Vordering
2. [eiseres] vordert dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
a. De Vinderij beveelt om de inbreuk gestaakt te houden alsmede iedere verdere
inbreuk op de auteursrechten jegens [eiseres] na te laten;
De Vinderij veroordeelt tot betaling van € 2.500,00 exclusief btw als schadevergoeding wegens gederfde gebruiksvergoeding en geschonden persoonlijkheidsrechten;
De Vinderij gelast in dit geding de herkomst van de foto bekend te maken onder verbeurte van een dwangsom;
De Vinderij veroordeelt tot betaling van de werkelijk gemaakte proceskosten, bij dagvaarding begroot op € 2.885,87;
De Vinderij veroordeelt tot betaling van de wettelijke handelsrente plus de gebruikelijke opslag van 2 % ingaande 30 dagen na verzending van de onder 1.5 genoemde aansprakelijkstelling, tot de dag van de volledige voldoening;
De Vinderij veroordeelt in de nakosten.
3. [eiseres] stelt daartoe dat De Vinderij inbreuk heeft gemaakt op haar auteursrecht. Op grond van artikel 27 van de Auteurswet (Aw) maakt [eiseres] aanspraak op schadevergoeding. Deze begroot zij op € 3.750,00, welk bedrag als volgt is berekend:
€ 750,00 aan gebruiksvergoeding voor een licentie van één jaar, waarbij [eiseres] ervan uitgaat dat de inbreuk minstens twee jaar heeft geduurd. Daarnaast is sprake van de volgende schadeverhogende factoren (ad € 750,00 per factor): verlies aan zelfbeschikkingsrecht, toeslag ontbreken naam van de maker, en toeslag wegens verminking (couperen of verkleinen) van het originele beeld. [eiseres] beperkt haar vordering op dit punt tot € 2.500,00 exclusief btw. Voorts maakt [eiseres] op grond van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aanspraak op de werkelijk gemaakte proceskosten.
Beoordeling
5. Voor zover De Vinderij (‘bij gebrek aan wetenschap’) betwist dat zij inbreuk op het auteursrecht van [eiseres] heeft gemaakt, faalt dat betoog. Een door [eiseres] overgelegde foto van zijn pc-scherm (productie 4B) toont dat de foto op 31 maart 2017 te vinden was bij (een website van het bedrijf) [URL] . Onweersproken is dat [URL] een handelsnaam is van De Vinderij. Bovendien heeft [eiseres] een foto van zijn pc-scherm overgelegd waarop de foto te zien is op de website [URL]. Hiermee staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat de foto op een door De Vinderij geëxploiteerde website is geplaatst. De Vinderij heeft niet betwist dat zij daarvoor geen toestemming van [eiseres] had. Daarmee is sprake van een inbreuk op het auteursrecht van [eiseres] .
6. Dat het plaatsen van de foto onopzettelijk is gebeurd doet aan die inbreuk niet af. Ook het onbewuste schenden van het auteursrecht komt voor rekening en risico van de inbreukmaker.
7. De Vinderij heeft betoogd dat de website al sinds juni 2017 niet meer online is. Toch ziet de kantonrechter grond om de vordering tot het gestaakt houden van de inbreuk en ieder verdere inbreuk op de auteursrechten jegens [eiseres] (zie 2a) toe te wijzen. Ook al is de website thans niet meer online, De Vinderij is nog steeds de onderneming die verantwoordelijk is voor de website [URL] (en diverse andere sites) en voor wat daarmee gebeurt.
8. De vordering tot het gelasten van het bekend maken van de herkomst van de foto is echter niet toewijsbaar. De Vinderij heeft toegelicht dat er in de loop van de tijd verschillende mensen aan en voor de website [URL] hebben gewerkt maar dat zij na al die tijd niet meer kan achterhalen wie degene is die de betreffende foto daarop zou kunnen hebben geplaatst. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter dus ook niet meer te achterhalen wat de herkomst van de foto is, zodat een veroordeling daartoe zinledig is.
9. Nu de inbreuk op het auteursrecht van [eiseres] vaststaat, zoals hiervoor is overwogen, is De Vinderij gehouden de daaruit voortkomende schade te vergoeden. Voor zover De Vinderij zich op dit punt op verjaring beroept, faalt dat beroep. Het betreft een vordering uit onrechtmatige daad. De verjaringstermijn voor het instellen van een vordering ter zake van onrechtmatige daad is 5 jaar. De onderhavige vordering is ingesteld ruim binnen die termijn, uitgaande van 31 maart 2017, de datum van ontdekking van de inbreuk.
10. Ten aanzien van die schade geldt het volgende. [eiseres] heeft ter onderbouwing van zijn schade gewezen op de door hem gehanteerde leveringsvoorwaarden van de Fotografen Federatie. Daarin is bepaald dat bij inbreuk op een auteursrecht de fotograaf een vergoeding toekomt van tenminste driemaal de door de fotograaf gebruikelijk gehanteerde licentievergoeding voor een dergelijke vorm van gebruik, zonder enig recht te verliezen op vergoeding van overige geleden schade. Daarnaast is bepaald dat in geval van het niet vermelden van de naam van de fotograaf en in geval van schending van de persoonlijkheidsrechten van de fotograaf ex artikel 25 lid 1 sub c en d Aw de fotograaf een vergoeding toekomt van tenminste 100% van de door de fotograaf gebruikelijk gehanteerde licentievergoeding. [eiseres] heeft voorts diverse producties overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat het door hem gehanteerde gebruikelijke (licentie)tarief voor een foto die met deze techniek is gemaakt € 750,00 per jaar bedraagt. Dit alles leidt volgens [eiseres] tot een schade van 5 x € 750,00 = € 3.750,00. Hij beperkt zijn vordering in deze procedure echter tot € 2.500,00.
