Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:14842

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-12-2018
Datum publicatie
14-12-2018
Zaaknummer
09/817015-18 (dagvaarding I);09/797074-18 (dagvaarding II)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak mishandeling politieagent

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/817015-18 (dagvaarding I); 09/797074-18 (dagvaarding II)

Datum uitspraak: 14 december 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 juni 2018 (regie) en 30 november 2018 .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

G. Sannes en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. B.G.M. Frencken, advocaat te Den Bosch, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

ten aanzien van dagvaarding I

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Leiden opzettelijk aan een (politie)ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zwaar lichamelijk letsel, te weten een (gecompliceerde) dubbele beenbreuk van het linkerbeen (kuitbeen en scheenbeen), heeft toegebracht door opzettelijk en met kracht met zijn, verdachtes, (gestrekte) been tegen het linker onderbeen van die [slachtoffer 1] te springen of tegen het linker onderbeen van die [slachtoffer 1] te trappen of schoppen;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Leiden, opzettelijk een (politie)ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door opzettelijk en met kracht met zijn, verdachtes, (gestrekte) been tegen het linker onderbeen van die [slachtoffer 1] te springen of tegen het linker onderbeen van die [slachtoffer 1] te trappen of schoppen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (gecompliceerde) dubbele beenbreuk van het linkerbeen (kuitbeen en scheenbeen) ten gevolge heeft gehad;

ten aanzien van dagvaarding II

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Leiden openlijk, te weten op of aan de openbare weg [straatnaam] , in elk geval op of aan een openbare weg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door die [slachtoffer 2] (meermalen) op/tegen zijn hoofd te slaan;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 januari 2018 te Leiden [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem (meermalen) op/tegen zijn hoofd te slaan.

3 Overwegingen omtrent het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft conform zijn op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder primair tenlastegelegde (zware mishandeling) en het bij dagvaarding II onder primair tenlastegelegde (openlijke geweldpleging).

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – op gronden zoals verwoord in zijn pleitnota – gepleit voor integrale vrijspraak van de ten laste gelegde feiten.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

Inleiding

In de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2018 vonden twee ernstige geweldsincidenten plaats op [straatnaam] in Leiden. Aangever [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) zou bij een vechtpartij met een broeksriem tegen zijn hoofd zijn geslagen door een man met een roze trui.

Aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) werd hard tegen zijn linker onderbeen getrapt, toen hij de jongen die hij tijdens de vechtpartij had zien slaan probeerde aan te houden. Als gevolg van die trap heeft [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (een gecompliceerde dubbele beenbreuk) opgelopen. Op de vraag van collega’s wie hem onderuit had getrapt, wees hij de persoon met de roze trui aan. Deze persoon werd aangehouden en bleek verdachte te zijn. Naast verdachte werden nog dezelfde nacht drie andere verdachten aangehouden, te weten

[medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] , het broertje van de verdachte. Zij zijn allen nog steeds verdachte.

De verdachte heeft vanaf het moment van zijn aanhouding zijn betrokkenheid bij voornoemde geweldsincidenten ten stelligste ontkend.

In het strafdossier bevinden zich vele getuigenverklaringen van omstanders die de bewuste nieuwjaarsnacht op [straatnaam] in Leiden aanwezig waren. Uit het dossier blijkt dat die nacht ten tijde van de vechtpartij sprake was van een hectische, chaotische situatie en dat vele getuigen onder invloed waren van alcohol dan wel van verdovende middelen.

In het dossier wordt vaak gesproken over een man met een roze trui die betrokken zou zijn geweest bij de geweldsincidenten. Vaststaat dat de verdachte die nacht een roze trui droeg.

De rechtbank stelt voorop dat niet ter discussie staat dat aangever [slachtoffer 1] op 1 januari 2018 als gevolg van een trap tegen zijn linker onderbeen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat ook aangever [slachtoffer 2] het slachtoffer is geworden van een ernstig geweldsincident.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het de verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan voornoemde geweldshandelingen tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .

Dagvaarding II: openlijke geweldpleging dan wel mishandeling van [slachtoffer 2]

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Op 1 januari 2018 omstreeks 04.00 uur reden verbalisanten [slachtoffer 1] en [verbalisant 1] op [straatnaam] in Leiden in een opvallend dienstvoertuig. Achterin de auto bevond zich een gemeenteraadslid, de heer [naam] (hierna: [naam] ), die een dienst met de politie meedraaide. Ter hoogte van de [straatnaam] troffen zij een geparkeerd staande donkerkleurige BMW aan, voorzien van een Engels kenteken, met de knipperlichten aan. Op het moment dat zij voornoemde auto stapvoets passeerden, zagen zij in de auto twee licht getinte mannen zitten. [verbalisant 1] en [naam] hebben beiden verklaard dat de man aan de bestuurderszijde een opvallende roze trui droeg. Vrijwel direct nadat zij de Engelse BMW passeerden, zagen [slachtoffer 1] , [verbalisant 1] en [naam] dat verderop, ter hoogte van de [straatnaam] , een vechtpartij aan de gang was, waarbij over en weer klappen werden uitgedeeld. [slachtoffer 1] reageerde hierop door met verhoogde snelheid – in elk geval door extra gas te geven – in de richting van de vechtpartij te rijden.

De verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 1 januari 2018 op [straatnaam] in Leiden was met zijn vrienden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en ene [getuige 1] uit Katwijk. Hij zat na een feest met zijn vrienden in zijn auto die geparkeerd stond op [straatnaam] . Zijn auto betreft een BMW met Engels kenteken. Op enig moment is een woordenwisseling ontstaan met een paar dronken jongens die voorbij liepen. Hij is toen uitgestapt. Daarna is hij met [medeverdachte 2] weer in zijn auto gestapt. De andere drie zijn toen niet ingestapt. De verdachte heeft verklaard dat hij niet weet waar die anderen toen waren en waar zij mee bezig waren. Op het moment dat de politiebus over [straatnaam] langs hen reed, zat hij achter het stuur van zijn auto en zat zijn vriend [medeverdachte 2] naast hem op de passagiersstoel. Hij is de auto niet meer uit geweest totdat hij verderop geschreeuw hoorde en op het geschreeuw is afgelopen. Hij werd toen meteen aangehouden. Hij droeg die nacht een roze trui.

Op 1 januari 2018 deed [slachtoffer 2] aangifte van mishandeling. Hij verklaarde dat hij met twee vrienden op [straatnaam] liep, op weg naar een feestje. Toen hij onderweg een woordenwisseling kreeg met een tweetal fietsers die langsreden, zag hij vrijwel direct dat ongeveer vijf Marokkaanse mannen, waaronder een man met een roze trui, uitstapten uit een geparkeerd staande BMW met Engels kenteken. Nadat [slachtoffer 2] hen had gezegd dat hij het niet tegen hen had, draaide hij zich om en liep door. Op het moment dat hij doorliep en achterom keek, zag hij dat twee inzittenden van de BMW, waaronder de jongen met de roze trui en een andere jongen in het donker gekleed, achter hem aan kwamen gerend en dat die man met de roze trui hem met een broeksriem tegen zijn hoofd sloeg. Hij wist dat 100% zeker.

In een aanvullend verhoor en later bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2] verklaard dat hij zelf niet had gezien door wie hij was geslagen, maar dat hij van zijn vriend [naam] had gehoord dat hij met een riem was geslagen door een man met een roze trui.

De vrienden van [slachtoffer 2] , genaamd [naam] (hierna: [naam] ) en [naam] (hierna: [naam] ), hebben – zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris – getuigenverklaringen afgelegd. Hun verklaringen komen er – kort gezegd – op neer dat [slachtoffer 2] meerdere malen met riemen tegen zijn hoofd werd geslagen door de inzittenden van de BMW, zijnde licht getinte mannen. Ze hebben niet exact gezien wie had geslagen. Wel hebben [naam] en [naam] verklaard zeker te weten dat de twee later aangehouden personen, waaronder een man met de roze trui, betrokken waren geweest bij de vechtpartij.

