zaaknummer / rolnummer: C/13/702665 / KG ZA 21-436 MDvH/MV
Vonnis in kort geding van 29 juni 2021
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres 1]
,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres 2]
,
beide gevestigd te [plaats] ,
eiseressen bij dagvaarding van 7 juni 2021,
advocaat mr. H.M. Punt te Amsterdam,
tegen
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. A.F. van Ingen te Utrecht.
Eiseressen zullen hierna ook [eiseres 1] en [eiseres 2] worden genoemd. Gedaagde zal hierna ook Rabobank worden genoemd.
1 De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 15 juni 2021 hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] de dagvaarding toegelicht. De Rabobank heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] : [naam 1] en [naam 2] met mr. Punt en zijn kantoorgenoot mr. K. Willms;
aan de zijde van Rabobank: [naam 3] en [naam 4] met mr. Van Ingen. Na verder debat is vonnis bepaald op 29 juni 2021.
2 De feiten
2.1.
Op 11 mei 2020 zijn [eiseres 1] en [eiseres 2] opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres 1] is [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseres 2] is [naam 2] (hierna: [naam 2] ).
2.2.
In juni 2020 hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] ieder 25% van de aandelen in Café City Hall B.V. (Café City Hall) overgenomen van een vennootschap die in handen is van [naam 5] , de tante van [naam 1] en de moeder van [naam 2] . Café City Hall exploiteert onder de handelsnaam Prix d’Ami een coffeeshop in het centrum van Amsterdam. Café City Hall beschikt over een zakelijke bankrekening bij de Rabobank.
2.3.
Op 30 november 2020 hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] een zakelijke bankrekening aangevraagd bij Rabobank. Bij brief van 23 februari 2021 heeft Rabobank die aanvragen afgewezen. In die brief is opgenomen: “Op grond van ons acceptatiebeleid gaan wij geen nieuwe zakelijke relatie aan met ondernemingen die actief zijn in de coffeeshopsector. Daarom hebben wij besloten om uw aanvraag voor een zakelijke rekening af te wijzen.”
2.4.
Bij brief van 26 maart 2021 heeft de raadsman van [eiseres 1] en [eiseres 2] aan Rabobank onder meer bericht dat het categoraal uitsluiten van bedrijfstakken niet is toegestaan. Rabobank is in de brief verzocht alsnog zakelijke bankrekeningen te openen.
2.5.
Uit de brief van 7 april 2021 van de raadsman van Rabobank volgt dat niet aan dit verzoek wordt voldaan omdat een aantal zaken niet helder is. Mocht daarvoor een plausibele verklaring volgen dan zal Rabobank bezien in hoeverre zij haar eerdere besluit dient te heroverwegen, aldus de brief.
2.6.
Bij brief van 16 april 2021 heeft de raadsman van [eiseres 1] en [eiseres 2] gereageerd op de onder 2.5 genoemde brief. Uit een brief van 22 april 2021 van de advocaat van Rabobank volgt dat de aanvragen niet opnieuw in behandeling zullen worden genomen.
3 Het geschil
3.1.
[eiseres 1] en [eiseres 2] vorderen – kort gezegd – Rabobank te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis een zakelijke bankrekening te openen voor [eiseres 1] en [eiseres 2] , met veroordeling van Rabobank in de kosten van dit geding en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eiseres 1] en [eiseres 2] stellen hiertoe – samengevat weergegeven – dat zij een spoedeisend belang hebben bij toewijzing van hun vordering. Zonder een zakelijke bankrekening kunnen zij niet deelnemen aan het betalingsverkeer. Rabobank is op grond van haar bijzondere zorgplicht verplicht de zakelijke bankrekeningen te openen. De bijzondere zorgplicht begrenst de contractsvrijheid van banken. Dat de dochteronderneming van [eiseres 1] en [eiseres 2] (Café City Hall) een coffeeshop exploiteert is geen reden voor het weigeren van de bankrekening, zeker niet nu Café City Hall al een zakelijke rekening heeft bij Rabobank. Er is in dit geval geen sprake van integriteitsrisico’s als bedoeld in de Wet financieel toezicht (Wft) en in de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). Rabobank heeft in dit kader niet eens een cliëntenonderzoek gedaan.
3.3.
