Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8950

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2019
Datum publicatie
05-12-2019
Zaaknummer
AMS 19/5748 en AMS 19/5749
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de omgevingsvergunning ten aanzien van de komst van de parkeergarage onder de Singelgracht in Amsterdam en de locatie van de in- en uitrit van die garage al in rechte vast is komen te staan. Aan een beoordeling van de bezwaren van verzoekster tegen de komst van die garage en de locatie van de in- en uitrit van die garage komt de voorzieningenrechter dan ook niet toe.

Verder is voorzieningenrechter, gelet op het advies van deskundige, het Bomenonderzoek en de toelichting van de vergunninghouder en verweerder op de zitting, van oordeel dat het niet onredelijk is dat verweerder het belang van vergunninghouder bij het kappen van de zes bomen (maar met name de boom met nummer 96) zwaarder heeft laten wegen dan het belang van verzoekster bij het behoud van de bomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 19/5748 en 19/5749

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 december 2019 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening tussen

Stichting De Groene Reael, te Amsterdam, verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.A.R. Bleijendaal).

het Ingenieursbureau van de Gemeente Amsterdam, te Amsterdam, vergunninghouder, heeft ook deelgenomen aan de behandeling van de zaken.

Procesverloop

Met het besluit van 18 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van zes bomen in de openbare ruimte op het [plantsoen] en de [straat 1] te Amsterdam.

Bij besluit van 24 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekster heeft nadere gronden ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2019. Namens verzoekster is verschenen, de heer [naam 1] . Ook was aanwezig de zoon van de heer

[naam 1] . Namens vergunninghouder zijn verschenen, mevrouw [naam 2] , mevrouw [naam 3] en de heer [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kortsluiten

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Aanleiding van deze procedure

2.1.

Bij besluit van 28 november 2018 heeft de raad het bestemmingsplan “Singelgrachtgarage Marnix” gewijzigd vastgesteld. Het plan voorziet in een parkeergarage onder de [straat 2] in Amsterdam ten behoeve van minimaal 785 en maximaal 815 parkeerplaatsen. De in- en uitrit voor deze garage zal worden gerealiseerd in het [plantsoen] . Het bestemmingsplan is met de uitspraak van de Afdeling van

20 februari 2019 in rechte vast komen te staan. Voor de bouw van de in- en uitrit moeten zes bomen met boomnummers 87, 88, 96, 109, 110 en 114 worden gekapt. Hiervoor heeft de vergunninghouder op 10 mei 2019 een omgevingsvergunning aangevraagd. Naar aanleiding van die aanvraag heeft er een Bomenonderzoek door Groenadvies Amsterdam BV plaatsgevonden en heeft [deskundige] op 4 juni 2019 advies uitgebracht.

2.2.

Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Aan de kapvergunning zijn bepaalde voorwaarden verbonden, waaronder de herplantvoorwaarde in het [plantsoen] Verzoekster heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit heeft verweerder de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning gehandhaafd.

Standpunten

3.1.

Verzoekster voert – zoals de voorzieningenrechter op de zitting desgevraagd duidelijk is geworden – met name aan dat het onwenselijk is dat de in- en uitrit van de Singelgrachtgarage uitkomt op de speeltuin van het [Lyceum] . Daarnaast is de komst van de garage slecht voor de luchtkwaliteit vanwege de uitlaatgassen. Het kappen van de bomen is ook slecht voor de luchtkwaliteit en de gezondheid van de scholieren. Gelet op het voorgaande is het belang van verzoekster om de bomen te behouden groter dan de bouw van de garage.

3.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor de bomen met nummer 87, 88, 109, 110 en 114 geen sprake is van weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Bomenverordening 2014 (hierna: de Bomenverordening). Voor de boom met nummer 96 is wel sprake van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder b, van de Bomenverordening. Het belang van de vergunninghouder bij de bouw van de garage is echter groter dan het behoud van de zes bomen, en meer specifiek de boom met nummer 96. Hierbij heeft verweerder verwezen naar voornoemd Bomenonderzoek en voornoemd advies van [deskundige] .

Beoordeling voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat de omgevingsvergunning ten aanzien van de komst van de parkeergarage onder de [straat 2] in Amsterdam en de locatie van de in- en uitrit van die garage al in rechte vast is komen te staan. Aan een beoordeling van de bezwaren van verzoekster tegen de komst van die garage en de locatie van de in- en uitrit van die garage komt de voorzieningenrechter dan ook niet toe.

5. Ten aanzien van het standpunt van verzoekster dat het kappen van de bomen slecht is voor de luchtkwaliteit en de gezondheid van de scholieren, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

5.1.

Op het verlenen van de omgevingsvergunning is de Bomenverordening van toepassing.

5.2.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Bomenverordening kan de omgevingsvergunning worden geweigerd in verband met:

a. de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;

b. de waarde van de houtopstand voor het stadsschoon of het landschap;

c. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

d. de waarde van de houtopstand voor de leefbaarheid.

5.3.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat niet in geschil is dat voor de bomen met nummers 87, 88, 109, 110 en 114 geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in voornoemd artikel. Dat is wel het geval voor de boom met nummer 96. Voor de boom met nummer 96 moet verweerder dus een afweging maken tussen de belangen van de aanvrager en de in artikel 5 genoemde belangen. De voorzieningenrechter mag niet zelf beoordelen welke uitkomst van de belangenafweging het meest evenwichtig is, maar moet toetsen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot de uitkomst van de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit.

5.4.

De voorzieningenrechter is, gelet op het advies van [deskundige] , het Bomenonderzoek en de toelichting van de vergunninghouder en verweerder op de zitting, van oordeel dat het niet onredelijk is dat verweerder het belang van vergunninghouder bij het kappen van de zes bomen (maar met name de boom met nummer 96) zwaarder heeft laten wegen dan het belang van verzoekster bij het behoud van de bomen. Daarvoor is allereerst van belang dat uit het Bomenonderzoek blijkt dat vergunninghouder zorgvuldig heeft gekeken naar de locatiekeuze van de in- en uitrit en heeft gekozen voor een variant waarbij zoveel mogelijk (monumentale) bomen worden behouden. Daarnaast heeft de boom met nummer 96 een levensverwachting van 5 à 10 jaar, een scheve stand, rot in de oude afgezette gesteltak en een ondiepe holte in de stam. Bovendien blijkt uit het advies van [deskundige] dat op grond van het omrekentabel meerdere nieuwe bomen zullen worden geplant ter compensatie van de zes bomen die zullen worden gekapt. Hiermee zal de groenwaarde in het [plantsoen] worden hersteld. Ten slotte is van belang dat de bouw van de ondergrondse garage ten goede zal komen van de openbare ruimte in de buurt.

Beslissing voorzieningenrechter

6.1.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

6.2.

Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.H.M. Hussien, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2019.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.