Omdat [slachtoffer 2] , [naam] en [naam] vrienden van elkaar zijn en [slachtoffer 2] zelf heeft aangegeven dat hij en [naam] in elkaars aanwezigheid door de politie zijn gehoord, kan de rechtbank niet uitsluiten dat zij voorafgaand aan het afleggen van hun verklaringen met elkaar hebben gesproken over het voorval en dat zij, al dan niet bewust, zijn beïnvloed door elkaars verklaringen. Daar komt nog bij, zo blijkt uit hun verklaringen, dat zij allen onder invloed van alcohol verkeerden. Dit alles maakt dat de rechtbank deze verklaringen met de nodige behoedzaamheid zal beoordelen.

Tegenover de verklaringen van [slachtoffer 2] en zijn vrienden staan de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en de getuige [getuige 2] (de rechtbank begrijpt: [getuige 1] uit [plaats] ). [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [getuige 2] op enig moment de confrontatie met de dronken jongens zijn aangegaan en dat hij en de verdachte terug zijn gelopen naar de auto. Toen de politiebus langsreed over [straatnaam] , bevond hij zich samen met de verdachte in de auto.

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben beiden verklaard dat zij de auto zijn uitgestapt en vervolgens achter de dronken jongen (de rechtbank begrijpt: aangever [slachtoffer 2] ) en zijn vrienden zijn aangerend, waarna over en weer werd geslagen, geduwd en getrokken. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op enig moment zijn riem had afgedaan. Toen de politie arriveerde, zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] samen de straat uitgerend in de richting van de brug.

Getuige [getuige 2] verklaarde dat, toen hij zag dat twee van zijn vrienden ruzie hadden, hij de auto is uitgestapt, terwijl de verdachte en [medeverdachte 2] in de auto bleven zitten. [getuige 2] heeft geprobeerd om zijn twee vrienden tegen te houden. Toen dat echter niet lukte, is hij weggegaan omdat hij niet in de problemen wilde komen.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de vechtpartij die vrijwel direct ná het passeren van de BMW door verbalisanten [slachtoffer 1] en [verbalisant 1] alsmede het raadslid [naam] werd waargenomen, de vechtpartij tussen aangever [slachtoffer 2] en zijn vrienden enerzijds en de vrienden van de verdachte anderzijds betrof. Verder staat vast dat de verdachte zich in de BMW bevond op het moment dat de politiebus langs de BMW reed. De rechtbank baseert die vaststelling op de waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] en [naam] die de verdachte hebben herkend aan zijn opvallende roze trui, en op de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 2] . Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaring van de verdachte, dat hij en [medeverdachte 2] in de auto zaten op het moment dat werd gevochten, overeenkomt met de verklaring van [medeverdachte 2] . De verklaring van de verdachte past ook in hetgeen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben verklaard. Zij hebben immers verklaard dat zij geweld hebben toegepast op [slachtoffer 2] en zijn vrienden. Volgens [medeverdachte 1] is de verdachte bij de auto gebleven en [medeverdachte 3] weet niet of de verdachte wel of niet bij de vechtpartij was. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij de auto is uitgestapt toen hij zag dat twee van zijn vrienden aan het vechten waren. Volgens hem zaten de verdachte en [medeverdachte 2] op dat moment nog in de auto. Ook die verklaring komt dus overeen met de verklaring van de verdachte, dat hij ten tijde van de vechtpartij in de BMW zat.

