De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 24 maart 2020 geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten, de genoegzaamheid van de feitsomschrijving en de vordering ex artikel 13, tweede lid, OLW (respectievelijk punt 3, 4 en 5). De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Deze overwegingen hebben – samengevat – niet tot het oordeel geleid dat op deze gronden sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in de Overleveringswet.
5.1
Inleiding
5.1.1
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 31 juli 2020 geoordeeld dat er in de
rechtsorde van Polen dusdanige structurele en/of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bestaan, dat de Poolse wetgeving de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht niet langer waarborgt. Gelet op de aard en de omvang van die geconstateerde gebreken is sprake van systemische gebreken. Dit oordeel van de rechtbank heeft betrekking op de gesignaleerde systemische gebreken en de rechtbank heeft, anders dan de officier van justitie ter zitting en de advocaat-generaal van het Hof van Justitie in zijn conclusie lijken te suggereren, op geen enkele wijze een oordeel gegeven over individuele Poolse rechters en hun opstelling ten opzichte van, met name, de uitvoerende
macht.
5.1.2
Voor de prejudiciële vragen die de rechtbank aan het Hof van Justitie heeft gesteld, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 31 juli 2020, rubriek 3, punten 20, 27 en 34 en voor een weergave van de antwoorden die het Hof van Justitie daarop heeft gegeven naar haar uitspraak van 27 januari 2021, punten 5.1.4 - 5.1.5.
5.1.3
Tevens verwijst de rechtbank naar hetgeen zij in de punten 5.2 en 5.3.1, tweede alinea, van die uitspraak heeft overwogen. De gegevens die blijk geven van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft, volstaan op zichzelf niet om de hoedanigheid van “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan elke Poolse rechter en rechterlijke instantie te ontzeggen, zo volgt uit punt 50 van het arrest.
5.1.4
Wat betreft de vraag of er, naast de structurele en/of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat, gegevens voorhanden zijn die tot een dergelijke diskwalificatie zouden kunnen leiden, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierna onder punt 6.3 overweegt.
5.1.5
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank in lijn met het toetsingsschema zoals neergelegd in het arrest Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) nog moet beoordelen of de genoemde gebreken gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties die bevoegd zijn om kennis te nemen van de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen en of hij een reëel gevaar loopt dat zijn recht op een eerlijk proces wordt geschonden in geval van overlevering aan Polen. Daarbij dient de rechtbank een concrete en nauwkeurige verificatie te verrichten waarbij met name rekening gehouden wordt met de persoonlijke situatie van de opgeëiste persoon, de aard van het strafbare feit en de feitelijke context waarin het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zoals verklaringen van overheidsinstanties die de behandeling van het individuele geval kunnen beïnvloeden.
De rechtbank dient bij het verrichten van deze verificatie waakzaam te zijn, zo volgt uit punt 60 van het arrest van het Hof van Justitie.
5.3
Oordeel van de rechtbank
5.3.1
Zoals hiervoor reeds overwogen, heeft de rechtbank in de verwijzingsuitspraak van
31 juli 2020 geoordeeld dat er in de rechtsorde van Polen dusdanige structurele en/of fundamentele gebreken met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen bestaan, dat de Poolse wetgeving de onafhankelijkheid van de Poolse rechterlijke macht niet langer waarborgt.
5.3.2
Ook heeft de rechtbank in de verwijzingsuitspraak geoordeeld dat deze systemische gebreken een negatieve invloed kunnen hebben op alle gerechten en dus op alle rechters in Polen.
5.3.3
Zoals de rechtbank al heeft geoordeeld in haar uitspraak van 27 januari 2021, geeft het arrest van het Hof van Justitie geen aanleiding om terug te komen op beide oordelen. De ontwikkelingen in Polen sinds de verwijzingsuitspraak sterken haar juist in de overtuiging dat deze oordelen juist zijn.
