2 De feiten
Het Naturalisgebouw en de loopbrug
2.1.
Naturalis is in 1820 opgericht als het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Het Rijksmuseum richtte zich op wetenschappelijk onderzoek en collectievorming (niet expositie). In 1986 is besloten dat dit instituut een publieksmuseum (hierna: het museum) moest worden. De overheid heeft daartoe het 17e-eeuwse Leidse Pesthuis (hierna: het Pesthuis) ter beschikking gesteld. Uiteindelijk is ervoor gekozen om tegenover het Pesthuis een nieuw gebouw te plaatsen (hierna: het Naturalisgebouw), dat via een loopbrug (hierna: de loopbrug) met het Pesthuis zou worden verbonden.
2.2.
Het nieuwe complex moest dienen als huisvesting voor de waardevolle en grotendeels droog, koel en donker te bewaren collectie, moest ruimtes voor wetenschappelijk onderzoek en kantoorruimte bieden en moest geschikt zijn voor expositie. Voor het museum- en depotdeel bestond bovendien de wens dat het flexibel zou kunnen worden benut, omdat de daaraan te stellen eisen in de toekomst zouden kunnen veranderen.
2.3.
De opdracht tot het ontwerpen van het Naturalisgebouw en de loopbrug is verstrekt aan Architektenburo [VVKH] B.V. (hierna: VVKH). Het ontwerp is gemaakt door [eiser] , die als architect onderdeel uitmaakte van dat bureau. Het museum in het nieuw gebouwde complex is officieel geopend in 1998. Van het naar het ontwerp van [eiser] gerealiseerde Naturalisgebouw en de loopbrug is hieronder een afbeelding opgenomen.
2.4.
Het publiek betreedt het museum via het Pesthuis, voor een deel te zien rechtsonder in de foto. Daar bevinden zich ook de garderobe, de museumwinkel en het museumcafé. Bezoekers komen vanuit het Pesthuis via de loopbrug in het Naturalisgebouw. Het Naturalisgebouw bevat de voor het publiek toegankelijke tentoonstellingszalen en bibliotheek, alsmede laboratoria, kantoorruimtes, een expeditie-ruimte en een toren waarin de collectie is ondergebracht, de zogenoemde depottoren. Aan de zuidkant (links op bovenstaande foto, achter het aankondigingenbord) is een 20 meter hoge schegvormige ruimte geplaatst, waarin een auditorium hangt. In de gekromde voorbouw, waar de loopbrug het Naturalisgebouw binnen komt, zijn de kantoren van de wetenschappers en (achter de spleetramen links onder) de bibliotheek geplaatst.
2.5.
Het publiek dat het Naturalisgebouw en de tentoonstelling betreedt, komt aan het einde van de loopbrug op een rond bordes dat fungeert als start- en overzichtspunt voor het museum. Het publiek heeft vanuit dat bordes direct zicht op diverse onderdelen van de permanente expositie, zoals te zien is op de afbeeldingen hieronder.
2.6.
Het Naturalisgebouw is verdeeld in verschillende volumes, te weten vier kwadranten van 20 bij 20 meter (hierna: het kwadrantenschema) en een gekromde voorbouw die aan de zuidkant doorloopt in een schegvormig deel (zie figuur 43A hierna opgenomen in 2.7). De depottoren vormt een van de vier kwadranten. De andere drie kwadranten zijn tentoonstellings- en laboratoriumruimtes (hierna: de tentoonstellings- en laboratoriumkwadranten). Zoals te zien is op bovenstaande foto’s zijn de onderste verdiepingen van de voorste twee kwadranten open en zijn de kwadranten daarboven herkenbaar aan de gesloten bakken op vier verdiepingen hoge kolommen geplaatst. Binnen die bakken bevinden zich aparte tentoonstellings- en laboratoriumruimtes. In de gekromde voorbouw bevinden zich, behalve tentoonstellingsruimte op de begane grond, de bibliotheek en kantoorruimtes.
2.7.
In de in opdracht van Naturalis in december 2013 door – onder meer – prof. dr. [A] (hierna: [A] ) opgestelde bouwhistorische rapportage en waardestelling van het museum (hierna: de waardestelling van [A] ) staat (op pagina 63) over het kwadrantenschema – voor zover van belang – het volgende:
“(…) Op architectonisch niveau moest het nieuwe complex de drie hoofdfuncties (onderzoek, depot, museum) op een architectonisch gelijkwaardige en samenhangende manier herbergen. Dit is gedaan door de afzonderlijke volumes individueel herkenbaar te maken en ze vervolgens aan elkaar te koppelen door de transparante tussenruimte. Het museumvolume wordt letterlijk geflankeerd door de wetenschap en de collectie, ieder in een eigen ‘huid’ en ruimtelijk gescheiden door de interne verkeersruimtes, die zich bevinden in een transparant tussengebied. De labs en de bibliotheek krijgen een plek aan het museumpark in de voorbouw, het deel dat de vier kwadranten als het ware omarmt. De depottoren van 21 verdiepingen is een van de vier kwadranten en wordt als apart volume heel expliciet in materiaal, functie en constructie benadrukt. (…)
De toren is uitgesproken herkenbaar in zijn autonome verschijningsvorm. Die autonomie is zowel binnen als buiten volledig. Dat is minder het geval bij de overige kwadranten. Ze geven vorm aan zowel het museum als de laboratoria (fig. 44). Zowel constructief als formeel zijn de kwadranten op de eerste drie vloeren minder duidelijk herkenbaar: alleen vanaf sommige posities en met een bepaalde kijkrichting deelt de structuur van een vierluik zich mee. (…)”
en zijn op pagina 64 de volgende figuren opgenomen, die het kwadrantenschema illustreren:
2.8.
Tussen de kwadranten bevinden zich tussenruimtes, via welke bezoekers zich tussen de verschillende tentoonstellingsruimtes kunnen verplaatsen.
2.9.
In de waardestelling van [A] staat op pagina 63 en 65 over deze tussenruimtes:
“De route (…) door de tussenruimte is bedacht als plek om ongedwongen te ‘zwerven’ zonder te verdwalen. Het ongedwongen rondzwerven heeft wel een begin en een einde. De route start bij de entree van het Pesthuis en eindigt bij de laatste zaal voor tijdelijke tentoonstellingen. Alle tentoonstellingsruimten takken aan op deze routing.