Van belang is dat deze vijf verklaringen niet op elkaar kunnen zijn afgestemd, omdat de vier medeverdachten direct na de twee geweldsincidenten zijn aangehouden en zij en getuige [getuige 2] afzonderlijk van elkaar zijn gehoord. Van enige beïnvloeding of het maken van onderlinge afspraken tussen de verklaring van de verdachte en de verklaringen van de medeverdachten en getuige [getuige 2] kan dus geen sprake zijn, temeer niet nu de verdachte beperkingen opgelegd heeft gekregen.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet worden vastgesteld dat de verdachte fysiek bij de vechtpartij met slachtoffer [slachtoffer 2] betrokken is geweest en dat hij degene is geweest die geweld op [slachtoffer 2] heeft toegepast zoals hem ten laste is gelegd. De rechtbank zal de verdachte daarom integraal vrijspreken van hetgeen hem bij dagvaarding II ten laste is gelegd.

Dagvaarding I: zware mishandeling van [slachtoffer 1] dan wel mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

[slachtoffer 1] heeft op 2 januari 2018 aangifte gedaan van zware mishandeling. Hij heeft verklaard dat, toen hij met de politiebus bij de vechtpartij aankwam, zijn collega [verbalisant 1] en hij de auto zijn uitgesprongen. Hierna zag hij “een gozer” uit de groep vechtende jongeren wegrennen en had ook gezien dat hij klappen had gegeven. Hij wilde die jongen tegenhouden om hem vervolgens aan te kunnen houden en riep: stop politie! Hij bracht zijn linkerbeen omhoog en stak deze naar voren om die jongen te tackelen. Hij zag vervolgens dat die jongen met hoge snelheid kwam aanrennen, dat hij in de lucht sprong en, daarbij een soort ninja trap gaf tegen zijn linker onderbeen. Direct voelde hij een intense pijn en kwam ten val. Het werd korte tijd zwart voor zijn ogen. Nadat hij weer was bijgekomen en hij tegen het wiel van een geparkeerde rode auto lag, hoorde hij een collega aan hem vragen wie hem getrapt had. Hij keek om zich heen en zag opeens “ die gozer” staan, half achter de geparkeerde rode auto. Hij droeg onder meer een roze trui en een Prada-tasje. Hierop is de verdachte aangehouden. [slachtoffer 1] heeft niet gezien dat de verdachte uit de auto met het Engelse kenteken kwam. Enige tijd later, op 13 november 2018, heeft [slachtoffer 1] een verklaring ten overstaan van de

rechter-commissaris afgelegd. Daar heeft hij opnieuw verklaard dat hij – op een vraag van een collega wie hem had getrapt – de verdachte alleen maar heeft aangewezen. Hij herkende de verdachte aan zijn gezicht en roze trui.

Naast de aangifte van [slachtoffer 1] bevinden zich in het dossier veel getuigenverklaringen. Van al die getuigenverklaringen is getuige [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) de belangrijkste getuige. Zij is namelijk de enige die ten overstaan van de politie op 3 januari 2018 heeft verklaard dat zij gezien heeft dat een jongen met een roze/zalmkleurige jas of vest agent [slachtoffer 1] van achteren trapte tegen zijn onderbeen. Zij had hem namelijk later goed gezien toen hij werd aangehouden en daarnaast hoorde zij verbalisant [verbalisant 1] zeggen dat ‘hij het gedaan had’. Op 21 februari 2018 is getuige [getuige 3] opnieuw gehoord; zij verklaarde dat zij zich inmiddels niet veel meer herinnerde. In haar meest recente verklaring, ten overstaan van de rechter-commissaris, verklaarde zij dat agent [slachtoffer 1] in haar herinnering van achteren werd getrapt, maar tegelijk weet zij het niet zeker meer en kan het zijn dat haar herinnering is gevormd door de verklaringen die zij heeft afgelegd, door nieuwsberichten en door het te vertellen aan vrienden. Zij heeft verklaard dat zij het aanraken van de voet op het been niet heeft gezien, maar dat zij zich de persoon met de roze trui met capuchon – en die capuchon weet zij zeker – (de rechtbank merkt op: de roze trui van de verdachte, zoals op de foto van hem te zien, heeft geen capuchon) nog heel goed kan herinneren.

Verder verklaart getuige [getuige 3] dat zij de verdachte in connectie heeft gebracht met het geweld, omdat hij is aangehouden.

