Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBAMS:2022:6242

Rechtbank Amsterdam
02-11-2022
04-11-2022
C/13/711768 / HA ZA 21-1105
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig

Blokker B.V. moet bijna 125.000 euro schadevergoeding betalen aan de voormalig exploitant van een Blokkerfiliaal. Dat heeft de rechtbank geoordeeld.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/711768 / HA ZA 21-1105

Vonnis van 2 november 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.D.A. baron van Lynden te 's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLOKKER B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. K.M. Verdurmen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Blokker genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 december 2021 met producties 1 tot en met 78,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie met producties 1 tot en met 27,

  • -

    het tussenvonnis van 25 mei 2022, waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 september 2022 met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De familie [familienaam] heeft tot 2017 in Sluis een franchisefiliaal van Blokker (hierna: het franchisefiliaal) geëxploiteerd. In 2017 wilde [eiser] het franchisefiliaal overnemen. [naam zwager] , de zwager van [eiser] , zou hem als bedrijfsleider helpen met de exploitatie; [naam zwager] was zelf jarenlang in dienst geweest bij Blokker, onder andere als winkelmanager. [naam manager] , destijds franchisemanager van Blokker, heeft op 24 maart 2017 voor [naam zwager] en [eiser] een presentatie gehouden over het businessplan van Blokker. Daarbij heeft [naam manager] meegedeeld dat Blokker een nieuw concept heeft ontwikkeld, genaamd ‘De Nieuwe Blokker’ (hierna: DNB) waarvoor het nodig is dat alle filialen worden verbouwd. Naderhand is het DNB concept verlaten en is Blokker overgegaan op de Alles-in-Huis formule (hierna: AiH)

2.2.

[eiser] en Blokker hebben daarna op 10 april 2017 een franchiseovereenkomst gesloten. De franchiseovereenkomst is met ingang van 12 april 2017 aangegaan voor de duur van vijf jaar. [eiser] exploiteerde het franchisefiliaal in de vorm van een eenmanszaak.

In de franchiseovereenkomst staat onder andere:

“(…)

II. KOOP EN VERKOOP, ZOMEDE LEVERING VAN ZAKEN (…)

B. Blokker is verplicht de franchisenemer naar beste kunnen te beleveren, op een wijze, die gelijkwaardig is aan de manier waarop zij een eigen filiaal pleegt te beleveren, zulks ter bevordering van een zo goed mogelijke verkoop in de winkelzaak van de franchisenemer.

C. De inkoop door franchisenemer bij Blokker zal geschieden overeenkomstig de door Blokker gewenste procedure en in het bijzonder door middel van door Blokker voorgeschreven bestelboeken en/of bestelsystemen, een en ander teneinde een vlotte interne verwerking bij Blokker te waarborgen en in het belang van een juiste en tijdige uitlevering van de zaken.

III. REGELEN VOOR DE INRICHTING EN DE PRESENTATIE IN DE WINKEL (…)

B. Franchisenemer zal de winkelruimte en het magazijn geheel inrichten overeenkomstig de aanwijzingen en althans ten genoege van Blokker. Blokker zal aanwijzingen geven, die dienstig zijn voor een profijtelijk functioneren van de winkelzaak en het in stand houden van een goede reputatie, welke franchisenemer zal opvolgen.

VII. ALGEMENE VOORWAARDEN (…)

B. Onverhoopte niet naleving door één der partijen, van enige verplichting uit deze overeenkomst voortvloeiende, brengt voor de andere partij de bevoegdheid mede de nakoming van zijn/haar verplichtingen op te schorten, totdat de nalatige partij aan zijn verplichtingen zal hebben voldaan, zulks onverminderd de bevoegdheden welke de wet toekent aan de partij, wiens/wier wederpartij wanprestatie pleegt. De andere partij zal hem bij aangetekend schrijven of bij deurwaardersexploot aanzeggen welke maatregelen moeten worden genomen om de exploitatie resp. situatie weer in overeenstemming te brengen met deze overeenkomst, daarbij de ander een maand gunnende om die maatregel te nemen. (…)

D. Indien één der partijen voortijdig de overeenkomst zou willen beëindigen, in andere gevallen dan die waarover hiervoor onder A. en B. is gesproken, is hij gehouden voor de resterende duur der overeenkomst een schadevergoeding te betalen, een bedrag belopend gelijk aan 5% van de omzet van de betrokken winkelzaak (berekend op inkoopbasis inclusief BTW), behaald gedurende de voorafgaande twaalf maanden, welke aldus berekende schadevergoeding aan de andere partij verschuldigd zal zijn voor elk jaar resp. gedeelte van een jaar, gedurende hetwelk de overeenkomst bij normale uitvoering nog van kracht zou zijn, evenwel met een maximum van twee jaar.

(…)”

2.3.

[eiser] heeft voor de huur van de bedrijfsruimte aan de [adres] met [naam] In- en Verkoop B.V. een overeenkomst gesloten met ingang van 10 april 2017 en voor de duur van vijf jaar (hierna: de huurovereenkomst). Hij heeft hiervoor eenmalig een waarborgsom van € 25.000,- betaald. De huur bedroeg € 9.000,- per maand.

2.4.

[eiser] heeft aan de familie [familienaam] € 105.000,- betaald aan overnamekosten.

2.5.

In de e-mail van 17 april 2017 heeft [eiser] aan Blokker geschreven:

“(…)

In ons gesprek op 24 maart hebben we de investering besproken die ik bij de overname doe in o.a. de inventaris.