5.3.4
Het oordeel dat de systemische gebreken negatieve gevolgen kunnen hebben voor alle gerechten en voor alle rechters brengt mee dat die systemische gebreken negatieve gevolgen kunnen hebben voor de gerechten die bevoegd zijn om kennis te nemen van de strafzaak tegen de opgeëiste persoon.
5.3.5
In dit verband stelt de rechtbank vast dat in Polen een tuchtkamer is ingesteld en ook daadwerkelijk functioneert, alhoewel dit in strijd is met de interim maatregel van het Hof van Justitie, op grond waarvan het functioneren van die tuchtkamer zou moeten zijn opgeschort7. Bovendien heeft de Poolse Hoge Raad geoordeeld dat deze tuchtkamer in strijd is met artikel 47 van het Handvest en de Poolse grondwet omdat de tuchtprocedure voor deze tuchtkamer teveel ingrijpt op de positie van de rechter. De rechtbank stelt verder vast dat op 14 februari 2020 de Amendments to the act on the system of common courts, the act on the supreme court, the act on the national council of the judiciary and certain other acts, samengebracht in de zogenoemde ‘law on the judiciary of 20 December 2019’, in werking zijn getreden die ook ingrijpen op de onafhankelijke positie van Poolse rechters8. De rechtbank stelt tot slot vast dat bij de benoeming van rechters in Polen de Poolse National Council of the Judiciary (hierna: KRS) een belangrijke rol speelt en de Poolse Hoge Raad reeds heeft geoordeeld dat deze KRS niet voldoende onafhankelijk is ten opzichte van de andere staatsmachten. Deze drie, in Poolse wetgeving vastgelegde, mogelijkheden voor de uitvoerende en wetgevende macht om invloed uit te oefenen op de rechterlijke macht in Polen hebben naar het oordeel van de rechtbank bezien in zijn totaliteit en onderlinge samenhang een onmiskenbaar “chilling effect” op Poolse rechters en dus op het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van de zaak tegen de opgeëiste persoon.
5.3.6
De rechtbank stelt in dat verband verder vast dat er nieuwe informatie voorhanden is waaruit blijkt dat ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden voor de uitvoerende en wetgevende macht om invloed uit te oefenen op de rechterlijke macht in Polen, waardoor de druk op de rechterlijke macht in Polen toeneemt. Zo is er onder meer informatie voorhanden dat 14 rechters uit Kraków worden vervolgd wegens inhoudelijke beslissingen die zij hebben genomen9 en hebben zich wijzigingen in de KRS voorgedaan die de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht nog meer lijken te beperken10.
Verder heeft de Europese Commissie op 27 januari 2021 een ‘additional reasoned opinion’ ingediend11 in het kader van de inbreukprocedure die zij op 29 april 2020 is gestart betreffende de nieuwe Law on the judiciary12 die op 14 februari 2020 in werking is getreden. De aanvulling betreft, kort gezegd, het standpunt van de Commissie dat het feit dat the Disciplinary Chamber of the Supreme Court, waarvan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet is gegarandeerd, beslissingen neemt die direct invloed hebben op rechters en op de wijze waarop zij hun ambt uitoefenen, in strijd met het EU-recht is. Deze informatie bevestigt eens te meer het oordeel van de rechtbank dat de geconstateerde gebreken een “chilling effect” hebben op Poolse rechters en dus op het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van de zaak tegen de opgeëiste persoon.
5.3.7
Wat betreft het “chilling effect” blijkt uit het antwoord van de uitvaardigende justitiële autoriteit op door de rechtbank gestelde vragen voorts dat de strafzaak tegen de opgeëiste persoon in eerste aanleg wordt behandeld door the Regional Court in Poznań. Tegen the Chief Justice of the Regional Court in Poznań is een tuchtprocedure gevoerd die op 24 mei 2019 is gestart. Tevens is op 7 februari 2019 een tuchtprocedure gestart tegen een rechter van the Regional Court in Poznań. Dit betekent dat ten minste twee rechters (onder wie de president) van het gerecht dat in eerste aanleg bevoegd is om kennis te nemen van de strafzaak tegen de opgeëiste persoon een tuchtprocedure bij de hiervoor genoemde tuchtkamer hebben ondergaan, dan wel op dit moment nog ondergaan.