De ontwikkeling van de verklaring van getuige [getuige 3] geeft precies weer waarom het lastig is om – zeker na verloop van tijd – vast te stellen wat iemand daadwerkelijk zelf heeft waargenomen, en wat iemand heeft ‘ingevuld’ met conclusies. De rechtbank gaat ervan uit dat getuige [getuige 3] volstrekt te goeder trouw is geweest bij het afleggen van haar verklaringen, maar kan niet uitsluiten dat haar verklaringen door berichtgevingen vanuit de media en hetgeen zich ter plekke heeft afgespeeld (o.a. de aanhouding van de verdachte in de opvallende roze trui die voor iedereen zichtbaar tegen een etalageruit moest staan), zijn gekleurd. Daar komt nog bij dat de getuige onder invloed van alcohol verkeerde, hetgeen – naar een feit van algemene bekendheid is – het waarnemingsvermogen beïnvloedt.

Alle overige zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen betreffen de auditu verklaringen (oftewel verklaringen ‘van horen zeggen’). Geen van deze getuigen heeft uit eigen waarneming verklaard dat zij hebben gezien dat [slachtoffer 1] een trap heeft gekregen. Laat staan dat de verdachte die trap zou hebben gegeven.

Gelet op het vorenstaande kan de rechtbank niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer 1] een trap heeft gegeven. [slachtoffer 1] zelf heeft de verdachte aangewezen als de persoon die hem zou hebben geschopt, maar hij heeft op het moment dat hij de verdachte voor het eerst aanwees als degene die hem zou hebben getrapt geen specifiek signalement gegeven. Evenmin heeft [slachtoffer 1] een signalement gegeven van de jongen die hij tijdens het rijden richting de vechtpartij uit de groep vechtende mensen zag komen en die hij klappen zag uitdelen. Pas op een later moment, nadat het korte tijd zwart voor zijn ogen werd en hij weer bijkwam, ziet hij de verdachte op de plaats delict staan en herkent hij hem aan zijn gezicht en roze trui.

De mogelijkheid dat [slachtoffer 1] zich heeft vergist met betrekking tot de herkenning van de verdachte als degene die hem heeft mishandeld, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten. Daarbij neemt zij in het bijzonder in aanmerking dat hetgeen [medeverdachte 3] over het incident heeft verklaard geheel past in hetgeen [slachtoffer 1] daarover heeft verklaard. Zo heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij, toen hij de politie zag aankomen en weg wilde rennen van de vechtpartij met [slachtoffer 2] , een trap kreeg door een persoon die gele reflectiekleding droeg. Hij dacht dat het politiekleding was. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij de jongen die hij tijdens de vechtpartij klappen zag uitdelen, wilde aanhouden en daarom zijn linkerbeen omhoog deed en naar voren stak om hem te tackelen. Ook heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij die avond een politie-uniform (blauw met zwart en gele strepen) droeg.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verbalisant [verbalisant 2] – die betrokken was bij de aanhouding van [medeverdachte 3] voor betrokkenheid bij de mishandeling van [slachtoffer 2] en kort daarvoor ook betrokken was geweest bij de aanhouding van de verdachte – heeft gezegd “dat het broertje van de verdachte qua postuur en gezicht sterke gelijkenis vertoont met de eerder aangehouden verdachte van de mishandeling van collega [slachtoffer 1] ”. Ook de rechtbank constateert op basis van de zich in het dossier bevindende foto’s van de verdachte en [medeverdachte 3] dat zij sterke gelijkenis vertonen. Daar komt nog bij dat [slachtoffer 1] in zijn latere verklaring bij de rechter-commissaris op de vraag of de persoon die hem heeft geschopt enige relatie heeft met de auto met het Engelse kenteken, zelf ook heeft verklaard dat “het allemaal gelijksoortige koppies waren”.

