Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:1415

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
C/09/498530 / KG ZA 15-1621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, auteursrecht, auteursrechtenorganisatie Pictoright niet ontvankelijk verklaard in haar verbodsvordering tegen Blendle bij gebreke van spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onder redactie van Tina van der Linden – Smit en Kea Kroeks – de Raaij annotatie in UDH:IR/13079

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel - voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: C/09/498530 / KG ZA 15-1621

Vonnis in kort geding van 10 februari 2016

in de zaak van

de stichting

STICHTING PICTORIGHT,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. J. Bouter te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLENDLE B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat: mr. D.M. Linders te Amsterdam,

waarin zich hebben gevoegd

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE PERSGROEP NEDERLAND B.V.,

2. de naamloze vennootschap

TELEGRAAF MEDIA GROEP N.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. D.J.G. Visser.

Partijen zullen hierna Pictoright, Blendle, De Persgroep en TMG worden genoemd.

Namens Pictoright wordt de zaak inhoudelijk behandeld door mr. D. Griffiths en mr. M. van de Hel, advocaten te Amsterdam. Namens Blendle door haar (proces)advocaat en mr. Chr. A. Alberdingk Thijm, eveneens advocaat te Amsterdam. Voor De Persgroep en TMG wordt de zaak inhoudelijk behandeld door hun (proces)advocaat en mr. P.J. Kreijger en mr. P. de Leeuwe, eveneens advocaten te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 11 november 2015, met producties 1 tot en met 8;

  • -

    de op 2 december 2015 ingekomen akte overlegging producties van Blendle, met producties 1 tot en met 12;

  • -

    het op 4 december 2015 ingekomen verzoek tot voeging van De Persgroep en TMG, met daarbij: (i) de conclusie van antwoord van De Persgroep, met producties 1 tot en met 11;

(ii) de conclusie van antwoord van TMG, met producties 1 tot en met 9;

  • -

    de op 17 december 2015 ingekomen akte overlegging producties van Pictoright, met producties 9 tot en met 15;

  • -

    de op 7 januari 2016 ingekomen aankondiging van de voorwaardelijke eis in reconventie van Blendle, met producties 13 tot en met 28;

  • -

    de op 7 januari 2016 ingekomen brief van De Persgroep en TMG, met productie 10 van TMG en de producties 12 tot en met 16 van De Persgroep;

  • -

    de op 11 januari 2016 ingekomen brief van Pictoright waarin de tussen partijen gemaakte proceskostenafspraak is weergegeven;

  • -

    de mondelinge behandeling van 13 januari 2016;

  • -

    de pleitnota’s van Pictoright, Blendle (waarin zijn doorgehaald de paragrafen 62 tot en met 83 en paragrafen 86 t/m 89, welke niet zijn gepleit) en die van de De Persgroep en TMG.

1.2.

De Persgroep en TMG hebben gevorderd zich in het kort geding tussen Pictoright en Blendle te mogen voegen aan de zijde van Blendle. Ter zitting van 13 januari 2016 heeft Blendle verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voeging. Nadat Pictoright aanvankelijk wel bezwaren naar voren had gebracht, heeft zij zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Vervolgens zijn De Persgroep en TMG toegelaten als voegende partij(en), aangezien zij aannemelijk hebben gemaakt dat zij, mede gelet op de tussen hen en Blendle gesloten overeenkomsten, daarbij voldoende belang hebben. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde voeging in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Pictoright is een collectieve beheersorganisatie van auteursrechten. Zij heeft als statutair doel de behartiging van de gemeenschappelijke en individuele juridische belangen van auteurs van visuele werken, onder wie illustratoren, beeldend kunstenaars, grafisch vormgevers en fotografen en hun erfgenamen. Pictoright heeft door middel van aansluitcontracten van de bij haar aangeslotenen (hierna: de direct aangeslotenen) een last en een volmacht gekregen om hun collectieve rechten (i.e. de bekende wettelijke heffingen) en in een aantal gevallen ook hun individuele auteursrechten (primaire exploitatierechten) in eigen naam uit te oefenen. Daarnaast handhaaft Pictoright in Nederland de auteursrechten van aangeslotenen bij haar buitenlandse zusterorganisaties (hierna: de indirect aangeslotenen).

