4.3.1.
Gewoontewitwassen Yab Yum (feit 1) – vrijspraak
Omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat [naam oud-eigenaar] door de afpersing/bedreiging Yab Yum heeft overgedragen, kan niet bewezen worden dat (de rechten op) Yab Yum afkomstig is uit misdrijf. Verdachte wordt van het witwassen van Yab Yum vrijgesproken.
Voor het bewijzen van witwassen is vereist dat het witgewassen voorwerp, in dit geval (de rechten op) Yab Yum , afkomstig is uit misdrijf. De beschuldiging ziet er op dat Yab Yum uit bedreiging/afpersing (door anderen dan verdachte) afkomstig is. Uit het dossier volgt dat [naam oud-eigenaar] is afgeperst en/of bedreigd door [naam 2] en [naam 3] . Deze afpersing/bedreiging heeft ertoe geleid dat [naam oud-eigenaar] heeft besloten om Yab Yum te verkopen. [naam oud-eigenaar] heeft Yab Yum vervolgens aan verdachte verkocht. Ook is gebleken dat de bedreigingen nadat Yab Yum is verkocht, zijn opgehouden. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om te kunnen spreken van een causaal verband tussen de afpersing/bedreiging en de verkoop van Yab Yum aan verdachte. Zo is uit het procesdossier niet gebleken wat het beoogde resultaat moet zijn geweest van de handelingen van [naam 2] en [naam 3] . Het is niet duidelijk geworden of het hen om geld ging of om Yab Yum . Uit het procesdossier komt niet vast te staan dat de bedreiging/afpersing is gericht op het overnemen van Yab Yum door verdachte. Daardoor is het door verdachte geschetste scenario niet uit te sluiten. Door het ontbreken van het causale verband kan dan ook niet worden bewezen dat Yab Yum van enig misdrijf afkomstig is geweest. Verdachte wordt daarom vrijgesproken.
4.3.2.
Witwassen van 1.325.000 gulden uit drie leningen (feit 2) – veroordeling
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte ruim 1,3 miljoen gulden heeft witgewassen.1
In de administratie van verdachte zijn drie leningsovereenkomsten uit 1982, 1985 en 1987 aangetroffen tussen het bedrijf van verdachte (ontvanger) en het bedrijf [naam bedrijf 1] in [plaats] (uitlener). Het gaat in totaal om 1.325.000 gulden.2
Voor een veroordeling voor witwassen moet de rechtbank vaststellen:
- -
dat het geld van misdrijf afkomstig was,
- -
dat verdachte dat wist (opzetwitwassen) of redelijkerwijs moest vermoeden (schuldwitwassen) en
- -
dat verdachte daarmee een of meer witwasgedragingen heeft verricht (bijvoorbeeld voorhanden hebben of verhullen van rechthebbende/ herkomst / vindplaats).
Van misdrijf afkomstig?
In het dossier zit geen bewijsmiddel waaruit rechtstreeks blijkt dat het geld van misdrijf afkomstig is. Ook als niet meteen duidelijk is uit welk specifiek misdrijf het geld afkomstig zijn, kan witwassen in bepaalde gevallen bewezen worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het geld van misdrijf afkomstig is. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van het geld. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van dat geld worden bewezen.
Vermoeden van witwassen
De directeur van [naam bedrijf 1] is [naam 1] , die zich ook [bijnaam 1] en [bijnaam 2] , noemt.3 De rechtbank duidt hem hierna aan als [naam 1] . [naam 1] is in de jaren ’80 in Frankrijk en Zwitserland veroordeeld voor betrokkenheid bij grootschalige internationale handel in verdovende middelen en fraude. In 1986 is [naam 1] samen met [naam 4] , volgens [naam oud-eigenaar] een vriend van verdachte, in Frankrijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar voor de handel in verdovende middelen en fraude.4 In het Franse onderzoek is een schema aangetroffen met de namen van [naam 4] en van verdachte.5 In een ander Frans onderzoek naar drugshandel is een schema aangetroffen waarin [naam 1] centraal staat en in direct verband wordt gebracht met onder andere [naam 4] en [verdachte] .6 Ook staat verdachte in een schema met [naam 1] , met betrekking tot de smokkel van koffers heroïne.7 [naam 1] is in 1981 aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij handel in honderdtachtig kilo heroïne. Bij die aanhouding was [naam 1] in het gezelschap van verdachte en is bij verdachte 18.000 dollar en 12.000 Zwitserse franken in beslag genomen.8
Verdachte heeft verklaard dat het geld van [naam bedrijf 1] deels contant op zijn rekening is gestort en deels contant vanuit Engeland overgemaakt op diezelfde rekening.9 Op de leningsovereenkomsten staat dat ze zijn aangegaan voor tien jaar, met een rentepercentage van zeven procent per jaar. Er worden geen zekerheden gesteld.10 Verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft afgelost op de leningen en geen rente heeft betaald. Dit blijkt ook uit jaarrekeningen van 2006 tot en met 2009 en de aangifte inkomstenbelasting uit 2012.11
De rechtbank concludeert hieruit dat hoewel verdachte en [naam 1] geen zakelijke banden hadden, [naam 1] aan verdachte een flink bedrag ter beschikking heeft gesteld, zonder enige vorm van zekerheidstelling. Dat is gebeurd in de vorm van drie leningen, van het bedrijf van [naam 1] aan het bedrijf van verdachte, terwijl er feitelijk, anders dan in de overeenkomsten staat, geen verplichting tot rentebetaling of aflossing bestond. Het geld is gedeeltelijk contant en gedeeltelijk via het buitenland op de rekening van het bedrijf van verdachte gestort. [naam 1] werd in die periode veelvuldig verdacht van drugshandel, waarvoor hij in 1986 ook is veroordeeld. Op grond van deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien vindt de rechtbank dat sprake is van een zeer stevig vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig is. Dat betekent dat van verdachte een verklaring over de legale herkomst van het geld mag worden verlangd.