Tot slot overweegt de rechtbank dat zij hiervoor al heeft vastgesteld dat op het moment dat de vechtpartij met [slachtoffer 2] door [slachtoffer 1] wordt opgemerkt, de verdachte nog in zijn auto zat en [slachtoffer 1] met verhoogde snelheid richting de vechtpartij reed. Die omstandigheid maakt het zeer onaannemelijk dat de verdachte de persoon is die [slachtoffer 1] , aanrijdend richting de vechtpartij, iemand zag slaan en degene is die uit de vechtende menigte zijn richting kwam opgerend.

Het voorgaande brengt met zich dat het door de verdediging opgeworpen scenario, dat een ander persoon dan de verdachte - wellicht [medeverdachte 3] - verantwoordelijk is voor de mishandeling van [slachtoffer 1] , niet kan worden uitgesloten.

De verdachte heeft geen volledige openheid van zaken willen geven over wat zich in de nacht van 1 januari 2018 heeft afgespeeld. Hij heeft immers geen duidelijke verklaring afgelegd over waar zijn broertje en vrienden waren op het moment dat hij met [medeverdachte 2] in de BMW zat en de politiebus hen passeerde. Ook vermoedt de rechtbank dat de verdachte niet juist heeft verklaard over de wijze waarop hij en [medeverdachte 2] naar de vechtpartij zijn gelopen, nadat de politiebus hen was gepasseerd. De rechtbank gaat er namelijk van uit dat de verdachte niet rustig daarnaartoe is gelopen, zoals hij heeft verklaard, gelet op de wijze waarop hij zijn auto en andere kostbare bezittingen heeft achtergelaten.

De rechtbank constateert echter wel dat de verdachte al vóór zijn aanhouding, zo blijkt ook uit de ter zitting afgespeelde beelden van de bodycam, consistent heeft verklaard dat hij niet betrokken was bij de geweldsincidenten; hij kwam op het geschreeuw van [slachtoffer 1] aflopen, waarna hij vrijwel direct door omstanders werd aangewezen als de dader. Ook heeft de verdachte direct na zijn aanhouding gevraagd om camerabeelden en heeft hij verzocht om sporenonderzoek aan zijn riem, dit alles om zijn onschuld te bewijzen.

Uit het dossier blijkt niet of enig onderzoek is ingesteld naar het verweer van de verdachte en of andere mogelijke scenario’s naar aanleiding van de verklaringen van de medeverdachten op waarheid zijn onderzocht.

Conclusie

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, en mede in aanmerking genomen hetgeen met betrekking tot de mishandeling van [slachtoffer 2] is overwogen, kan de rechtbank niet met een voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het dossier en het onderzoek ter terechtzitting bieden onvoldoende objectieve aanknopingspunten die de aangifte van [slachtoffer 1] en zijn latere verklaring bij de rechter-commissaris ondersteunen.

De rechtbank zal de verdachte daarom integraal vrijspreken van hetgeen hem bij dagvaarding I ten laste is gelegd.

4 De vorderingen van de benadeelde partijen

4.1

Inleiding

[slachtoffer 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 1.385,- bestaande uit € 385,- materiële schade en € 1.000,- immateriële schade.

[slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 11.320,57, bestaande uit € 1.320,57 materiële schade en € 10.000,- immateriële schade.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen in zijn geheel kunnen worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij dient de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] hoofdelijk te worden opgelegd.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, de vorderingen dienen te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijkheid dienen te worden verklaard.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, wordt vrijgesproken.

Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering, zal de rechtbank hen veroordelen in de kosten van de verdachte. Nu de verdachte geen kosten heeft gevorderd en overigens ook niet gebleken is dat de verdachte kosten heeft moeten maken voor zijn verdediging tegen de vorderingen van de benadeelde partijen, zal de rechtbank deze kosten begroten op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I (primair en subsidiair) en II (primair en subsidiair) tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten van de verdachte, die begroot worden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. van Essen, voorzitter,

mr. N.F.H. van Eijk, rechter,

mr. L. Kelkensberg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van den Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 december 2018.