2.2.

Tussen (de rechtsvoorgangster van) Pictoright en de Vereniging van de Nederlandse Dagblad Pers (NDP) is op 26 juni 1997 een overeenkomst gesloten waarin partijen afspraken hebben gemaakt over de (toestemming en vergoedingen voor) de reproductie/afbeeldingen van werken van de bij haar of haar zusterorganisaties aangesloten leden (kunstenaars) in de door de NDP-leden uit te geven dagbladen en op de eigen internetsites van de NDP-leden (hierna: de NDP-overeenkomst).

2.3.

Blendle is een onderneming die zich bezighoudt met de ontwikkeling en exploitatie van een digitale dienst waarmee abonnees digitale reproducties van losse artikelen en nieuwsberichten uit kranten en tijdschriften van verschillende uitgevers kunnen kopen. Blendle ontvangt per verkocht artikel een commissie op de door de betreffende uitgever bepaalde prijs. De digitale dienst van Blendle is in april 2014 gelanceerd. Zij is onder meer actief in Nederland en Duitsland.

2.4.

Blendle maakt de aan haar aangeleverde artikelen – met inbegrip van beeldwerken – door middel van technische omzettingen geschikt voor publicatie. Bij het aanbieden van haar diensten maakt Blendle gebruik van een zogenoemde overzichtspagina, waarbij per aangeboden artikel onder meer de titel, de naam van de uitgever en een afbeelding staan weergeven.

2.5.

Ten behoeve van haar dienstverlening heeft Blendle overeenkomsten gesloten met meerdere uitgevers, onder wie De Persgroep en TMG. In de tussen Blendle en De Persgroep en TMG gesloten overeenkomsten is een garantie en een vrijwaring opgenomen op grond waarvan de uitgevers Blendle onder meer garanderen dat de aangeleverde artikelen geen inbreuk maken op auteursrechten van derden en dat de uitgever Blendle ter zake vrijwaart van alle schade en kosten.

2.6.

Bij (niet in het geding gebrachte) brief van 8 mei 2014 heeft Pictoright tezamen met de stichting Lira (de Stichting Literaire Rechten Auteurs) Blendle gewezen op de onrechtmatigheid van het zelfstandig en commercieel gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken.

2.7.

Bij e-mail van 4 maart 2015 heeft Pictoright – voor zover hier van belang – het volgende meegedeeld aan Blendle:

Bedankt voor je bericht en goed dat je ook een gesprek wilt.

Verder prima dat je nog een vraag hebt, maar we willen nu echt verder en niet weer verzanden in gesteggel met betrekking tot het feit dat uitgevers telkens zeggen dat ze het goed geregeld hebben. Ons is volkomen duidelijk dat dit niet het geval is.

Doordat je de vraag stelt welke beeldmakers geklaagd hebben, lijk je aan te willen sturen op een soort notice‐and‐take‐down procedure. Mocht dit inderdaad jouw bedoeling zijn, dan kunnen we je nu alvast laten weten dat wij geen medewerking zullen verlenen aan een dergelijke procedure. Het kan dan echt vervelend worden, wij kunnen ons dan bijvoorbeeld genoodzaakt zien een verbodsactie te starten.

Maar verder wil ik nu best enkele voorbeelden geven. Bijvoorbeeld bijgaand gebruik van het werk van Marc Chagall en Joan Miro. Hier is zeker geen toestemming voor gegeven. Als we dit als een inbreuk zouden behandelen zouden we alleen al voor deze twee gevallen minimaal op een bedrag van duizenden euro’s uit kunnen komen. Wij willen graag een oplossing, maar als jullie dit per afbeelding willen gaan behandelen, dan kunnen we niet anders dan individueel inbreukacties te starten. Ondertussen begint de tijd wel echt te dringen.

Omdat we nu heel snel een oplossing willen voor het inbreukmakend handelen van Blendle op het auteursrecht van beeldmakers, wil ik nu nogmaals aandringen om op korte termijn met ons in gesprek te gaan.

Wij kunnen bijvoorbeeld op:

(…)

Graag hoor ik van je.