(…)
De museumroute is overal gescheiden van de routing die het personeel gebruikt, maar men kan elkaar op verschillend momenten ‘zien’. Dat was ook een uitgangspunt voor het ontwerp: de zichtbare wetenschap. Een aantal loopbruggen en gangpartijen is zo gepositioneerd dat de wetenschapper onderdeel wordt van de expositie (…). Voorbeelden zijn de loopbrug van de kantoren naar de bibliotheek en ook de glazen personeelslift. In de
tentoonstellingsruimte op de vierde verdieping zit een aantal wetenschappers zelfs op een podium in de expositieruimte te werken (…). Ook de open expeditieruimte waar beesten
(zoals recent de verongelukte wolf of de aangespoelde vinvis) binnenkomen voor onderzoek, is op die manier ontworpen. (…)”
2.10.
[eiser] heeft een en ander ook zelf beschreven in een in 2009 in opdracht van de rijksbouwmeester opgestelde persoonlijke waardestelling (hierna: de waardestelling van [eiser] ):
“(…)
zwerfzone
Al deze tentoonstellingen zijn te bereiken via de 'zwerfzone', de vrije ruimte tussen de vier kwadranten die de basisstructuur vormen van het museumgebouw. Alle ruimtes lopen in elkaar over, overal is overzicht, zijn doorkijkjes en onverwachte
doorzichten. Het zwerven tussen de diverse tentoonstellingen is letterlijk opgevat. Deze ontwerpkeuze is nadrukkelijk gemaakt als wapen tegen de museummoeheid. Tussen de tentoonstellingen, waarin men geconcentreerd, met veel beelden, informatie over een
bepaald onderwerp opslaat, moet de bezoeker even kunnen ontspannen. Voordat een volgend onderwerp wordt bezocht moet hij even rondwandelen, zwerven, zich kunnen ontdoen van de ballast van (educatieve) informatie, genieten van doorkijkjes en
overzicht. Hierdoor wordt in de geest de 'reset-knop' ingedrukt. De loopbruggen en de trappen van de zwerfzone moeten om die reden vrij van tentoonstelling en saai zijn.
(…)
Dit ruimtelijke vocabulaire benadrukt de integraliteit van de natuur zelf. Het heeft vorm gekregen in de transparantie van de ruimten, die ieder afzonderlijk variëteit hebben te bieden, maar tegelijkertijd permanent uitzicht bieden op het grote geheel, de samenhang der
dingen.
(…)
Ballet
Overal in de zwerfzone slenteren mensen rond. Ze kijken door vensters, wijzen dingen aan, laten zich verrassen. Ook op andere niveaus zijn mensen in beweging. Ze lopen over vrijhangende glazen passages en trappen.
Buiten hun fysieke bereik, maar in hun onmiddellijke visuele nabijheid, zien ze personeelsleden van Naturalis, vaak in witte laboratoriumjassen, door de werkruimtes van het gebouw lopen. Zo kan de conservator alleen via bruggen door de tentoonstellingsruimte
naar zijn wetenschappelijke bibliotheek en lopen de gangen van de laboratoria vrij langs en in de tentoonstellingsruimten. De personeelslift voor de kantoorvleugel is van glas en zoeft als een tentoonstellingsvitrine door de tentoonstellingsruimte omhoog en omlaag. Het wachten van het personeel bij de glazen liftpuien en in de glazen liften zelf biedt dat personeel zicht op het aanlandingspunt waar de bezoekers stil zullen staan en verrast en verwonderd rond kijken, een reminder dat naast de collectie en de wetenschapsbeoefening het natuurverhaal overbrengen op het brede publiek van belang is.
Het publiek daarentegen kan weer neerkijken in de werkhal bij de werkplaatsen, waar dieren worden binnengebracht of net aangespoelde bruinvissen worden ontleed. Een museum zonder coulissen. Bezoekers en personeel maken samen deel uit van de dynamiek die een zo prominente rol vervult in het educatieve concept van de tentoonstelling. De impressie ontstaat van een choreografie in de bewegingen van de mensen, een gezamenlijk ballet.
(…)
Slangenhuid
Het vormgeven van een gesloten toren van 62 meter hoog is voor een architect geen alledaagse opgave. Aan de buitenzijde van de skeletomhullende spouw zit de isolatie van de toren. die nog slechts een regenhuid vergt. De term huid (ook vanwege het karakter van het museum en de inhoud van de toren) is letterlijk genomen door de toren te bekleden met roestvaststalen losangepanelen volgens de methode die in veel zijgevels van
Belgische woningen te zien is. Door de losangepanelen in twee maten uit te voeren (40 x 40 cm2 en 80 x 80 cm2) ontstond de mogelijkheid de huid een subtiele tekening mee te geven die doet denken aan een slangen- of vissenhuid.
Omdat deze huid het conditioneringssysteem van de gevel bekleedt, is het geveldeel van de toren binnen het museum ook bekleed met deze huid. Door de diverse doorkijk- en uitzichtpunten is de toren vanuit vele plaatsen te zien. Op één punt is vanuit de tentoonstellingsruimte een brug naar de toren gemaakt, waarbij de bezoeker door het enige en aldaar gemaakte raam naar binnen mag gluren om te zien welke functie die geheimzinnige, gesloten, maar steeds zichtbare toren nu vervult. Hier kan hij de structuur van de gevel met de hand aanraken.
(…)”
2.11.
Van de zwerfzones en doorkijkjes zijn in de waardestelling van [A] op pagina 73-84 onder meer de volgende foto’s opgenomen:
2.12.
Het grootste deel van de collectie van het museum is niet bestand tegen daglicht en moet in relatief donkere ruimtes worden tentoongesteld. Binnen de kwadranten komt het daglicht daarom enkel binnen via kleine spleetvormige ramen, die veelal met doorschijnende stof zijn afgedekt. [eiser] schrijft hierover in zijn waardestelling:
“(…)
Exterieur
Omdat het merendeel van de tentoonstellingsstukken bestaat uit organisch materiaal dat vergaat onder de invloed van licht, worden deze zo weinig mogelijk verlicht (50 Lux maximaal). Hierdoor ontstaat een sterk introvert tentoonstellings- en depotdeel.
Slechts één onderdeel kan wel tegen licht: de skeletten. Deze zijn te vinden in de Oerparade op de begane grond. Daarom is juist deze begane grond voorzien van veel glas zodat de voorbijganger van buitenaf diep het gebouw in kan kijken. Ondanks het introverte
karakter ontstaat zo op ooghoogte uitstraling naar buiten met architectonische mededelingen over de functie van het gebouw: uitgelichte skeletten vertellen hun verhaal.
