RECHTBANK ASSEN
Sector strafrecht
Parketnummer: 19.830021-10
vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 29 juli 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
wonende [woonadres],
thans gedetineerd in [detentieadres].
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 4 mei 2010 en op 27 juli 2010.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.H.J. Strak, advocaat te Rotterdam.
De tenlastelegging
De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat
hij op of omstreeks 03 februari 2010 te en in [plaats delict] ter uitvoering
van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] (
toezichthouder gemeente) van het leven te beroven, met dat opzet
- als bestuurder van een auto met behoorlijke snelheid (recht) op voornoemde
[slachtoffer 1] is afgereden en/of
- (vervolgens) nogmaals als bestuurder van een auto met aanzienlijke snelheid
achterruit op voornoemde [slachtoffer 1] is afgereden, terwijl de uitvoering van dat
voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 287 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,
terzake dat
hij op of omstreeks 03 februari 2010 te en in [plaats delict] ter uitvoering
van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] (toezichthouder gemeente) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe
te brengen, met dat opzet
- als bestuurder van een auto met behoorlijke snelheid (recht) op voornoemde
[slachtoffer 1] is afgereden en/of
- (vervolgens) nogmaals als bestuurder van een auto met aanzienlijke snelheid
achterruit op voornoemde [slachtoffer 1] is afgereden, terwijl de uitvoering van dat
voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht
volgen, terzake dat
hij op of omstreeks 03 februari 2010 te [plaats delict] [slachtoffer 1] (toezichthouder
gemeente) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend
- als bestuurder van een auto met behoorlijke snelheid (recht) op voornoemde
[slachtoffer 1] is afgereden en/of
- (vervolgens) nogmaals als bestuurder van een auto met aanzienlijke snelheid
achterruit op voornoemde [slachtoffer 1] is afgereden;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie mr. S.M. von Bartheld acht hetgeen primair -ten aanzien van het achteruitrijden- is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in voorarrest is doorgebracht.
De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Partiële vrijspraak
De rechtbank overweegt het volgende.
Met verdachte en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde bestanddeel dat verdachte …“als bestuurder van een auto met behoorlijke snelheid (recht) op [slachtoffer 1] is afgereden” (in alle drie varianten van het tenlastegelegde feit onder het eerste gedachtestreepje) niet bewezen kan worden. In het navolgende zal de rechtbank derhalve alleen nog beoordelen of het onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde bestanddeel (in alle drie varianten van het tenlastegelegde feit), het achteruit op [slachtoffer 1] inrijden door verdachte, bewezen kan worden verklaard.
De rechtbank overweegt dienaangaande dat zij niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Feitelijk laat zich in dit geval op grond van de stukken en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting vaststellen dat verdachte de bedoeling had om terug te rijden om te kijken wat er aan de hand was omdat hij een harde klap tegen de achterkant van zijn auto had gehoord en om eventueel (nogmaals) de confrontatie met [slachtoffer 1] aan te gaan. Hij heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] bij dat achteruitrijden niet heeft geraakt en dat hij ook niet de bedoeling had om [slachtoffer 1] te raken, laat staan om hem te doden of zwaar te verwonden. De vraag blijft dan over of er geen sprake is geweest van voorwaardelijke opzet van verdachte op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1]. Heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans genomen op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] door als bestuurder van een auto met aanzienlijke snelheid achteruit te rijden in de richting van [slachtoffer 1]?
In zijn arrest van 5 december 2006 (nr. 00653/06, NJ 2006, 663, LJN AZ1668) heeft de Hoge Raad als richtsnoer gegeven dat "voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier de dood of zwaar lichamelijk letsel- aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het -behoudens contra-indicaties- niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Ook zeer gevaarlijke gedragingen in het verkeer kunnen onder omstandigheden (poging tot) doodslag opleveren.”
De rechtbank is van oordeel dat dit in casu niet het geval is geweest. Het is aannemelijk dat verdachte de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] niet heeft gewild. Hij heeft dat zelf verklaard en ook uit de verklaring van [slachtoffer 1] valt op te maken dat deze daar geen rekening mee hield. [slachtoffer 1] bleef immers op straat staan toen hij zag dat verdachte achteruit terug kwam rijden omdat hij verwachtte dat verdachte zou stoppen.
Of er objectief een aanmerkelijke kans is geweest dat [slachtoffer 1] door het achteruitrijden van verdachte in zijn richting om het leven zou komen dan wel zwaar gewond zou raken, is moeilijk vast te stellen. De verklaringen omtrent de gebeurtenissen lopen uiteen en er is geen technisch onderzoek ingesteld naar bijvoorbeeld de snelheid van de auto, de afstand die de auto heeft afgelegd, remsporen en de plaats en de wijze waarop de auto [slachtoffer 1] al dan niet zou hebben geraakt.
De rechtbank is echter van oordeel, dat als er al een aanmerkelijke kans is geweest dat [slachtoffer 1] dodelijk werd getroffen dan wel zwaar werd verwond, het niet is komen vast te staan dat verdachte die aanmerkelijk kans willens en wetens heeft aanvaard en dat derhalve het opzet van de verdachte in de zin van voorwaardelijk opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van die [slachtoffer 1] was gericht. Verdachte moet derhalve van het primair en subsidiair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
.
De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde feit wel wettig en overtuigend bewezen op grond van de vaststaande feiten en de verklaring van de verdachte dat hij met enige snelheid achteruit is gereden in de richting van [slachtoffer 1]. Dat [slachtoffer 1] zich hierdoor bedreigd voelde acht de rechtbank, mede bezien in het licht van hetgeen zich hiervoor tussen partijen heeft afgespeeld, wel aannemelijk.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 03 februari 2010 te [plaats delict] [slachtoffer 1] (toezichthouder gemeente) heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een auto met aanzienlijke snelheid achteruit op voornoemde [slachtoffer 1] afgereden.
De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.
De verdachte zal van het meer subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Kwalificatie
Het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:
bedreiging met zware mishandeling,
strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Strafbaarheid
De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.
Strafmotivering
De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit; de omstandigheden waaronder dit feit is begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsman van de verdachte; de oriëntatiepunten voor de straftoemeting, alsmede de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 9 juli 2010, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven is veroordeeld.
Nu de rechtbank komt tot vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde zal zij verdachte veroordelen tot een veel lagere staf dan door de officier van justitie is geëist. Op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken passend is.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing van de rechtbank
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
De rechtbank verklaart bewezen dat het meer subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken.
De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden en gelast de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Wit, voorzitter en mrs. C.P. van Gastel en B.I. Klaassens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 29 juli 2010, zijnde mr. B.I. Klaassens buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.