] . [gedaagde] meent dat hij onder invloed van een geestelijke stoornis ofwel door bedrog dan wel misbruik van omstandigheden of onder invloed van dwaling de koopovereenkomst van 3 november 2017 heeft gesloten met [A] . In deze procedure (met kenmerk [kenmerk 1] ) vordert [gedaagde] onder meer vernietiging van de koopovereenkomst en maakt hij aanspraak op alle door [A] sindsdien geïnde huurinkomsten van de verkochte percelen. Op 21 maart 2019 heeft de zitting plaatsgevonden ten overstaan van de kantonrechter te Gouda. De behandeling ter zitting is voortgezet op 23 mei 2019.
2.11.
Bij vonnis in kort geding van 20 juli 2018 (hierna: het ontruimingsvonnis) is [gedaagde] – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeeld om het perceel aan [adres] uiterlijk op 31 augustus 2018 te verlaten en te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking te stellen van Totaal Investments, met machtiging van Totaal Investments om de ontruiming met ingang van 1 september 2018 zelf op kosten van [gedaagde] ten uitvoer te leggen.
2.12.
Bij dagvaarding van 28 augustus 2018 heeft [gedaagde] een (spoed)appel ingesteld tegen het ontruimingsvonnis. In deze zaak (met kenmerk [kenmerk 2] ) heeft het gerechtshof Den Haag nog geen einduitspraak gedaan.
2.13.
Totaal Investments heeft zelf stappen ondernomen om tot ontruiming van het perceel aan [adres] te komen. De ontruiming heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2018 door bergingsbedrijf Modern B.V. in het bijzijn van [B] , mr. Roest Crollius, de politie en de omgevingsdienst.
2.14.
Op 7 september 2018 heeft Totaal Investments van de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gekregen tot het leggen van conservatoir beslag op twee onroerende zaken van [gedaagde] , ter verkrijging van zekerheid tot verhaal van de door haar te maken kosten van ontruiming.
4 De beoordeling
in de hoofdzaak – in conventie en in reconventie
4.1.
De rechtbank ziet aanleiding om eerst de rechtmatigheid van de ontruiming te beoordelen en vervolgens te bezien of de vordering van Totaal Investments tot betaling van de ontruimingskosten voor toewijzing in aanmerking komt.
Ontruiming (on)rechtmatig?
4.2.
Vaststaat dat de door Totaal Investments op 29 oktober 2018 in gang gezette ontruiming van het perceel aan [adres] zonder inschakeling van een deurwaarder heeft plaatsgevonden. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of Totaal Investments hiermee onrechtmatig tegenover [gedaagde] heeft gehandeld. [gedaagde] is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en hij heeft in dit verband aangevoerd dat hij met het oog op nog nader te vorderen en te specificeren schade ten gevolge van deze ontruiming recht en belang heeft bij een verklaring voor recht op dit punt.
4.3.
Art. 6:162 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) omschrijft een onrechtmatige daad als: ‘Een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.’
4.4.
Op grond van het bepaalde in art. 556 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de gedwongen ontruiming door een deurwaarder te geschieden.
4.5.
Omdat de door Totaal Investments in gang gezette ontruiming zonder deurwaarder heeft plaatsgevonden en daarmee in strijd met de in art. 556 Rv neergelegde wettelijke verplichting is uitgevoerd kan deze ontruiming in beginsel als onrechtmatige daad worden bestempeld.
4.6.
Totaal Investments stelt zich echter op het standpunt dat de door haar in gang gezette ontruiming zonder deurwaarder weliswaar in strijd met een wettelijke plicht is geschied, maar dat deze ontruiming daarmee nog niet als onrechtmatig tegenover [gedaagde] kan worden aangemerkt omdat [gedaagde] bij die ontruiming niet in enig belang is geschaad. De rechtbank begrijpt deze stelling als een beroep op het in art. 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste, inhoudende dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat bij een schending van een wettelijke norm steeds aan de hand van het doel en de strekking van de desbetreffende norm dient te worden bepaald tot welke personen en schade de bescherming zich uitstrekt. Met de in art. 556 lid 1 Rv neergelegde norm wordt een schadevrije afvoer en bewaring van aan de geëxecuteerde toebehorende goederen gewaarborgd en tevens dat de ontruiming op een behoorlijke wijze plaatsvindt. Daarmee strekt de geschonden norm wel degelijk ter bescherming van [gedaagde] en tot bescherming van de schade die hij stelt te hebben geleden. Omdat vaststaat dat deze norm door Totaal Investments is geschonden is de onrechtmatigheid hiervan tegenover [gedaagde] gegeven. Het beroep van Totaal Investments op art. 6:163 BW zal daarom worden gepasseerd.