(…)”
en op pagina 91 van de waardestelling van [A] staat:
“(…)
Ook voor de tentoongestelde objecten geldt dat daglicht problematisch is en dat de eisen aan het klimaat hoog zijn. De architectuur van het gebouw heeft hierop zoveel mogelijk een functioneel antwoord willen geven.
(…)”
2.13.
De ruimtes tussen de kwadranten – de verkeerszones – zijn ten opzichte van de relatief donkere expositieruimtes zeer licht. Daarover staat in de waardestelling van [A] op pagina 63:
“(…)
Omdat de tentoonstellingen vanaf de vierde verdieping geen of weinig licht verdragen, zijn de kwadrantvolumes hier gesloten. Om de ruimtes tussen de kwadranten zo licht mogelijk te houden is, waar mogelijk, in de gevels (structureel) glas gebruikt. De idee om ook de dakstroken van glas te maken heeft het bij uitvoering niet gehaald. In plaats daarvan is het plafond speciaal verlicht. Alleen in het deel tussen de voorbouw en de kwadranten is
daadwerkelijk glas toegepast in het dakvlak. Hiermee wordt de tegenstelling tussen de lichte tussenruimtes en de donkere tentoonstellingsruimtes benadrukt.
(…)”
2.14.
Het kwadrantenschema biedt de mogelijkheid voor herinrichting van het museum, bijvoorbeeld door ruimtes anders met elkaar te verbinden, kwadranten samen te voegen of wanden weg te laten of nieuwe zwerfzones te maken in de ruimtes tussen de kwadranten. De waardestelling van [eiser] vermeldt te dien aanzien:
“(…)
Constructie
(…)
De drie tentoonstelling- en laboratoriumkwadranten zijn voorzien van grote, in een strikt maatsysteem aangebrachte, openingen in de betonwanden. Hier zijn alle toegangen, brandkleppen, ramen, akoestische voorzieningen enz. aangebracht. Het geheel is als
maatpak voor het huidige tentoonstellingsconcept opgezet. Dit zal ongetwijfeld later veranderen. De grote openingenstructuur biedt de mogelijkheid andere verbindingen en combinaties van ruimten te maken, zonder de draagstructuur aan [rest zin is in de productie niet zichtbaar, althans de zin wordt in de waardestelling niet afgemaakt– rb]
De tentoonstellingsruimten zijn versprongen gestapeld, hierdoor kan naast de ontsluitingsroute van de zwerfzone, door het aanbrengen van entresols een andere route gecomponeerd worden.
(…)”
2.15.
In 2000 heeft [eiser] van een andere projectontwikkelaar de opdracht gekregen tot het ontwerpen van een kantoorpand op het naast het Naturalisgebouw gelegen terrein. Het pand moest zodanig worden ontworpen dat het op termijn zou kunnen dienen als uitbreiding van het Naturalisgebouw. Ter voldoening aan die opdracht heeft [eiser] het zogenoemde ‘Darwin House’ ontworpen (hierna: het Darwin House), dat qua stijl aansluit bij het Naturalisgebouw, zoals op onderstaande foto (waarop links het Naturalisgebouw met de loopbrug en rechts daarvan het Darwin House staat) is te zien. Het Darwin House is jarenlang gebruikt voor de huisvesting van meerdere commerciële bedrijven. Naturalis heeft het Darwin House begin 2013 verworven om de hierna nader te omschrijven plannen te kunnen realiseren.
2.16.
Het aantal bezoekers van het museum is groter dan vooraf werd verwacht. Daarnaast zijn in 2010 het Zoölogisch Museum Amsterdam en het Nationaal Herbarium Nederland met het oorspronkelijke Naturalis gefuseerd tot Naturalis Biodiversity Center, wat gepaard is gegaan met een uitbreiding van de collectie en een groei van het medewerkersbestand. Onder meer deze ontwikkelingen hebben geleid tot het besluit tot uitbreiding en herinrichting van het Naturalisgebouw.
2.17.
De opdracht tot uitbreiding en herinrichting heeft plaatsgevonden middels een Europese aanbestedingsprocedure. [eiser] heeft met VVKH aan die procedure deelgenomen. In een later stadium van de procedure heeft een andere, in de procedure nog overgebleven, ontwerpcombinatie, genaamd [X] , [eiser] ingeschakeld om als projectarchitect de uitbreiding te gaan ontwerpen. De opdracht is echter bij beslissing van 24 april 2013 gegund aan [NRA] B.V. (hierna: NRA).
2.18.
[eiser] heeft, na kennis te hebben genomen van het plan van NRA, zich op het standpunt gesteld dat het ontwerp van NRA inbreuk maakt op zijn auteursrechtelijk persoonlijkheidsrecht. Dit heeft in de periode tot en met september 2013 geleid tot diverse contacten tussen [eiser] , Naturalis en NRA over mogelijke aanpassingen van het plan. Uiteindelijk is NRA gekomen tot het volgende definitieve ontwerp:
2.19.
In de opzet die NRA en Naturalis voor ogen staat, wordt het Pesthuis afgestoten en is de loopbrug daarmee overbodig. Deze zal daarom worden verwijderd. Ook wordt het Darwin House afgebroken. Op die plaats wordt een geheel nieuw gebouw gerealiseerd, met daarin tentoonstellingsruimtes geschikt voor het nieuwe concept dat Naturalis wil gaan uitvoeren. Het bestaande Naturalisgebouw blijft behouden maar verliest zijn tentoonstellingsfunctie. De thans daarvoor in gebruik zijnde ruimtes gaan gebruikt worden als depot- en werkruimtes.
2.21.
Indien conform deze tekeningen wordt verbouwd, zal het Naturalisgebouw worden voorzien van meerdere verdiepingsvloeren, die per kwadrant worden ondersteund door pilaren, waardoor meerdere gelijkvloerse verdiepingen ontstaan. Naturalis is voornemens deze tekeningen in de definitieve uitvoering in elk geval voor wat betreft de tentoonstellings- en laboratoriumkwadranten, de tussenruimtes en de schegvormige ruimte te volgen. Op de te creëren verdiepingen zullen de tussenruimtes tussen de kwadranten functioneren als gangen die geen ramen zullen bevatten.
2.22.
