2.3.
Onderhoudsbijdrage
2.3.1.
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 3.500,- per maand.De vrouw heeft aan haar verzoek tot vaststelling van een bijdrage ten grondslag gelegd dat zij behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat de man voldoende financiële draagkracht heeft om die te voldoen.
2.3.2.
De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
2.3.3.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.
2.3.4.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De man heeft tegenover de betwisting door de vrouw onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat de vrouw niet in Nederland verblijft.
2.3.5.
Bij de beoordeling van het verzoek gaat de rechtbank uit van de door de Expertgroep Alimentatienormen geformuleerde uitgangspunten, zoals neergelegd in het Tremarapport. Daarnaast gaat de rechtbank, tenzij anders aangegeven, uit van afgeronde bedragen.
2.3.6.
De man heeft ter zitting gesteld dat wegens het ontbreken van lotsverbondenheid geen bijdrage zou dienen te worden vastgesteld. De man heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw hem direct na het sluiten van het huwelijk heeft laten weten dat zij nooit van hem heeft gehouden en dat zij hem talloze verwijten heeft gemaakt, heeft uitgescholden en gekleineerd.
2.3.7.
De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Zij heeft gesteld dat zij van de man heeft gehouden, maar dat dat over is gegaan door het geweld dat de man heeft gebruikt. Zij heeft verder gesteld de man al het beste te wensen.
2.3.8.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechter kan op grond van artikel 1:157 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een uitkering toekennen. Grondslag voor de uitkering tot levensonderhoud als bedoeld in artikel 1:157 BW is de verplichting welke berust op de levensverhouding, zoals die door het huwelijk is geschapen en die haar werking -zij het in beperkte omvang- behoudt, ook al wordt de huwelijksband gestaakt. Bij het beantwoorden van de vraag of in een concreet geval aan de gewezen echtgenoot al dan niet een uitkering tot levensonderhoud zou moeten worden toegekend dient rekening gehouden te worden met alle omstandigheden van dat geval. De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende omstandigheden, mede gelet op de betwisting door de vrouw, heeft gesteld waaruit kan worden afgeleid dat van hem in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij in het levensonderhoud van de vrouw bijdraagt. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit verweer van de man.
2.3.9.
Tussen partijen is de behoefte van de vrouw in geschil. De rechtbank gaat voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw uit van de door de vrouw overgelegde behoeftelijst, zoals deze ter zitting is besproken.
2.3.10.
De man heeft de volgende posten niet dan wel onvoldoende betwist:
- telefoonkosten € 26,-
- onroerend zaaksbelasting € 10,-
- rioolrechten € 11,-
- andere gebruikerslasten € 23,-
- opstalverzekering € 7,-
- inboedelverzekering € 3,-
- onderhoud € 42,-
- boodschappen € 300,-
- andere lasten (wasmiddel ect.) € 50,-
- andere lasten (huisdier) € 57,-
- kosten openbaar vervoer € 150,-
- premie ziektekostenverzekering € 144,-
- abonnementen kranten, tijdschriften € 10,-
- kabel TV en internet € 44,-
- boeken € 50,-
- sport € 23,-
- overige lidmaatschappen € 4,-
- andere lasten ontspanning € 15,-
- vervanging inboedel en apparatuur € 25,-
- Microsoft office € 6,-
- Yorhosting website € 4,- (€ 53,-per jaar)
________________________________________________________________________
Totaal € 1.004,-.
2.3.11.
De volgende posten zijn tussen partijen in geschil:
Kale huur
De vrouw heeft een kale huur van minimaal € 1.200,- tot maximaal € 1.800,- opgevoerd. De man heeft dit betwist, omdat dit geen reële huur is mede daar de vrouw geen inkomen heeft. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat de door haar genoemde bedragen reëel zijn. Nu de vrouw op termijn wel een zelfstandige woonruimte zal gaan betrekken, acht de rechtbank het redelijk rekening te houden met een last van € 1.000,-.
Gas, water, elektra
Aan gas, water en elektra heeft de vrouw een kostenpost van € 150,- opgevoerd. Volgens de man is dit bedrag te hoog. Voor de voormalige echtelijke woning betaalt de man zelf €86,- per maand. Nu de vrouw niet heeft aangetoond maandelijks € 150,- aan deze lasten te zullen moeten gaan betalen, houdt de rechtbank rekening met € 86,- per maand.