4.8.
De vordering om voor recht te verklaren dat de door Totaal Investments uitgevoerde (gedwongen) ontruiming in strijd met de wet heeft plaatsgevonden en onrechtmatig is tegenover [gedaagde] is gelet op het voorgaande voor toewijzing vatbaar.
4.9.
[gedaagde] heeft als verweer tegen de door Totaal Investments gevorderde ontruimingskosten aangevoerd dat deze kosten ongegrond zijn, bovenmatig zijn en bovendien voortvloeien uit een ontruiming die in strijd met de wet heeft plaatsgevonden.
4.10.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat Totaal Investments op grond van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde ontruimingsvonnis bevoegd was om uitvoering te verlangen van hetgeen waartoe [gedaagde] was veroordeeld en – bij uitblijven van voldoening – tot daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het vonnis over te (laten) gaan. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat de ontruiming ongegrond was.
4.11.
In beginsel komen de kosten van een gedwongen ontruiming op de voet van art. 237 lid 4 Rv ten laste van de geëxecuteerde. Daarbij is wel vereist dat de kosten in de gegeven omstandigheden redelijk zijn.
4.12.
In dit verband voert [gedaagde] als verweer dat de overgelegde kostenopgave van het bergingsbedrijf onvoldoende specifiek is en niet controleerbaar, zodat de betreffende vordering behoort te worden afgewezen. Daarnaast zijn in de door Totaal Investments in het geding gebracht offerte kosten opgenomen voor werkzaamheden die niet zijn uitgevoerd. Zo wordt een post “verwijdering mest uit gierkelder” vermeld, terwijl [gedaagde] zelf voorafgaand aan de ontruiming de gierkelder heeft schoongemaakt.
4.13.
Met betrekking tot de redelijkheid van de in rekening gebrachte kosten oordeelt de rechtbank als volgt. Waar met aanwijzing van de deurwaarder - als degene die bij uitsluiting bevoegd is een gedwongen ontruiming te effectueren - wordt beoogd eigenrichting te voorkomen en een behoorlijke wijze van ontruiming te waarborgen, mag ervan uit worden gegaan dat de ontruiming behoorlijk heeft plaatsgevonden en de daarbij gemaakte kosten redelijk zijn, tenzij de schuldenaar aannemelijk maakt dat die kosten onnodig zijn gemaakt dan wel onredelijk hoog zijn (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8272).
4.14.
In dit geval is bij de ontruiming verzuimd een deurwaarder in te schakelen, zodat het bij betwisting van de redelijkheid van de kosten daarvan door [gedaagde] aan Totaal Investments is om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat deze kosten desalniettemin redelijk waren. Naar het oordeel van de rechtbank is zij hierin niet geslaagd. Totaal Investments heeft slechts een offerte in het geding gebracht met een aanbieding van een bergingsbedrijf ten bedrage van € 52.550,--, zonder daarbij concreet aan te geven waarom de ontruimingskosten, die volgens Totaal Investments uiteindelijk € 52.267,-- bedroegen, in verband met de gedwongen ontruiming nodig en redelijk waren, terwijl dit wel op haar weg lag. Weliswaar heeft Totaal Investments gesteld dat de ontruiming van het perceel een arbeidsintensieve onderneming was, maar zij heeft haar stelling in het licht van de betwisting hiervan door [gedaagde] onvoldoende gespecificeerd en concreet toegelicht. Totaal Investments heeft ter comparitie aangeboden om de factuur van het bergingsbedrijf dat de ontruiming heeft uitgevoerd in het geding te brengen, maar de rechtbank gaat aan dit aanbod voorbij nu naar het oordeel van de rechtbank uit deze factuur, in het licht van de betwisting van [gedaagde] , zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet kan volgen dat de hierin opgenomen kosten in redelijkheid zijn gemaakt.