Tijdens de comparitie van partijen heeft Naturalis als aanvangsmoment voor de sloop van het Darwin House de datum 1 mei 2016 genoemd en kenbaar gemaakt dat het plan is om op 1 september 2016 te beginnen met de wijzigingen aan het Naturalisgebouw (zoals het afbreken van de loopbrug) en het bouwen van het nieuwe deel van het museum.
4 De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1.
[eiser] heeft de stelling van Naturalis dat VVKH, als opdrachtnemer en werkgever van [eiser] , is aan te merken als de maker van het Naturalisgebouw en de loopbrug, alsook van het Darwin House, gemotiveerd betwist. In de conclusie van antwoord in het incident heeft [eiser] immers aangevoerd dat hij de ontwerpwerkzaamheden als mede-eigenaar en niet als werknemer van VVKH volledig zelfstandig en op eigen verantwoordelijkheid heeft verricht en dat VVKH (net als Naturalis zelf) het Naturalisgebouw (met de loopbrug) altijd als door [eiser] ontworpen openbaar heeft gemaakt. Naturalis heeft daar gedurende het verdere verloop van de procedure niets meer tegenin gebracht, zodat de rechtbank dit als een gegeven beschouwt. Er bestaat dan ook geen reden om VVKH als fictieve maker van het Naturalisgebouw en de loopbrug of van het Darwin House aan te merken. [eiser] komt als ontwerper van die werken de auteursrechtelijke persoonlijkheidsrechten toe, hetgeen hem ontvankelijk maakt in zijn vorderingen.
4.2.
Op meerdere momenten in de procedure is van de zijde van [eiser] benadrukt dat het plan van Naturalis tot uitbreiding en herinrichting in zijn geheel moet worden beschouwd en dat [eiser] niet opkomt tegen alle voorgestelde wijzigingen op zich maar tegen dat gehele plan. In dat plan zijn echter verschillende auteursrechtelijk beschermde werken van [eiser] betrokken die elk op een andere wijze door de door Naturalis voorgenomen verbouwing zullen worden geraakt. Om te kunnen beoordelen of [eiser] zich daar op grond van artikel 25 Aw tegen kan verzetten, dient onderscheid te worden gemaakt tussen de verschillende werken, in elk geval tussen het Darwin House en het Naturalisgebouw. Waar in het vervolg wordt gesproken over het Naturalisgebouw wordt gedoeld op het Naturalisgebouw met inbegrip van de loopbrug (ongeacht of die loopbrug als zelfstandig werk heeft te gelden).
4.3.
Voor zover de vorderingen van [eiser] zich richten tegen de sloop van het Darwin House zullen de vorderingen worden afgewezen.
4.4.
Zoals [eiser] onderkent, kan de sloop van een gebouw door de architect niet worden belet met een beroep op artikel 25 Aw. [eiser] heeft in het licht van de door Naturalis opgegeven redenen voor de sloop evenwel onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat Naturalis misbruik maakt van haar bevoegdheid door het Darwin House af te breken. De rechtbank licht dit hierna toe.
4.5.
Dat een beroep op artikel 25 Aw geen doel kan treffen, volgt uit Jelles/Zwolle (zie voor de vindplaats 3.3.8). In dat arrest heeft de Hoge Raad, gebaseerd op onder meer de parlementaire geschiedenis van die bepaling in relatie tot de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 6bis Berner Conventie, geoordeeld dat de totale vernietiging van een voorwerp waarin een auteursrechtelijk beschermd werk is belichaamd, niet kan worden aangemerkt als een aantasting van het werk in de zin van sub d van lid 1 van artikel 25 Aw. Hij heeft verder gewezen op de heersende opvatting in de ons omringende landen, die ook in ons land in de literatuur werd verdedigd, dat de sloop van een gebouw in het algemeen niet als een door de maker op grond van zijn persoonlijkheidsrecht te verhinderen beschikkingshandeling van de eigenaar kan worden aangemerkt. Aan die opvatting ligt volgens het arrest met name ten grondslag dat een andere opvatting ten gevolge zou hebben dat een architect met een beroep op zijn persoonlijkheidsrecht de afbraak van het door hem ontworpen gebouw in beginsel steeds zou kunnen blokkeren indien hij door die afbraak reputatieschade lijdt, ook al zou het voornemen tot afbraak zijn ingegeven door een wijziging van bestemming, inzichten of opvattingen waarmee het voortbestaan van dat gebouw niet te verenigen zou zijn. Een zo vergaande bescherming van de belangen van de architect, ten nadele van de eigenaar van het door hem ontworpen gebouw, zou tot maatschappelijk moeilijk te aanvaarden gevolgen leiden.
4.6.
Dat betekent echter niet, zo gaat de Hoge Raad in hetzelfde arrest verder, dat het de eigenaar van een voorwerp (een onroerende zaak daaronder begrepen) waarin een auteursrechtelijk beschermd werk is belichaamd - een exemplaar van het werk - steeds vrijstaat dat voorwerp aan vernietiging prijs te geven en dat de belangen van de maker aan de beschikkingsmacht van die eigenaar steeds ondergeschikt zijn. De vernietiging van een exemplaar van het werk kan volgens het arrest misbruik van zijn bevoegdheid door de eigenaar opleveren in gevallen als in art. 3:13 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedoeld, dan wel anderszins onrechtmatig jegens de maker zijn. Gaat het om de sloop van unieke exemplaren, zoals veelal bij gebouwen het geval is, dan kan van de eigenaar onder omstandigheden verlangd worden dat hij slechts dan tot vernietiging overgaat indien daarvoor een gegronde reden bestaat en hij zich de gerechtvaardigde belangen van de maker ten minste in zoverre aantrekt dat hij er desgevraagd voor zorg draagt het bouwwerk behoorlijk te doen documenteren, althans de maker de gelegenheid biedt daartoe zelf het nodige in het werk te stellen.
4.7.
[eiser] heeft niet betwist dat voor Naturalis de noodzaak bestaat tot uitbreiding en dat in de voorgenomen plannen het Darwin House daarvoor moet worden afgebroken om, onder meer, extra tentoonstellingsruimte mogelijk te maken. [eiser] heeft ook niet bestreden dat het Darwin House een geringe architectonische waarde heeft en dat hem de mogelijkheid is geboden om het bouwwerk te doen documenteren. Zijn bezwaren tegen de afbraak komen er in essentie op neer dat hij meent dat de uitbreiding van het museum ook, en zelfs goedkoper, kan plaatsvinden met instandhouding van het Darwin House. Naturalis kan die opvatting echter naast zich neerleggen. Door in de gegeven omstandigheden niet te kiezen voor het door [eiser] aangereikte alternatief (zie productie 18 van [eiser] ) maakt Naturalis geen misbruik van haar recht als eigenaar om tot sloop over te gaan. De verklaring voor recht dat Naturalis zich met de voorgenomen vernietiging van het Darwin House schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid dient te worden afgewezen.
