Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8406

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2019
Datum publicatie
03-12-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5077
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak. Rechtbank vernietigt bestreden besluit en bepaalt dat omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd. Evidente privaatrechtelijke belemmering. Huurovereenkomst staat in de weg aan uitvoering activiteit. Burgerlijke rechter heeft in twee instanties bepaald dat huurovereenkomst nog niet kan worden opgezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/5077

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 5 november 2019 in de zaak tussen

[eiseres] te Zwaagdijk, eiseres

(gemachtigde: mr. S.M. Stavenuiter),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, als rechtsopvolger van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Aznag).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder] . te Zaandam, vergunninghouder

(gemachtigde: mr. P.H. Revermann).

Partijen worden hierna [eiseres] , het college en [vergunninghouder] genoemd.

Procesverloop

Op 15 november 2017 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het gedeeltelijk veranderen van de begane grond en aanbouw in de binnenplaats behorend bij het gebouw [adres] met bestemming daarvan tot een winkel.

In het besluit van 5 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.

[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2019. [eiseres] heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [naam 1] (vastgoedmanager) en [naam 2] (portfoliomanager). Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder was de gemachtigde van [vergunninghouder] aanwezig, vergezeld door [naam 3] en [naam 4] (beiden vastgoedmanager).

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, bepaalt dat de aanvraag van [vergunninghouder] om een

omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd en bepaalt dat deze uitspraak in de

plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 338,- aan [eiseres] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van [eiseres] tot een bedrag van € 2.048,-.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Uit de gedingstukken blijkt dat [eiseres] thans van [vergunninghouder] het gedeelte van het pand huurt dat [vergunninghouder] voor de uitbreiding zou willen aanwenden. Er is sprake van een lopende huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. [vergunninghouder] heeft geprobeerd de huurovereenkomst met [eiseres] te beëindigen. Omdat [eiseres] niet met de opzegging heeft ingestemd is [vergunninghouder] een civiele procedure gestart. Zowel de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam als het gerechtshof Amsterdam hebben [vergunninghouder] in het ongelijk gesteld en de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst afgewezen. [eiseres] voert aan dat dit een evidente privaatrechtelijke belemmering vormt en dat de omgevingsvergunning daarom had moeten worden geweigerd.

3. Het college heeft naar voren gebracht dat de uitspraak van het gerechtshof ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet onherroepelijk was. De mogelijkheid tot het instellen van cassatie stond nog open en er kan mogelijk in de toekomst een nieuwe huuropzegging volgen. Er bestaat daarom volgens het college geen evidente privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening in de weg stond.

4. [vergunninghouder] heeft zich bij het standpunt van het college aangesloten. Ook heeft [vergunninghouder] vermeld dat zij voornemens is om de huurovereenkomst in de toekomst opnieuw op te zeggen.

5. De rechtbank stelt voorop dat zij de situatie moet beoordelen zoals die was toen het bestreden besluit werd genomen.

6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat aan bestaande privaatrechtelijke verhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen doorslaggevende betekenis toekomt. Dit is slechts anders als op voorhand duidelijk is dat deze verhoudingen aan de verwezenlijking van de vergunde activiteit in de weg staan. Er is voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat slechts aanleiding wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.1

7. In principe is één uitspraak van een civiele rechter voldoende om een evidente privaatrechtelijke belemmering aan te nemen. Met het instellen van hoger beroep tegen een vonnis wordt het evidente karakter van de privaatrechtelijke belemmering niet weggenomen. De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017.2 In die uitspraak oordeelde de Afdeling dat het college, ondanks de omstandigheid dat hoger beroep was ingesteld tegen een uitspraak van de civiele rechter, zich terecht op het standpunt had gesteld dat de appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in staat zou zijn het bouwplan binnen afzienbare termijn te realiseren.

8. Gelet op de uitspraak van de kantonrechter en het arrest van het gerechtshof van 12 juni 2018 over de huurovereenkomst komt de rechtbank tot de beslissing dat er ten tijde van het bestreden besluit een evidente privaatrechtelijke belemmering was om de vergunde activiteit te realiseren. Dit betekent dat het bezwaar gegrond had moeten worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank is gehouden om te beoordelen of er mogelijkheden zijn tot finale geschillenbeslechting. Op de zitting is gebleken dat de huurovereenkomst niet opnieuw is opgezegd en dat er ook geen cassatie is ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof. Ook overigens is niet gebleken van nieuwe van belang zijnde feiten en omstandigheden. Dit betekent dat er ook nu nog een evidente privaatrechtelijke belemmering bestaat. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien door niet alleen het bestreden besluit te vernietigen maar, doende hetgeen het college had behoren te doen, ook het primaire besluit te herroepen en de aanvraag om een omgevingsvergunning van [vergunninghouder] alsnog af te wijzen.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan [eiseres] het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt het college daarnaast in de door [eiseres] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter, en mr. E. de Rooij en mr. M.J.M. Langeveld, leden, in aanwezigheid van mr. A.R. Vlierhuis, griffier, op 5 november 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:523.

2 ECLI:NL:RVS:2017:221.