In dat kader heb je aangegeven dat ik respijt krijg om de nieuwe Blokkerformule later in te voeren. Graag vraag ik je de termijn aan mij te bevestigen zodat dit in de toekomst niet voor verwarring kan zorgen.

(…)”

Blokker heeft hier op geantwoord in de e-mail van 19 april 2017:

“(…)

Zoals we tijdens ons overleg van 24 maart jl hebben besproken heeft Blokker als doelstelling om alle winkels om te bouwen voor eind 2018. Echter specifiek voor Blokker Sluis hebben we afgesproken dat we, gezien de koopsom van de winkel, te zijner tijd zullen kijken of het financieel haalbaar is om aan deze termijn te kunnen voldoen. Mocht het vanuit financieel oogpunt niet haalbaar zijn om de winkel voor eind 2018 te kunnen verbouwen, zullen we de termijn oprekken tot uiterlijk eind 2019 of zoveel eerder als financieel mogelijk is.

(…)”

Daar heeft [eiser] bij e-mail van 19 april 2017 als volgt op gereageerd:

“(…)

Bedankt voor jouw duidelijke en correcte samenvatting van onze afspraken.

(…)”

2.6.

De belevering van de tuinmeubelen verliep vanaf het begin niet goed. [eiser] heeft daarover zijn beklag gedaan bij Blokker. Zij heeft het probleem erkend. [naam manager] schrijft in de e-mail van 4 mei 2017 namens Blokker:

“(…)

Tuin is binnen Blokker een zwaar lopende kwestie wat binnen heel Nederland moeizaam verloopt. Dit heeft onze dagelijkse aandacht waarbij we jou winkel in het bijzonder nauwgezet volgen en intern als voorbeeld gesteld wordt. We betreuren deze gang van zaken.

(…)”

2.7.

[eiser] was lid van de Vereniging Blokker Franchisenemers (VBF). In ‘VBF nieuwsflits september 2017’ staat op pagina 4 onder andere:

“(…)

Winkel beschikbaarheid en uitlever performance

In toenemende mate zien wij of worden wij door het DC (supplychain) geconfronteerd met afnemende beschikbaarheid van basis assortiment bij franchisenemers. Dit heeft niet alles te maken met de hoeveelheid van basis nv's [niet leverbare producten, rechtbank] maar met keuzes die ondernemers maken. Wij willen u erop wijzen dat de basiscollectie moet worden gevoerd. Nv’s kunt u uiteraard invullen vanuit derden en aanvullingen op het basis assortiment vult u zelf in, zij het beperkt. Ondanks deze kritische noot naar u zijn wij net zo kritisch op de organisatie. Het aantal nv’s loopt de spui gaten uit.

(…)”

In ‘VBF nieuwsflits vrijdag 9 maart 2018’ staat over de nv’s vermeld:

“(…)

Huidige 400 NV's (actief assortiment)

Structureel 50-100 DC-NV i.v.m. missen aansluiting (30% assortiment komt uit Verre Oosten);

Structureel 50-100 DC-NV i.v.m. leveranciers issues (o.a. leveranciersperformance, condities/contractonderhandelingen)

(…)”

2.8.

[eiser] heeft in zijn e-mail van 20 maart 2018 geklaagd over de organisatie van Blokker en meegedeeld dat hij niet over zou gaan tot verbouwing naar DNB omdat de resultaten dat financieel niet toelieten en hij onvoldoende vertrouwen had dat Blokker toezeggingen zou nakomen.

2.9.

Op 23 mei 2018 heeft [eiser] vervolgens de Franchiseovereenkomst opgezegd tegen 12 april 2022. Hij heeft dit bij mail van 24 mei 2018 nader toegelicht: (pr23 en 24dv)

“(…)

De voorwaarden die Blokker BV aan een franchisenemer kan bieden zijn onvoldoende om een rendabele bedrijfsvoering te genereren. Enkele voorbeelden (…)

1. Een verdienmodel wat onvoldoende marge biedt. Een nieuw verdienmodel welke telkens vooruit geschoven wordt.

2. Onvoldoende voorraad: voorbeeld Sodastream. We maken dure TV-reclames en vervolgens is het product weer uitverkocht. Komt waarschijnlijk weer op voorraad zodra er hogere verrekenprijzen zijn.

3. Tuin: de frustratie dat in Gouda [Blokker Webshop, rechtbank] de artikelen op voorraad liggen maar via B-point [online bestelpunt winkel, rechtbank] niet besteld mogen worden door FN [franchisenemer, rechtbank]. Rechtstreeks bij de klant laten leveren is geen optie omdat slechts 15% van mijn klanten een Nederlands adres heeft. Door onvoldoende voorraad en matige kwaliteit kan ik mijn begroting nooit halen. Deze begroting was nodig om een jaar met positief resultaat af te kunnen sluiten.

4. Cultuur: Wellicht de belangrijkste factor om een succesvol bedrijf te hebben is een cultuur die op ondernemerschap is gericht. Mijn gevoel is dat dit fundament ontbreekt in de Blokkerorganisatie. Het gevolg is dat iedereen zijn bureau schoon veegt en regels bedenkt. Ik heb dit vorige week aan Ko Westerweel het Paarse Krokodilsyndroom genoemd: door Blokker worden bestelde kussens die horen bij tuinstoelen apart berekend, terwijl zij bij intekening onderdeel waren van de stoelen. Om compensatie te krijgen moet ik zelf een formuliertje (wellicht aan beide zijden) invullen.

(…)”

2.10.