Ondertussen hoop ik dat je er begrip voor hebt dat ik me alle rechten voorbehoud. Ik wil je daarbij nu alvast meedelen dat als we niet op korte termijn tot een oplossing komen, ik deze kwestie zal overdragen aan onze advocaat.

2.8.

In april 2015 heeft Pictoright haar (standaard)aansluitcontract herzien. In dit contract is (onder categorie i) voorzien dat de direct aangeslotenen rechten betrekking hebbend op het aanbieden en leveren van knipsels en/of knipselkranten en/of het aanbieden of leveren van kranten- en/of tijdschriftenartikelen die door/via bedrijven, instellingen en/of platforms tegen betaling kunnen worden afgenomen (waaronder via internet, andere elektronische en/of mobiele netwerken) overdragen aan Pictoright. Dit nieuwe aansluitcontract is sinds april 2015 door een aantal beeldmakers ondertekend.

2.9.

Mede tegen de achtergrond van het op 1 juli 2015 ingevoerde auteurscontractenrecht heeft de Persgroep per 1 juni 2015 haar contracten met freelance fotojournalisten aangepast, in die zin dat daarin een (additionele) vergoeding is opgenomen voor de exploitatie door middel van diensten als die van Blendle.

2.10.

Bij brief van 3 juli 2015 heeft Pictoright Blendle uitgenodigd om een algehele, collectieve regeling te treffen voor het beeldgebruik op Blendle. Aan het einde van de brief wordt Blendle verzocht en voor zover nodig gesommeerd het gebruik van beeldwerken waarvoor zij niet over de benodigde toestemming beschikt, te staken. In deze brief schrijft Pictoright dat Blendle op grote schaal en bij herhaling auteursrechten schendt en dat Pictoright haar al kort na de lancering van de dienst reeds daarop heeft gewezen.

2.11.

Bij brief van 21 september 2015 heeft Pictoright namens alle (al dan niet bij haar aangesloten) beeldmakers Blendle gesommeerd om in algemene zin de inbreuken op de auteursrechten op de beeldwerken van de betrokken beeldmakers te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden.

3 Het geschil in conventie

3.1.

Pictoright vordert – samengevat – Blendle, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden iedere inbreuk op auteursrechten van beeldmakers op beeldwerken, en Blendle in het bijzonder te verbieden beeldwerken, geheel of gedeeltelijk, te (doen) verveelvoudigen, te (doen) openbaarmaken en/of op andere wijze te (doen) exploiteren, waaronder maar niet uitsluitend door deze digitaal te tonen dan wel ter beschikking te stellen, op welke drager of apparaat dan ook, en via welk medium of netwerk dan ook, indien en voor zover Blendle niet over de vereiste toestemming beschikt, zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Blendle in de proceskosten conform artikel 1019h Rv1.

3.2.

Aan haar vordering heeft Pictoright het volgende ten grondslag gelegd.

Blendle maakt met haar digitale dienst inbreuk op de auteursrechten op beeldwerken van beeldmakers. De betrokken uitgevers, waaronder De Persgroep en TMG, stellen aan Blendle – een zelfstandige derde – content ter beschikking, met inbegrip van de daarin opgenomen beeldwerken. Daarnaast toont Blendle beeldwerken in een overzicht ten behoeve van de verkoop. Voor het door en via Blendle gebruiken van beeldwerken ter verkoop van losse artikelen met inbegrip van diezelfde beeldwerken, is de voorafgaande toestemming van de auteursrechthebbenden nodig. Deze exploitatiehandelingen zijn immers exclusief voorbehouden aan de auteursrechthebbenden. De door de uitgevers aan Blendle verleende toestemming is lang niet in alle gevallen toereikend. Dit geldt onder meer voor werken van (freelance) fotografen (al dan niet worden beheerd door derden) waarbij geen toestemming is verleend om de werken te sublicentiëren aan Blendle. Daarnaast maakt Blendle inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van de beeldmakers, aangezien zij beeldwerken zonder toestemming van de beeldmakers (schermgroot) uitvergroot of deze in onvolledige (‘aangesneden’) vorm openbaar maakt. Daarnaast merkt Pictoright op dat Blendle niet in alle gevallen de naam van de beeldmaker vermeldt en dat een groot deel van de door Blendle getoonde beeldwerken door de gebruikers separaat van het bijbehorende artikel kunnen gedownload, opgeslagen en afgedrukt.