Andere lasten apparatuur en vloer
De vrouw heeft gesteld maandelijks € 83,- aan kosten betreffende apparatuur en € 150,-aan kosten betreffende de vloer te moeten reserveren. De man heeft deze kostenposten betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende gesteld waarom zij deze bedragen zal moeten reserveren. De rechtbank houdt hier dan ook geen rekening mee.
Diverse verzekeringen
De vrouw heeft kosten voor een aansprakelijkheidsverzekering, rechtsbijstandsverzekering, begrafenisverzekering en een arbeidsongeschiktheidsverzekering opgevoerd. De man heeft deze lasten betwist. De vrouw heeft geen stukken ter onderbouwing van deze lasten overgelegd. Gelet op de betwisting door de man houdt de rechtbank geen rekening met de gestelde lasten.
Vakantie
Aan reserveringen voor vakanties heeft de vrouw € 300,- per maand opgevoerd. De man heeft deze last betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat partijen gemiddeld € 300,- per persoon per maand aan vakanties uitgaven. De rechtbank stelt het bedrag in redelijkheid op € 150,- per maand.
Uitgaan
Ook aan uitgaan heeft de vrouw een bedrag van € 300,- per maand opgenomen. De man heeft betwist dat partijen dit maandelijks per persoon uitgaven. Ook deze kosten stelt de rechtbank, gelet op de betwisting door de man, vast op € 150,- per maand.
Studiekosten
Hoewel de vrouw op dit moment geen opleiding volgt, heeft zij € 125,- per maand opgevoerd als studiekosten. De man heeft betwist dat met deze kosten rekening moet worden gehouden, omdat de vrouw net is gepromoveerd. De rechtbank houdt geen rekening met deze last. Daartoe overweegt de rechtbank dat de vrouw thans geen opleiding volgt en het niet duidelijk is óf en wanneer de vrouw een nieuwe opleiding zal gaan volgen. Ook staat de noodzaak daartoe niet vast.
Andere lasten (mindfulness)
De vrouw heeft € 250,- per maand opgevoerd aan een mindfulness training. De man heeft betwist dat hier rekening mee moet worden gehouden. Volgens de man kan de vrouw deze kosten zo nodig voldoen van haar deel van de overwaarde van de woning dat haar toekomt. De vrouw heeft de noodzaak van deze last niet aangetoond. Daarom houdt de rechtbank hier geen rekening mee.
Pensioenpremie
Aan premie voor een pensioen heeft de vrouw € 110,- per maand opgevoerd. Volgens de vrouw betreft dit een lage premie en dient hier rekening mee te worden gehouden. De man heeft deze kostenpost betwist. De rechtbank overweegt dat de vrouw geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij deze premie betaalt. Daarom zal de rechtbank hier geen rekening mee houden.
Huur opslagruimte
De vrouw heeft minimaal € 30,- en maximaal € 50,- per maand aan kosten voor een opslagruimte opgevoerd. De man heeft bij gebrek aan wetenschap deze post betwist, omdat de vrouw geen stukken hiervan heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft, zodat hier geen rekening mee zal worden gehouden.
Kosten advocaat
De vrouw heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met advocaatkosten ad € 150,- per uur. Zij procedeert met een (voorwaardelijke) toevoeging, maar de verwachting is – gelet op de uitkomst van de verdeling – dat zij alsnog de kosten van haar advocaat zelf zal moeten betalen. De man heeft deze kosten betwist. De rechtbank overweegt als volgt. Voor de rechtbank staat nog niet vast dat de vrouw daadwerkelijk de kosten zelf zal moeten dragen. Daarnaast is niet duidelijk tot welk bedrag dit dan zal zijn. Bovendien wordt de partneralimentatie voor de toekomst vastgesteld en zal de vrouw, na afronding van de scheidingsprocedure, deze kosten in de toekomst niet meer maken. Daarom houdt de rechtbank hier geen rekening mee.
Online psycholoog
De vrouw heeft een bedrag van € 200,- per maand opgevoerd voor online sessies met een psycholoog. De vrouw heeft dit onderbouwd met het standpunt dat zij veel baat heeft bij deze sessies en niet kan leven zonder deze psycholoog. De man heeft betwist dat hier rekening mee moet worden gehouden. De rechtbank overweegt dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat het noodzakelijk is bij deze – in het buitenland gevestigde – psycholoog online sessies te volgen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden – voor zover therapie al noodzakelijk zou zijn – waarom de vrouw niet bij een Nederlandse psycholoog, waarvan de kosten wellicht onder de ziektekostenverzekering zouden vallen, in therapie zou kunnen gaan. In dat licht bezien houdt de rechtbank geen rekening met deze kosten.
2.3.12.
Gelet op het bovenstaande stelt de rechtbank de behoefte van de vrouw vast op € 2.390,- netto per maand.
Behoeftigheid van de vrouw
2.3.13.
Tussen partijen is in geschil in welke mate de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage.
De vrouw heeft gesteld op dit moment geen inkomen te hebben. Zij betoogt dat zij ten gevolge van een ongeval heeft zij ernstig letsel opgelopen, waarvan de psychische gevolgen groot waren. De vrouw is als gevolg daarvan, en de verslechtering van de relatie tussen partijen en een hersenschudding, niet in staat zelf in haar behoefte te voorzien. De vrouw verwacht op termijn wel weer een eigen inkomen te hebben. Daarom houdt zij rekening met een verdiencapaciteit van € 700,- netto per maand.
2.3.14.
De man heeft betwist dat de vrouw geen eigen inkomen kan genereren door een ongeluk. De vrouw heeft dat niet aangetoond. Volgens de man heeft de vrouw ook na het ongeluk nog € 1000,- per maand verdiend en is zij nog gepromoveerd. Door deze promotie zou de vrouw in staat moeten zijn een hoger inkomen te genereren. De vrouw laat in het geheel niet zien welke pogingen zij onderneemt om een betaalde baan te vinden. De man acht het niet realistisch van een verdiencapaciteit lager dan de bijstandsnorm uit te gaan voor een jonge vrouw met een hoge opleiding en zelfs een doctorstitel. Daarnaast is ook de (verbroken) relatie tussen partijen geen beletsel om meer te gaan werken.
2.3.15.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu vast staat dat de vrouw op dit moment niet werkt, staat eveneens vast dat de vrouw niet volledig in haar (huwelijksgerelateerde) behoefte kan voorzien. De rechtbank houdt rekening met een netto inkomen aan de zijde van de vrouw van € 700,- per maand. Haar aanvullende behoefte bedraagt dan nog € 1.690,- netto per maand, gebruteerd is dat € 2.688,-.
2.3.16.
Met de man is de rechtbank van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de vrouw niet in staat is te werken. De in het geding gebrachte stukken kunnen in ieder geval niet tot dat oordeel leiden. Niet weersproken is dat de vrouw tijdens het huwelijk € 1.000,-netto per maand aan inkomen genereerde. Naar het oordeel van de rechtbank moet de vrouw binnen afzienbare tijd in staat zijn wederom dat inkomen te verdienen. De rechtbank gaat hierbij uit van een termijn van een jaar. Het vorenstaande betekent dat na een jaar nog rekening te worden gehouden met een aanvullende behoefte van € 1.390,- netto per maand, wat neerkomt op € 2.100,- bruto per maand.
2.3.17.
Volgens de overgelegde jaaropgave 2018 heeft de man een bruto jaarloon van € 57.734,-. Vast staat dat de man tot 31 oktober 2020 nog onder de zogenoemde 30% regeling ingekomen werknemers valt. Deze regeling houdt in dat de man 30% van zijn salaris onbelast ontvangt. Het hiervoor genoemde jaarloon betreft derhalve slechts 70% van het loon van de man. Indien de man over zijn volledige salaris belastingplichtig zou zijn geweest, had zijn salaris € 82.477,- (€ 57.734 : 0,7) bedragen. Het verschil ontvangt de man netto en zal de rechtbank daarom als netto inkomsten in de draagkrachtberekening meenemen.
2.3.18.
De man verhuurt een woning in Spanje. Deze wordt gelet op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aan de man toegedeeld, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de man deze woning vooralsnog zal blijven verhuren. In geschil is of de man inkomsten heeft uit deze woning. De man stelt maandelijks verlies te lijden, terwijl de vrouw uitgaat van een inkomen van € 283,- per maand. De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft een uitdraai van zijn bankrekening overgelegd waarop verschillende posten met verschillende bedragen staan. Een adequate toelichting ontbreekt. De vertaling van de diverse posten, zonder daarbij de (gemiddelde) maandelijkse lasten en inkomsten te noemen is in ieder geval onvoldoende. De rechtbank gaat daarom uit van het door de vrouw genoemde bedrag van € 298,- per maand en zal dit als netto inkomen meenemen in de draagkrachtberekening.
2.3.19.
De vrouw heeft de volgende door de man opgevoerde lasten niet dan wel onvoldoende betwist:
- eigen woning forfait € 2.541,- per jaar;
- hypotheekrente € 15.226,- per jaar;
- erfpacht € 1.613,- per jaar
- aflossing/premie levensverzekering € 149,- per maand
- forfaitaire eigenaarslasten € 110,- per maand;
- premie ziektekostenverzekering € 131,- per maand;
- verplicht eigen risico € 32,- per maand.
2.3.20.
De man heeft aan andere bijzondere kosten € 200,- per maand opgevoerd. Het betreft hier kosten van de schoonmaker. Volgens de man hadden partijen deze kosten al tijdens het huwelijk en is het redelijk hier rekening mee te houden. De vrouw heeft betwist dat met deze kosten rekening moet worden gehouden. De vrouw heeft gesteld dat de man deze kosten uit zijn vrije ruimte moet voldoen, ook indien partijen de schoonmaker al tijdens het huwelijk hebben gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is er in dezen geen sprake van zodanige bijzondere kosten dat deze als aparte post in mindering moet worden gebracht op de draagkracht van de man. Het is een keuze van de man om iemand anders voor hem te laten schoonmaken en de man dient deze kosten uit zijn vrije ruimte te voldoen.
2.3.21.
De man heeft € 114,- per maand opgevoerd als zijnde advocaatkosten. De vrouw heeft gesteld akkoord te gaan met het rekening houden met deze last gedurende 12 maanden. De rechtbank zal conform het Tremarapport gedurende twaalf maanden rekening houden met deze last.
2.3.22.
De man heeft aan werkelijke verwervingskosten € 195,- per maand opgevoerd. Het betreft hier parkeerkosten. Volgens de man heeft hij de auto nodig voor zijn werk en dient daarom rekening te worden gehouden met deze last. De vrouw heeft dat betwist. Volgens de vrouw woont de man 4 kilometer van zijn werk en is een auto derhalve niet noodzakelijk en moet er daarom geen rekening worden gehouden met deze kosten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man tegenover de betwisting door de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat het voor de uitoefening van zijn werkzaamheden noodzakelijk is dat hij over een auto beschikt. De rechtbank houdt daarom geen rekening met deze post.
2.3.23.
De man heeft kosten van € 137,- per maand voor de boot opgevoerd, aangezien hij de kosten daarvan doorbetaalt. De vrouw heeft betwist dat daar rekening mee moet worden gehouden. Volgens de vrouw moet de man deze kosten uit zijn vrije ruimte voldoen. Nu de boot in het kader van de verdeling, waarover hierna meer, aan de man zal worden toegedeeld, dient de man de kosten van de boot naar het oordeel van de rechtbank uit zijn vrije ruimte te voldoen.
2.3.24.
Uit de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening volgt dat de man op dit moment een draagkracht heeft van € 3.112,- per jaar. Nu met de advocaatkosten slechts één jaar rekening zal worden gehouden, heeft de rechtbank een tweede berekening gemaakt, die eveneens aan deze beschikking is gehecht. Gelet op het feit dat de man vanaf 31 oktober 2020 geen gebruik meer zal kunnen maken van de 30% regeling ingekomen werknemers, houdt de recht daar in deze tweede berekening al rekening mee. Uit deze berekening volgt dat de man in die situatie een draagkracht heeft van € 2.358,-. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de man in staat is bij te dragen in de in rechtsoverwegingen 2.3.15. en 2.3.16. berekende aanvullende behoefte.
Anticiperen op wijziging belastingdruk
2.3.25.
De man heeft verzocht alvast te anticiperen op de omstandigheid dat het percentage waartegen de man de door hem betaalde partneralimentatie van de belasting af kan trekken per 1 januari 2020 zal worden verlaagd. De rechtbank overweegt dat de hoogte van de
alimentatie afhangt van meer factoren dan alleen het fiscaal voordeel voor betaalde partneralimentatie en hypotheekrente. Een ander punt is dat de exacte tarieven waartegen de aftrek plaats kan vinden pas in de laatste weken van het jaar definitief worden vastgesteld, wat een praktische belemmering vormt voor het maken van de berekening. Bovendien hangt het sterk van de zaak af of de herziening van het belastingstelsel er daadwerkelijk toe zal leiden dat de onderhoudsbijdrage op een ander bedrag bepaald dient te worden dan thans wordt vastgesteld. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank niet meegaan in voornoemd verzoek van de man.
2.4.
Verdeling
2.4.1.
Beide partijen hebben verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de inmiddels ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen.
2.4.2.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.4.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
2.4.4.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
2.4.5.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.
2.4.6.
Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd, te weten Nederland.
2.4.7.
Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking dan ook het Nederlandse recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
2.4.8.
Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
2.4.9.
De peildatum voor de omvang en samenstelling is de datum waarop het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank is ingediend, zijnde 5 oktober 2018. Als peildatum voor de waardering van de verschillende vermogensbestanddelen heeft de datum waarop de verdeling feitelijk plaatsvindt te gelden, met uitzondering van het saldo op de bankrekeningen en de schulden. Daarvoor geldt in beginsel als peildatum de datum waarop de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden, 5 oktober 2018.
Uit de stukken blijkt dat de huwelijksgoederengemeenschap van partijen de volgende vermogensbestanddelen omvat:
Goederen
a. de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] ;
b. de woning te [plaats 2] , Spanje;
c. de auto [merk] , bouwjaar 2002;
d. de boot;
e. diverse bankrekeningen;
f. de inboedel;
Schulden
g. de hypothecaire geldlening ING Bank, verbonden aan de [adres 1] te [plaats 1] ;
h. de hypothecaire geldlening verbonden aan de woning te [plaats 2] , Spanje.
De woning aan de [adres 1] met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening
2.4.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat de woning met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening in beginsel aan de man kan worden toegedeeld. Tussen partijen is wel in geschil tegen welke waarde. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de wijze waarop de waarde zal worden bepaald. Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw vier makelaars aan zal wijzen, waaruit de man twee makelaars zal kiezen die de woning zullen gaan taxeren. Het gemiddelde van deze twee taxaties zal de tussen partijen bindende waarde zijn waartegen de man de woning zal kunnen overnemen.
2.4.11.
Gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken zal de rechtbank daarom als wijze van verdeling van de [adres 1] te [plaats 1] gelasten dat de vrouw vier makelaars zal aanwijzen, waaruit de man twee makelaars zal kiezen, waarna de gemiddelde waarde bindend tussen partijen zal zijn. De man krijgt tot vier maanden na taxatie de gelegenheid te onderzoeken of het voor hem financieel haalbaar is de woning toegedeeld te krijgen tegen deze bindende waarde alsmede de vrouw te doen laten ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldleningen. De levering van de woning aan de man dient in dat geval binnen een maand, nadat de man de vrouw heeft bericht dat hij de woning kan overnemen, plaats te vinden.
2.4.12.
De vrouw draagt alsdan haar aandeel over aan de man. Indien de woning aan een derde zou worden overgedragen, zouden de kosten van het notariële transport door de derde/verkrijger van de woning worden gedragen. De rechtbank acht het in dat licht bezien redelijk dat de kosten van het notariële transport, in het geval de woning aan de man wordt toegedeeld, voor rekening van de man komen en zal aldus beslissen.
2.4.13.
Voor het geval ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet binnen de hiervoor genoemde termijn gerealiseerd zal zijn en daardoor niet zal zijn voldaan aan de voorwaarde voor toedeling aan de man, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat de woning in dat geval zo spoedig mogelijk verkocht en geleverd dient te worden aan een derde, waarbij de verkoopopbrengst na aflossing van de resterende hypothecaire geldleningen en de betaling van de kosten van verkoop en overdracht tussen partijen wordt verdeeld, dan wel een eventuele restantschuld door partijen gelijkelijk wordt gedragen.
2.4.14.
Voormelde verkoop dient te geschieden door middel van een opdracht aan een door partijen gezamenlijk aan te wijzen NVM-makelaar binnen vier weken nadat de termijn voor notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man is verstreken.
2.4.15.
Partijen zullen in dat geval in overleg met de makelaar de vraagprijs bepalen, welke vraagprijs dient te zijn gebaseerd op de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een bindende marktconforme vraagprijs.
2.4.16.
Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar de prijs naar beste weten en kunnen bindend bepalen.
2.4.17.
Iedere partij is bij overdracht van de woning aan een derde gehouden de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.
De woning aan de [adres 2] te [plaats 2] en bijbehorende hypotheek
2.4.18.
