Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 52024 / HA ZA 05-408
Vonnis van 30 januari 2008
in de zaak van
[EISER],
wonende te [woonplaats],
eiser,
procureur mr. H.J. de Ruijter,
advocaat mr. J.A. Bal te Groningen,
tegen
1. [GEDAAGDE SUB 1],
2. [GEDAAGDE SUB 2],
beiden wonende te [woonplaats],
gedaagden,
procureur mr. E.J.A. Schönfeld.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] (enkelvoud) genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 augustus 2007, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd; waarbij aan de deskundige een aanvullende opdracht is gegeven;
- het aanvullende deskundigenbericht van 13 september 2007, ter griffie ontvangen op 14 september 2007;
- de akte na aanvullende deskundigenrapportage van [eiser] van 17 oktober 2007;
- de antwoordakte na aanvullend deskundigenbericht van [gedaagde] van 12 december 2007;
- de bij de stukken gevoegde producties.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De nadere beoordeling
2.1. De primaire vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op de stelling dat de in het geding centraal staande, door hem van [gedaagde] gekochte, schilderijen vals zijn. Zoals door de rechtbank in haar tussenvonnis van 25 januari 2006 reeds is overwogen en beslist rust op [eiser] de last te bewijzen dat de schilderijen vals zijn (ro. 4.13).
[eiser] is van oordeel in het bewijs te zijn geslaagd, gelet op de rapportage die door de door rechtbank benoemde deskundige [deskundige] is uitgebracht, in samenhang met de rapporten/bevindingen van [partijdeskundige 1], [partijdeskundige 2], [partijdeskundige 3] en [partijdeskundige 4].
[gedaagde] betwist dat [eiser] is geslaagd in de bewijslevering.
2.2. De rechtbank is van oordeel dat de in deze procedure overgelegde rapporten weliswaar twijfels oproepen over de authenticiteit van de schilderijen. Echter, op basis van die rapporten kan naar het oordeel van de rechtbank niet voor juist worden gehouden dat de schilderijen daadwerkelijk vals/niet authentiek zijn. De rapporten zijn, mede in het licht van het door [gedaagde] gemotiveerd gevoerde verweer, onvoldoende helder en consistent gemotiveerd om die conclusie te kunnen dragen. Zo heeft [deskundige] in zijn rapport van
5 september 2006 bij alle schilderijen vermeld dat het een vervalsing betreft en ter onderbouwing van die conclusie in algemene bewoording gesteld:
”Gezien de penseelvoering kunnen bovengenoemde schilderwerken niet van de gesuggereerde kunstenaars zijn”.
Die summiere motivering, alsmede het feit dat de deskundige niet was ingegaan op de uitgebreide reactie van [gedaagde] op die conclusie in het concept rapport, heeft de rechtbank aanleiding gegeven [deskundige] op te dragen alsnog de commentaren van partijen te bespreken en zijn visie, mede aan de hand daarvan, nader te motiveren.
In het aanvullend rapport van 13 september 2007 heeft [deskundige] vervolgens onder meer het volgende vermeld:
“Het commentaar van de heer [partijdeskundige 2] wordt door mij onderschreven evenals het rapport van de heer [partijdeskundige 1], met uitzondering van no. 7:”Gronings dorp” waarvan ik van menig ben dat hier met zekerheid van een vervalsing kan worden gesproken. Ik sluit me dan ook aan bij de mening van [partijdeskundige 2] omtrent deze aquarel. Ook de twijfel die [partijdeskundige 1] over no. 8:”Bloemen in kan” heeft kan ik niet delen (…) Ook in dit geval deel ik de mening van [partijdeskundige 2] volledig.
Voor wat betreft no. 9:”Tulpen in vaas” volg ik de visie van [partijdeskundige 2], die op basis van perceelvoering en coloriet tot de conclusie komt dat dit schilderij niet door Altink is vervaardigd.
De reactie van [gedaagde] (..) over de “korrelige” wijze van schilderen bij dit schilderij lijkt mij geen argument om “Tulpen in vaas” tot een authentieke Altink te verklaren, immers een vervalser maakt juist gebruik van technieken, overeenkomende stijlkenmerken en kleurgebruik.
Het is niet van belang of een kunstenaar wel of niet met een paletmes werkte; of hij wel of niet lange toetsen afwisselde met kortere streepjes; of een dak van een weergegeven huisje lijkt op een dak dat op een ander schilderij is weergegeven. Waar het om gaat is de uitstraling van een kunstwerk. Bij de betreffende tien “kunstwerken” ontbreekt de daadkracht van een kunstenaar -de bezieling-; het zijn pogingen om de uitstraling …te benaderen. Deze pogingen ontaarden in een niet-samenhangend geheel; de schilderijen missen iets: oorspronkelijkheid en de uitstraling zoals die van een bepaalde kunstenaar op je netvlies staan. (..) Dit “Fingerspitzengefuhl” laat zich niet in woorden of getallen uitdrukken; het is de ervaring en kennis die deskundigheid bepaalt.”
De rechtbank is van oordeel dat de motivering van [deskundige] in deze aanvulling niet consistent is. Immers, enerzijds stelt hij dat het al dan niet met paletmes werken en afwisselen van toetsen en streepjes, niet van belang is, omdat een vervalser juist gebruik maakt van technieken en overeenkomende stijlkenmerken en kleurgebruik. Anderzijds deelt hij echter mede dat hij de visie van [partijdeskundige 2] over Tulpen in vaas volgt, gelet op de onder meer de penseelvoering.