3.3.

Blendle, De Persgroep en TMG voeren – verkort weergegeven – de volgende verweren. Blendle is niet meer dan een verkoopkanaal van de uitgevers en zij ontvangt van hen ‘schone producten’: kranten- en tijdschriftartikelen die vrij zijn van auteursrechten en andere rechten. De uitgevers verwerven sinds jaar en dag de rechten van haar werknemers, van fotopersbureaus, van buitenlandse titels of van de freelancers met wie zij samenwerken en het staat hen vervolgens vrij (sub)licenties te verstrekken aan derden, zoals Blendle. Uit niets blijkt dat de door de freelance fotografen aan de uitgevers gegeven toestemming niet mede betrekking heeft op het publiek dat door middel van Blendle wordt bereikt. Waar geen toereikende toestemming is verleend, zijn (in ieder geval) De Persgroep en TMG steeds bereid een regeling te treffen.

Zouden de diensten van Blendle moeten worden aangemerkt als een ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van de auteursrechtrichtlijn door Blendle, dan is dat gebruik door Blendle (voor een overgroot deel van) het beeldmateriaal geoorloofd op grond van wettelijke beperkingen op het auteursrecht, waaronder het citaatrecht, de exceptie voor actuele reportages en de openbaarmaking voor openbare verkoop. De opstelling van Pictoright en haar nieuwe aansluitcontract in het bijzonder, is voorts onredelijk en mededingingsrechtelijk ontoelaatbaar, aangezien zij rechthebbenden feitelijk dwingt meer (individuele) rechten aan haar over te dragen dan voor de uitoefening van haar collectieve beheerstaken noodzakelijk is, zij zich positioneert als centraal verkoopkantoor voor de diensten van zelfstandig ondernemers en omdat zij op oneigenlijke gronden weigert om de uitgevers een licentie te verlenen met betrekking tot die rechthebbenden met wie de uitgevers geen contractuele relatie hebben (zoals de in de NDP-overeenkomst bedoelde kunstenaars).

Het door Pictoright gevorderde verbod is voorts te verstrekkend. Toewijzing van het verbod zal ertoe leiden dat Blendle haar dienstverlening in ieder geval voor wat betreft alle beeldwerken moet staken, aangezien zij voorafgaand aan publicatie geen tijd heeft om van alle beeldwerken de ‘chain of title’ na te gaan. Het verbod zou ook een nadelig effect hebben voor De Persgroep en TMG, aangezien het voor het voortbestaan van dagbladuitgevers (en daarmee het inkomen van freelance fotografen) van groot belang is om door middel van diensten als Blendle de bereidheid van consumenten om te betalen voor nieuwsberichten te herwinnen. Een verbod heeft daarmee ook een chilling effect op uitingsvrijheid en het zou voorts in strijd komen met het (recht op) vrije ondernemerschap.

De door Pictoright geconstateerde gewijzigde weergave van de beeldwerken is te wijten aan de (geautomatiseerde) technische omzettingen die Blendle voorafgaand aan publicatie moet doen. Op dit punt heeft Blendle reeds enige aanpassingen gedaan. Tot slot mist de vordering van Pictoright spoedeisend belang, aangezien de door Pictoright gesignaleerde ‘inbreuken’ (die overigens door Blendle worden betwist) slechts een zeer beperkt deel van de op Blendle verschenen artikelen met afbeeldingen betreffen en omdat alle beeldwerken steeds 30 dagen na publicatie van Blendle worden verwijderd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1.