Verklaring van verdachte
Verdachte heeft geen verklaring gegeven over de legale herkomst van het geld. Verdachte heeft onder meer verklaard dat hij niets wist van het drugsverleden van [naam 1] . Hij dacht dat [naam 1] een sjeik was en dat hij zijn geld verdiende met de handel in goud en zilver. Verdachte heeft [naam 1] niet gevraagd naar de herkomst van de 1,3 miljoen gulden omdat hij wist dat [naam 1] heel rijk was. Op grond van deze verklaring van verdachte, die hij deels pas op de zitting heeft gegeven, heeft het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek hoeven doen.
Tussenconclusie: van misdrijf afkomstig
De rechtbank vindt dat het niet anders kan zijn dan dat de ruim 1,3 miljoen gulden die verdachte van [naam 1] heeft ontvangen uit misdrijf afkomstig is.
Opzetwitwassen
De rechtbank vindt dat verdachte ook wist dat het om geld uit misdrijf ging. Dat verdachte niet zou hebben geweten van [naam 1] ’s betrokkenheid bij drugshandel vindt de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig gelet op het feit dat [naam 1] en verdachte in een aantal onderzoeken naar drugshandel samen voorkomen, en [naam 1] en [naam 4] daarvoor beiden veroordeeld zijn tot lange gevangenisstraffen. Ook is [naam 1] in het bijzijn van verdachte aangehouden en werd een fors bedrag bij verdachte in beslag genomen. De rechtbank leidt hier uit af dat verdachte wist dat [naam 1] zijn geld verdiende met de handel in drugs.
Witwasgedraging: verhullen werkelijke aard
De rechtbank stelt vast dat feitelijk nooit sprake is geweest van een lening van het bedrijf van [naam 1] aan het bedrijf van verdachte. Verdachte heeft nooit 1 rente- of aflossingsbetaling gedaan, en [naam 1] heeft hem daar ook nooit om gevraagd. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat het van meet af aan duidelijk was dat hij het geld niet terug hoefde te betalen. De notariële akte uit 2014 waarin [naam 1] zegt vanaf die datum het eerdere geleende geld aan verdachte te schenken, maakt dat niet anders. De akte verschijnt schijnbaar uit het niets en ruim nadat duidelijk is dat het onderzoek zich ook op de drie leningsovereenkomsten richt. De rechtbank kan deze akte niet meer verifiëren. De mededeling in 2014 maakt echter niet dat verdachte en [naam 1] in 1982, 1985 en 1987 daadwerkelijk (dus niet uitsluitend op papier) leningsovereenkomsten zijn aangegaan. De rechtbank vindt dan ook dat de drie leningsovereenkomsten door [naam 1] en verdachte zijn opgemaakt om de werkelijke aard en herkomst van het geld te verhullen en daar een zakelijke titel aan te geven. Door het geldbedrag in de boekhouding als langlopende schuld op te nemen, heeft verdachte de verhulling van de werkelijke aard voortgezet. Dat betekent dat verdachte zich in de hele periode van de tenlastelegging, augustus 2004 tot en met augustus 2016 schuldig heeft gemaakt aan witwassen. In die periode, 17 jaar na de laatste leningsovereenkomst, had verdachte het geld al lang uitgegeven en dus niet meer voorhanden. Voor wat betreft het verhullen gaat het hier weliswaar om een lange periode en hoge bedragen, maar feitelijk heeft verdachte, binnen deze tenlastelegging, na 1987 geen nieuwe bedragen meer witgewassen, maar is hij steeds de eerdere bedragen blijven verhullen. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank dat er geen sprake is van gewoontewitwassen. Er zijn geen aanknopingspunten dat verdachte het verhuld houden van de werkelijke aard van het geld van [naam 1] samen met iemand anders heeft gedaan. Van het medeplegen van witwassen wordt hij vrijgesproken.
4.3.3.
Het openbaar maken van een onware balans (feit 3) – veroordeling
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte een onware balans openbaar heeft gemaakt door deze aan Dienst Justis (Ministerie van Veiligheid en Justitie) te sturen.
Verdachte heeft in het kader van een Bibob-procedure een vragenbrief ontvangen op 16 oktober 2014. De vragen zien onder andere op de drie leningen waar de beschuldiging onder 2 op ziet. Op 30 oktober 2014 hebben verdachte en zijn vrouw een reactie op de vragenbrief naar Dienst Justis gestuurd waarin zij schrijven dat de leningen zien op [naam VOF] waarbij zij verwijzen naar de bijgevoegde jaarstukken.12 Bij deze stukken zit een balans per 31 december 2013 waarop onder de post “langlopende schulden” een schuld van € 652.938 is opgenomen.
De rechtbank vindt dat geen sprake is geweest van leningen, zie ook hiervoor over feit 2, en dat ten onrechte een schuld op de balans is opgenomen. Doordat verdachte de balans aan Dienst Justis heeft verstrekt, heeft hij die openbaar gemaakt. Verdachte heeft zich daarom als vennoot van [naam VOF] schuldig gemaakt aan het openbaar maken van een onware balans.