4.8.
Daarmee resteren ter beoordeling de wijzigingen die door de voorgenomen verbouwing aan het Naturalisgebouw zullen worden toegebracht.
Het Naturalisgebouw: uitbreiding
4.9.
In de formulering van de vorderingen en ook door de processtukken heen maakt [eiser] onderscheid tussen de verbouwing van het Naturalisgebouw zelf en de uitbreiding van het Naturalisgebouw met het nieuw te bouwen deel.
4.10.
De aanvankelijke kritiek van [eiser] op het plan van Naturalis om het nieuwe gebouw door middel van een grote glazen dakkap samen te voegen met het Naturalisgebouw, waardoor volgens [eiser] het solitaire karakter van de depottoren geweld werd aangedaan, heeft geleid tot een gewijzigd definitief ontwerp. In dat ontwerp is de nieuwe atriumkap op ruimere afstand van de depottoren geplaatst met het idee dat de depottoren dan het centrale (solitaire) element van het nieuwe museum blijft. Nadat Naturalis bij conclusie van antwoord deze aanpassing had gemeld, heeft [eiser] de atriumkap niet meer uit zichzelf als (ingrijpende) wijziging van het Naturalisgebouw genoemd. In het overzicht van wijzigingen a. tot en met p. in de pleitnota komt dit element niet (meer) voor. De bezwaren van [eiser] tegen de plannen van Naturalis lijken dan ook niet allereerst gericht te zijn tegen de uitbreiding. [eiser] heeft ook verklaard geen bezwaar te hebben tegen uitbreiding van het museum als zodanig en heeft op verschillende momenten aan de aanbestedingsprocedure, waar uitbreiding van het museum onderdeel van uitmaakte, deelgenomen.
4.11.
Ten aanzien van de uitbreiding van het Naturalisgebouw met het nieuw te bouwen deel heeft [eiser] – mogelijk omdat zijn bezwaren niet allereerst op de uitbreiding zijn gericht – onvoldoende gesteld om aan te nemen dat sprake is van een wijziging of aantasting van zijn werk in de zin van artikel 25 sub c of d Aw. [eiser] noemt in dit verband (afgezien van het niet ter zake doende bezwaar dat de aanbouw onnodig is en leidt tot verspilling van gemeenschapsgeld) slechts 1) dat de nieuwbouw door zijn omvang en hoogte het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan doorbreekt 2) dat door de hoogte van de nieuwbouw de depottoren zijn solitaire karakter verliest en 3) dat een wanverhouding bestaat tussen het volume van de ‘kroon’ van de nieuwbouw en de toren.
4.12.
Dat de nieuwbouw zowel naar voren als in hoogte het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan doorbreekt, kan niet gelden als een wijziging van het Naturalisgebouw en is op zichzelf ook niet als een aantasting aan te merken. Ook het gegeven dat het Naturalisgebouw concurrentie krijgt van het nieuw te bouwen deel door de hoogte of de omvang daarvan, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een wijziging of aantasting van het Naturalisgebouw. Een toereikende motivering waarom de nieuwbouw niettemin als een wijziging of aantasting van het Naturalisgebouw zou moeten worden aangemerkt ontbreekt. Voor zover de vorderingen zien op de uitbreiding van het Naturalisgebouw, zullen de vorderingen daarom worden afgewezen.
Het Naturalisgebouw: verbouwing/herinrichting
4.13.
Aldus blijven over de wijzigingen door verbouwing van het Naturalisgebouw zelf. [eiser] noemt als belangrijkste bezwaar van de verbouwing van het Naturalisgebouw (in zijn eerste reactie op het voorliggende plan noemt hij het: “de zwaarste verminking van allemaal”, productie 18 van de zijde van [eiser] ) dat de door hem ontworpen ruimtes volledig worden doorbroken door het plaatsen van vloeren van gevel tot gevel, waardoor het Naturalisgebouw wordt gemaakt tot, zoals [eiser] stelt, een kolossale, met lage verdiepingen gevulde loods. [eiser] stelt dat hij de mogelijkheid heeft zich tegen deze wijziging van het Naturalisgebouw te verzetten op grond van artikel 25 lid 1, aanhef en onder c en d Aw. Naturalis erkent dat het interieur van het Naturalisgebouw, op de bibliotheek na, zal worden gevuld met vloeren, maar stelt zich op het standpunt dat een beroep op artikel 25 lid 1, aanhef en onder sub c en d Aw afstuit op het ontbreken van reputatieschade, dan wel een belangenafweging. De rechtbank oordeelt daarover als volgt.
4.14.
Het ontwerp van het Naturalisgebouw wordt, zo staat vast en wordt geïllustreerd door de foto’s, de waardestelling van [A] en de waardestelling van [eiser] , in elk geval aan de binnenzijde onder meer gekenmerkt door individueel herkenbare en door transparante tussenruimtes aan elkaar gekoppelde afzonderlijke volumes, waardoor doorkijkjes en zwerfzones zijn gecreëerd, waarin het verschil tussen licht en donker een belangrijke rol speelt, met de mogelijkheid om andere combinaties van ruimtes te maken, en met een entree op een rond bordes dat in elk geval fungeert als overzichtspunt op verschillende ruimtes, zoals weergegeven onder 2.5 tot en met 2.14. Het betreft belangrijke auteursrechtelijk beschermde trekken van het ontwerp van [eiser] van de binnenzijde van het Naturalisgebouw.
4.15.
Naturalis heeft weliswaar aangevoerd dat door het programma van eisen, de eisen die voortvloeien uit de gekozen financieringsvorm, en de technische aan het Naturalisgebouw te stellen eisen, randvoorwaarden aan [eiser] zijn opgelegd, waardoor het Naturalisgebouw niet meer zou zijn dan een optelsom van deeloplossingen en het oorspronkelijk karakter beperkt zou zijn, maar zij heeft tegelijkertijd niet betwist dat [eiser] binnen die randvoorwaarden eigen keuzes heeft gemaakt en dat het uiteindelijke ontwerp, met de hiervoor genoemde karakteristieke elementen, het resultaat is van een samenspel van die keuzes van [eiser] .
4.16.
Met de plannen van Naturalis om de drie tentoonstellings- en laboratoriumkwadranten (dus niet de depottoren en ook niet de bibliotheek) door de tussenruimtes heen, van gevel tot gevel, te voorzien van meerdere door pilaren ondersteunde verdiepingsvloeren, verdwijnen voornoemde kenmerken van het ontwerp van [eiser] van het interieur van het Naturalisgebouw. De kwadranten zullen bij gebreke van doorkijkjes en het bestaan van enkel gelijkvloerse verdiepingen van binnen niet meer individueel herkenbaar zijn, zwerfzones verworden tot raamloze gangen, het verschil tussen licht en donker speelt geen essentiële rol meer, de mogelijkheid om andere combinaties van de ruimtes te maken vervalt en er bestaat geen entree met overzicht meer. Het ontwerp met een ruimtelijk karakter maakt zodoende plaats voor een voornamelijk besloten en gevuld geheel.
4.17.
Voor zover Naturalis aanvoert dat het verzet van [eiser] tevergeefs is omdat de persoonlijkheidsrechten niet zo ver strekken dat een architect zich kan verzetten tegen het wijzigen van de bestemming van zijn ontwerp, wordt daar aan voorbij gegaan. De voorgenomen veranderingen vinden weliswaar plaats tegen de achtergrond van een door Naturalis gewenste wijziging van bestemming - van een gebouw met een museale functie met expositieruimtes naar een gebouw dat enkel fungeert als depot en kantoor - maar dat neemt niet weg dat die bestemmingswijziging (anders dan bij het Darwin House) vorm krijgt door wijziging van het werk in de zin van artikel 25 Aw.
4.18.
Nu de voorgenomen verbouwing van het interieur van het Naturalisgebouw met zich brengt dat het ontwerp daarvan in de kern wordt geraakt, omdat een belangrijke auteursrechtelijke trek van het ontwerp van [eiser] komt te vervallen, vormt deze verandering naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke aantasting van het werk. De wijziging moet daarom als een aantasting in de zin van artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw worden gekwalificeerd. Of ook andere wijzigingen aan het Naturalisgebouw op zich beschouwd dan wel gezamenlijk als een wijziging of aantasting sub c of d moeten worden beschouwd, kan de rechtbank dientengevolge in het midden laten.
4.19.
De rechtbank passeert het verweer van Naturalis dat gesteld noch gebleken is dat door die aantasting nadeel zou kunnen worden toegebracht aan de eer of de naam van [eiser] als maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid. [eiser] heeft immers gesteld dat de veranderingen aan het Naturalisgebouw, waarvan hij voornoemde wijziging het ergste vindt, moeten worden beschouwd als een diskwalificatie van zijn ontwerp die derhalve nadeel toebrengt aan zijn eer en naam en zijn reputatie aantast. Ter onderbouwing daarvan heeft [eiser] erop gewezen dat het Naturalisgebouw het belangrijkste en meest bekende werk is in zijn oeuvre, dat het gebouw in zijn korte levensduur al meer dan drie miljoen bezoekers heeft getrokken en dat het Naturalisgebouw het enige gebouw is waar Naturalis ooit publiek heeft ontvangen, zodat het de belichaming is van het inmiddels beroemde museum. Naturalis heeft deze omstandigheden niet weersproken. Daarmee, in combinatie met de aard van de aantasting, is ook aan het vereiste van artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw voldaan dat door de aantasting van het Naturalisgebouw nadeel zou kunnen worden toegebracht aan de eer of de naam van [eiser] als maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid.
4.20.
Dat brengt de rechtbank op de vraag of deze bepaling nog ruimte biedt voor een belangenafweging. [eiser] stelt immers dat na de vaststelling dat voldaan is aan de vereisten van artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw, geen plaats meer is voor een afweging van belangen en dat het verzet enkel nog kan afstuiten op een noodzaak tot het doen van aanpassingen die tot de aantasting leiden, terwijl Naturalis zich op het standpunt stelt dat zowel in het geval van sub c als in het geval van sub d, langs de lijn van reputatieschade, althans op grond van het Handvest, een belangenafweging dient plaats te vinden.
4.21.
De rechtbank stelt bij de beantwoording van voornoemde vraag voorop dat de tekst van artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw niet voorziet in een belangenafweging naast de eis aan de aard van de wijziging en de nadere voorwaarde van aantasting van de eer of de naam.
4.22.
Zoals overwogen in het eerder genoemde arrest Jelles/Zwolle is het in artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw neergelegde onvervreemdbare en niet voor afstand vatbare persoonlijkheidsrecht van de maker van een werk in auteursrechtelijke zin om zich te verzetten tegen – onder meer – een aantasting van zijn werk, welke nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid, ontleend aan artikel 6bis Berner Conventie, zoals dat sinds de herziening van dat verdrag in 1948 luidt. De bepaling werd, als artikel 25 lid 1, aanhef en onder c Aw ingevoerd bij wet van 27 oktober 1972, Stb. 579. Uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel blijkt dat de Nederlandse wetgever bij de aanpassing van artikel 25 Aw in 1972 niet meer of anders voor ogen heeft gestaan dan artikel 6bis Berner Conventie te implementeren. In de Memorie van Toelichting (kamerstukken II 7877 nr. 3, pagina 9 – 10) is te lezen:
‘De bepalingen over het „droit moral", die bij de herziening van Rome in de Berner Conventie werden opgenomen (artikel 6bis), hebben in Brussel enige wijzigingen ondergaan, waarvan de belangrijkste is, dat dit recht gedurende het leven van de auteur niet meer blootgesteld is aan beperkende bepalingen, die het nationale recht daaromtrent mocht bevatten. Ook werd de omvang van het recht volgens de Conventie - zij het in geringe mate- uitgebreid.
Een en ander heeft tot gevolg, dat de corresponderende bepalingen der Auteurswet (in het bijzonder artikel 25), die met die van artikel 6bis der Conventie, zoals dit te Rome werd vastgesteld, voldoende in overeenstemming waren, thans wijziging en aanvulling behoeven.