11. Daartegenover heeft De Vinderij betoogd dat de schadevergoeding waarop [eiseres] aanspraak maakt buitenproportioneel hoog is, mede gezien de non-commerciële insteek van de website waarop de foto is aangetroffen.
12. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Ingevolge artikel 6:97 BW begroot de rechter de schade op een wijze die het meest de aard van de schade in overeenstemming is. Daarbij heeft de rechter de vrijheid de schade abstract vast te stellen. Uitgangspunt bij deze begroting is dat de auteursrechthebbende ten minste aanspraak kan maken op een schadevergoeding gelijk aan de licentievergoeding die verschuldigd zou zijn geweest, als er wel toestemming voor de verveelvoudiging zou zijn gevraagd. De Vinderij heeft de stelling van [eiseres] dat het tarief in dit geval € 750,00 zou bedragen, niet concreet genoeg weersproken. Dat bedrag is dan ook toewijsbaar aan schadevergoeding.
13. Dit bedrag wordt echter niet nog eens vermenigvuldigd wegens een inbreuk die meerdere jaren heeft geduurd en wegens diverse andere inbreuken op het persoonlijkheidsrecht van [eiseres] , zoals de afbreuk aan het zelfbeschikkingsrecht. Naar het oordeel van de kantonrechter kan worden aangenomen dat de waarde van de exclusiviteit van de foto is verdisconteerd in de licentievergoeding. Bovendien zou een vermenigvuldiging met een factor 3,3 (zoals [eiseres] in deze zaak doet) in dit geval leiden tot een buitenproportionele schadevergoeding, die niet in lijn is met de wijze van begroting van de schade als hiervoor onder r.o.12 aangehaald.
14. De gevorderde ‘wettelijke handelsrente plus de gebruikelijke opslag van 2%’ wordt afgewezen. Weliswaar is De Vinderij evenals [eiseres] een onderneming, maar de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW is alleen van toepassing op de niet-nakoming van betalingsverplichtingen voortvloeiende uit handelsovereenkomsten. Een vordering uit onrechtmatige daad, zoals hier aan de orde is, is niet als zodanig te beschouwen en valt derhalve onder het regime van artikel 6:119 BW. Die wettelijke rente zal over de hoofdsom worden toegewezen en wel, gelet op de brief van 16 april 2018, vanaf 16 mei 2018.
15. [eiseres] vordert tot slot de werkelijk gemaakte proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. In dat artikel is, in navolging van artikel 14 van de Handhavingsrichtlijn, bepaald dat de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd wordt veroordeeld in redelijke en evenredige proceskosten, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Nu de Vinderij in het buitengerechtelijke traject niet bereid was een schadevergoeding te betalen hoger dan € 400,00, terwijl uit het voorgaande volgt dat [eiseres] op zichzelf wel terecht aanspraak maakte op een hoger bedrag, heeft [eiseres] de vordering terecht aanhangig gemaakt.
16. [eiseres] heeft een uitvoerig gemotiveerde dagvaarding voorzien van vele producties ingediend. De zaak zelf is materieel bezien echter zeer eenvoudig en niet bewerkelijk. Dat blijkt ook uit de veelal gestandaardiseerde teksten in de dagvaarding, uit de overvloed aan producties daarbij, en uit de (gestandaardiseerde) tekst in de aansprakelijkheidsstelling van 16 april 2018. Gelet hierop zullen de kosten voor het salaris van de gemachtigde van [eiseres] overeenkomstig de geldende regeling Indicatietarieven in IE-zaken (rechtbanken) worden begroot conform het toepasselijke liquidatietarief in kantonzaken.
17. Toepassing van het liquidatietarief kanton betekent dat (anders dan bij toepassing van de bij de indicatietarieven gestelde maxima) een onderscheid dient te worden gemaakt tussen buitengerechtelijke kosten en kosten gemachtigde. Weliswaar heeft [eiseres] in zijn vordering dit onderscheid niet gemaakt, maar in de specificatie van de door hem gemaakte kosten die hij heeft overgelegd ter ondersteuning van de vordering op grond van artikel 1019h Rv (prod. 8 bij dagvaarding) is ook een post opgenomen voor administratie- en opsporingskosten ex artikel 6:96 Rv. De kantonrechter begrijpt daaruit dat [eiseres] tevens aanspraak maakt op buitengerechtelijke kosten.
18. Dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht volgt uit de buitengerechtelijke correspondentie die partijen hebben gevoerd na de aansprakelijkheidsstelling van
16 april 2018. Aanbuitengerechtelijke kosten zal, uitgaande van een hoofdsom van
€ 750,00 exclusief btw, worden toegewezen € 112,50 exclusief btw.
19. De kosten van dit geding worden, met toepassing van het liquidatietarief kanton voor de kosten gemachtigde, bepaald op: € 476,00 aan griffierecht, € 85,44 aan explootkosten en € 240,00 aan salaris gemachtigde. De nakosten zijn toewijsbaar als hieronder vermeld.