Rabobank heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat zij zich beroept op contractsvrijheid, een fundamenteel beginsel in de Nederlandse rechtsorde. Anders dan bij consumenten bestaat er voor ondernemingen geen absoluut recht op een bankrekening. Ook in het kader van de toezichtswetgeving (Wft en Wwft) heeft Rabobank beleidsvrijheid bij het wel of niet accepteren van bepaalde klanten. Rabobank heeft haar weigering om [eiseres 1] en [eiseres 2] te accepteren niet alleen gestoeld op het feit dat zij zijn gerelateerd aan een coffeeshop (alhoewel in de brief van 23 februari 2021, zie 2.3, anders wordt gesuggereerd). De bestuurders van [eiseres 1] en [eiseres 2] ( [naam 1] en [naam 2] ) houden een persoonlijke bankrekening aan bij andere banken en Rabobank is van mening dat het voor de hand ligt dat [eiseres 1] en [eiseres 2] een zakelijke bankrekening aanvragen bij die andere banken. Die andere banken hebben immers een cliëntenonderzoek uitgevoerd als bedoeld in artikel 3 Wwft. Indien die andere banken kennelijk (en om onduidelijke redenen) geen zakelijke bankrekening verstrekken, kan van Rabobank niet worden verwacht dit wel te doen. Rabobank heeft de nodige terechte vraagtekens geplaatst bij de koopsom van de aandelen in Café City Hall (afgezet tegen de hoge omzet en de netto resultaten van Café City Hall), bij het feit dat die koopsom is geleend van de verkopende partij en bij het feit dat is gekozen voor een structuur met persoonlijke holdings. Een verplichting een bankrekening te verstrekken zou bovendien in strijd zijn met de Wwft waarin is opgenomen dat pas een bankrekening kan worden verstrekt nadat een cliëntenonderzoek met succes is afgerond. Verder voert Rabobank aan dat het spoedeisend belang bij toewijzing van de vordering niet is aangetoond. Er is geen directe noodzaak dividenduitkeringen en/of aflossingen op de lening via een bankrekening van [eiseres 1] en [eiseres 2] te laten lopen. Mocht desalniettemin worden geoordeeld dat een spoedeisend belang aanwezig is, dan verzoekt Rabobank aan een toewijzend vonnis de voorwaarde te verbinden dat zij eerst in staat moet worden gesteld een cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wwft volledig en met succes af te ronden. Daarvoor heeft zij een termijn nodig van tenminste vier weken.
4 De beoordeling
4.1.
[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben een spoedeisend belang bij het instellen van hun vordering in dit kort geding. Zonder een zakelijke bankrekening kunnen zij hun (financiële) verplichtingen, zoals aflossing van de lening die is gesloten ten behoeve van de aankoop van de aandelen in Café City Hall, alsmede hun verplichtingen jegens de fiscus, niet nakomen. Zonder een zakelijke bankrekening kunnen zij evenmin dividenduitkeringen ontvangen. Dat er geen noodzaak is aflossingen en dividenduitkeringen via een bankrekening van [eiseres 1] en [eiseres 2] te laten verlopen, zoals Rabobank heeft aangevoerd, is onjuist. Dat er mogelijk vanwege de coronacrisis op dit moment überhaupt geen aflossingen worden gedaan en/of dividend wordt uitgekeerd, zoals eveneens door Rabobank aangevoerd, maakt evenmin dat [eiseres 1] en [eiseres 2] geen spoedeisend belang hebben bij het instellen van hun vordering.
4.2.
Het belangrijkste verweer van Rabobank is dat zij gezien de contractsvrijheid niet verplicht kan worden tot het openen van een (zakelijke) bankrekening. Hierin wordt Rabobank niet zonder meer gevolgd. De contractsvrijheid is voor banken gezien hun bijzondere zorgplicht niet onbegrensd. Het hebben van een bankrekening is noodzakelijk om in volle omvang aan het maatschappelijk verkeer te kunnen deelnemen. In dit verband wordt verwezen naar de conclusie van mr. T. Hartlief, procureur-generaal bij de Hoge Raad van 12 maart 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:239) waarin onder meer het volgende is opgenomen:
Ik sluit niet uit dat de bijzondere zorgplicht onder bepaalde (bijzondere) omstandigheden een bank kan verplichten (opnieuw) een contractuele relatie met een derde aan te gaan. De in de rechtspraak ontwikkelde bijzondere zorgplicht, die op zijn beurt voortvloeit uit de in art. 6:162 BW neergelegde zorgvuldigheidsnorm, betreft immers een open norm, die met de tijd mee-ontwikkelt en niet op voorhand tot bepaalde situaties is beperkt. Daarom moet telkens opnieuw aan de hand van de omstandigheden van het geval worden bezien tot welke zorg de bank in het concrete geval jegens de derde(n) is gehouden. In dit systeem past niet dat bepaalde zorg, zoals het aangaan van een (standaard) contractuele relatie met een derde, bij voorbaat is uitgesloten van de bijzondere zorgplicht van de bank.
Daarbij komt dat de achtergrond van de bijzondere zorgplicht van de bank in de eerste plaats wordt gezocht in de spilfunctie die banken in het maatschappelijke verkeer vervullen. Zeker in het digitale tijdperk waarin we nu leven, is het simpelweg niet meer (goed) mogelijk om aan het maatschappelijk verkeer – en daarmee de samenleving – deel te nemen zonder in elk geval toegang te hebben tot een betaalrekening. De weigering van een bank om een contractuele relatie met een derde aan te gaan (in het bijzonder met betrekking tot een betaalrekening), kan er derhalve toe leiden dat de derde van het maatschappelijk verkeer en de samenleving wordt uitgesloten. De bank heeft wat dat betreft dus een zekere ‘macht’ over (de) derde(n) en een weigering van de bank om (opnieuw) met de derde(n) in zee te gaan, kan (en zal) voor de derde(n) ingrijpende gevolgen hebben. Ook gelet op dit ‘machtsonevenwicht’ acht ik het niet uitgesloten dat een bank, onder bepaalde (bijzondere) omstandigheden, kan worden verplicht om (opnieuw) een contractuele relatie met de derde(n) aan te gaan.
4.3.
Ook in dit geval wordt geoordeeld dat Rabobank op grond van haar bijzondere zorgplicht verplicht kan worden gesteld ten behoeve van [eiseres 1] en [eiseres 2] zakelijke bankrekeningen te openen. De in de loop der tijd door Rabobank aangevoerde bezwaren tegen [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn niet steekhoudend. Rabobank heeft [eiseres 1] en [eiseres 2] aanvankelijk alleen het algemene verwijt gemaakt dat zij zijn gerelateerd aan Café City Hall, een vennootschap die een coffeeshop drijft (zie de onder 2.3 geciteerde brief van 23 februari 2021). Rabobank heeft in dit verband echter geen concrete bezwaren over Café City Hall of over [eiseres 1] en [eiseres 2] naar voren gebracht, terwijl zij Café City Hall kent omdat deze vennootschap al een zakelijke bankrekening heeft bij Rabobank. Een dergelijke categorale uitsluiting is niet toegestaan. De nadien door Rabobank naar voren gebrachte bezwaren zijn evenmin steekhoudend. Dat andere banken (de banken waar [naam 1] en [naam 2] een privérekening aanhouden) een zakelijke bankrekening hebben geweigerd, geeft Rabobank nog niet het recht dit ook te doen. De vraagtekens die Rabobank heeft geplaatst bij de hoogte van de koopprijs voor de 50% aandelen in Café City Hall, bij het feit dat die koopprijs is geleend van de verkoper en bij de structurering via persoonlijke holdings, zijn voorshands niet terecht. De aandelentransactie heeft, zoals ter zitting toegelicht, plaatsgevonden in de familiesfeer (moeder, die onder meer om medische redenen met pensioen wil, verkoopt haar aandelen aan haar dochter en nicht die al in de zaak werkzaam zijn). De hoogte van de koopprijs, die mogelijk op het eerste gezicht in het licht van de omzetten die Café City Hall maakt, aan de lage kant is, kan bovendien goed worden verklaard door de groeiende onzekerheid waarin coffeeshops verkeren die zijn gevestigd in het centrum van Amsterdam en die zich met name richten op toeristen. Dat de aandelen worden gehouden via een structuur van persoonlijk holdings is in het geheel niet ongebruikelijk.
4.4.
Verder heeft Rabobank aangevoerd dat een verplichting om een relatie aan te gaan met [eiseres 1] en [eiseres 2] in strijd zou zijn met de Wwft omdat het cliëntenonderzoek nog niet met succes is afgerond. Dit zou haar tenminste vier weken kosten, zoals blijkt uit haar pas ter zitting ingenomen standpunt (zie onder 3.3). Ook dit kan niet leiden tot het afwijzen van de vordering, noch tot het verbinden van een voorwaarde aan toewijzing dat Rabobank eerst vier weken de tijd krijgt het cliëntenonderzoek te doen. Niet bestreden is dat [eiseres 1] en [eiseres 2] reeds in november 2020 de aanvraag tot het openen van een bankrekening hebben ingediend. Vervolgens zijn zij aan het lijntje gehouden, zoals blijkt uit de in het geding gebrachte correspondentie, en heeft Rabobank geen enkele moeite gedaan om het cliëntenonderzoek te starten. Toen Rabobank met concrete bezwaren kwam, zijn die uitgebreid weerlegd in de brief van 16 april 2021 van de raadsman van [eiseres 1] en [eiseres 2] . Rabobank heeft dus ruimschoots de gelegenheid gehad tot het doen van een cliëntenonderzoek. Dat zij dit kennelijk nog niet heeft gedaan komt voor haar risico. Er zijn bovendien voorshands geen aanwijzingen dat het cliëntenonderzoek ingewikkeld is of problemen zal opleveren. [naam 1] en [naam 2] zijn jonge vrouwen die werkzaam zijn in de door Café City Hall (bij Rabobank bekende) gedreven coffeeshop en hebben verder geen zakelijke activiteiten. Wel zal Rabobank bij toewijzing van de vordering om administratieve redenen een termijn van twee weken worden gegund, zoals zij subsidiair heeft verzocht.
4.5.
Rabobank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proces- en nakosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] worden begroot op:
- betekening oproeping € 85,81
- griffierecht 667,00
- salaris advocaat 1.016,00
Totaal € 1.768,81
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt Rabobank om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een zakelijke bankrekening te openen voor [eiseres 1] en [eiseres 2] ,
5.2.
veroordeelt Rabobank in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres 1] en [eiseres 2] tot op heden begroot op € 1.768,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt Rabobank in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten met ingang van de veertiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2021.1