5.3.8
De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon in beeld is bij andere – deels tot de uitvoerende macht behorende – Poolse autoriteiten dan de uitvaardigende justitiële autoriteit en bij de Poolse media, in verband met de publiciteit rondom zijn – naar het Hof van Justitie verwezen – zaak. Ook beschikt de rechtbank over een document ondertekend met de naam van de ‘national prosecutor’ in Polen, dat is gericht aan Poolse officieren van justitie. De opgeëiste persoon wordt niet alleen met naam en toenaam in dit memo genoemd, maar ook de aard van de verdenking tegen hem wordt vermeld en het zaaknummer van het onderzoek dat in Polen tegen hem loopt. Bovendien wordt in dit memo benoemd dat als gevolg van (de in) de zaak van de opgeëiste persoon (gestelde prejudiciële vragen) de uitvoering door Nederland van Poolse EAB’s in andere zaken is opgeschort. De zaak van de opgeëiste persoon heeft ook de aandacht getrokken van de media en de politiek in Polen13. Dit alles heeft tot gevolg dat de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden beschouwd als een willekeurige Poolse verdachte om wiens overlevering is verzocht, maar dat hij daarentegen in de bijzondere aandacht van de autoriteiten staat waardoor een gevaar bestaat dat het genoemde “chilling effect” concreet in zijn procedure zal doorwerken.
5.3.9
De rechtbank acht daarbij voorts van belang dat door de zaak van de opgeëiste persoon, in het bijzonder de prejudiciële vragen die in zijn overleveringszaak zijn gesteld en die zien op de Poolse rechtsstaat, de gemoederen in Polen hoog zijn opgelopen. De rechtbank verwijst naar voornoemd memo gericht aan het Pools openbaar ministerie. Daarin worden niet alleen, zoals reeds overwogen, de naam en de strafzaak van de opgeëiste persoon genoemd. Daarin is ook opgenomen dat als reactie op de verwijzing van de zaak door deze rechtbank naar het Hof van Justitie, officieren van justitie in Polen wordt bevolen om een bijzonder nauwkeurige analyse van specifiek door de Nederlandse autoriteiten uitgevaardigde EAB’s uit te voeren met het oog op het bestaan van dwingende voorwaarden voor weigering, waarbij wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank in Warschau waarbij de overlevering van Nederlandse onderdanen naar Nederland is geweigerd14.
5.3.10
In dit verband legt eveneens gewicht in de schaal dat de advocaat namens de opgeëiste persoon zich ook ten overstaan van het Hof van Justitie in het bijzijn van de Poolse procesvertegenwoordigers aldaar, kritisch heeft uitgelaten over de toestand waarin de Poolse rechtsstaat verkeert.
5.3.11
Daarbij komt, zoals hiervoor onder paragraaf 3. aan de orde was, dat een aantal door deze rechtbank gestelde vragen niet, onvolledig dan wel niet helder zijn beantwoord door de Poolse uitvaardigende autoriteit. De vraag van de rechtbank over het functioneren van de Poolse tuchtkamer na de interim-maatregel van het Hof van Justitie van 8 april 2020 is niet beantwoord. De vraag van de rechtbank over het bestaan en de gevolgen van een brief van het Poolse ministerie van justitie aan Poolse gerechten van 13 september 2019 is niet volledig en niet helder beantwoord, nu de vraag was of de uitvaardigende justitiële autoriteit deze brief heeft ontvangen en het antwoord luidt dat de behandelende ‘judge-rapporteur’ de brief niet kent. Als gevolg daarvan beschikt de rechtbank dan ook niet over zodanige antwoorden op de genoemde vragen, dat deze informatie bevatten die de zorgen van de rechtbank geheel of gedeeltelijk wegnemen.
5.3.12
Al de bovengenoemde elementen tezamen en in onderling verband bezien leiden de rechtbank tot het oordeel dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht in Polen zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast.