Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:8067

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
13/994050-16 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het organiseren van vier hondengevechten, het aanwezig zijn bij zes hondengevechten en dierenmishandeling. Verder heeft hij honden gefokt op vechtkenmerken en bedrijfsmatig honden gehouden zonder te voldoen aan de benodigde vereisten. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan de invoer en/of het voorhanden hebben van verboden diergeneesmiddelen en humane geneesmiddelen zonder handelsvergunning. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met als bijzondere voorwaarde een houdverbod voor het houden van honden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/994050-16 (Promis)

Datum uitspraak: 31 oktober 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzittingen

De rechtbank wijst dit vonnis naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 26, 27 en 28 augustus 2019 (inhoudelijke behandeling) en 31 oktober 2019 (sluiting). Verdachte is aanwezig geweest bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. M.C.A. Plantenga en H.H.M. Beune (hierna: de officier van justitie) en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C. Lammers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er samengevat van beschuldigd dat hij zich in de periode 2014 tot en met 2016 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan

1.het (opzettelijk) fokken van honden op/met vechtkenmerken en/of met agressieve karaktereigenschappen;
2. het (opzettelijk) verkopen, voor de verkoop in voorraad hebben, afleveren, houden voor opvang en/of fokken voor verkoop van honden in niet aangemelde inrichtingen en/of zonder deugdelijke administratie en/of zonder erkend vakbekwaamheidsbewijs;
3. het organiseren van hondengevechten en/of het honden aan hondengevechten laten deelnemen;
4. het aanwezig zijn bij hondengevechten;

5.het (opzettelijk) verrichten van een lichamelijke ingreep bij hond [naam hond 3] door de poot te hechten met een hechtpistool;

6.het veroorzaken van pijn/letsel bij een dier of het benadelen van de gezondheid/welzijn van een dier;

7.het (opzettelijk) in Nederland brengen, ontvangen, voorhanden hebben en/of in voorraad hebben van diergeneesmiddelen;

8.het (opzettelijk) in voorraad hebben van en/of het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen van geneesmiddelen zonder de daarvoor vereiste vergunning;

9.het deelnemen aan een criminele organisatie gericht op onder andere het organiseren van hondengevechten en het fokken van vechthonden.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3 Geldigheid van de dagvaarding

De raadsvrouw vindt dat de tenlastelegging van feit 1 te algemeen en te onvoldoende gespecificeerd is en dat dit moet leiden tot gedeeltelijke nietigheid van de dagvaarding. De tenlastegelegde periode is namelijk te lang en onvoldoende feitelijk; er is niet geconcretiseerd op welke specifieke manier het welzijn en de gezondheid van het ouderdier en/of de nakomelingen werd benadeeld en het is onduidelijk om welke nestjes het gaat.

Uit de wet en vaste rechtspraak op dit punt volgt dat de beschuldiging voldoende bepaald moet zijn zodat het voor verdachte duidelijk is waar hij tegen moet verdedigen. Hoewel feit 1 globaal is omschreven, volgt uit de manier waarop het dossier is samengesteld en de inhoud daarvan voldoende waar de in de tenlastelegging genoemde periode vandaan komt en welke feitelijke gedragingen verdachte worden verweten. Verdachte heeft dus kunnen begrijpen wat hem wordt verweten. Het verweer wordt verworpen.

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Op 4 juni 2016 treft een wijkagent een envelop in zijn postvak aan met daarin een USB-stick, met daarop videobeelden van een gevecht tussen twee pitbulls. Op de beelden zijn drie mannen te zien. Op 4 oktober 2016 komt de volgende Meld Misdaad Anoniem-melding binnen:

Er worden regelmatig hondengevechten georganiseerd met pitbulls op het adres [adres 1] ) in [plaats] . De bewoonster is een Nederlandse vrouw genaamd [naam vrouw] . Zij heeft een Turkse vriend. Deze vriend en zijn broer organiseren de gevechten. Op deze gevechten wordt veel gegokt. De minimale inzet is 500 euro en de maximale inzet is 3000 euro. Bekend is dat het eerst volgende gevecht op woensdag 5 oktober 2016 in de avond plaats zal vinden.”

Hierop is het onderzoek 03Duiker gestart, waarin verschillende verdachten in beeld zijn gekomen. De meeste verdachten wordt – kort samengevat – verweten dat zij in wisselende samenstelling gevechten met pitbull-achtige honden hebben georganiseerd en/of dat zij daarbij aanwezig waren. Verder wordt een aantal van hen verweten dat zij pijn en/of letsel bij die honden hebben veroorzaakt en dat zij honden hebben gefokt/getraind en in niet aangemelde inrichtingen hebben gehouden zonder vakbekwaamheidsbewijs. Daarnaast wordt verdachte en een medeverdachte verweten dat zij (dier)geneesmiddelen voorhanden hebben gehad. Tot slot zouden de verdachten een criminele organisatie hebben gevormd met als gezamenlijk doel het organiseren van hondengevechten en het fokken van (vecht)honden. Tegelijk met de zaak tegen verdachte zijn de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (de broer van verdachte), [medeverdachte 2] (de vriendin van verdachte) en [medeverdachte 3] behandeld. Ook in de zaken van de medeverdachten doet de rechtbank vandaag uitspraak.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat de feiten bewezen kunnen worden en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Het fokken op vechtkenmerken/agressieve karaktereigenschappen (feit 1)

Onder fokken valt ook het houden van één nest met honden. Dat de honden die bij verdachten in beslag zijn genomen gevaarlijke en agressieve karaktereigenschappen hadden volgt uit de assessmentrapporten van de Universiteit Utrecht en de bevindingen van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (hierna: LID). Negen van de twaalf pups, die van verdachte waren en bij [medeverdachte 2] in beslag zijn genomen, zijn afgemaakt wegens agressieve en/of antisociale karaktereigenschappen. Ook de honden [naam hond 1] en [naam hond 2] , afkomstig uit een door verdachte gefokt nestje uit juli 2014, zijn afgemaakt wegens agressieve karaktereigenschappen. Feit 1 kan voor wat betreft de negen pups en de honden [naam hond 1] en [naam hond 2] dan ook bewezen worden.

Bedrijfsmatig fokken en handelen in honden in strijd met de regels (feit 2)

Voor honden en katten geldt als richtsnoer dat iemand bedrijfsmatig handelt als hij in een aaneengesloten periode van 12 maanden in totaal meer dan 20 honden of katten heeft verkocht, afgeleverd, gehouden voor opvang of gefokt voor de verkoop of aflevering. Verdachte en zijn medeverdachten hebben in de periode van 13 september 2015 tot en met 13 september 2016 dertig honden gefokt en/of verhandeld. Ook hadden zij meerdere honden voor fok en/of verkoop onder zich en plaatste verdachte honden bij anderen waar dan een nest werd gefokt. Als bedrijfsmatig wordt gehandeld en gefokt moet worden voldaan aan de voorwaarden van §2 van het Besluit houders van dieren. Noch de kennel van verdachte en zijn broer ( [naam kennel] )) noch de kennel van [medeverdachte 2] ( [naam kennel] ) stonden ingeschreven als bedrijfsinrichting. Door verdachte en zijn medeverdachten zijn ook geen andere bedrijfsinrichtingen aangemeld. Er is geen deugdelijke administratie gevoerd en verdachte en zijn medeverdachten waren niet in het bezit van een vakbekwaamheidsbewijs. Hiermee kan feit 2 bewezen worden. Op basis van het dossier kan tevens worden vastgesteld dat verdachte en zijn medeverdachten dusdanig bewust en nauw hebben samenwerkt dat zij als medeplegers kunnen worden beschouwd.

Organiseren van en aanwezig zijn bij hondengevechten (feiten 3 en 4)

Uit elk zaaksdossier (hierna: ZD) dat ziet op een hondengevecht blijkt dat verdachte daar als scheidsrechter bij betrokken was of dat hij zijn hond heeft laten deelnemen aan het gevecht. Ook uit WhatsAppgesprekken blijkt dat verdachte betrokken was bij het organiseren van de ten laste gelegde gevechten. Bij alle gevechten is sprake van medeplegen, omdat een gevecht alleen kan plaatsvinden door het maken van afspraken.

Verrichten van een lichamelijke ingreep bij hond [naam hond 3] (feit 5)

Hond [naam hond 3] is gewond aangetroffen in de woning van [medeverdachte 2] . In die woning lag een hechttang en werden bloedsporen in de wasbak gevonden. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat het hechtpistool van haar is en dat verdachte het heeft gebruikt om hond [naam hond 3] te hechten.

Dierenmishandeling (feit 6)

Op basis van de videobeelden, de WhatsAppgesprekken en de dierenartsverklaringen kan bewezen worden dat verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de honden pijn en letsel hebben toegebracht en hun gezondheid hebben benadeeld door de honden te laten vechten waarbij de honden verwondingen opliepen.

(Dier)geneesmiddelen (feiten 7 en 8)

De bij verdachte thuis aangetroffen diergeneesmiddelen met een Turkstalig etiket zijn niet toegestane diergeneesmiddelen omdat ze niet zijn voorzien van een Nederlandse registratie en etikettering. De andere diergeneesmiddelen die zijn aangetroffen mogen uitsluitend worden toegepast door een dierenarts en zijn daarom ook niet toegestane diergeneesmiddelen. Voor de geneesmiddelen voor personen die bij verdachte zijn aangetroffen en die behoren tot de groep anabole steroïden is geen handelsvergunning verleend.

Criminele organisatie (feit 9)

Verdachte en zijn medeverdachten hebben deelgenomen aan een organisatie die zich langere tijd bezig heeft gehouden met het illegaal bedrijfsmatig fokken en handelen in (vecht)honden, het organiseren van hondengevechten, het benadelen van de gezondheid van die honden en het illegaal gebruik van diergeneesmiddelen met als ultiem doel het fokken van en handelen in honden geschikt voor hondengevechten. Uit onderzoek naar de gegevensdragers (bijvoorbeeld telefoons en computers) blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten in de tenlastegelegde periode veelvuldig contact hadden over het fokken van honden, over welke honden met elkaar moeten worden gedekt en de handel in en gevechten met pitbullachtige honden. Hierbij was verdachte vaak degene die bepaalde welke honden met elkaar moesten kruisen en welke honden met elkaar zouden vechten. Verdachte was daarnaast de organisator van de hondengevechten en vaak als scheidsrechter of als filmer aanwezig bij de gevechten. Hij onderhield contacten met buitenlandse kennels en fokkers van de honden en kreeg van buitenlandse dierenartsen niet-geregistreerde diergeneesmiddelen mee, die hij en [medeverdachte 2] gebruikten op hun gewonde honden. Uit het dossier blijkt verder dat de honden telkens tussen de deelnemers onderling werden uitgewisseld. Alle verdachten vormden gedurende langere tijd een schakel in de keten van de organisatie; zij hebben ieder een aandeel gehad in, dan wel ondersteunden zij gedragingen die strekten tot of die rechtstreeks verband hielden met dat oogmerk van de organisatie. Zij hebben niets gedaan om de criminele handelingen te voorkomen of te (laten) stoppen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid hadden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd op de feiten die verdachte heeft bekend. Voor de andere feiten heeft zij bepleit dat er te weinig bewijs is en verdachte moet worden vrijgesproken.

Het fokken op vechtkenmerken/agressieve karaktereigenschappen (feit 1)

Dat zou zijn gefokt met honden met vechtkenmerken en/of agressieve karaktereigenschappen maakt niet dat de betreffende hond feitelijk agressief of gevaarlijk is. Een vechtkenmerk of agressieve eigenschap kan ook niet worden gezien als een ernstige gedragsafwijking. Dat het vechtkenmerk ook feitelijk werd overgedragen aan de nakomelingen kan niet worden bewezen. Bovendien is het fokken of doen voortplanten van een hond met een vechtkenmerk niet schadelijk voor het welzijn van de nakomelingen. Daarvan kan al helemaal niet worden gesproken als de moederhond zelf uiteindelijk op basis van het risico-assessment is herplaatst.

Bedrijfsmatig fokken en handelen in honden in strijd met de regels (feit 2)

Verdachte heeft nadrukkelijk ontkend dat hij honden heeft gefokt of verhandeld als vechthond bestemd voor hondengevechten. Het handelen van verdachte was niet gericht op het bedrijfsmatig fokken, want de pups die uit de nestjes zijn voortgekomen zijn, zonder daar winst op te hebben gemaakt, verkocht aan familie en vrienden of door verdachte en [medeverdachte 2] zelf gehouden. Uit de WhatsAppgesprekken kan niet worden afgeleid dat de teefjes waarover wordt gesproken ook daadwerkelijk zijn gedekt. De nestjes die bij verdachte of [medeverdachte 2] zijn geboren moeten los van elkaar worden beoordeeld. Pas begin 2015 kregen zij weer contact met elkaar. In de periode daarvoor kunnen zij niet verantwoordelijk worden gehouden voor elkaars handelen en was geen sprake van nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft over een periode van vijf jaar in totaal weliswaar 21 pups gehad, 9 pups in 2014 en 12 pups in 2016, maar het nestje met de 12 pups is een unieke hoeveelheid. Dat er zoveel pups zijn geboren in een nestje was niet te voorzien en kan niet leiden tot de aanname dat sprake is van bedrijfsmatig handelen.

Organiseren van en aanwezig zijn bij hondengevechten (feiten 3 en 4)

Verdachte heeft alleen bemoeienis gehad met de gevechten waarbij zijn eigen honden waren betrokken. Het leveren van een bijdrage tijdens een hondengevecht, zoals bijvoorbeeld het fungeren als scheidsrechter, is nog geen organiseren, omdat dit niet betekent dat diegene ook betrokken is geweest bij de totstandkoming (en dus het organiseren) van dat gevecht. Bij een aantal hondengevechten (feiten 3.1 (ZD 1), 3.2 (ZD 2), 3.3 (ZD 3) en 3.4 (ZD 4)) is verdachte aanwezig geweest, maar was hij niet betrokken bij de totstandkoming daarvan. Van het hondengevecht van feit 3.6 (ZD 9) kan niet bewezen worden dat verdachte daar aanwezig was, laat staan dat hij het gevecht heeft georganiseerd. Verdachte heeft nadrukkelijk verklaard dat het gevecht op de video al had plaatsgevonden voordat hij hond [naam hond 4] kocht.

Lichamelijke ingreep bij hond [naam hond 3] (feit 5) en gebruiken van een hechtpistool (feit 6B)

Verdachte heeft op de zitting ontkend enige bijdrage te hebben geleverd aan de lichamelijke ingreep bij hond [naam hond 3] . Los van de verklaring van [medeverdachte 2] is er geen bewijs dat hij de poot van hond [naam hond 3] heeft gehecht.

(Dier)geneesmiddelen (feiten 7 en 8)

Alleen van de diergeneesmiddelen met een Turks etiket kan bewezen worden dat verdachte ze in Nederland heeft gebracht. Van de overige diergeneesmiddelen kan alleen worden bewezen dat hij ze voorhanden heeft gehad. De aangetroffen hoeveelheden humane medicijnen, met uitzondering van de 54 tabletten Clenbuterol, zijn geen handelshoeveelheden of voorraden, zoals bedoeld in artikel 40 lid 2 van de Geneesmiddelenwet.

Criminele organisatie (feit 9)

Er is geen sprake van een duurzaam samenwerkingsverband of van hiërarchische of gelijkwaardige verhoudingen of samenwerkingsverbanden. Verdachte heeft twee gevechten georganiseerd en hij was bij vier andere gevechten aanwezig, maar hij maakte geen deel uit van een crimineel netwerk. Voor een criminele organisatie is veel meer nodig dan het incidenteel organiseren van of aanwezig zijn bij een hondengevecht en het voorhanden hebben van (dier)geneesmiddelen. Verdachte gaf geen instructies, verwachtte geen verantwoording, werkte niet met iemand samen en hij had zeker geen oogmerk om deel te nemen aan een organisatie die zich zou bezig houden met het organiseren van illegale hondengevechten.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Het organiseren van hondengevechten (feit 3)

De rechtbank beoordeelt hierna per gevecht of tot een bewezenverklaring van het organiseren daarvan kan worden gekomen. Alleen aanwezig zijn bij het hondengevecht, ook als scheidsrechter, is onvoldoende voor organiseren. Voor het tot stand brengen van een hondengevecht moeten meerdere dingen worden georganiseerd en afgesproken. Zo moet bijvoorbeeld een locatie worden geregeld, een datum en een tijdstip worden afgestemd, deelnemers worden uitgenodigd en een scheidsrechter worden geregeld. Als bewezen kan worden dat verdachte een aandeel heeft gehad in één van deze onderwerpen, dan vindt de rechtbank bewezen dat verdachte dat gevecht (mede) heeft georganiseerd. Omdat voor het maken van afspraken voor een gevecht altijd meerdere mensen nodig zijn, heeft de organisator ervan het gevecht altijd samen met één of meer anderen georganiseerd. Er is bij bewezen organiseren dus steeds sprake van medeplegen.

4.4.2

Dierenmishandeling (feit 6)

De rechtbank beoordeelt hierna per zaaksdossier of tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Als een hondengevecht wordt bewezen waarbij twee honden elkaar hebben gebeten is het een gegeven dat bij de betrokken honden pijn en/of letsel is veroorzaakt en het welzijn van het dier is benadeeld. De videobeelden van de gevechten leveren daarvoor voldoende bewijs. Als de betrokkenheid van verdachte bij de organisatie van een hondengevecht wordt bewezen, staat daarmee dus ook vast dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de benadeling van de gezondheid van de deelnemende honden. Net als bij de organisatie is ook hier steeds sprake van medeplegen van die benadeling, samen met de andere organisator(en).

4.4.3

De feiten die verdachte heeft bekend

Voor de feiten die verdachte heeft bekend1 volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen in bijlage II overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

4.4.4

Vrijspraken

Hondengevecht [naam hond 5] x [naam hond 6] (feit 3.1, 4.1 en 6A1, ZD 1)

Onder feit 3.1, 4.1 en 6A1 is ten laste gelegd dat een hondengevecht tussen honden [naam hond 5] en [naam hond 6] ‘op of omstreeks 4 juni 2016’ heeft plaatsgevonden. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat het gevecht op of omstreeks die datum heeft plaatsgevonden en daarmee ook niet of verdachte zich rond die datum schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De video van het hondengevecht heeft als aanmaakdatum 4 juni 2016 en is op dezelfde dag in het postvak van de wijkagent aangetroffen. Op basis daarvan kan de rechtbank hoogstens vaststellen dat het gevecht niet ná 4 juni 2016 heeft plaatsgevonden. [naam 1] heeft op 25 april 2017 over deze video verklaard dat het gevecht 2,5 tot 3 jaar geleden bij hem thuis was. Daarin vindt de rechtbank geen bevestiging voor ‘op of omstreeks 4 juni 2016’. Omdat de rechtbank niet bewezen vindt dat het gevecht op of omstreeks 4 juni 2016 heeft plaatsgevonden, wordt verdachte vrijgesproken van het organiseren (feit 3.1) van, het aanwezig zijn bij (feit 4.1) en het benadelen van de gezondheid van dieren bij dit hondengevecht (feit 6A1).

Organiseren hondengevecht [naam hond 7] x [naam hond 8] (feit 3.4, ZD 4)

Op 18 februari 2016 vond in de woning van [naam 1] een hondengevecht plaats tussen [naam hond 7] (hond van [medeverdachte 2] ) en [naam hond 8] (hond van [naam eigenaar] ). Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij daarbij aanwezig was, maar ontkend dat hij het gevecht heeft georganiseerd. Op de videobeelden is te zien dat verdachte in de pit (vechtring) staat met een ‘breakstick’ in zijn handen. Zoals eerder overwogen is het alleen aanwezig zijn bij een hondengevecht, al dan niet als scheidsrechter, onvoldoende voor het organiseren ervan. Uit het dossier blijkt niet van betrokkenheid van verdachte bij het organiseren van het gevecht. Verdachte wordt om die reden vrijgesproken van het organiseren van dit hondengevecht (feit 3.4).

Organiseren hondengevecht [naam hond 4] (feit 3.6, ZD 9)

Aan verdachte is ten laste gelegd dat feit 3.6 (het organiseren van een hondengevecht) ‘op of omstreeks 20 februari 2016’ heeft plaatsgevonden. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat het gevecht op of omstreeks die datum heeft plaatsgevonden en daarmee ook niet of verdachte zich rond die datum schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. In de eigenschappen van de video is de aanmaakdatum 20 februari 2016 aangetroffen. Dat is op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat het gevecht op of rond die datum zou hebben plaatsgevonden. Dat verdachte de video in februari 2016 heeft doorgestuurd via WhatsApp zegt ook niets over de datum van het gevecht dat op de video te zien is. Omdat de rechtbank niet bewezen vindt dat het gevecht op of omstreeks 20 februari 2016 heeft plaatsgevonden, wordt verdachte vrijgesproken van het organiseren ervan (feit 3.6).

Diergeneesmiddelen (feit 7)

Voor een bewezenverklaring van de invoer of het voorhanden hebben van diergeneesmiddelen moet eerst worden vastgesteld of een bepaald middel een diergeneesmiddel is. In het dossier zit een veterinaire verklaring over welke van de bij verdachte aangetroffen middelen diergeneesmiddelen zijn. Omdat het middel Ademin niet in deze verklaring wordt genoemd, kan de rechtbank niet vaststellen dat Ademin een diergeneesmiddel is. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het middel ‘Ademin’ in feit 7 op de tenlastelegging.

Humane geneesmiddelen (feit 8)

In de woning van verdachte zijn verschillende humane geneesmiddelen aangetroffen. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte deze geneesmiddelen binnen of buiten Nederlands grondgebied heeft gebracht. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de zinsnede ‘en/of binnen of buiten het Nederlandse grondgebied heeft gebracht’. Gelet op de geringe hoeveelheden aan Testabol enanthate 250, Primobol 100 en Stanozolol 100 mg, kan voor deze middelen niet worden gezegd dat het om handelshoeveelheden gaat. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het in voorraad hebben van deze middelen.

Criminele organisatie (feit 9)

Onder organisatie in de zin van artikel 140 Sr wordt verstaan een samenwerkingsverband tussen ten minste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur. De rechtbank is onvoldoende gebleken dat sprake is van zo’n samenwerkingsverband. Het organiseren/ aanwezig zijn bij hondengevechten en/of (het voeren van gesprekken over) het fokken van honden gebeurde wel vaak, maar steeds in wisselende samenstelling en zonder vaste rollen. Weliswaar bestonden er vaste rollen binnen één hondengevecht – twee personen moedigen een hond aan, een ander is de scheidsrechter – maar wie welke rol vervulde, verschilde per gevecht. Ook buiten de hondengevechten om waren er geen vaste rollen. De rechtbank stelt vast dat meerdere mensen uit een groep die elkaar allemaal kenden via de gemeenschappelijke interesse in (vecht)honden, soms samen met een of meer anderen uit die groep, misdrijven hebben gepleegd. Maar dat is onvoldoende om te spreken van een groep die als gemeenschappelijk doel het plegen van (die) misdrijven heeft. De rechtbank vindt dus niet bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.4.5

Bewijsoverwegingen

Het fokken op vechtkenmerken/agressieve karaktereigenschappen (feit 1)

Wettelijk kader

In de Nota van toelichting is verwoord dat het uitgangspunt bij artikel 3.4 Besluit houders van dieren is dat het fokken van dieren op verantwoorde manier gebeurt, of dit nou bedrijfsmatig gebeurt of als hobby. Fokkers bepalen namelijk (voor een groot deel) de context waarin een hond leeft en zijn verantwoordelijk voor de socialisatie en opvoeding van het dier. Voorkomen moet worden dat ernstige gedragsafwijkingen worden doorgegeven aan nakomelingen van dieren. Verder moet voorkomen worden dat het welzijn van nakomelingen ernstig wordt beïnvloed of de veiligheid van mensen of andere dieren in het geding wordt gebracht door het fokken met dieren met afwijkingen of met het fokken van dieren die een vergrote kans hebben op het ontstaan van ernstige gedragsafwijkingen.2

Het wettelijk kader toegepast op de huidige zaak

De honden waar het in deze zaak om draait zijn pitbulls of pitbullachtige honden (zoals Staffordshire terriërs). Het fokken met pitbulls of pitbullachtige honden is op zichzelf niet strafbaar. Het verwijt van de officier van justitie houdt in dat gefokt is op vechtkenmerken/agressieve karaktereigenschappen. De rechtbank moet de volgende vragen beantwoorden:

  • -

    Heeft verdachte honden gefokt op vechtkenmerken?

  • -

    Zijn vechtkenmerken aan te merken als ernstige gedragsafwijkingen zoals bedoeld in artikel 3.4 van het Besluit houders van dieren?

De rechtbank stelt vast dat verdachte honden heeft gefokt op vechtkenmerken. Verdachte heeft meerdere nestjes gehad, zo heeft hij zelf verklaard. Samen met zijn broer had hij een kennel ( [naam kennel] ). Op de website van die kennel werd gesproken over een serieus fokprogramma en werden bloedlijnen getoond met honden die afstammen van bekende vechtlijnen. Uit WhatsAppberichten tussen verdachte en zijn broer blijkt dat zij beslissingen namen over welke honden zouden worden gekruist. Bij de beslissing om honden te paren/kruisen, werden honden uitgekozen die goed konden vechten, kennelijk om goede of nog betere vechthonden te fokken. In de berichten wordt bijvoorbeeld gezegd dat “het top is om te fokken op matches” en dat (het behouden van) de bloedlijn voor verdachte en zijn broer belangrijk is. Zo wordt daarin gesproken over een hond met een “goede kaak”, “bijt goed”, heeft een “super style” en over een andere hond die “ook perfect gefokt is”. Ook volgt uit de berichten dat sperma van goede vechthonden wordt ingevroren om later te gebruiken. Verdachte en zijn broer hebben dus specifieke honden, waarvan ze weten dat zij goede vechters zijn, uitgezocht om mee te fokken om daarmee nieuwe, zo mogelijk betere, vechthonden te creëren. Het opzet is daarmee ook gegeven. Uit de onderzoeken van de LID is gebleken dat de honden [naam hond 1] en [naam hond 2] en de 9 pups van hond [naam hond 9] , alle mede gefokt door verdachte, te gevaarlijk zijn om ergens anders te plaatsen. De honden zijn geëuthanaseerd. De rechtbank leidt daaruit af dat deze honden ernstige gedragsafwijkingen hadden, waar verdachte en zijn medeverdachten de honden opzettelijk op hebben gefokt. Dat verdachte dit samen met zijn broer heeft gedaan volgt uit de eerder genoemde WhatsApp gesprekken over welke honden gekruist moesten worden.

De rechtbank vindt dat vechtkenmerken als ernstige gedragsafwijking kunnen worden gezien. Het klopt dat het voor sommige honden(rassen) ‘natuurlijk’ gedrag is om sneller te bijten of aanvallend te reageren ten opzichte van andere honden(rassen), maar als een hond geconditioneerd wordt om ergens in te bijten en het voor de hond gebruikelijk is om situaties met agressie op te lossen, zal de hond gevaarlijk zijn voor mensen en/of dieren. De kans dat deze hond agressie in blijft zetten is dan zeer hoog, waardoor de veiligheid van de maatschappij, en ook het welzijn van de hond, niet meer kan worden gewaarborgd.

Het bedrijfsmatig fokken en handelen in honden (feit 2)

Zoals hiervoor onder feit 1 is overwogen hebben verdachte en zijn broer honden op vechtkenmerken gefokt. Verdachte heeft niet alleen honden bij hem thuis gehouden, maar sommige van zijn honden werden bij anderen opgevangen. Uit de WhatsAppberichten tussen verdachte en zijn broer volgt dat zij de intentie hadden om de honden te verkopen. Zo zijn er berichten over de waardevermeerdering van een hond en dat een hond niet voor te weinig geld mag worden verkocht. Verder blijkt dat honden uit het buitenland werden gehaald of aan het buitenland werden verkocht. Zo zijn er gesprekken over de prijs die verdachten voor een hond wilden ontvangen inclusief vervoerskosten. Financiële gegevens, onder meer Western Union transacties op de rekening van [medeverdachte 1] , bevestigen dat verkopen aan het buitenland hebben plaatsgevonden. De WhatsAppberichten in samenhang bezien met de website van de kennel en het aantal aangetroffen en doorverkochte honden maakt dat bewezen kan worden dat verdachte bedrijfsmatig heeft gehandeld en dat hij dit in nauwe en bewuste samenwerking met zijn broer heeft gedaan.

Organiseren hondengevecht [naam hond 3] x [naam hond 6] (feit 3.2, ZD 2)

Op 5 oktober 2016 vond in het huis van [medeverdachte 2] een hondengevecht plaats tussen [naam hond 3] (hond van [medeverdachte 2] ) en [naam hond 6] (hond van [medeverdachte 3] ). Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij bij dit gevecht aanwezig was, maar ontkend dat hij het heeft georganiseerd.

Uit WhatsAppgesprekken tussen medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] blijkt dat bij de planning van het hondengevecht rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van verdachte. Zo antwoordt [medeverdachte 2] op het voorstel van [medeverdachte 3] om het gevecht op 5 oktober 2016 te laten plaatsvinden: “Voor mij prima, app [verdachte] even of die kan”. [medeverdachte 3] vraagt vervolgens aan verdachte of die dag hem uitkomt. De dag voor het gevecht vraagt verdachte aan [medeverdachte 3] : “Wil je OTC doen?” [medeverdachte 3] vraagt hem vervolgens: “Wat is dat OTC?” Verdachte antwoordt: “Match maar zonder keep”. Verdachte heeft daarnaast de beslissende stem gehad in welke hond zou meedoen aan het gevecht. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij degene was die uitmaakte dat haar hond [naam hond 3] zou gaan vechten. [medeverdachte 2] heeft later verklaard dat zij tijdens de eerdere verklaring in shock was en denkt dat die opmerking verkeerd werd gebracht. Dat geeft de rechtbank geen aanleiding om aan de eerdere verklaring te twijfelen. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] en de WhatsAppgesprekken blijkt dat verdachte niet alleen aanwezig was, maar het gevecht ook mede heeft georganiseerd.

Organiseren hondengevecht [naam hond 7] x [naam hond 10] (feit 3.3, ZD 3)

In januari 2016 vond een hondengevecht plaats in het huis van [medeverdachte 2] tussen honden [naam hond 7] (van [medeverdachte 2] ) en [naam hond 10] (van [naam 2] ). Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij bij dit gevecht aanwezig was, maar ontkend dat hij het heeft georganiseerd.

Op de video van het hondengevecht is te zien dat verdachte de honden tijdens het gevecht aanmoedigt, de eigenaren van de honden tips geeft en bepaalt wanneer het gevecht eindigt. Verdachte heeft op 22 januari 2016 de volgende WhatsApp berichten gestuurd: “Ik heb net [naam hond 7] een roll laten doen tegen de zoon van [naam 3] ” en “Ik heb zijn zoon ingezet”. Hieruit volgt dat verdachte bepaalde welke honden zouden meedoen aan het gevecht. De betrokkenheid van verdachte is dus niet beperkt gebleven tot alleen het aanwezig zijn. Ook dit gevecht heeft verdachte, samen met anderen, georganiseerd.

Lichamelijke ingreep bij hond [naam hond 3] (feiten 5 en 6B, ZD 2)

Op 5 oktober 2016 werd hond [naam hond 3] gewond in het huis van [medeverdachte 2] aangetroffen. Op de poot van de hond zat een krammetje en bij doorzoeking van het huis van [medeverdachte 2] werden in de wastafel een hechttang en bloedsporen aangetroffen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de hechttang van haar is en dat verdachte de tang heeft gebruikt om hond [naam hond 3] te hechten. Verdachte heeft ontkend een bijdrage te hebben geleverd aan het hechten van de poot van de hond met een hechtpistool.

De verklaring van [medeverdachte 2] wordt ondersteund door WhatsAppgesprekken tussen haar en verdachte. Daaruit blijkt dat zij eerder een hond hebben gehecht met een hechtpistool en dat verdachte op 5 oktober 2016 – voordat het hondengevecht plaatsvindt – aan [medeverdachte 2] heeft gevraagd of zij een hechtpistool thuis heeft liggen. De rechtbank stelt op basis van dit bewijs vast dat verdachte, samen met [medeverdachte 2] , de poot van hond [naam hond 3] heeft gehecht met een hechtpistool. [medeverdachte 2] heeft toestemming gegeven om haar hond te laten hechten en zij heeft het hechtpistool daarvoor aan verdachte ter beschikking gesteld.

Dierenmishandeling hond [naam hond 11] (feit 6A4, ZD 6)

In de telefoon van verdachte zijn WhatsAppberichten aangetroffen waarin hij foto’s van een verwonde hond heeft doorgestuurd. Op de computer van [medeverdachte 2] zijn foto’s gevonden in de map ‘ [naam hond 11] ’ met foto’s van een hond met littekens die overeenkomen met de verwondingen van de gewonde hond op de verstuurde foto’s. Uit de WhatsAppberichten blijkt dat verdachte kennis heeft van welke verwondingen de hond heeft opgelopen, hoe lang het gevecht duurde en in die gesprekken benoemt hij specifieke details van het gevecht. Hij zegt dat [medeverdachte 2] erbij was. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat verdachte en [medeverdachte 2] bij een gevecht zijn geweest waarbij hond [naam hond 11] gewond is geraakt. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij de eigenaresse is van de hond, maar uit het dossier blijkt dat ook verdachte zeggenschap had over de hond. De facturen van de dierenarts voor [naam hond 11] heeft hij betaald en zijn naam staat op de overeenkomst. Beiden hadden kennelijk beschikkingsmacht over de hond. Verdachte heeft een actieve bijdrage geleverd aan het hondengevecht door [naam hond 11] daaraan te laten deelnemen. Bij dit hondengevecht heeft [naam hond 11] letsel heeft opgelopen.

Diergeneesmiddelen (feit 7)

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij de diergeneesmiddelen met een Turkstalig etiket via een bevriend dierenarts uit Turkije heeft meegenomen naar Nederland. Alleen van die diergeneesmiddelen kan dan ook worden vastgesteld dat verdachte ze binnen Nederlands grondgebied heeft gebracht. Van de diergeneesmiddelen met een Nederlands etiket kan alleen worden vastgesteld dat hij ze voorhanden heeft gehad.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 16 mei 2016 tot en met 5 oktober 2016 te Soest en/of Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk honden heeft gefokt op een wijze waarop bij het fokken van honden niet werd voorkomen dat ernstige gedragsafwijkingen werden doorgegeven aan en/of konden ontstaan bij nakomelingen, immers hebben hij en zijn mededader honden gefokt op vechtkenmerken en/of honden gefokt met agressieve karaktereigenschappen;

2.

in de periode van 16 mei 2016 tot en met 5 oktober 2016 te Soest en/of te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk honden heeft verkocht, ten verkoop in voorraad heeft gehouden, heeft afgeleverd en heeft gehouden ten behoeve van opvang, terwijl daarbij niet werd voldaan aan paragraaf 2 van het Besluit houders van dieren, immers hebben hij en zijn mededader