Naar het oordeel van de rechtbank staat de aanvulling voorts haaks op de motivering die in het in eerste instantie uitgebrachte rapport is gegeven, nu daar enkel was vermeld: gelet op de penseelvoering. De rechtbank begrijpt de aanvulling van de deskundige namelijk aldus dat niet de gehanteerde techniek (in de zin van perceelvoering, stijl en kleurgebruik), maar de uitstraling van doorslaggevend belang zou zijn. Als dat zo is kan de rechtbank niet begrijpen waarom die motivering niet (mede) in het in eerste instantie uitgebrachte rapport is opgenomen, maar daarentegen daar als enige argument is vermeld: gelet op de penseelvoering.
Voor wat betreft het aansluiten bij de bevindingen van [partijdeskundige 1], merkt de rechtbank op dat door [gedaagde] gemotiveerd is aangegeven dat [partijdeskundige 1] niet over de vereiste deskundigheid zou beschikken. Door [partijdeskundige 1] is gesteld dat Wiegers niet op board zou schilderen en Altink niet met een paletmes zou werken, terwijl het tegendeel het geval zou zijn. Door [deskundige] is daar niet op ingegaan. [partijdeskundige 2] heeft bij die schilderijen waar hij een motivering heeft gegeven voor zijn conclusie dat het vals zou zijn, alleen vermeld dat coloriet en penseelvoering niet juist zouden zijn. Een nadere uitleg ontbreekt, terwijl [gedaagde] gemotiveerd heeft aangegeven dat die conclusie niet juist is. Ook daar is door [deskundige] niet nader op ingegaan. Door [deskundige] is in zijn aanvulling daarentegen aangegeven dat het niet om de gehanteerde techniek zou gaan. Onduidelijk is voor de rechtbank hoe hij gelet daarop, het commentaar en de visie van [partijdeskundige 2] kan onderschrijven. Daarnaast heeft [partijdeskundige 2] het schilderij Zonnebloemen van Altink in 1999 gewaardeerd als authentiek en daar een waarde aangegeven van ƒ 35.000,00, terwijl hij nu zonder nadere toelichting tot een waarde nul komt onder vermelding van ”coloriet en penseelvoering niet volgens de werkwijze van Altink”. [partijdeskundige 3] heeft enkel geschreven de bevindingen van [partijdeskundige 1] te onderschrijven. Een motivering ontbreekt. Ook [partijdeskundige 4] heeft zijn conclusie niet gemotiveerd.
2.3. Nu de rechtbank niet voor juist houdt dat de schilderijen vals/niet authentiek zijn, komen de primaire vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking.
2.4. [eiser] heeft subsidiair de door hem betaalde koopsom, vermeerderd met wettelijke rente, teruggevorderd. Ter onderbouwing van deze vordering heeft hij gesteld dat in de koopovereenkomst het beding is opgenomen dat [gedaagde] bereid is de werken
“te verruilen/verrekenen tegen vergelijkbare waarde c.q. de waarde waarvoor heden de collectie is aangekocht, vermeerderd met de wettelijke rente”.
[gedaagde] heeft niet betwist dat partijen die clausule zijn overeengekomen. Echter, door hem is onder meer aangegeven dat partijen daarvoor een termijn van 6 maanden na de koop waren overeengekomen. Voorts heeft hij (onder 7 en 17 bij conclusie van antwoord) aangegeven dat het verruilen c.q. verrekenen tegen vergelijkbare waarde meermalen door partijen werd gedaan:
“[eiser] betaalde niet alleen in geld, maar ook in andere kunst- en/of kostbare voorwerpen…
Als [eiser] naderhand vond dat een bepaald werk minder goed in zijn collectie paste of dat hij geen goede taxatie bij een werk kon krijgen, mocht hij het betreffende werk terugbrengen. Er werd dan een ander passend object van vergelijkbare waarde uitgezocht om te ruilen.
(…)
[eiser] wist derhalve van de twijfels omtrent de reputatie van [gedaagde] en de schilderijen maar wenste toch te kopen, tegen een zacht prijsje en met de toezegging van [gedaagde] dat omruiling c.q. verrekening met andere werken mogelijk zou zijn,…”.
Door [eiser] is dat niet betwist. Wel heeft [eiser] bestreden dat hij akkoord is gegaan met een beperking in de tijd van genoemde clausule tot een periode van zes maanden. Hij betwist dat hij zijn handtekening onder de betreffende verklaring heeft gezet.
De rechtbank constateert dat het debat in de procedure zich met name heeft toegespitst op de vraag of de betreffende werken authentiek zijn en op de mogelijkheden van bewijslevering op dit punt. Er is nagenoeg geen debat geweest over de bovenbedoelde clausule waarop [eiser] zich beroept.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde partijen gelegenheid te geven zich nader op dit punt uit te laten, waarbij zij tevens kunnen aangeven of en zo ja hoe zij bewijs denken te kunnen leveren van hun stellingen ingeval zij daartoe de opdracht zouden krijgen.
1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 februari 2008 teneinde partijen gelegenheid te geven zich nader uit te laten bij akte,
2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Vinne en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2008.?