In voorwaardelijke reconventie vordert Blendle, samengevat:

I. onder de voorwaarde dat het in conventie gevorderde verbod wordt toegewezen op basis van de overdracht van rechten aan Pictoright in de aansluitcontracten die zij sluit met bij haar aangesloten beeldmakers, Pictoright te veroordelen aan Blendle een lijst te verstrekken met daarop de bij Pictoright aangesloten beeldmakers die het in april 2015 herziene aansluitcontract hebben ondertekend;

II. onder de voorwaarde dat in conventie geoordeeld wordt dat de Blendle-rechten (van de kunstenaars) niet zijn inbegrepen in de door Pictoright aan de uitgevers verstrekte licenties:

a) Pictoright te gebieden de werking van de NDP-overeenkomst uit te breiden tot het gebruik via de dienst Blendle;

b) Pictoright te gebieden gedurende vier maanden met Blendle in onderhandeling te treden over de voorwaarden waaronder Pictoright toestemming verleent voor het gebruik van beeldwerken op Blendle;

c) Pictoright te verbieden gedurende de onderhandelingen een verbodsrecht uit te oefenen of daarmee te dreigen;

een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Pictoright in de proceskosten conform artikel 1019h Rv.

4.2.

Blendle heeft aan deze vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. Indien in conventie met betrekking tot de bij Pictoright aangesloten beeldmakers een verbod wordt opgelegd, heeft Blendle belang bij overlegging van een lijst van de bij Pictoright aangesloten beeldmakers, zodat Blendle mogelijke overtredingen en/of executiegeschillen kan voorkomen. Indien in conventie geoordeeld wordt dat de Blendle-rechten van de aangesloten kunstenaars niet zijn inbegrepen in de NDP-overeenkomst, is Pictoright gehouden om de werking van de NDP-overeenkomst op dat punt uit te breiden, dan wel om daarover met Blendle in onderhandeling te treden, waarbij de werking van het verbod gedurende die onderhandelingen dient te worden opgeschort. Desgevraagd heeft Blendle ter zitting aangegeven dat de juridische grondslag van de vorderingen bestaat in het uitlokken van wanprestatie, misbruik van recht en misbruik van machtspositie.

4.3.

Pictoright voert gemotiveerd verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat hij bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige geschil, reeds omdat Blendle, De Persgroep en TMG (hierna ook wel: Blendle c.s., vrouwelijk enkelvoud) die bevoegdheid niet hebben bestreden.

5.2.

Als meest verstrekkend verweer heeft Blendle c.s. aangevoerd dat de vordering van Pictoright spoedeisend belang mist. Zij hebben daartoe gewezen op het tijdsverloop van 1,5 jaar sinds de eerste aanschrijving door Pictoright in mei 2014 en op de omstandigheid dat de door Pictoright gestelde (maar door Blendle betwiste) inbreuken, als die zich al voordoen betrekkelijk gering van aard zijn, terwijl artikelen (en dus ook de beeldwerken bij die artikelen) steeds na 30 dagen van Blendle worden verwijderd. Hiertegenover heeft Pictoright zich op het standpunt gesteld dat zij steeds met Blendle wilde onderhandelen maar dat zij gedurig door Blendle aan het lijntje is gehouden en dat Blendle nog altijd grootschalig en op intensieve wijze inbreuk maakt op de auteursrechten van de bij haar (direct of indirect) aangesloten partijen. Op dit punt wordt als volgt overwogen.

5.3.

Vooropgesteld wordt dat een vordering die beoogt een einde te maken aan een (gestelde) voortdurende inbreuk op IE-rechten in beginsel als spoedeisend kan worden aangemerkt. De omstandigheden van het geval kunnen echter meebrengen dat spoedeisendheid ontbreekt. De vraag of een eisende partij in kort geding een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van alle betrokken belangen, beoordeeld naar het moment van de uitspraak. Volgens rechtspraak van deze rechtbank in kort geding in IE-zaken kan stilzitten van de eisende partij ertoe leiden dat het spoedeisend belang aan haar vordering komt te ontvallen.2 Dit zal het geval zijn indien dit stilzitten langere tijd heeft aangehouden en er geen (nieuwe) feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat na dat tijdsverloop oplegging van de gevraagde voorziening (alsnog) gerechtvaardigd is.

5.4.

Gebleken is dat Pictoright Blendle reeds kort na de lancering van haar dienstverlening in april 2014 heeft gewezen op de onrechtmatigheid van het zelfstandig en commercieel gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken. Vervolgens heeft Pictoright Blendle pas in juli en september 2015 (14 respectievelijk 16 maanden nadien) gesommeerd de gestelde inbreuken te staken, waarna in november 2015 de dagvaarding is uitgebracht. In de tussenliggende periode zijn partijen kennelijk wel met elkaar in gesprek geweest (vgl. 2.7.), maar niet is gesteld of gebleken dat er ooit zicht is geweest op een concreet onderhandelingsresultaat. Dit volgt ook uit de verklaring van Pictoright zelf waar zij stelt dat zij ‘aan het lijntje gehouden’ is en dat ‘de contacten tussen Pictoright en Blendle nooit het stadium van overleg over een regeling hebben bereikt’ – volgens Pictoright heeft Blendle bovendien ‘bij herhaling laten weten dat zij de noodzaak van een oplossing niet inzag’. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Pictoright daarmee onvoldoende voortvarend gehandeld. Van haar had mogen worden verwacht dat zij in een geschil als het onderhavige – dat enerzijds een principieel karakter heeft, maar waarbij alle partijen anderzijds een praktische oplossing wensen – in een eerder stadium tegen de in haar ogen flagrante schending van de rechten van beeldmakers – in kort geding of in een (provisionele voorziening in een) bodemprocedure – in rechte was opgekomen.

5.5.

Hoewel dat wél op haar weg lag, heeft Pictoright geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat van haar niet gevergd kan worden (alsnog) de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Dat de gestelde inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van de bij Pictoright direct of indirect aangeslotenen jegens hen ook nu nog voortduurt, is in een situatie als de onderhavige niet langer voldoende reden om een spoedeisend belang voor ingrijpen in dit kort geding aan te nemen. Dit geldt temeer nu De Persgroep en TMG onweersproken hebben gesteld dat de Blendle-rechten in toenemende mate zijn of worden verdisconteerd in de tussen hen en de beeldmakers/foto(pers)bureaus gesloten overeenkomsten, zodat verwacht mag worden dat het aantal gevallen waarin (expliciete) toestemming van de auteursrechthebbenden ontbreekt alleen maar zal afnemen.

5.6.

Slotsom van het voorgaande is dat Pictoright bij gebreke van een spoedeisend belang niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen.

Slotsom en proceskosten

5.7.

Pictoright zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten zullen op grond van de vooraf in het geding gebrachte tussen partijen gemaakte proceskostenafspraak aan de zijde van Blendle c.s. worden begroot op (voor alle gedaagden in totaal) € 25.000,-.

5.8.

Hoewel Blendle c.s. ten aanzien van de proceskosten niet uitdrukkelijk de

uitvoerbaar bij voorraad verklaring heeft gevorderd, ziet de voorzieningenrechter in dit

geval, gelet op de afspraak over de proceskosten tussen partijen, aanleiding de

proceskostenveroordeling op de voet van artikel 258 Rv ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Aangezien de vorderingen in conventie niet worden toegewezen behoeven de in voorwaardelijke reconventie ingestelde vorderingen geen beoordeling meer.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie:

7.1.

verklaart Pictoright in haar vorderingen niet-ontvankelijk;

7.2.

veroordeelt Pictoright in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Blendle, De Persgroep en TMG gezamenlijk tot dusver begroot op € 25.000,-.

7.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie:

7.4.

verstaat dat aan de beoordeling van de vorderingen in reconventie niet wordt toegekomen, nu aan de voorwaarde waaronder deze vorderingen zijn ingesteld niet is voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.Th. van Walderveen en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 Zie Vzr. Rb. ‘s-Gravenhage 8 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR 2011:BR1058; Vzr. Rb. Den Haag 8 juli 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:8009; Vzr. Rb. Den Haag 9 januari 2014, IEPT20140109; Vzr. Rb. Den Haag 5 februari 2015, IEF 14630; Vzr. Rb. Den Haag 20 augustus 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:9836; Vzr. Rb. Den Haag 2 oktober 2015, IEF 15301; Vzr. Rb. Den Haag 27 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13595; Vzr. Rb. Den Haag 27 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13782. In dezelfde zin: Gerechtshof Den Haag 27 mei 2014, IEPT20140527.