  • -

    in strijd met artikel 3.7 van genoemd besluit honden gefokt ten behoeve van de verkoop en afgeleverd en opgevangen in niet, overeenkomstig artikel 3.8 van het Besluit houders van dieren bij de minister van Economische Zaken, aangemelde inrichtingen waaronder kennel [naam kennel] op [adres] en/of elders in Nederland in niet aangemelde inrichtingen en

  • -

    in strijd met artikel 3.10 van genoemd besluit geen deugdelijke administratie bijgehouden van de gezelschapsdieren die in de inrichting verblijven en

  • -

    in strijd met artikel 3.11. van genoemd besluit als beheerder activiteiten verricht in een inrichting zonder in het bezit te zijn van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht;

3.
in de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 oktober 2016 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, dierengevechten heeft georganiseerd en/of dieren aan dierengevechten heeft doen deelnemen, immers hebben hij en zijn mededaders:

2. op 5 oktober 2016 in de woning aan de [adres 1] een hondengevecht georganiseerd en hond [naam hond 3] en hond [naam hond 6] doen deelnemen aan een hondengevecht (zaakdossier 02) en

3. in januari 2016 in de woning aan de [adres 1] een hondengevecht georganiseerd en hond [naam hond 10] en hond [naam hond 7] doen deelnemen aan een hondengevecht (zaakdossier 03) en

5. op 20 september 2016 in de woning aan de [adres 1] een hondengevecht georganiseerd en hond [naam hond 12] en hond [naam hond 3] doen deelnemen aan een hondengevecht (zaakdossier 07) en

7. op 20 maart 2016 in de woning aan de [adres 1] een hondengevecht georganiseerd en hond [naam hond 2] en hond [naam hond 1] doen deelnemen aan een hondengevecht (zaakdossier 11);

4.
in de periode van 1 januari 2016 tot en met 5 oktober 2016 te Emmen en te Amersfoort, telkens bij hondengevechten aanwezig is geweest, namelijk:

2. een hondengevecht op of omstreeks 5 oktober 2016 in de woning aan de [adres 1] (zaaksdossier 02) en

3. een hondengevecht in januari 2016 in de woning aan de [adres 1] (zaaksdossier 03) en

4. een hondengevecht op 18 februari 2016 in een woning aan de [adres 2] (zaaksdossier 04) en

5. een hondengevecht op 20 september 2016 in de woning aan de [adres 1] (zaaksdossier 07) en

6. een hondengevecht op 20 maart 2016 in de woning aan de [adres 1] (zaaksdossier 11);

5.
op 5 oktober 2016 te Amersfoort (zaaksdossier 02), tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een lichamelijke ingreep heeft verricht, immers hebben hij en zijn mededader de poot van hond [naam hond 3] gehecht met een hechtpistool;

6.
in de periode van 1 december 2015 tot en met 5 oktober 2016 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, telkens bij een dier pijn of letsel heeft veroorzaakt dan wel de gezondheid of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, immers hebben hij en zijn mededaders

A. honden deel laten nemen aan gevechten waarbij:

2. op 5 oktober 2016 in de woning aan de [adres 1] (zaaksdossier 02)

  • -

    honden [naam hond 3] en [naam hond 6] veel bijtwonden opliepen en

  • -

    [naam hond 3] kreupel is geworden en

  • -

    [naam hond 6] kreupel is geworden en

3. in januari 2016 in de woning aan de [adres 1] (zaaksdossier 03) hond [naam hond 10] een neuswond heeft opgelopen en

4. in de periode van 1 december 2015 tot en met 12 december 2015 in Nederland (zaaksdossier 06) hond [naam hond 11] /Szybka ernstige verwondingen heeft opgelopen en

5. op 20 september 2016 in de woning aan de [adres 1] (zaaksdossier 07) hond [naam hond 12] ernstige verwondingen heeft opgelopen en

6. op 20 maart 2016 in een woning aan de [adres 1] (zaaksdossier 11) hond [naam hond 1] (kop)wonden heeft opgelopen

en

B. de poot van hond [naam hond 3] gehecht met een hechtpistool (zaaksdossier 02);

7.

in de periode van 1 maart 2016 tot en met 5 oktober 2016 te Soest, opzettelijk handelingen heeft verricht die ertoe strekten diergeneesmiddelen in Nederland te brengen en/of voorhanden te hebben, terwijl deze handeling niet was toegestaan krachtens een vergunning die is verstrekt ingevolge een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van een bindend onderdeel van een EU-rechtshandeling vastgesteld voorschrift of een bij ministeriële regeling aangewezen voorschrift van een EU-verordening inzake het in de handel brengen, vervaardiging, invoer, of het bezit van, handel in of verstrekken van een diergeneesmiddel, immers heeft hij een hoeveelheid diergeneesmiddelen namelijk:

  • -

    Doosje met aangebroken fles Penokain-G injecteerbaar antibacterieel en

  • -

    Flesje Enrocure %10 100 ml met Turkstalig etiket en

  • -

    Flesje Vetakort 50 ml met Turkstalig etiket en

  • -

    Dexamethason, 4 ampullen dexamethasin Krka, injecteerbaar, Turks-talig

in Nederland gebracht en voorhanden gehad in de woning aan de [adres]

en

  • -

    aangebroken flesje Baytril 2,5% met Nederlands etiket en

  • -

    Ecuphar, strip met 3 tabletten Cephalexine 200 en

  • -

    strip met 5 ampullen Lidokain Adrenalin 2 ml

voorhanden gehad in de woning aan de [adres] ;

8.
in de periode van 1 januari 2014 tot en met 5 oktober 2016 te Soest, opzettelijk een geneesmiddel waarvoor geen handelsvergunning geldt, in voorraad heeft gehad in zijn woning, namelijk:

- 54, tabletten Clenbuterol.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte misdrijven wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk. Daaraan zou een proeftijd van 5 jaar moeten worden verbonden met de bijzondere voorwaarde dat verdachte geen honden zal houden. Voor de door haar bewezen geachte overtredingen heeft zij zes keer een geldboete van € 250,00 gevorderd, bij niet betalen steeds te vervangen door 5 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat in het opsporingsonderzoek sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen die moeten leiden tot strafvermindering. Zij heeft de volgende punten aangevoerd:

1) Het verkrijgen van de processtukken

De officier van justitie heeft de procedure voor inhouding van processtukken niet gevolgd. Dit levert een schending op van het recht op een eerlijk proces op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Daarnaast heeft de media eerder van zaaksinhoudelijke informatie kennis kunnen nemen, terwijl processtukken ondertussen aan verdachte werden onthouden.

2) De dubbele aanhouding van verdachte

Op 5 oktober 2016 is verdachte voor de eerste keer aangehouden en op 21 augustus 2017 werd hij, terwijl daar geen reden voor was, voor een tweede keer aangehouden. Er was geen sprake van een verdenking van een nieuw feit en er was geen enkel onderzoeksbelang om verdachte niet gewoon uit te nodigen voor een verhoor, zoals bij medeverdachten wel is gebeurd.

3) De schending van de redelijke termijn

Omdat verdachte op 5 oktober 2016 in verzekering is gesteld en het einddossier op 12 oktober 2017 gereed was, is er inmiddels meer dan twee jaar verlopen, waardoor sprake is van een schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM.