De ondergetekenden hebben gemeend, dat dit het beste kan geschieden door het huidige artikel 25 te vervangen door een nieuw artikel, waarin nauwere aansluiting wordt gezocht bij de regeling van het „droit moral", zoals dit is geregeld in artikel 6bis der Berner Conventie.
(…)
Deze bepaling [het huidige artikel 25 lid 1 sub d – rechtbank] vloeit voort uit de invoeging te Brussel in artikel 6bis der Conventie van de woorden 'ou à tout autre atteinte à la même oeuvre'. (…) Ten einde beter aan te sluiten bij artikel 6bis der Berner Conventie worden misvorming en verminking van een werk in het ontwerp uitdrukkelijk genoemd. Ondergetekenden menen dat niet moet worden volstaan met 'de eer of de naam' van de maker, welke woorden een letterlijke vertaling van in het eerste lid van artikel 6bis voorkomende termen vormen. De toevoeging van de woorden 'of aan zijn waarde in deze hoedanigheid' past volkomen bij de strekking der bepaling.
(…)'
4.23.
Nu artikel 6bis lid 1 Berner Conventie een belangenafweging niet noemt en de wetgever, in aansluiting bij dit artikel en anders dan in artikel 25 lid 1, aanhef en onder c Aw, in sub d evenmin een verdere toets aan de belangen van partijen heeft vermeld, moet een belangenafweging als door Naturalis bepleit worden verworpen.
4.24.
In de literatuur kan niet alleen voor de met het voorgaande strokende opvatting steun worden gevonden, maar ook voor de opvatting van Naturalis dat binnen artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw wel een belangenafweging mogelijk is, ook buiten het onderzoek of de aantasting nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of goede naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid. Naturalis wijst onder meer op een oratie van A.A. Quaedvlieg (Auteur en aantasting, werk en waardigheid, rede KUN 1992, Zwolle 1992), waarin Quaedvlieg zou stellen dat de mogelijkheid van een belangenafweging bij een misvorming, verminking of andere aantasting, rechtstreeks voortvloeit uit de aard van het droit au respect zelf, dat geen absoluut recht zou zijn maar een zorgvuldigheidsnorm van de eigenaar jegens de maker.
4.25.
Naast de eerdere overwegingen over de tekst van artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw, de implementatie van artikel 6bis Berner Conventie en de bedoelingen van de wetgever, pleit tegen die wel in de literatuur gehuldigde en door Naturalis overgenomen opvatting dat met het criterium dat een aantasting nadeel zou kunnen toebrengen aan de eer of de naam van de maker of aan zijn waarde in deze hoedanigheid, deze belangenafweging in geval van misvorming, verminking of andere aantasting al door de wetgever, althans door de deelnemers aan de Diplomatieke Conferentie van Brussel in 1948, die verantwoordelijk zijn voor de totstandkoming van artikel 6bis Berner Conventie, is gemaakt.
4.26.
Het oordeel van de Hoge Raad in Jelles/Zwolle is daarmee in overeenstemming en strookt juist niet met het betoog van Naturalis dat in het geval van bouwwerken, met een aan de gebruiksfunctie daarvan inherent spanningsveld tussen het belang van de eigenaar bij sloop of aantasting van het werk en het belang van de architect bij behoud van zijn werk, altijd – ook bij toetsing aan sub d van lid 1 van artikel 25 Aw – een afweging van belangen dient plaats te vinden, waarbij het belang van de eigenaar in beginsel dient te prevaleren boven het belang van de maker. Uit het arrest volgt immers dat sloop van een gebouw, niet thuishoort in artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw, en wel omdat (zoals al geparafraseerd in 4.5) ‘een andere opvatting ten gevolge zou hebben dat een architect met een beroep op zijn persoonlijkheidsrecht de afbraak van het door hem ontworpen gebouw in beginsel steeds zou kunnen blokkeren indien hij door die afbraak reputatieschade lijdt, ook al zou het voornemen tot afbraak zijn ingegeven door een wijziging van bestemming, inzichten of opvattingen waarmee het voortbestaan van dat gebouw niet te verenigen zou zijn. Een zo vergaande bescherming van de belangen van de architect, ten nadele van de eigenaar van het door hem ontworpen gebouw, zou tot maatschappelijk moeilijk te aanvaarden gevolgen leiden.’
4.27.
Indien daarentegen een geval onmiskenbaar wel thuishoort in de toets van artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw, omdat sprake is van een misvorming, verminking of andere aantasting van het werk, zoals in het onderhavige geval, is de afweging van belangen al gemaakt en wint het belang van de architect het in beginsel van het belang van de maker indien aan de nadere voorwaarde van aantasting van de eer of de naam is voldaan.
4.28.
Dat betekent echter niet dat het de architect in alle gevallen vrijstaat de eigenaar te beletten het werk aan te tasten als dat zijn eer of naam of zijn waarde in de hoedanigheid van architect nadeel kan toebrengen. Niet ondenkbaar is dat verzet, ook tegen wijzigingen van het werk die voldoen aan de criteria van artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw, misbruik van bevoegdheid door de architect oplevert in gevallen als in artikel 3:13 lid 2 BW bedoeld. Binnen dat artikel is wel ruimte voor een zekere afweging van de belangen van de eigenaar en van de architect. Nu door Naturalis echter geen beroep is gedaan op misbruik van bevoegdheid door [eiser] , komt de rechtbank aan die beoordeling niet toe.
4.29.
Ook het beroep op het Handvest kan Naturalis niet baten. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de in het Handvest vervatte grondrechten, zoals het recht van eigendom en de vrijheid van ondernemerschap, geen absolute gelding hebben maar in het licht van hun functie in de maatschappij moeten worden beschouwd. De uitoefening van die rechten kan volgens artikel 52 van het Handvest aan beperkingen worden onderworpen, mits die beperkingen bij wet zijn gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Beperkingen kunnen alleen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.
4.30.
Naturalis heeft niet gesteld dat de met artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw bij voorbaat door de wetgever gemaakte afweging tussen het eigendomsrecht en het persoonlijkheidsrecht in het voordeel van het laatste recht in het algemeen in strijd moet worden geacht met het Handvest. Dat brengt mee dat kennelijk niet in geschil is dat artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw op zich noodzakelijk is en een legitiem doel van algemeen belang nastreeft, te weten de bescherming van de persoonlijkheidsrechten van de maker van een werk tegen ingrijpende wijzigingen van zijn werk met mogelijk reputatieschade tot gevolg, ook indien die wijzigingen door de eigenaar van het werk worden aangebracht.
4.31.
Volgens Naturalis geven de concrete omstandigheden van dit geval toch aanleiding voor de conclusie dat ongeoorloofd inbreuk wordt gemaakt op de in het Handvest vervatte rechten van Naturalis ingeval [eiser] zich met een beroep op zijn persoonlijkheidsrechten tegen de voorgenomen verbouwing van het Naturalisgebouw zou kunnen verzetten. De bijzondere omstandigheden die daartoe redengevend zouden moeten zijn, somt Naturalis op in haar conclusie van antwoord en in haar pleitnota onder randnummer 61, genummerd i. tot en met xii (zie 3.3.10). Van geen van die omstandigheden valt in te zien waarom die de al in artikel 25 lid 1, aanhef en onder d Aw gemaakte afweging anders zou moeten maken of het eigendomsrecht of de vrijheid van ondernemerschap alsnog in de kern zou aantasten. Gesteld noch gebleken is immers dat Naturalis bij het uitoefenen van haar eigendomsrechten met betrekking tot het Naturalisgebouw – ook indien de gebruiksfunctie en de beperkte houdbaarheid van het als museum ontworpen Naturalisgebouw en de noodzaak tot herinrichting van het Naturalisgebouw in aanmerking worden genomen – geen alternatieven voorhanden heeft gehad die te verenigen zouden zijn (geweest) met het persoonlijkheidsrecht van [eiser] .
De vorderingen en de stand van zaken
4.32.
Uit het voorgaande volgt dat in beginsel basis bestaat voor toewijzing van de vorderingen van [eiser] voor zover die zien op de verbouwing van het Naturalisgebouw, en dat de vorderingen, voor zover die zien op de sloop van het Darwin House en de voorgenomen uitbreiding van het museum, dienen te worden afgewezen.
4.33.
Voor wat betreft het onder C door [eiser] gevorderde verbod, heeft Naturalis aangevoerd dat [eiser] het recht heeft verwerkt om een bouwstop te vorderen omdat hij – kort gezegd – te lang heeft stilgezeten alvorens Naturalis te dagvaarden, terwijl de plannen van Naturalis toen al in een vergevorderd stadium waren beland. Van rechtsverwerking is volgens vaste jurisprudentie echter slechts dan sprake indien een schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht (HR 7 juni 1991, NJ 1991, 708). Enkel tijdsverloop levert geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking; daartoe is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (HR 29 september 1995, NJ 1996, 89).
4.34.
Gesteld noch gebleken is dat bij Naturalis het gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat [eiser] zijn aanspraak niet (meer) geldend zou maken. Sterker nog, in juni 2014 (productie 22 van de zijde van [eiser] ) vraagt [eiser] nog aan Naturalis om inzage in het voorlopig ontwerp, waarvan hij gehoord heeft dat dat is afgerond. Hij schrijft daarbij aan Naturalis:
“(…)
U en uw architect gaven in correspondentie aan dat de architect mij op de hoogte zou houden. Kennelijk heeft u uw beleid veranderd (…).
Daarom vraag ik nu u rechtstreeks volledige inzage in alle onderdelen van het VO, met name ook de plannen voor de bestaande bouw en vooral daarbij het interieur, de huidige tentoonstellingsruimte.
Het is vanzelfsprekend zowel voor Naturalis als voor mij als architect van het huidige gebouw waarin Naturalis is gehuisvest van het grootste belang dat in een zo vroeg mogelijk stadium volledige openheid van zaken wordt gegeven en de impact op het gebouw van mijn hand zo volledig mogelijk kan worden beoordeeld. Ik verzoek u daarom mij uiterlijk op 30 juni a.s. van alle gevraagde gegevens te voorzien.
(…)”
De reactie van Naturalis daarop bij e-mail van 25 juni 2014 is:
“(…)
Het spijt mij niet op uw verzoek in te kunnen gaan, maar wij zijn van mening dat het prematuur zou zijn om het VO ter beschikking te stellen aan derden buiten dit instituut. Het voorlopige karakter ervan betekent immers dat er nog veel zal worden gewijzigd. Daardoor is het niet voor publicatie geschikt.
(…)”
4.35.
Gelet op deze reactie van Naturalis heeft [eiser] kennelijk pas met het definitieve ontwerp kennis kunnen nemen van de concrete plannen van Naturalis met betrekking tot het Naturalisgebouw. De tekeningen van dat definitieve ontwerp dateren van 31 oktober 2014, zodat niet twee jaar maar drie maanden waren verstreken vanaf het moment dat [eiser] van die specifieke plannen op de hoogte kon zijn tot het moment van dagvaarden. Die omstandigheid, waarbij ook van belang is dat Naturalis op de datum van dagvaarden nog niet begonnen was met de verbouwing, brengt mee dat niet kan worden gezegd dat de positie van Naturalis onredelijk is benadeeld of verzwaard met het dagvaarden door [eiser] . Van rechtsverwerking is dan ook geen sprake.
4.36.
Dat neemt niet weg dat een thans op te leggen verbod mogelijk door Naturalis niet (geheel) meer kan worden nagekomen omdat verbouwingswerkzaamheden reeds zijn uitgevoerd. Voorts is nog te onderzoeken het beroep van Naturalis op artikel 6:168 BW. Om daarover te kunnen oordelen, is nodig dat de rechtbank door Naturalis nader ingelicht wordt over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de voorgenomen plannen en dat partijen zich nader uitlaten over de (on)wenselijkheid van een eventueel op te leggen verbod (naast toewijzing van de vordering tot het vergoeden van schade) en de omstandigheden die daarbij in aanmerking zouden moeten worden genomen. Het tijdens de comparitie van partijen genoemde eerste aanvangsmoment van uitvoering van de plannen is immers kort na de zitting verstreken en de datum van 1 september 2016 is inmiddels ook geweest, terwijl Naturalis al op de zitting heeft aangegeven dat bij toewijzing van de vorderingen van [eiser] voor haar grote problemen zouden ontstaan. [eiser] lijkt daar ook op te hebben geanticipeerd door (de formulering van) zijn vordering onder D.
4.37.
De zaak zal dan ook worden verwezen naar de rol om allereerst Naturalis gelegenheid te geven de rechtbank en [eiser] te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de plannen en de (on)wenselijkheid van het opleggen van een verbod tot (verdere) verbouwing van het Naturalisgebouw, waarna [eiser] daarop bij akte zal kunnen reageren.