Niet in geschil is dat de woning in beginsel aan de man kan worden toegedeeld. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de wijze waarop de waarde zal worden bepaald. De man zal drie makelaars in [plaats 2] aanwijzen, waarna de vrouw een makelaar zal kiezen die de woning zal gaan taxeren. De getaxeerde waarde zal de tussen partijen bindende waarde zijn waartegen de man de woning zal kunnen overnemen.
2.4.19.
Gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken zal de rechtbank daarom als wijze van verdeling van de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] gelasten dat de man drie makelaars zal aanwijzen, waaruit de vrouw een makelaar zal kiezen, waarna de getaxeerde waarde bindend tussen partijen zal zijn. De man krijgt tot vier maanden na taxatie de gelegenheid te onderzoeken of het voor hem financieel haalbaar is de woning toegedeeld te krijgen tegen deze bindende waarde alsmede de vrouw te doen laten ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldleningen. De levering van de woning aan de man – voor zover nog vereist - dient in dat geval binnen een maand, nadat de man de vrouw heeft bericht dat hij de woning kan overnemen, plaats te vinden.
2.4.20.
De vrouw draagt alsdan haar aandeel over aan de man. Indien de woning aan een derde zou worden overgedragen, zouden de kosten van het notariële transport door de derde/verkrijger van de woning worden gedragen. De rechtbank acht het in dat licht bezien redelijk dat de kosten van het notariële transport, in het geval de woning aan de man wordt toegedeeld, voor rekening van de man komen en zal aldus beslissen.
2.4.21.
Voor het geval ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet binnen de hiervoor genoemde termijn gerealiseerd zal zijn en daardoor niet zal zijn voldaan aan de voorwaarde voor toedeling aan de man, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat de woning in dat geval zo spoedig mogelijk verkocht en geleverd dient te worden aan een derde, waarbij de verkoopopbrengst na aflossing van de resterende hypothecaire geldleningen en de betaling van de kosten van verkoop en overdracht tussen partijen wordt verdeeld, dan wel een eventuele restantschuld door partijen gelijkelijk wordt gedragen.
2.4.22.
Voormelde verkoop dient te geschieden door middel van een opdracht aan een door partijen gezamenlijk aan te wijzen makelaar in [plaats 2] binnen vier weken nadat de termijn voor notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man is verstreken.
2.4.23.
Partijen zullen in dat geval in overleg met de makelaar de vraagprijs bepalen, welke vraagprijs dient te zijn gebaseerd op de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een bindende marktconforme vraagprijs.
2.4.24.
Partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar de prijs naar beste weten en kunnen bindend bepalen.
2.4.25.
Iedere partij is bij overdracht van de woning aan een derde gehouden de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen
2.4.26.
In geschil is de waarde waartegen de auto aan de man kan worden toegedeeld. De vrouw heeft gesteld dat de waarde € 2.000,- is terwijl de man uitgaat van € 1.050,-. De rechtbank zal de waarde in redelijkheid bepalen op € 1.500,-, zodat aan de vrouw een bedrag van € 750,- toekomt.
2.4.27.
Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de boot. De boot zal aan de man worden toegedeeld tegen een waarde van € 1.000,-. De man dient
€ 500,- aan de vrouw te betalen.
2.4.28.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de saldi van de volgende bankrekeningen tussen partijen verdeeld moeten worden:
- [betaalrekening 1] (betaalrekening) ten name van de man;
- [betaalrekening 2] ten name van de man;
- [betaalrekening 1] (spaarrekening) ten name van de man;
- [betaalrekening 3] ten name van de man;
- [betaalrekening 4] ten name van de man;
- [betaalrekening 5] ten name van de vrouw.
2.4.29.
De rechtbank zal bepalen dat aan ieder van partijen de op hem of haar naam staande bankrekeningen zullen worden toegedeeld, onder verrekening van de saldi per 5 oktober 2018. Partijen dienen elkaar daartoe over en weer inzage te verschaffen door overlegging van een bankafschrift met het saldo per 5 oktober 2018.
2.4.30.
Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat de inboedel zal worden verdeeld conform het door de vrouw overgelegde voorstel, met uitzondering van de wasmachine die aan de man zal worden toegedeeld. De rechtbank zal de verdeling van de inboedel daarom vaststellen conform de aan deze beschikking gehechte lijst en bepalen dat aan ieder wordt toegedeeld wat onder zijn of haar naam staat, uitgezonderd de wasmachine die aan de man zal worden toegedeeld, dit alles zonder verrekening van waarde.