4) De termijn van sluiting van het onderzoek ter terechtzitting

De inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden op 26, 27 en 28 augustus 2019, terwijl de sluiting van het onderzoek en de uitspraak pas ruim 2 maanden later plaatsvindt. Op grond van de artikelen 281 lid 1 jo. 345 lid 1 Sv kan later uitspraak worden gedaan, maar als deze bepalingen alleen worden gebruikt om rooster-technische redenen worden de bepalingen op een oneigenlijke manier aangewend.

5) Het euthanaseren van inbeslaggenomen honden

De inbeslaggenomen pups zijn ten onrechte geëuthanaseerd, omdat de tests van het betreffende assessment ondeugdelijk zijn. Ook is gehandeld in strijd met artikel 2.10 van de Wet dieren. Verder is ten onrechte geen gebruik gemaakt van het aanbod van het Comité Dierennoodhulp en Werkgroep Hulp Inbeslaggenomen Honden om de betreffende inbeslaggenomen honden geheel kosteloos op te vangen en te onderwerpen aan een test met betrekking tot de trainbaarheid van de honden. Omdat de pups inmiddels zijn geëuthanaseerd, is verdachte onherstelbaar in zijn belangen geschaad.

In het kader van de strafmaat moet verder rekening worden gehouden met de samenloopregeling. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 en de feiten 3 en 6 is sprake van meerdaadse samenloop. Ten aanzien van feit 5 en 6B is sprake van eendaadse samenloop.

De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte een taakstraf op te leggen van 240 uur, al dan niet in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Verder is verzocht om het door de officier van justitie geëiste houdverbod voorwaardelijk op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank merkt op dat de zaak van verdachte samenhangt met de zaken van de medeverdachten. Bij de strafmaat is bij elke verdachte het dierenleed, waaronder in ieder geval de hondengevechten en de dierenmishandeling worden geschaard, als uitgangspunt genomen, waarna per individu is bekeken welke straf passend is.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich langere periode schuldig gemaakt aan het organiseren van vier hondengevechten en het aanwezig zijn bij zes hondengevechten. Door zijn betrokkenheid bij de hondengevechten heeft hij zich ook schuldig gemaakt aan dierenmishandeling. De honden liepen tijdens de gevechten ernstige (bijt)wonden op, zijn kreupel geworden en/of hebben hier littekens aan overgehouden. Een van de honden, [naam hond 3] , is dusdanig gewond geraakt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] haar poot hebben gehecht met een hechtpistool. Op de videobeelden van de hondengevechten, waarvan een selectie door de officier van justitie op de zitting is getoond, is duidelijk te horen hoe de honden janken als uiting van pijn en/of uitputting. Ook is te zien dat de gevechten redelijk lang duren en er soms ook opnieuw begonnen wordt als een hond al verzwakt is. Het is dan ook schrijnend om te zien hoeveel verschrikkelijk leed de honden is aangedaan. Naast de hondengevechten heeft verdachte, samen met zijn broer, honden gefokt op vechtkenmerken en bedrijfsmatig honden gehouden zonder te voldoen aan de benodigde vereisten. Hierdoor zijn bij een groot aantal honden ernstige gedragsafwijkingen ontstaan en/of aan hun pups doorgegeven, wat ertoe heeft geleid dat meerdere honden, na een ‘assessment’, zodanig bedreigend of agressief zijn bevonden dat zij moesten worden geëuthanaseerd. Mensen hebben ten opzichte van dieren een speciale verantwoordelijkheid. Dit houdt in dat in de omgang met dieren zorg moet worden gedragen voor het welzijn en de gezondheid van het dier en dat al het mogelijke wordt gedaan om de eigenheid en integriteit van een dier te respecteren. Door de honden zoveel leed aan te doen heeft verdachte de intrinsieke waarde van deze honden aangetast. Door het fokken heeft verdachte hondengevechten aangemoedigd en daar financieel beter van willen worden. Niet alleen doordat de gefokte honden werden gebruikt voor eigen hondengevechten, maar ook door de honden te verkopen aan anderen. Het leed wat deze honden door de hondengevechten en het agressiefokken werd aangedaan rechtvaardigt alleen al een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alhoewel verdachte daar op zitting uitvoerig over is bevraagd, is het de rechtbank niet duidelijk geworden wat het motief was voor verdachten om honden te laten vechten. Verdachte zou via andere hondenliefhebbers in aanraking zijn gekomen met hondengevechten en nieuwsgierig zijn geweest naar de capaciteiten van zijn honden. Het blijft voor de rechtbank een raadsel hoe door verdachte en ook medeverdachte [medeverdachte 2] enerzijds gesproken wordt over de honden alsof het hun kindjes zijn/waren, en ze de honden anderzijds aan hondengevechten blootstelden, en daarna weer oplapten. Verdachte heeft tijdens de zitting weliswaar spijt betuigd, maar uit het dossier rijst niet het beeld dat hij zich bewust lijkt te zijn van het kwaad wat hij heeft aangericht.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de invoer en/of het voorhanden hebben van verboden diergeneesmiddelen en humane geneesmiddelen zonder handelsvergunning. Hiermee heeft hij de (Europese) regelgeving ondermijnd, waardoor bedrijven en instellingen die wel de regelgeving naleven zijn benadeeld.

De vormverzuim-verweren van de raadsvrouw

De rechtbank overweegt ten aanzien van de door de raadsvrouw gevoerde vormverzuim-verweren als volgt.

1. Het verkrijgen van de processtukken

De rechtbank heeft van de officier van justitie begrepen dat een kennisgeving van onthouding van processtukken aan de verdediging is gestuurd en dat de raadsvrouw daar ook een bezwaarschrift tegen heeft ingediend. Van een vormverzuim is de rechtbank dan ook niet gebleken. Daarnaast is niet gebleken dat het Openbaar Ministerie zaaksinhoudelijke informatie aan de media heeft doorgespeeld.

2) De dubbele aanhouding van verdachte

Door de verdediging is terecht aangevoerd dat een tweede aanhouding van verdachte onnodig was. De rechtbank ziet dit aspect niet als een vormverzuim, maar het zal wel strafverminderend worden meegewogen.

3) De schending van de redelijke termijn

Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij kan gedacht worden aan de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte of zijn advocaat op het procesverloop en de manier waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op het moment waarop verdachte in verzekering is gesteld. Dat was op 6 oktober 2016. Dit betekent dat, als zich geen bijzonderheden voor doen, de zaak in oktober 2018 afgerond had moeten zijn. Het dossier was op 12 oktober 2017 klaar, maar daarna heeft nog onderzoek bij de rechter-commissaris plaatsgevonden. Het onderzoek bij de rechter-commissaris heeft lang op zich laten wachten en was op 28 februari 2019 klaar. Ook de planning van de zittingsdagen heeft té lang op zich laten wachten. Hoewel sprake is van een groot onderzoek en veel verdachten, zijn de omstandigheden niet zó bijzonder dat voor deze zaak één jaar meer nodig zou zijn dan voor andere zaken. De rechtbank vindt dan ook dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, wat strafverminderend wordt meegewogen in de strafmaat.

4) De termijn van sluiting van het onderzoek ter terechtzitting

Omdat het in deze zaak gaat om een groot onderzoek en meerdere verdachten waren voor de inhoudelijke behandeling meerdere zittingsdagen nodig. Ook voor het opstellen van de vonnissen in deze zaken is meer tijd dan de gebruikelijke twee weken ingepland. De planning daarvan is niet op korte termijn te regelen. Ongeveer driekwart jaar van te voren wordt contact opgenomen met alle advocaten, de officieren van justitie, de rechters en de griffier om tot een planning te komen. Voor de rechters en de griffier geldt dat na de zittingsdagen ook tijd vrijgemaakt moet worden om te raadkameren en om de vonnissen te schrijven. Omdat het lastig is om met ieders agenda rekening te houden, heeft de planning een keuze moeten maken. Óf plannen op de zittingsdagen die nu zijn gebruikt en twee maanden later sluiten en uitspraak doen, óf de zittingsdagen (nog) later plannen, waarbij mogelijk sneller daarna uitspraak had kunnen worden gedaan (bijvoorbeeld na vier tot zes weken). Er is door de rechtbank gekozen voor de eerste optie, waarvan de planning (onder andere) met de raadsvrouw is afgestemd. Bij de tweede optie zou verdachte netto langer in onzekerheid zijn gebleven, de einduitspraak zou dan namelijk later zijn gedaan dan vandaag. De rechtbank vindt niet dat sprake is van schending van de artikelen 281 lid 1 jo. 345 lid 1 Sv. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt ook dat ‘noch artikel 345 Sv noch enige andere rechtsregel zich ertegen verzet dat na afloop van het onderzoek ter terechtzitting het onderzoek op een nadere terechtzitting gesloten wordt verklaard’.3 Doordat later uitspraak wordt gedaan heeft dit wel invloed gehad op de redelijke termijn. Zoals hiervoor overwogen wordt de schending van de redelijke termijn meegewogen in de strafmaat.

5) Het euthanaseren van inbeslaggenomen honden

De raadsvrouw heeft bepleit dat de inbeslaggenomen pups ten onrechte zijn geëuthanaseerd. In 2017 is tegen het voornemen van de officier van justitie om de in beslag genomen honden te euthanaseren door de verdediging een kort geding aangespannen bij de rechtbank Den Haag. In zijn vonnis van 21 april 2017 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de machtiging tot euthanasie af te geven. Ook op de andere punten waar de raadsvrouw naar heeft verwezen is in dat vonnis al beslist. De rechtbank sluit zich bij dat vonnis aan en vindt dan ook dat het euthanaseren van de inbeslaggenomen honden geen vormverzuim is.

Andere relevante omstandigheden

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat bij feit 5 en 6B sprake is van eendaadse samenloop, omdat het verrichten van een lichamelijke ingreep bij een hond automatisch inhoudt dat ook pijn en/of letsel bij die hond wordt veroorzaakt. Ten aanzien van feiten 3, 4 en 6 is sprake van meerdaadse samenloop.

De straf

De rechtbank heeft geen vergelijkbare strafzaken kunnen vinden om bij de strafmaat bij aan te sluiten. Het gebeurt niet vaak dat er gevangenisstraffen worden opgelegd voor dierenmishandeling. In dit geval is het dierenleed zo ernstig geweest dat de rechtbank hier wel toe overgaat. Aan verdachte wordt voor de misdrijven een gevangenisstraf opgelegd van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Dit is een maand gevangenisstraf minder dan de officier van justitie heeft geëist omdat de rechtbank de criminele organisatie niet bewezen vindt. De rechtbank vindt dat verdachte – gelet op de ernst van het dierenleed en het gegeven dat verdachte inmiddels weer een (pitbullachtige) hond heeft aangeschaft – gedurende de proeftijd ook geen honden mag houden. De rechtbank wil daarmee voorkomen dat verdachte doorgaat met het organiseren van hondengevechten en zal daarom als bijzondere voorwaarde een houdverbod voor het houden van honden opleggen. Een periode van 3 jaar vindt de rechtbank voldoende. Volgens artikel 14d Sr is het Openbaar Ministerie belast met het toezicht op de naleving van de voorwaarden. Gelet op de achtergrond van het feitencomplex is de LID de aangewezen instantie om onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie controles uit te oefenen. Om die reden zal tevens de bijzondere voorwaarde worden opgenomen dat verdachte moet meewerken aan controles op het houdverbod, uit te voeren door de LID.

Gezien het tijdsverloop van de zaak, vindt de rechtbank dat voor de overtredingen, naast de gevangenisstraf die al voor de misdrijven wordt opgelegd, geen straf of maatregel meer hoeft te volgen. De rechtbank zal voor de overtredingen dan ook telkens volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel. Als er geen overschrijding van de redelijke termijn was geweest had de rechtbank de eis van de officier van justitie gevolgd voor de overtredingen.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  • -

    vijf honden, pitbulterriër (reu);

  • -

    drie honden, pitbulterriër (teef);

  • -

    één pas, zijnde een dierenchippas met nummer [nummer] ;

  • -

    twee stickers, met dierchipbarcodes [nummer] en [nummer] ;

  • -

    twee halsbanden, merk Teletac, zijnde trainingshalsbanden voor honden.

Onttrekking aan het verkeer

Omdat met betrekking tot en/of met behulp van de voorwerpen onder de eerste twee gedachtestreepjes het bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

Verbeurdverklaring

Omdat met behulp van de voorwerpen onder de laatste drie gedachtestreepjes het bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurd verklaard.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 55, 57 en 62 Sr, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 2.1, 2.6, 2.7, 2.8, 2.14, 2.19, 8.11 en 8.12 van de Wet dieren, de artikelen 3.4 en 3.6 Besluit houders van dieren en artikel 40 Geneesmiddelenwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3.1, 3.4, 3.6, 4.1, 6A1 en 9 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.6 Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.7 Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Meerdaadse samenloop van

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.14 Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

en

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.14 Wet dieren, viermaal gepleegd

en

ten aanzien van feit 6A2 tot en met 6A6:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.1 Wet dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Eendaadse samenloop van

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.8 Wet dieren, opzettelijk begaan

en

ten aanzien van feit 6B:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.1 Wet dieren, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van feit 7:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.19 Wet dieren, opzettelijk begaan.

Ten aanzien van feit 8:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 40 Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor de feiten 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd geen honden meer houdt, of door (een) ander(en) laat houden.

- gedurende de proeftijd meewerkt aan de controles op bovengenoemde voorwaarde door de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID).

Geeft aan de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bepaalt ten aanzien van het onder feit 4 bewezen verklaarde, voor elk van de overtredingen, dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    vijf honden, pitbulterriër (reu);

  • -

    drie honden, pitbulterriër (teef).

Verklaart verbeurd:

  • -

    één pas, zijnde een dierenchippas met nummer [nummer] ;

  • -

    twee stickers, met dierchipbarcodes [nummer] en [nummer] ;

  • -

    twee halsbanden, merk Teletac, zijnde trainingshalsbanden voor honden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. M. Vaandrager en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Mark, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 oktober 2019.

1 Feiten 3.5, 3.7, 4.2, 4.3, 4.4, 4.5, 4.6, 4.7, 6A2, 6A3, 6A5 en 6A6.

2 Zie de Nota van Toelichting bij het besluit van 17 juni 2014, Stb. 2014, 232.

3 ECLI:NL:HR:2010:BN0011, NJ 2010/626.