Op 10 juli 2018 heeft de VBF een brief gestuurd aan Blokker. Hierin staat onder andere dat door de franchisenemers diverse essentiële tekortkomingen worden gesignaleerd met betrekking tot de collectie en de beschikbaarheid van het assortiment. K. Westerweel, destijds operationeel manager bij Blokker, heeft met de franchisenemers gecorrespondeerd over het niet voorradig zijn van diverse basisartikelen.

2.11.

Blokker heeft [eiser] op 14 maart 2019 toestemming gegeven om op de eerste etage boven het franchisefiliaal een speelgoedwinkel (Top1toys) te exploiteren.

[eiser] is in mei/juni 2019 gestart met de exploitatie van Top1toys. De verkoop van het speelgoed verliep via een aparte kassa.

2.12.

Op 17 december 2019 heeft Blokker [eiser] meegedeeld dat de kosten van de verbouwing van zijn franchisefiliaal worden begroot op € 80.000,-.

2.13.

De omzet van het franchisefiliaal bedroeg over 2019 € 789.267,- (inclusief € 237.156,- aan omzet van de producten die [eiser] bij derden inkocht en verkocht via de Blokkerkassa; exclusief de omzet van Top1toys). De omzet van Top1toys bedroeg in 2019 (dus vanaf mei/juni 2019) € 202.320,-. Het netto resultaat van Top1toys was in 2019 negatief: € -28.137,-.

2.14.

In de brief van 8 januari 2020 heeft Blokker aan [eiser] meegedeeld dat van hem wordt verwacht dat hij zijn filiaal medio 2020 verbouwt. Door de opzegging van de franchiseovereenkomst zou er slechts twee jaar over zijn om de investering van de verbouwing terug te verdienen. Blokker heeft [eiser] daarom twee mogelijkheden aangeboden: 1) verlenging van de franchiseovereenkomst of 2) opzegging van de franchiseovereenkomst met wederzijds goedvinden per 30 juni 2020. [eiser] heeft in de brief van 15 januari 2020 afwijzend gereageerd op deze brief. (

2.15.

In de brief van 22 januari 2020 heeft Blokker de franchiseovereenkomst per 30 juni 2020 ontbonden op grond van artikel VII omdat [eiser] is tekort geschoten in de nakoming doordat hij weigert zijn Blokkerfiliaal te verbouwen en geen toezegging wil geven om dat alsnog te doen vóór 30 juni 2020.

In de brief staat verder onder meer:

“(…)

U heeft kenbaar gemaakt dat u uw Blokker winkel niet uiterlijk op 30 juni 2020 zult ombouwen naar de AiH-formule.

(…)

Het is u bekend dat niet tijdig ombouwen met zich brengt dat de samenwerking met Blokker voor uw winkel helaas uiterlijk op 30 juni 2020 dient te eindigen. Het niet tijdig ombouwen naar de AiH-formule zien wij als een tekortkoming in de nakoming van uw verplichtingen uit uw franchiserelatie met Blokker.

(…)

Blokker is bereid om af te spreken dat de franchiseovereenkomst met wederzijds goedvinden en gesloten beurzen eindigt op 30 juni 2020.

(…)

Voor het geval we niet komen tot een beëindiging met wederzijds goedvinden, volgt hieronder een formele bevestiging van de beoogde beëindiging.

Uitsluitend voor het geval u uw winkel niet tijdig ombouwt naar de AiH-formule en wij ook niet tot een beëindiging van de franchiseovereenkomst met wederzijds goedvinden per 30 juni 2020 kunnen komen, ontbindt Blokker hierbij de franchiseovereenkomst per 30 juni 2020.

(…)”

2.16.

In de reactie van de advocaat van [eiser] bij brief van 29 januari 2020 staat onder andere:

“(…)

Blokker [eiser] betwist dat hij verplicht zou zijn om over te gaan tot verbouwing. Laat staan een verbouwing die financieel niet haalbaar is. Blokker heeft de franchiseovereenkomst, die voor vijf jaar is aangegaan, éénzijdig en onregelmatig opgezegd. De heer [eiser] houdt Blokker aansprakelijk voor de schade die hij hierdoor lijdt en zal lijden. Door de éénzijdige beëindiging van de franchiseovereenkomst is dhr. [eiser] gedwongen de bedrijfsvoering van de onderneming in de [adres] te staken. Op dit moment is niet zeker welke schade hier precies door zal ontstaan. Ik noem vooralsnog de na 30 juni 2020 doorlopende huur, de waarde van de inventaris en bouwkundige voorzieningen, verloren marge bij uitverkoop van goederen en verloren marge voor de periode van staking van de verkoop tot 10 april 2022.

(…)”

2.17.

[eiser] is in februari 2020 gestart met de uitverkoop. Tijdens de uitverkoop (januari – maart 2020) bedroeg de omzet via de Blokkerkassa in totaal 167.816,- In totaal is aan kortingen verleend: € 38.144,69. Voor Top1toys geldt dat de omzet in dezelfde periode in totaal € 62.701,91 bedroeg en de verleende kortingen € 28.740,-.

2.18.

De waarde van de voorraad na de uitverkoop bedroeg € 36.004,- aan Blokkerproducten, € 24.000,- aan producten ingekocht bij derden en € 16.474 aan Top1toysproducten, zijnde in totaal € 76.478,-.

2.19.

[eiser] heeft geprobeerd een nieuwe huurder te vinden voor het bedrijfspand maar dat is hem niet gelukt. Hij heeft met de verhuurder een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij is afgesproken dat de huurovereenkomst tussentijds wordt beëindigd per 30 mei 2020. In de brief staat verder onder meer:

“(…)

Overeengekomen is:

Dat de huurovereenkomst per 30 mei 2020 wordt beëindigd onder de volgende voorwaarden:

De winkelruimte wordt uiterlijk 30 mei 2020 door de huurder aan de verhuurder opgeleverd inclusief de volledige inventaris zoals die op vrijdag 22-05-2020 aanwezig was. (…) Behoudens voor zover het de uitvoering van deze overeenkomst vastgelegde en daaruit voortvloeiende verplichtingen betreft doen beide partijen over en weer afstand van aanspraken en rechten uit hoofde van de huurovereenkomst en/of daarmee samenhangende of verband houdende overeenkomsten.

(…)”

2.20.

Het Vakcentrum Bedrijfsadvies heeft een Quick scan gedaan van het Blokkerfiliaal van [eiser] . In het verslag van de Quick scan van 2 juni 2019 staat onder andere:

“(…)

Op basis van de jaarrekening over 2017 stelden wij voor dat jaar een verlies vast van € 46.975,--. Op basis van de voorlopige conceptcijfers bepalen wij het verlies over 2019 op € 64.558,-- en over 2018 van € 42.611,--. De situatie waarin de onderneming zich rond de jaarwisseling bevond was uitermate zorgelijk. (…)

De boekwaarde van de bestaande activa (exclusief voorraad en vervoermiddelen) bedraagt per ultimo van het jaar 2019 naar verwachting € 85.427,--. Deze waarden zijn gebaseerd op de cijfers die de accountant ter beschikking stelde. Deze activa betreft de boekwaarde van een investering die u bij de overname in 2017 deed.

De investering destijds bedroeg circa € 112.000,--.

Een deel van deze investering (€ 26.573,--) is inmiddels afgeschreven. Voor het overgrote deel geldt dat deze nog niet is afgeschreven (…)

Investeringen

Wij houden rekening met een investering à € 10.000,-- in bouwkundige voorzieningen en € 90.000,-- in de inventaris. (…)

Conclusie en aanbeveling

Op basis van de begroting stellen wij vast dat:

1. Een eventuele desinvestering van circa € 85.000,-- tot een bovengemiddeld grote druk op de exploitatie van de onderneming leidt. (…)

2. Gezien het vorenstaande, met name het structurele verlies en de bestaande schuldenpositie was een investering van circa € 100.000,-- bedrijfseconomisch onverantwoord. Een kredietaanvraag ter zake zou bij geen enkele financiële instelling kans van slagen hebben gehad.

3. (…) Ons advies ten aanzien van de verbouwing naar Blokker Alles in Huis luidt NEGATIEF.

(…)”

2.21.

[eiser] heeft in een kortgedingprocedure veroordeling van Blokker tot betaling van € 56.000,- als voorschot op de schadevergoeding gevorderd. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij vonnis van 30 september 20201 geoordeeld dat de franchiseovereenkomst was geëindigd op grond van artikel VII D en dat Blokker aan [eiser] de gefixeerde schadevergoeding zoals vastgesteld in artikel VII D van de franchiseovereenkomst is verschuldigd. Blokker is daarom veroordeeld € 21.692,- aan [eiser] te betalen. Blokker heeft dit bedrag voldaan.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(iii) Blokker veroordeelt tot voldoening van € 335.964,70 aan [eiser] binnen twee weken na betekening van dit vonnis,

(ii) voor recht verklaart dat Blokker gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst te kort is geschoten tegenover [eiser] ,

(iii) Blokker veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt dat de franchiseovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar, zonder een mogelijkheid van tussentijdse opzegging, behalve als sprake is van overmacht of verzuim (zie de artikelen VII A, B en C van de franchiseovereenkomst). [eiser] was niet in verzuim omdat er geen rechtens afdwingbare verplichting voor hem was om de vestiging te verbouwen. Voor zover [eiser] een toezegging had gedaan om het franchisefiliaal om te bouwen, had Blokker hem daar op grond van de omstandigheden van dit geval redelijkerwijs niet aan mogen houden. Blokker heeft [eiser] voorafgaand aan het tot stand komen van de franchiseovereenkomst onvoldoende geïnformeerd over de problemen waar de Blokker Organisatie zich toen in bevond. Door die problemen, met name in de toelevering van producten, zijn door [eiser] zware verliezen geleden, waardoor hij onvoldoende middelen had om de door Blokker gewenste verbouwing te financieren.

3.3.

Door de franchiseovereenkomst éénzijdig te beëindigen heeft [eiser] schade geleden. Blokker is aansprakelijk voor de schade op grond van artikel VII.D van de Franchiseovereenkomst. Deze bepaling ziet op misgelopen winst voor de resterende duur van de franchiseovereenkomst en ziet niet op de overige schade die is ontstaan door de tussentijdse opzegging. Blokker is ook aansprakelijk voor de overige schadeposten van [eiser] . Voor zover deze bepaling een beperking inhoudt, kan Blokker daar redelijkerwijs geen beroep op doen, nu deze onredelijk bezwarend is.

[eiser] stelt verder dat Blokker gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst tekort is geschoten in haar leverings- en zorgplichten tegenover [eiser] . Zo is zij tekortgeschoten in de belevering van producten doordat producten veelvuldig niet voorradig waren en door eigen winkels voorrang te geven in de belevering. Daarom heeft [eiser] op grond van artikel 6:94 lid 2 BW recht op aanvullende schadevergoeding.

3.4.

Blokker voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

Blokker vordert, onder de voorwaarde dat de vordering in conventie wordt afgewezen, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] veroordeelt tot terugbetaling van het door hem van Blokker ontvangen bedrag van € 21.692,- waarmee Blokker heeft voldaan aan het vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 30 september 2020, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van ontvangst tot de dag van terugbetaling aan Blokker. Blokker vordert in reconventie [eiser] te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.7.

[eiser] voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Partijen verschillen van mening over de vraag of Blokker gerechtigd was de franchiseovereenkomst op te zeggen voordat de termijn van vijf jaar was verstreken omdat [eiser] weigerde zijn filiaal te verbouwen. Om te beoordelen wie gelijk heeft dient de rechtbank eerst de vraag te beantwoorden of sprake was van een rechtens afdwingbare verplichting voor [eiser] om het filiaal om te bouwen naar de AiH-formule.

4.2.

Blokker voert aan dat bij het aangaan van de franchiseovereenkomst de afspraak is gemaakt dat [eiser] zijn filiaal zou moeten ombouwen naar de AiH-formule. Dit blijkt uit de e-mailwisseling in april 2017 (zie r.o. 2.5). [eiser] wist voor het afsluiten van de franchiseovereenkomst dat de verbouwing hoge kosten zou meebrengen. [naam manager] heeft bij zijn presentatie op 24 maart 2017 meegedeeld dat de verbouwing ongeveer € 800,- per vierkante meter zou kosten. Verder is het zo dat [eiser] op grond van de franchiseovereenkomst de aanwijzingen van Blokker moet opvolgen. Bovendien brengen de redelijkheid en billijkheid in de franchiseverhouding tussen Blokker en [eiser] met zich dat [eiser] zich moet voegen naar het besluit van Blokker tot wijziging van de franchiseformule naar de AiH-formule. Dat is zelfs noodzakelijk omdat vanaf het najaar van 2020 er geen goederenbesturing meer mogelijk is voor de oudere formules van Blokker. Er wordt dan alleen nog gewerkt met de bestelboeken van de AiH-formule. Het collectieve belang van een sterke formule en een eenduidige uitstraling naar de klant maakt ook dat alle winkels moeten worden omgebouwd naar de AiH-formule. Bijna alle winkels zijn nu omgebouwd. Dat heeft geleid tot een groei in de omzet. [eiser] was dus verplicht het filiaal om te bouwen naar de AiH-formule. De weigering van [eiser] levert daarom een wanprestatie op. Blokker heeft dus conform de artikelen VII sub B en sub C de franchiseovereenkomst opgezegd zonder schadeplichtig te worden. Bovendien heeft de opzegging met wederzijds goedvinden plaatsgevonden, aldus steeds Blokker.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank was er geen sprake van een verplichting van [eiser] om het filiaal om te bouwen. In de franchiseovereenkomst is geen bepaling opgenomen die daar uitdrukkelijk over gaat. Blokker beroept zich op artikelen in de franchiseovereenkomst waarin staat dat [eiser] aanwijzingen van Blokker moet opvolgen maar deze artikelen zijn algemeen in hun bewoording. Daaruit volgt niet de verplichting voor [eiser] om tegen hoge kosten zijn filiaal te verbouwen. Het staat echter wel vast dat [naam manager] namens Blokker aan [eiser] heeft verteld dat Blokker zal overgaan naar een nieuwe formule en dat het filiaal daarvoor moest worden verbouwd. Dat deze verbouwing duur zou zijn moest voor [eiser] wel duidelijk zijn. Uit de e-mailwisseling in april 2017 blijkt immers dat tijdens het gesprek tussen [naam manager] , [eiser] en [naam zwager] is afgesproken dat [eiser] de verbouwing mag uitstellen als dat nodig is in verband met de financiële situatie van het filiaal en de investering die hij heeft gedaan bij de overname van het filiaal van [familienaam] . Het ligt in de rede dat er alleen aanleiding is voor uitstel van de verbouwing als daarmee hoge kosten zijn gemoeid. Over de hoogte van de kosten en de omvang van de verbouwing is evenwel niet concreet gesproken. [naam manager] schrijft in zijn verklaring dat hij doorgaans in gesprekken met franchisenemers een bedrag noemde van € 800,- per vierkante meter. Er zijn alleen geen aanwijzingen dat hij in het gesprek met [eiser] en [naam zwager] dit bedrag daadwerkelijk heeft genoemd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bovendien gezegd dat hij de franchiseovereenkomst nooit was aangegaan als hem was voorgehouden dat hij op korte termijn het filiaal had moeten verbouwen voor circa € 800,- per vierkante meter wat in zijn geval zou neerkomen op € 400.000,-. De rechtbank acht dit aannemelijk, gezien de overnamekosten van € 105.000,- en het begrote resultaat van € 21.993 (2017-2018) en € 226.310 (2018-2019).

De rechtbank komt tot de conclusie dat onder deze omstandigheden de toezegging van [eiser] bij het aangaan van de franchiseovereenkomst om het franchisefiliaal te verbouwen onvoldoende bepaald is om een rechtens afdwingbare verbintenis aan te kunnen nemen. Voor hem waren de omvang van de verbouwing en de hoogte van de kosten [eiser] niet duidelijk genoeg. Ook was voor [eiser] op dat moment nog niet helder in welke mate de kosten van de verbouwing uit de exploitatie zouden kunnen worden betaald en terugverdiend.

4.4.

Ook als wel wordt aangenomen dat [eiser] in beginsel verplicht was om het filiaal te verbouwen, dan is het beroep op die afspraak onder de omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

De behaalde resultaten van het franchisefiliaal over de jaren 2017, 2018 en 2019 waren volgens [eiser] negatief: respectievelijk € - 46.975,- (op basis van de jaarrekening 2017), € 2.611,- en € - 64.558,- (prognoses op basis van de voorlopige conceptcijfers 2018 en 2019). Hij verwijst daarbij naar de Quickscan. Blokker betwist deze cijfers. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de cijfers van de Quickscan die gebaseerd zijn op (voorlopige) jaarcijfers in grote mate afwijken van het definitieve resultaat. Gelet op deze cijfers en de toelichting van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling kan worden aangenomen dat hij in ieder geval aanzienlijke verliezen leed gedurende de drie jaar dat hij het filiaal exploiteerde.

De franchiseovereenkomst liep door tot 12 april 2022, zodat de termijn waarbinnen de kosten van de verbouwing konden worden terugverdiend – zelfs als [eiser] in staat was geweest in de laatste jaren winst te maken - beperkt was. Gelet op de problemen die [eiser] tot dan toe ondervond met de aanlevering van de producten was er bovendien geen zicht op verbetering van het resultaat, zeker niet binnen die termijn.

4.5.

Volgens Blokker waren de slechte resultaten te wijten aan de omstandigheid dat [eiser] de aanwijzingen van Blokker over de inrichting en de besteladviezen niet opvolgde. [eiser] betwist dit gemotiveerd. De rechtbank laat in het midden in hoeverre de resultaten zouden zijn verbeterd als [eiser] de instructies van Blokker had opgevolgd. Gezien de omvang van de aanleveringsproblematiek, staat namelijk voldoende vast dat de negatieve resultaten voor een aanzienlijk deel te wijten zijn aan Blokker. Bij alle Blokkerfilialen was sprake van structureel ernstige problemen in de aanlevering van bestelde producten. Dit blijkt uit de overgelegde stukken van de VBF, onder andere de VBF nieuwsflitsen van september 2017 en 9 maart 2018 (zie 2.7), de notulen van de regiovergaderingen van 14 maart 2018 en de brief van 10 juli 2018 van VBF aan Blokker (zie 2.10). Uit de presentatie van Blokker aan de franchisenemers in februari 2020 blijkt dat ook toen nog problemen waren in de voorraad en de aanlevering van producten. Bestelde artikelen bleken regelmatig niet voorradig te zijn. Dit betrof artikelen uit de basiscollectie van Blokker, zoals gloeilampen en tuinmeubels.

4.6.

Voor [eiser] speelden deze aanleveringsproblemen evenzeer. Zo blijkt uit correspondentie tussen [eiser] en Blokker dat er in 2017 grote problemen waren in de belevering van tuinmeubels aan zijn filiaal (zie 2.6). In 2018 waren die problemen er nog steeds en was bovendien de kwaliteit van de tuinmeubels slecht. In 2019 heeft Blokker (daarom) besloten om geen tuinmeubels meer in het assortiment op te nemen. Het franchisefiliaal was voor haar omzet evenwel juist voor een aanzienlijk deel afhankelijk van de verkoop van tuinmeubels: [eiser] had de omzet van het segment ‘tuin’ in 2017 begroot op € 100.611, zijnde 10% van de totale omzet. In de correspondentie tussen [eiser] en Blokker over de aanleverproblemen van tuinmeubels, heeft Blokker deze problemen erkend en heeft zij aangegeven te werken aan verbetering van de situatie. Uiteindelijk is die verbetering er niet gekomen.

4.7.

Ook nu ontkent Blokker de problemen niet. Zij voert alleen aan dat zij zich voldoende inspant om er voor te zorgen dat de stromen van en naar distributiecentra op orde zijn. Daarmee voldoet zij aan haar inspanningsverplichting; een resultaatsverplichting heeft zij niet, aldus Blokker. Deze inspanningen hebben de situatie voor [eiser] over het geheel genomen echter niet verbeterd. De resultaten van het filiaal bleven over de jaren 2017, 2018 en 2019 consequent slecht. Er bestond voor [eiser] dus geen zicht op het terugverdienen van de hoge kosten van de verbouwing.

4.8.

Daartegenover staat het belang van Blokker bij de verbouwing van het franchisefiliaal. Haar belang is er in gelegen dat alle Blokkerwinkels een uniforme presentatie hebben voor de herkenbaarheid van de winkelketen.
Dat de verbouwing noodzakelijk zou zijn in verband met de bestelling en distributie van producten, zoals Blokker aanvoert, is niet vast komen te staan. Blokker heeft daartoe aangevoerd dat met de invoering van de nieuwe formule ook alleen nog het daarbij behorende bestelboek gebruikt kon worden. Desgevraagd heeft Blokker echter niet concreet kunnen maken welk probleem het voor haar zou opleveren als een winkel met de oude winkelinrichting de met de nieuwe bestelboeken bestelde producten in de schappenindeling volgens de oude formule zou plaatsten. Franchisenemers kunnen zelf bepalen welke soort producten zij bestellen en hoeveel zij bestellen. Zij zijn zodoende in staat de bestelling aan te passen aan de inrichting van hun filiaal. Verder heeft Blokker niet inzichtelijk gemaakt welke schade zij concreet zou lijden als [eiser] de franchiseovereenkomst zonder verbouwing had uitgediend.

4.9.

Het belang van [eiser] om niet te hoeven verbouwen weegt onder deze omstandigheden zo veel zwaarder dan het belang van Blokker bij een omgebouwd filiaal, dat - ook als een verplichting tot ombouwen zou worden aangenomen - in de gegeven omstandigheden een beroep van Blokker op die verplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.10.

Verder is niet komen vast te staan dat, zoals Blokker aanvoert, partijen met wederzijds goedvinden de franchiseovereenkomst hebben beëindigd. [eiser] betwist dit gemotiveerd en er zijn geen aanwijzingen dat partijen in overleg hebben besloten de franchiseovereenkomst te beëindigen per 30 juni 2020. Blokker heeft in haar brief van 22 januari 2020 daartoe een aanbod gedaan maar uit niets blijkt dat [eiser] daarmee akkoord is gegaan. In tegendeel: hij heeft de franchiseovereenkomst zelf regelmatig opgezegd tegen 12 april 2022 en blijkens de brief van 29 januari 2020 neemt hij het standpunt in dat Blokker de franchiseovereenkomst eenzijdig heeft opgezegd.

4.11.

Dit betekent dat de opzegging door Blokker van de franchiseovereenkomst tegen 30 juni 2020 onregelmatig was. Zij moet daarom een schadevergoeding betalen aan [eiser] .

De hoogte van de schadevergoeding

4.12.

In artikel VII.D van de franchiseovereenkomst is een boetebeding opgenomen. Daarmee is de schadevergoeding in beginsel gefixeerd op 5% van de omzet van het filiaal van [eiser] behaald gedurende de voorafgaande twaalf maanden en maximaal voor de duur van twee jaar.

4.13.

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening welke periode moet worden genomen. [eiser] stelt terecht dat een redelijke uitleg van de bepaling met zich brengt dat het gaat om de periode voorafgaand aan de opzegging op 22 januari 2020 omdat de exploitatie van het filiaal tijdens de daaraan voorafgaande twaalf maanden normaal verliep, terwijl de exploitatie daarna ongebruikelijk was. Toen volgde immers de uitverkoop tot aan de sluiting van het filiaal. Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat partijen redelijkerwijs uit dienden te gaan van de twaalf maanden voorafgaand aan 30 juni 2020. De rechtbank zal daarom de schade aan misgelopen omzet bepalen op 5% van de behaalde omzet in 2019 berekend op inkoopwaarde inclusief BTW, zijnde € 560.000,-. Gerekend vanaf de datum van de opzegging was de franchiseovereenkomst bij normale uitvoering nog van kracht gedurende een periode van meer dan twee jaar. De schadevergoeding op grond van het boetebeding bedraagt dus: 0,05 x 560.000 x 2 = € 56.000,-.

4.14.

De rechtbank ziet in de omstandigheden vermeld in 4.4.-4.9. aanleiding om op grond van artikel 6:94 lid 2 BW aanvullende schadevergoeding toe te kennen, nu de billijkheid dat klaarblijkelijk eist.

Door de onregelmatige beëindiging van de franchiseovereenkomst door Blokker was [eiser] gedwongen om de exploitatie van Top1Toys op de eerste verdieping ook te staken. Daarom zal ook de schade als gevolg van de misgelopen omzet van Top1Toys worden meegenomen in de berekening van de schadevergoeding zoals toegepast in 4.12 met dien verstande dat conform de vordering wordt gerekend met de cijfers van Top1Toys zoals opgenomen in het overzicht overgelegd als productie 76 bij dagvaarding. Voor Top1Toys geldt: 0,05 x 158.715 x 2 = € 15.871,5. De schade op grond van VII.D bedraagt voor de gehele winkel dus € 71.871,50.

4.15.

Verder voert [eiser] de volgende schadeposten op:

1) Het verlies van de borg van € 25.000,-.

In de brief van de verhuurder van 25 mei 2020 staat samengevat dat de huurovereenkomst wordt beëindigd per 30 mei 2020 onder de voorwaarden dat onder meer op uiterlijk 30 mei 2020 de winkelruimte wordt opgeleverd met achterlating van de inventaris en dat partijen over een afstand doen van aanspraken en rechten uit hoofde van de huurovereenkomst (zie 2.19). Ter toelichting heeft [eiser] op de mondelinge behandeling meegedeeld dat de verhuurder alleen akkoord ging met een tussentijdse beëindiging onder de voorwaarde dat hij de borg zou houden en [eiser] de inventaris en bouwvoorzieningen zonder vergoeding zou achterlaten. Uit de brief van de verhuurder en de toelichting van [eiser] kan worden afgeleid dat de borg niet is terugbetaald. De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoeding op dit punt daarom toe.

2) Huur van april 2020 wegens leegstand: € 9.000,-.

Deze kosten komen ook voor vergoeding in aanmerking. [eiser] stelt dat hij het filiaal zo snel mogelijk leeg wilde hebben (dat wil zeggen zonder voorraad) om zo de kans op het vinden van een nieuwe huurder te vergroten. Daardoor moest hij echter een maand huur betalen zonder dat hij inkomsten uit verkoop had. Dit zijn redelijke kosten om de schade te beperken.

3) Verlies van inventaris en bouwkundige voorzieningen Blokkerfranchise € 85.427,-

In de Quickscan wordt uitgegaan van de peildatum 1 januari 2020. Tot dat moment, dus over de periode april 2017 tot 1 januari 2020 (33 maanden), is op de investering een bedrag van € 26.573,- afgeschreven (zie 2.20). Het bedrag dat [eiser] tussen 1 januari 2020 en het einde van de looptijd van de franchiseovereenkomst, april 2022 (28 maanden) had kunnen afschrijven stelt de rechtbank op een bedrag van € 22.547,-. Omdat [eiser] door de onregelmatige opzegging door Blokker dit bedrag niet kon afschrijven, dient Blokker dit bedrag te vergoeden. De restwaarde na vijf jaar was na het uitdienen van de franchiseovereenkomst € 85.427 - € 22.547 = 62.880,- geweest. Of [eiser] op dat moment in staat was geweest voor de inventaris en bouwkundige voorzieningen een vergoeding te krijgen van een opvolgende huurder is onzeker. De rechtbank schat deze kans op 25% en begroot de schade die [eiser] heeft geleden daarmee op € 15.720,-. De schade die Blokker wat deze schadepost betreft dient te vergoeden bedraagt in totaal € 22.547 + € 15.720 = € 38.267,-.

4) Versnelde afschrijving van bouwkundige voorzieningen Top iToys € 9.000,-

[eiser] heeft geen aanknopingspunten gegeven om te becijferen welk bedrag [eiser] had kunnen afschrijven als de franchiseovereenkomst was uitgediend. Er wordt daarom geen rekening gehouden met een bedrag aan afschrijving op de bouwkundige voorzieningen van Top1Toys. De schade die [eiser] heeft geleden wordt (net zoals bij de Blokkerfranchise) geschat op 25% van de restwaarde. De schade voor de bouwvoorzieningen van Top1Toys wordt dus begroot op een bedrag van € 2.250,- die Blokker dient te vergoeden.

5) Verlies door lagere verkoopprijs voorraad Blokker van € 38.000,- en lagere verkoopprijs voorraad Top1Toys van € 28.740,-

De rechtbank houdt geen rekening met deze schadepost omdat [eiser] dit verlies ook had geleden als hij de franchiseovereenkomst had uitgediend. Hij had immers in de laatste maanden van de vijfjaarstermijn ook uitverkoop gehouden.

6) Verkoopwaarde van de resterende voorraad van € 76.000,-

Ook voor deze schadepost geldt dat deze voor rekening komt van [eiser] omdat hij dit verlies eveneens had geleden als hij de franchiseovereenkomst had uitgediend. In dat geval was hij ook blijven zitten met een restvoorraad.

Het totaal van deze aanvullende schadevergoeding bedraagt € 74.517,-.

4.16.

De conclusie is dat Blokker in totaal een schadevergoeding dient te betalen van € 71.871,50 + € 74.517 = € 146.388,50. Het bedrag dat Blokker reeds heeft voldaan aan schadevergoeding in gevolge het vonnis van de voorzieningenrechter van 30 september 2020 dient hierop in mindering te worden gebracht. De rechtbank wijst daarom de vordering van [eiser] toe tot een bedrag van € 146.388,50 - € 21.692 = € 124.696,50.

Verklaring voor recht

4.17.

[eiser] vordert ook een verklaring voor recht dat Blokker onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld dan wel is tekort geschoten in haar verplichtingen tegenover [eiser] door tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst haar verplichtingen jegens hem niet na te komen. [eiser] was blijkens haar toelichting tijdens de mondelinge behandeling van plan een vordering tot betaling van schadevergoeding (op te maken bij staat) in te dienen tegelijk met de overige vorderingen. Hij heeft dat uiteindelijk niet gedaan, omdat hij nog geen praktisch manier heeft gevonden om de schade te bepalen. Volgens [eiser] heeft hij belang bij een verklaring voor recht in het geval hij later een vergoeding vordert voor de schade die is geleden door het niet voorradig zijn van producten bij Blokker.

4.18.

Het is voldoende komen vast te staat dat Blokker tekort is geschoten in haar verplichtingen tegenover [eiser] (zie r.o. 4.4 en 4.5). Blokker voert aan dat op haar slechts een inspanningsverplichting rust en geen resultaatsverplichting. Of dit juist is kan in het midden blijven, nu immers ook als het een inspanningsverplichting zou betreffen uit de vaststaande feiten is af te leiden dat Blokker zich onvoldoende heeft ingespannen. [eiser] mocht als franchisenemer redelijkerwijs verwachten dat Blokker als franchisegever in voldoende mate producten kon leveren zodat [eiser] het filiaal op een rendabele manier zou kunnen exploiteren.

Dat was niet het geval. De rechtbank wijst daarom de gevorderde verklaring van recht toe.

De proceskosten

4.19.

[eiser] krijgt dus grotendeels gelijk. Blokker moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De rechtbank begroot de proceskosten van [eiser] op:

- dagvaarding 125,03

- griffierecht 1.666,00

- salaris advocaat 4.982,00 (2 punten × tarief VI € 2.491,-)

Totaal € 6.773,03

4.20.

De rechtbank wijst ook de over de proceskosten gevorderde wettelijke rente toe, op de manier zoals in de beslissing staat.

4.21.

Blokker wordt ook veroordeeld in de nakosten voor zover deze kosten op dit moment al kunnen worden begroot. Dit staat hieronder in de beslissing vermeld.

in reconventie

4.22.

Aan de voorwaarde dat de vorderingen van [eiser] in conventie worden afgewezen is niet voldaan. De rechtbank komt daarom niet toe aan behandeling van de vordering in reconventie.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt Blokker om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 124.696,50 (honderdvierentwintigduizend zeshonderdzesennegentig euro en vijftig eurocent),

5.2.

verklaart voor recht dat Blokker gedurende de looptijd van de franchiseovereenkomst te kort is geschoten tegenover [eiser] zoals vermeld in rechtsoverweging 4.18,

5.3.

veroordeelt Blokker in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 6.773,03 inclusief eventueel verschuldigde btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis,

5.4.

veroordeelt Blokker in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Blokker niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2022.

1 ECLI:NL:RBAMS:2020:4799

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.