4.15.
Omdat niet is komen vast te staan dat de met de ontruiming gemoeide kosten in redelijkheid zijn gemaakt, zal de vordering van Totaal Investments tot betaling van deze kosten worden afgewezen.
4.16.
Gelet op het voorgaande zal de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten eveneens worden afgewezen.
4.17.
Op grond van het ontruimingsvonnis heeft Totaal Investments al een executoriale titel op basis waarvan [gedaagde] de proceskosten van dit geding dient te voldoen. Bij nog een veroordeling op dit punt heeft Totaal Investments dus geen belang, zodat haar vordering op dit punt eveneens zal worden afgewezen.
Overige reconventionele vorderingen
4.18.
Om te kunnen beoordelen of Totaal Investments zich geslaagd kan beroepen op de bescherming neergelegd in art. 3:88 BW met betrekking tot de levering aan haar van het perceel aan [adres] , is het van belang om te weten of [B.V. I] bevoegd was over dit perceel te beschikken. De beantwoording van deze vraag is onderwerp van het geschil in de procedure tussen [gedaagde] en [B.V. I] die momenteel aanhangig is bij de kantonrechter te Gouda van deze rechtbank.
Indien de uitkomst van die procedure is dat de levering van het perceel aan [adres] aan [B.V. I] rechtsgeldig is geschied, brengt dit mee dat [B.V. I] als beschikkingsbevoegde, de eigendom van het perceel aan [adres] rechtsgeldig aan Totaal Investments heeft overgedragen en dienen de vorderingen van [gedaagde] onder II en III te worden afgewezen. Indien de kantonrechter tot het oordeel komt dat er een gebrek kleeft aan de overdracht van het perceel aan [adres] aan [B.V. I] , moet worden beoordeeld of Totaal Investments zich met succes kan beroepen op de bescherming neergelegd in art. 3:88 BW.
4.19.
De uitkomst van de huidige procedure is dus mede afhankelijk van de uitkomst van voormelde procedure bij de kantonrechter tussen [gedaagde] en [B.V. I] . Gelet hierop zal de rechtbank de beslissingen in deze zaak aanhouden totdat ten aanzien van de voornoemde zaak tussen [gedaagde] en [B.V. I] een definitief oordeel is gegeven. De zaak zal hiertoe worden verwezen naar de parkeerrol. Zodra in de zojuist genoemde procedure onherroepelijk is beslist, kan [gedaagde] de zaak weer opbrengen, onder overlegging van het vonnis en met een toelichting wat de consequenties daarvan zijn voor zijn stellingen in deze zaak. Totaal Investments zal daar vervolgens bij akte op kunnen reageren. In afwachting hiervan zal iedere beslissing in deze zaak worden aangehouden.
4.20.
Omdat de rechtbank iedere verdere beslissing in de hoofdzaak zal aanhouden, zal de beslissing omtrent de proceskosten – zowel in conventie als in reconventie – eveneens worden aangehouden.
4.21.
Omdat de rechtbank in de hoofdzaak nog geen eindvonnis wijst, heeft [gedaagde] belang bij een beslissing op de provisionele vorderingen.
4.22.
Vooropgesteld wordt dat op de voet van art. 223 Rv iedere partij tijdens een aanhangig geding kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van het geding, mits de vordering samenhangt met de hoofdvordering. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, blijkt van het bestaan van de hiervoor bedoelde samenhang. [gedaagde] kan daarom worden ontvangen in de door hem ingestelde provisionele vorderingen op grond van art. 223 Rv.
4.23.
Indien de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen, zoals dat hier het geval is, vervalt het beslag van rechtswege, indien de afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan (art. 704 lid 2 Rv). Ook kan een vordering tot opheffing van het beslag aanhangig worden gemaakt, zowel bij de voorzieningenrechter die het verlof tot het beslag heeft gegeven, als in de hoofdzaak, bij voorbeeld in reconventie of bij provisionele eis.
