Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:9123

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2019
Datum publicatie
09-12-2019
Zaaknummer
AWB 18-7022
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd aan eiseres een omgevingsvergunning te verlenen. Op het moment van de aanvraag had eiseres de aangevraagde wijzigingen al uitgevoerd. Het besluit van verweerder om te weigeren is in overeenstemming met de bedoeling van de planwetgever en adviezen van de Commissie ruimte en duurzaamheid. Verweerder heeft in redelijkheid het belang van eiseres bij het kunnen handhaven van de gerealiseerde wijzigingen minder zwaar mogen laten wegen. De rechtbank concludeert dat het niet onredelijk is dat het college de omgevingsvergunning heeft geweigerd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/7022

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juli 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en het college.

Procesverloop

Met een besluit van 25 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft het college geweigerd aan [eiseres] een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van het gebouw [adres] (het pand).

Met een besluit van 18 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiseres] deels gegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. [eiseres] en het college hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Ter zitting waren ook aanwezig [naam] namens [naam] en [naam] namens [naam] , mede-eigenaren van het pand.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Het pand is een rijksmonument. In 2016 is het aangekocht door [eiseres] en de twee mede-eigenaren. Het pand verkeerde in slechte staat. Er was op dat moment een bouwvergunning van 3 december 1996. Bij het opknappen van het pand is ervoor gekozen om het bouwplan te optimaliseren. Dat heeft ertoe geleid dat in afwijking van de verleende bouwvergunning is gebouwd.

2. Om deze situatie te legaliseren, heeft [eiseres] op 2 augustus 2017 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het veranderen van het pand. Het gaat om de aangebrachte extra verdieping, de verwijderde uitbouw en de ophoging van het gebouw met bestemming daarvan tot zeven woningen. Daarbij zijn het dak en de goten, het binnenwerk en de gevels veranderd. De oppervlakte van het pand is niet vergroot, maar de hoogte dus wel. Verder zijn er meer ramen in de oostgevel geplaatst.

3. Het college heeft geweigerd vergunning te verlenen voor het bouwen, het afwijken van het bestemmingsplan en het op enige wijze veranderen van het monument. Het bouwplan is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergroting van het pand en de wijziging van de kapvorm een onaanvaardbare verstoring van het stadsbeeld is. Ook gaat de vergroting te veel ten koste van de openheid van de binnentuin en de lichttoetreding van de omliggende bebouwing. Ten slotte vond het college dat het plan zou leiden tot een ongewenste intensivering van het gebruik op het binnenterrein. Omdat geen medewerking werd verleend aan het afwijken van het bestemmingsplan, was verlening van een vergunning voor het veranderen van het monument niet aan de orde.1

4. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van [eiseres] gegrond verklaard, omdat het college in het primaire besluit onvoldoende had gemotiveerd waarom de vergroting van het pand en de wijziging van de kapvorm een onaanvaardbare verstoring van het stadsbeeld zouden opleveren. Omdat het college wel goed gemotiveerd had waarom het college aan het handhaven van de bestaande openheid van de binnentuin achter het pand een groter belang toekende dan aan het belang van de aanvrager – en op die grond alleen al de aanvraag kon weigeren - bleef het primaire besluit wel in stand.

Beoordeling door de rechtbank

5. In geschil is of het college op goede gronden heeft geweigerd om in afwijking van het bestemmingsplan een bouwvergunning te verlenen.

6. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘ [naam] ’. Een deel van het pand heeft de enkelbestemming gemengd-1 en een deel tuin-3. Niet in geschil is dat met het bouwplan de maximale goot- en bouwhoogte wordt overschreden.2 Ook het vergroten van de bestaande bebouwing en het realiseren van zelfstandige woningen op gronden met bestemming tuin-3 is volgens het bestemmingsplan niet toegestaan.3 Vast staat verder dat het college bevoegd is om in afwijking van het bestemmingsplan een bouwvergunning te verlenen.4

7. De rechtbank stelt voorop dat er geen verplichting bestaat voor het college om mee te werken aan het verlenen van een omgevingsvergunning. De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het beleidsruimte heeft. De rechtbank moet de beslissing terughoudend toetsen. Dat wil zeggen dat de rechtbank zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.5

8. [eiseres] betoogt allereerst dat het realiseren van zelfstandige woningen op de gronden met de bestemming tuin-3 al op grond van de in 1996 verleende vergunning was toegestaan. De rechtbank stelt vast dat volgens de bouwtekeningen destijds vergunning is verleend voor het realiseren van zelfstandige ruimtes op de tot tuin-3 bestemde gronden. Blijkens de tekeningen en het verhandelde ter zitting gaat het daarbij om [soort bedrijf] . Niet blijkt echter dat deze ruimtes gebruikt mochten worden als woning. Al om die reden volgt de rechtbank het standpunt van [eiseres] niet.

9. [eiseres] vindt dat de omgevingsvergunning wel verleend had moeten worden. De verhoging van het pand heeft volgens [eiseres] namelijk geen negatieve invloed op het binnenterrein achter het pand.

10. Het college heeft voor de motivering van zijn standpunt dat het leef- en woonklimaat wordt aangetast, gewezen op de bedoeling van de planwetgever en de adviezen van de Commissie ruimte en duurzaamheid van de gemeente Amsterdam.

11. Uit de toelichting van het bestemmingsplan blijkt dat de planwetgever bedoeld heeft om de openheid van de binnenterreinen te handhaven. Dit blijkt onder andere uit de volgende passages:

“Voor beide bestemmingen [tuin-1 en tuin-2] geldt als uitgangspunt dat de bestaande openheid gehandhaafd moet blijven.”

“De bestaande (bij)gebouwen op binnenterreinen en tuinen zijn bestemd tot 'Tuin - 3'. Deze bebouwing mag worden gehandhaafd en geheel worden vernieuwd, maar niet worden vergroot.” 6

12. In een ongedateerd advies heeft de Commissie ruimte en duurzaamheid gewezen op het bestemmingsplan. In aanvulling daarop heeft de commissie opgemerkt dat de binnenterreinen de rustige zijde van de bouwblokken zijn en dat deze karakteristiek behouden moet blijven. Naar aanleiding van vragen van de bezwaarschriftencommissie heeft de Commissie ruimte en duurzaamheid op 20 juli 2018 een nader advies uitgebracht. Daarin heeft de commissie erop gewezen dat het ruimtelijk gewenst is dat er meer openheid ontstaat. Het is vast beleid om bestaande bebouwing niet te vergroten en tuinen open te houden. Intensiever gebruik is ook niet toegestaan. Dit is verankerd in de bestemmingsplannen. Over de situatie ter plaatse heeft de commissie opgemerkt dat het pand uitzonderlijk diep is en dat het diep het binnenterrein insteekt. Door zijn ligging is ter plaatse van de [adres] sprake van een extreem dichtbebouwde situatie. De commissie vindt de verhoging van het pand met ongeveer een halve verdieping niet gering en daarmee onaanvaardbaar. De commissie is ook van mening dat gelet op de dichte bebouwing de verhoging leidt tot een onaanvaardbare achteruitgang van de lichttoetreding. Ten slotte komt er één extra bouwlaag bij en komen er meer ramen in de oostgevel. Dat leidt tot negatieve gevolgen voor onder meer geluid en privacy voor de omliggende woningen.

13. Zoals de rechtbank onder 4 heeft overwogen, heeft het college de Commissie ruimte en duurzaamheid niet gevolgd in het standpunt dat wijziging van de kapvorm een onaanvaardbare verstoring van het stadsbeeld zou opleveren. Anders dan [eiseres] betoogt, maakt dit niet dat het advies van de commissie ook voor het overige niet deugdelijk is. De rechtbank volgt [eiseres] ook niet in zijn standpunt dat de commissie is uitgegaan van onjuiste feiten. Het is juist dat er in de omgeving meerdere panden zijn met vier bouwlagen. Niet gebleken is echter dat deze panden net zo diep het binnenterrein insteken. Bovendien is aan de orde of het pand in strijd met het bestemmingsplan mag worden vergroot. Niet gebleken is dat voor de andere panden een dergelijke vergunning wel is verleend.

14. [eiseres] vindt verder dat het standpunt van de Commissie ruimte en duurzaamheid dat de verhoging van het pand leidt tot een onaanvaardbare lichtafname ondeugdelijk is. Zij heeft in dat verband gewezen op het door haar overgelegde schaduwonderzoek.7 Ook ziet zij niet dat de extra verdieping en de extra ramen leiden tot een onaanvaardbare intensivering van het gebruik. Het college heeft ter zitting erkend dat de zonlichtafname door de verhoging van het pand minimaal is. Maar niet is getoetst of er daglichtafname is. De rechtbank stelt vast dat het schaduwonderzoek alleen betrekking heeft op het effect van de verhoging van het pand op de bezonning. Gezien de kleine afstanden tot de ernaast gelegen bebouwing, acht de rechtbank aannemelijk dat een verhoging van het pand wel leidt tot een verminderde daglichttoetreding.8 Verder leidt een extra verdieping met woning tot extra bewoners en daarmee tot een intensivering van het gebruik van het pand. Dat de totale oppervlakte glas niet zal veranderen, maakt dat niet anders. Gelet op de overwegingen 13 en 14, heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat het advies van de commissie met betrekking tot de verhoging van het pand onzorgvuldig is. Daarom mocht het college de adviezen aan zijn besluit ten grondslag leggen.

15. De rechtbank stelt vast dat het besluit van het college in overeenstemming is met de bedoeling van de planwetgever en met de adviezen van de Commissie ruimte en duurzaamheid. Het college heeft in redelijkheid het belang van [eiseres] bij het kunnen handhaven van de gerealiseerde verbouwing minder zwaar mogen laten wegen. Het komt voor rekening en risico van [eiseres] dat zij deze verbouwing zonder de vereiste vergunningen heeft uitgevoerd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet onredelijk is dat het college de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan en daarmee de vergunningen voor het bouwen en het veranderen van een monument heeft geweigerd.

Conclusie

16. Het beroep is ongegrond. [eiseres] krijgt dus geen gelijk.

17. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. D. Sullivan, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Dit is een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

2 Zie artikel 6.2.5 in samenhang met artikel 19.2.2, onder b, van het bestemmingsplan ‘ [naam] ’.

3 Zie artikel 19.1 in samenhang met artikel 19.4.3 van het bestemmingsplan ‘ [naam] ’.

4 Deze bevoegdheid heeft het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, eerste en negende lid, van het Besluit omgevingsrecht.

5 Zie de uitspraak van 3 april 2019 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2019:1057.

6 Zie paragraaf 5.04.3 van de toelichting op het bestemmingsplan ‘ [naam] ’.

7 Rapport van BouwAdviesNL van 18 mei 2018.

8 Zie het advies van de Commissie ruimte en duurzaamheid van 20 juli 2018, de paragraaf over het pand in het bouwblok.