RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummers: NL19.8324 tussenuitspraak II en NL19.8326 tussenuitspraak II
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 10 oktober 2019 in de zaken tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1986, eiser,
[eiseres]
, geboren op [geboortedatum] 1987, eiseres,
mede namens hun minderjarige kinderen,
[kind]
, geboren op [geboortedatum] 2014, en
[kind]
, geboren op [geboortedatum] 2017,
allen van Nigeriaanse nationaliteit,
gezamenlijk ook te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven).
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 28 juni 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:6493) geoordeeld dat verweerder zich er onvoldoende van heeft vergewist dat de opvang in Italië voldoet aan de eisen die daaraan gesteld moeten worden. Deze eisen vloeien voort uit het arrest in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland van
4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712) in het geval van de Dublinoverdracht van bijzonder kwetsbare personen zoals eisers.
2. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat concrete informatie over de huidige opvanglocaties ontbreekt en daarom nader (representatief) onderzoek geïndiceerd is naar de feitelijk door Italië geboden opvang aan gezinnen met kinderen in de diverse CAS- en CARA-opvanglocaties. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting op 14 juni 2019 uitdrukkelijk verklaard dat verweerder niet bereid is nader onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden waaronder gezinnen met kinderen na overdracht in de opvang komen te verkeren en heeft dat standpunt nadien niet gewijzigd.
3. De rechtbank heeft vòòr het doen van de tussenuitspraak op 28 juni 2019 telefonisch contact gehad met UNHCR Nederland en gevraagd of een benoeming tot deskundige aanvaard zou worden. De UNHCR heeft bij dat contact aangegeven vanuit twee andere lidstaten vergelijkbare verzoeken te hebben ontvangen en in beginsel welwillend te staan tegenover benoeming, dat enig onderzoek tot de mogelijkheden behoorde maar dat nadere afstemming diende plaats te vinden over omvang van het onderzoek en de uiterste datum van bekendmaken van de bevindingen. Op 8 juli 2019 heeft de rechtbank per brief de UNHCR verzocht als deskundige op te treden (aan deze uitspraak gehecht als bijlage 1). De rechtbank heeft vervolgens op 25 juli 2019 de volgende reactie van de UNHCR ontvangen: “Unfortunately I regret to inform you that UNHCR is not in a position to respond favorably to this request”. (aangehecht als bijlage 2).
4. De rechtbank heeft zich vervolgens op 27 augustus 2019 per brief gewend tot de Commissioner for Human Rights of the Council of Europe om te vragen of de Commissioner bereid en in staat zou zijn om een verzoek tot het doen van nader onderzoek en het verschaffen van feitelijke informatie te accepteren (aangehecht als bijlage 3). Op
13 september 2019 heeft de rechtbank de Commissoner for Human Rights per e-mail geattendeerd op de interim measure die het EHRM heeft getroffen in de zaak M.T. tegen Nederland van 6 september 2019 (no. 46595/19) (aangehecht als bijlage 4). De rechtbank heeft op 27 september 2019 een brief, gedateerd op 24 september 2019, ontvangen van de Commissioner for Human Rights (aangehecht als bijlage 5). In deze brief is onder meer het navolgende opgenomen:
“While recognising the importance of the issue on which your court must decide, I regret to inform you that the Commissioner is unable to meet your request.”
5. De rechtbank overweegt voorts dat het Europese Hof voor de rechten van de Mens (hierna: EHRM) recent de navolgende interim measures heeft getroffen:
- -
M.T. tegen Nederland van 6 september 2019 (no. 46595/19);
- -
V.A. tegen Nederland van 16 september 2019 (no. 48062/19):
- -
F.O. tegen Nederland van 16 september 2019 (no. 48125/19);
- -
A.S. tegen Nederland van 17 september 2019 (no. 48397/19) en;
- -
S.O. tegen Nederland van 24 september 2019 (no. 49569/19).
6. In deze zaken is -blijkens de motivering van de interim measures- ook de vraag aan de orde of bijzonder kwetsbare vreemdelingen thans aan Italië kunnen worden overgedragen op grond van de Dublinverordening. Het EHRM heeft in de getroffen interim measure in de zaak M.T. tegen Nederland als volgt overwogen:
“The Court decided to request the Government, under Rule 54 § 2 fa), to submit the following information:
1) Have the Government exchanged any (medical) information with the Italian authorities
about the applicant and her children, and have they obtained assurances from the Italian
Government relating to the reception of the applicants (with reference to Tarakhel v. Switzerland and the subsequent case-law) as well as relating to access to health care?
2) How will the applicants be received at their destination? Where will they be accommodated once they are in Italy?
The Government have been invited to submit this information by 20 September 2019.”
7. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat in de zaak M.T. tegen Nederland de termijn om nadere informatie te verschaffen is verlengd. De rechtbank acht het gezien de hiervoor onder verwijzing naar het arrest Tarakhel aan Nederland gestelde vragen en gelet op het feit dat bij het EHRM meerdere zaken aanhangig zijn waarin de vraag speelt of bijzonder kwetsbare vreemdelingen thans kunnen worden overdragen aan Italië, niet opportuun om in de onderhavige zaak nu einduitspraak te doen. De rechtbank zal de behandeling van de zaak dan ook wederom aanhouden, in afwachting van een uitspraak van het EHRM over de vraag of overdracht van bijzonder kwetsbare vreemdelingen aan Italië thans aan de orde kan zijn.
Beslissing
- houdt de behandeling van de zaak aan in afwachting van een uitspraak van het EHRM over de overdracht van bijzonder kwetsbare vreemdelingen aan Italië op grond van de Dublinverordening.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 10 oktober 2019 door
mr. drs. S. van Lokven, voorzitter, mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. C.T.C. Wijsman, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier.