Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:7416

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
5436201 RL EXPL 16-28079
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In dit geval is sprake van een situatie waarbij de Stichting de schoolfotograaf voor het maken van de (klassen)foto’s op school heeft laten komen op de dag van het Offerfeest, waardoor kinderen die het Islamitische geloof belijden niet in dezelfde mate in staat waren van die dienst gebruik te maken als de andere kinderen van de school. De Stichting heeft stellingen ingenomen die erop neer komen dat aan de minderjarigen een dusdanig alternatief is geboden, dat daarmee van een relevant onderscheid geen sprake (meer) was. De kantonrechter deelt dat standpunt van de Stichting voor wat betreft de mogelijkheid om individuele foto’s te laten nemen, maar niet voor wat betreft de mogelijkheid om klassenfoto’s te laten nemen. De aan de stellingen van de Stichting ten grondslag gelegde feiten betreffende het voor de klassenfoto geboden alternatief zijn in deze procedure namelijk niet vast komen te staan. Aldus heeft de Stichting indirect onderscheid gemaakt. Het maken van een dergelijk onderscheid is op grond van het bepaalde in de Awgb in beginsel verboden. Dat is slechts anders indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Dat die uitzondering zich hier voordoet is niet gebleken. Daarmee staat vast dat de Stichting in strijd met artikel 7 lid 1, aanhef en onder c van de Awgb heeft gehandeld. De Stichting heeft aldus onrechtmatig jegens de minderjarigen gehandeld en dient de als gevolg daarvan door de minderjarigen geleden schade aan hen te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0572

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

Rolnr.: 5436201 RL EXPL 16-28079

10 juli 2017

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2],

beiden wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. L.M. Zuydgeest

tegen

de stichting “De Haagse Scholen”, Stichting voor primair en speciaal openbaar onderwijs,

gevestigd te Den Haag

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H.J. Brouwer.

Partijen worden in het hiernavolgende ook aangeduid als: “de minderjarigen” en “de Stichting”.

Procedure

1. De kantonrechter heeft kennis genomen van:

  • -

    de dagvaarding met producties van 10 oktober 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties.

2. Op 16 mei 2017 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij [eiser sub 1] en [eiser sub 2] namens de minderjarigen zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van de minderjarigen. Namens de Stichting zijn verschenen: [K] , [B] en [H] , bijgestaan door de gemachtigde van de Stichting. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.

3. Op 29 mei 2017 is namens de minderjarigen medegedeeld dat partijen geen minnelijke regeling hebben bereikt. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

Feiten

4. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn gezamenlijk belast met het gezag over hun minderjarige kinderen [minderjarige sub 1] en [minderjarige sub 2] .

5. Tot de Stichting behoren drieënvijftig scholen, waaronder de Maria Montessorischool te Den Haag (hierna: de school). De minderjarigen hebben van 2013 tot januari 2016 onderwijs gevolgd bij de school.

6. De Stichting is met een schoolfotograaf overeengekomen dat hij op
24 september 2015 op de school zou komen om individuele foto’s en groepsfoto’s te nemen.

7. De minderjarigen belijden het Islamitische geloof. Zij vieren elk jaar het Islamitisch Offerfeest. Het Offerfeest is een Islamitische feestdag, waarbij ’s ochtends deel genomen wordt aan de gezamenlijke gebedsdienst in de moskee, vervolgens gezamenlijk wordt gegeten en de hele dag feest wordt gevierd. In 2015 viel het Offerfeest op 24 september 2015.

8. De moeder van de minderjarigen heeft ten behoeve van haar kinderen voor het Offerfeest verlof aangevraagd en verkregen van de Stichting. Bij de verlofaanvraag bleek het de Stichting en de moeder van de minderjarigen dat de dag waarop de schoolfotograaf zou komen samenviel met het Offerfeest.

9. De schoolfotograaf heeft op 24 september 2015 individuele foto’s en groepsfoto’s genomen op de school van de minderjarigen. De minderjarigen waren daarbij niet aanwezig en staan derhalve niet op de die dag genomen individuele foto’s en groepsfoto’s.

10. Nadien is de schoolfotograaf opnieuw op de school geweest om individuele foto’s te nemen.

11. Op 14 oktober 2015 heeft de adjunct-directeur van de school opnieuw groepsfoto’s gemaakt op de school. Op die foto’s staan de minderjarigen wel.

12. Op verzoek van de ouders van de minderjarigen heeft de kantonrechter te Den Haag de ouders machtiging verleend om namens de minderjarigen op te treden in de onderhavige procedure.

Vordering

13. Namens de minderjarigen is een vordering ingediend die er toe strekt:

  1. voor recht te verklaren dat de Stichting onrechtmatig jegens de minderjarigen heeft gehandeld,

  2. de Stichting te veroordelen tot betaling aan de minderjarigen van € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding, althans een zodanig bedrag aan immateriële schadevergoeding dat de kantonrechter redelijk acht, met de wettelijke rente over de schadevergoeding en

  3. de Stichting te veroordelen in de kosten van de procedure met de wettelijke rente daarover.

14. Namens de minderjarigen is aan de vorderingen – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat de Stichting onrechtmatig heeft gehandeld door te handelen in strijd met artikel 7 van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Volgens de minderjarigen zijn, door het inplannen van de schoolfotograaf op de dag van het Offerfeest, in het bijzonder de minderjarigen getroffen die op grond van hun geloofsovertuiging niet op school konden zijn, omdat zij die dag het Offerfeest vierden. Ook nadat daar door de moeder van de minderjarigen om was verzocht, heeft de Stichting de komst van de schoolfotograaf niet verplaatst. De officiële klassenfoto’s zijn in afwezigheid van de minderjarigen genomen en die klassenfoto’s, waarop de minderjarigen dus ontbraken, zijn in de klaslokalen opgehangen. Nadien zijn de minderjarigen alsnog in de gelegenheid gesteld om een individuele foto te laten maken door een professionele fotograaf, maar een professionele klassenfoto is in aanwezigheid van de minderjarigen niet genomen. De klassenfoto die door een medewerker van de Stichting is gemaakt, kon door de ouders niet worden aangeschaft en is evenmin in de klaslokalen opgehangen. Aldus heeft de Stichting indirect onderscheid gemaakt op grond van godsdienst, terwijl het gemaakte onderscheid geen legitiem doel diende, aldus de minderjarigen.

15. Namens de minderjarigen is verwezen naar de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJ EG) en naar jurisprudentie van de Hoge Raad en de gerechtshoven Amsterdam en Leeuwarden, waaruit volgens hen volgt dat een slachtoffer van discriminatie altijd schade leidt, dat discriminatie per definitie aantasting van de eer en goede naam oplevert en dat het slachtoffer van discriminatie op grond daarvan zonder nader bewijs immateriële schade vergoed dient te krijgen. Namens de minderjarigen is gesteld dat het erg moeilijk te verteren is dat de minderjarigen ontbreken op de officiële klassenfoto en dat de Stichting niet erkent dat sprake is van discriminatie en ook geen excuses aanbiedt. Vanwege de schending van fundamentele rechten en met inachtneming van de bedragen die eerder door de Nederlandse rechter in gevallen van discriminatie zijn toegekend, wordt namens de minderjarigen een bedrag van € 5.000,- per persoon aan immateriële schadevergoeding gevorderd.

Verweer

16. Het verweer van de Stichting strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de minderjarigen in de proceskosten. De Stichting stelt rekening te houden met de diverse geloofsovertuigingen van de kinderen binnen de school. Als de Stichting had geweten dat het Offerfeest samenviel met de komst van de fotograaf had de Stichting een andere planning gemaakt. De Stichting wijst erop dat zij de komst van de fotograaf bij aanvang van het schooljaar op de jaarkalender en in de nieuwsbrief heeft aangekondigd en dat de ouders van de minderjarigen daarom al eerder hun bezwaren tegen deze datum kenbaar hadden kunnen maken. Op het moment dat de verlofaanvraag door de ouders werd gedaan, was het niet meer mogelijk de afspraak met de schoolfotograaf te verzetten.

17. De Stichting stelt alles in het werk te hebben gesteld om de nadelen van de aanvankelijke ongelukkige planning van de schoolfotograaf weg te nemen. De afspraak met de schoolfotograaf kon niet meer worden verzet, maar de schoolfotograaf is op een latere datum teruggekomen op de school om de resterende leerlingen op de foto te zetten. De klassenfoto’s zijn door de schoolfotograaf op 24 september 2015 reeds bij aanvang van de lessen gemaakt. Vrijwel alle kinderen voor wie verlof was aangevraagd voor 24 september 2015 hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om bij het maken van de groepsfoto aanwezig te zijn. De minderjarigen niet. Uiteindelijk zijn door een niet-professionele fotograaf nieuwe groepsfoto’s gemaakt, waarop ook de minderjarigen staan. Die groepsfoto’s zijn gratis aan alle ouders aangeboden, aldus de Stichting.

18. De Stichting stelt voorts dat bij monde van haar directeur direct excuses zijn gemaakt aan de moeder van de minderjarigen voor de ongelukkige planning. In de brief van 14 maart 2016 heeft het bestuur van de Stichting vervolgens gemeld dat zij het eens is met de klacht van de moeder van de minderjarigen. Aldus heeft de Stichting wel degelijk excuses aangeboden, zo stelt de Stichting.

19. De Stichting stelt zich op het standpunt dat geen schade is geleden door de minderjarigen, omdat zij geen nadelige gevolgen hebben ondervonden van de ongelukkige planning van de fotograaf. Ten slotte maakt de Stichting nog bezwaar tegen de hoogte van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding.

Beoordeling

Wettelijk kader

20. Artikel 7 lid 1, aanhef en onder c van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (hierna: Awgb) verbiedt het maken van ‘onderscheid’ bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van volkshuisvesting, welzijn, gezondheidszorg, cultuur of onderwijs.

21. Artikel 1 Awgb onderscheidt het begrip onderscheid in ‘direct onderscheid’ en ‘indirect onderscheid’. Er is sprake van direct onderscheid indien een persoon op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld, op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Indirect onderscheid doet zich voor indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaalde godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat in vergelijking met andere personen bijzonder treft.

22. Het verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Artikel 10 van Awgb bepaalt dat, indien degene die meent dat in zijn nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden, de wederpartij dient te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.

Samengevat komt het oordeel van de kantonrechter op het volgende neer.

23. In dit geval is sprake van een situatie waarbij de Stichting de schoolfotograaf voor het maken van de (klassen)foto’s op school heeft laten komen op de dag van het Offerfeest, waardoor kinderen die het Islamitische geloof belijden niet in dezelfde mate in staat waren van die dienst gebruik te maken als de andere kinderen van de school. De Stichting heeft stellingen ingenomen die erop neer komen dat aan de minderjarigen een dusdanig alternatief is geboden, dat daarmee van een relevant onderscheid geen sprake (meer) was. De kantonrechter deelt dat standpunt van de Stichting voor wat betreft de mogelijkheid om individuele foto’s te laten nemen, maar niet voor wat betreft de mogelijkheid om klassenfoto’s te laten nemen. De aan de stellingen van de Stichting ten grondslag gelegde feiten betreffende het voor de klassenfoto geboden alternatief zijn in deze procedure namelijk niet vast komen te staan. Aldus heeft de Stichting indirect onderscheid gemaakt. Het maken van een dergelijk onderscheid is op grond van het bepaalde in de Awgb in beginsel verboden. Dat is slechts anders indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Dat die uitzondering zich hier voordoet is niet gebleken. Daarmee staat vast dat de Stichting in strijd met artikel 7 lid 1, aanhef en onder c van de Awgb heeft gehandeld. De Stichting heeft aldus onrechtmatig jegens de minderjarigen gehandeld en dient de als gevolg daarvan door de minderjarigen geleden schade aan hen te vergoeden.

De kantonrechter licht dit oordeel in het hiernavolgende toe.

24. Vooropgesteld wordt dat artikel 7 lid 1, aanhef en onder c van de Awgb van toepassing is op de Stichting en haar rol bij de komst van de schoolfotograaf naar de school. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De kantonrechter stelt vast dat van enig gemaakt direct onderscheid in dit geval geen sprake is. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of indirect onderscheid is gemaakt door de Stichting.

Onderscheid

25. Van onderscheid in de zin van artikel 7 Awgb is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake voor wat betreft de mogelijkheid voor de leerlingen van de school om individuele foto’s te laten nemen. De Stichting heeft de schoolfotograaf immers op een later moment terug laten komen om de kinderen waarvan nog geen individuele foto’s waren gemaakt, in de gelegenheid te stellen die foto’s alsnog te laten maken.

26. De kantonrechter beantwoordt de vraag of indirect onderscheid is gemaakt ten aanzien van de mogelijkheid voor de leerlingen om klassenfoto’s te laten maken wel bevestigend. Door de schoolfotograaf voor het maken van de klassenfoto’s op school te laten komen op de dag van het Offerfeest zijn immers hoofdzakelijk de leerlingen met een bepaalde godsdienstige overtuiging beperkt in de mogelijkheid van die dienst gebruik te maken. Een en ander maakt dat indirect onderscheid is gemaakt in de zin van artikel 7 lid 1, aanhef en onder c van de Awgb. Voor de beantwoording van de vraag of indirect onderscheid is gemaakt is niet relevant of de Stichting bewust heeft gehandeld. Door het ontbreken van dat bewustzijn van de Stichting wordt immers niet weggenomen dat het onderscheid is gemaakt.

27. De stellingen van de Stichting komen erop neer dat ook ten aanzien van de klassenfoto’s aan de minderjarigen een dusdanig alternatief is geboden, dat daarmee van een relevant onderscheid geen sprake meer was. De aan die stellingen ten grondslag gelegde feiten zijn evenwel namens de minderjarigen weersproken. De kantonrechter is van oordeel dat de Stichting bedoelde feiten tegenover die betwisting van de minderjarigen onvoldoende heeft onderbouwd en aldus ten aanzien van die feiten niet voldaan heeft aan haar stelplicht.

28. Zo heeft de Stichting aangevoerd dat zij de afspraak met de schoolfotograaf niet meer kon verzetten, mede omdat zij er pas twee weken voor deze afspraak achter kwam dat deze samenviel met het Offerfeest. Van enige inspanning van de Stichting om bedoelde afspraak te verzetten blijkt evenwel niet uit de in het geding gebrachte stukken. De Stichting stelt voorts dat de klassenfoto’s op de dag van het Offerfeest direct in de ochtend, bij aanvang van de lessen zijn genomen. Namens de minderjarigen is evenwel aangevoerd dat zij, vanwege het bij het Offerfeest behorende ochtendgebed, ook in de ochtend niet in de gelegenheid waren om naar school te komen. De stelling van de Stichting dat andere kinderen, voor wie eveneens verlof was aangevraagd, die ochtend wel naar school zijn gekomen om aan de klassenfoto deel te nemen, is namens de minderjarigen uitdrukkelijk weersproken en door de Stichting niet onderbouwd. De schoolfotograaf is op een andere dag teruggekeerd naar de school, maar toen konden uitsluitend individuele foto’s worden gemaakt.

29. De Stichting heeft voorts aangevoerd dat door een amateurfotograaf klassenfoto’s zijn gemaakt, dat die klassenfoto’s gratis aan de ouders ter beschikking zijn gesteld en de professionele foto’s in de klaslokalen zijn vervangen door de klassenfoto’s van de amateurfotograaf. Ook de juistheid van die stelling is evenwel niet vast komen te staan. Namens de minderjarigen is uitdrukkelijk weersproken dat de door de amateurfotograaf gemaakte klassenfoto’s aan de (ouders van de) minderjarigen en andere kinderen van de school ter beschikking zijn gesteld en dat die foto’s de eerder gemaakte klassenfoto’s in de klas hebben vervangen. De Stichting heeft haar stellingen ook op dit punt niet onderbouwd; integendeel, desgevraagd heeft de Stichting ter comparitie niet kunnen toelichten wanneer en hoe die foto’s aan de leerlingen ter beschikking zijn gesteld en evenmin wanneer of in welke periode de klassenfoto’s van de professionele fotograaf door de klassenfoto’s van de amateurfotograaf in de klas zijn vervangen. De kantonrechter kan aldus niet vaststellen dat de Stichting een dusdanig alternatief heeft geboden dat van een wezenlijk onderscheid geen sprake meer is.

Objectieve rechtvaardigingsgrond

30. Evenmin is gesteld of gebleken dat het gemaakte onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. De Stichting heeft naar voren gebracht dat zij rekening heeft gehouden met de wens van ouders van leerlingen van de school om de kinderen kort na de (zomer)vakantieperiode op de foto te laten zetten, omdat ze dan mooier op de foto komen te staan. Voor zover de Stichting bedoeld heeft te stellen dat die omstandigheid het gemaakte onderscheid rechtvaardigt, volgt de kantonrechter de Stichting daarin niet, reeds omdat het niet noodzakelijk is om de schoolfotograaf juist op de dag van het Offerfeest op school te laten komen, om met bedoelde belangen rekening te kunnen houden.

31. Het voorgaande brengt met zich dat de Stichting in strijd met artikel 7 lid 1, aanhef en onder c van de Awgb heeft gehandeld. Aldus heeft de Stichting jegens de minderjarigen onrechtmatig gehandeld. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.

Schade

32. De minderjarigen hebben op grond van het voorgaande recht op vergoeding van als gevolg van het onrechtmatige handelen van de Stichting door hen geleden schade. Namens de minderjarigen is aangevoerd dat zij, doordat de Stichting een verboden onderscheid heeft gemaakt, ieder voor een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schade hebben geleden. De minderjarigen hebben naar voren gebracht dat het confronterend voor hen was dat zij niet op de klassenfoto stonden en dat zij gelijk behandeld willen worden als de andere kinderen op school.

33. De kantonrechter deelt het standpunt van de minderjarigen dat zij door het onrechtmatige handelen van de Stichting in hun persoon zijn aangetast en daarom, gelet op het bepaalde in artikel 6:106 lid 1 sub b BW, jegens de Stichting aanspraak kunnen maken op smartengeld. Voor de bepaling van de hoogte van het toe te kennen bedrag aan smartengeld acht de kantonrechter enerzijds van belang dat van de Stichting een opoffering mag worden verlangd, ter bevrediging van het gekwetste rechtsgevoel van de minderjarigen. Anderzijds houdt de kantonrechter rekening met de mate waarin de minderjarigen in hun persoon zijn aangetast. In dat kader acht de kantonrechter van belang dat het in deze zaak niet gaat om gemaakt onderscheid bij toegang tot het door de Stichting geleverde onderwijs, maar om gemaakt onderscheid bij toegang tot de door de Stichting gefaciliteerde diensten van een schoolfotograaf. De kantonrechter acht onder die omstandigheden de toekenning van een bedrag aan smartengeld van € 250,- aan elk van de beide minderjarigen op zijn plaats. De vordering van de minderjarigen wordt derhalve toegewezen tot dat bedrag, met de wettelijke rente daarover.

34. De Stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Beslissing

De kantonrechter:

- verklaart voor recht dat de Stichting onrechtmatig jegens de minderjarigen heeft gehandeld;

- veroordeelt de Stichting om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de minderjarigen te voldoen een bedrag van in totaal € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt de Stichting in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de minderjarigen vastgesteld op € 500,75 waarvan € 200,- als het aan de gemachtigde van de minderjarigen toekomende salaris;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A. Emmens en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2017.