4.24.
In deze zaak heeft [gedaagde] een provisionele vordering tot opheffing van het beslag aanhangig gemaakt.
4.25.
Op grond van art. 705 lid 2 Rv wordt een gelegd beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ligt het op de weg van degene die de opheffing van het conservatoire beslag vordert – in dit geval [gedaagde] – om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger – in dit geval Totaal Investments – gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.
De rechtbank stelt hierbij voorop dat een vordering tot opheffing van het beslag niet slaagt op de enkele grond dat de vordering waarvoor beslag is gelegd is afgewezen. Er dient daarnaast een afweging van belangen plaats te vinden.
4.26.
In dit geval is de rechtbank van oordeel dat het belang van Totaal Investments niet opweegt tegen het belang van [gedaagde] bij opheffing van het beslag. De gevolgen van het beslag voor [gedaagde] zijn zeer ingrijpend, zodat voortduring hiervan, mede in het licht van de afwijzing van de vordering van Totaal Investments, niet kan worden gerechtvaardigd.
4.27.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beslag – uitvoervaar bij voorraad –opheffen en Totaal Investments verbieden om opnieuw beslag te leggen op de woning van [gedaagde] een en ander op straffe van verbeurte van de door [gedaagde] gevorderde dwangsom. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd als na te melden.
Verbod om zich als eigenaar c.q. bezitter te gedragen
4.28.
Het door [gedaagde] gevorderde verbod voor Totaal Investment om zich als eigenaar dan wel bezitter van het perceel aan [adres] te gedragen, is naar het oordeel van de rechtbank veel te ruim geformuleerd om voor toewijzing in aanmerking te komen. Toewijzing van deze vordering zou immers betekenen dat Totaal Investment in het geheel geen gebruik meer zou mogen maken van het perceel aan [adres] . Dit gaat naar het oordeel van de rechtbank verder dan wordt gerechtvaardigd door hetgeen – zeer summier –aan de vordering ten grondslag is gelegd. Daarom zal deze provisionele vordering worden afgewezen.
4.29.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat zij ervan uitgaat dat Totaal Investments het perceel aan [adres] hangende de lopende gerechtelijke procedures betreffende dit perceel niet zal overdragen aan derden.
Gebod storting huurgelden op derdengeldrekening en afleggen van rekening en verantwoording omtrent huurgelden
4.30.
Voor deze door [gedaagde] gevorderde voorzieningen geldt dat een gesteld restitutierisico nader geconcretiseerd dient te worden. [gedaagde] heeft in dat verband echter in het geheel geen (afzonderlijke) omstandigheden aangevoerd. Gesteld of gebleken is dat Totaal Investments onvoldoende verhaal biedt als de vorderingen van [gedaagde] in de hoofdzaak worden toegewezen. Van [gedaagde] kan gevergd worden dat hij op dit punt het eindvonnis afwacht.
4.31.
Voor toewijzing van deze door [gedaagde] gevorderde provisionele voorzieningen is aldus geen grond.
4.32.
De rechtbank zal de beslissing over de proceskosten in het incident aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.
5 De beslissing
De rechtbank:
5.1.
heft op het op 10 september 2018 ten laste van [gedaagde] op de onroerende zaken, kadastraal bekend [de Gemeente] , [sectie ..] , nummer [1] , en [de Gemeente] , [sectie ..] , nummer [2] , gelegde conservatoire beslag;
5.2.
verbiedt Totaal Investments om hangende deze procedure (opnieuw) beslag te leggen ten laste van [gedaagde] tot zekerheid van verhaal van de door haar gemaakte ontruimingskosten;
5.3.
bepaalt dat Totaal Investments een dwangsom verbeurt van € 5.000,-- per overtreding van het onder 5.2 bedoelde verbod, zulks met een maximum van € 100.000,--;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst de overige provisionele vorderingen af;
5.6.
houdt de beslissing over de kosten in het incident aan;
in conventie en in reconventie
5.7.
verwijst de zaak naar de parkeerrol als bedoeld in rechtsoverweging 4.19;
5.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. van Harten en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2019.1