vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht – team kanton
zaaknummer: 7116260 CV EXPL 18-17189
vonnis van: 9 november 2018
fno.: 364
vonnis van de kantonrechter
[eiser]
wonende te [woonplaats]
eiser, nader te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. L. de Vries
[gedaagde]
gevestigd te [vestigingsplaats]
gedaagde, nader te noemen: [gedaagde]
procederende bij [bestuurder]
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
- dagvaarding van 16 juli 2018 met producties;
- antwoord met een productie;
- instructievonnis;
- dagbepaling comparitie.
De comparitie is gehouden op 3 oktober 2018. [eiser] heeft daaraan voorafgaand nog stukken in het geding gebracht. [eiser] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. [gedaagde] is verschenen bij haar bestuurder [bestuurder] . Partijen hebben hun standpunten naar voren gebracht, aan de hand van een pleitnota, waarbij [gedaagde] nog stukken heeft overgelegd. Verder hebben partijen vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.
Feiten
1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
1.1.
[eiser] is een professioneel fotograaf, die zijn foto’s exploiteert via zijn [naam eenmanszaak] en via [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] .
1.2.
Hij heeft het auteursrecht op de foto getiteld ‘ [beschrijving titel] ’ (verder: de foto).
1.3.
[gedaagde] exploiteert de website [website] Op enig moment is de foto op deze website geplaatst.
1.4.
Bij brief van 4 oktober 2016 heeft de toenmalig gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd de foto te verwijderen, gevraagd hoe zij in het bezit was gekomen van de foto en meegedeeld in overleg wilde treden over de afhandeling van de schade. De kosten voor de handhaving van zijn rechten nam [eiser] vooralsnog voor eigen rekening, aldus de brief.
1.5.
[gedaagde] heeft de foto daarop van de website verwijderd.
1.6.
Bij gelijkluidende brieven van 19 oktober 2016, 31 oktober 2016, 8 november 2016, 16 november 2016, 25 november 2016 en 7 april 2017 heeft de toenmalig gemachtigde [gedaagde] geschreven dat nog geen reactie was ontvangen op voorgaande brieven en dat hij wilde overleggen over de afhandeling van de schade.
1.7.
De toenmalig gemachtigde heeft [gedaagde] daarna nog vier keer met soortgelijke brieven aangeschreven en een schikkingsvoorstel gedaan voor wat betreft de schade, waarop [gedaagde] niet heeft gereageerd. Er zijn ook twee aangetekende brieven verstuurd, waarvan [gedaagde] er één heeft ontvangen en één heeft geweigerd aan te nemen (26 mei 2017 en 3 oktober 2017).
1.8.
In juli 2017 heeft de gemachtigde telefonisch contact gehad over de kwestie met [bestuurder] .
1.9.
De huidige gemachtigde heeft [gedaagde] daarna laten weten dat tot dagvaarding zou worden overgegaan.
1.10.
[eiser] heeft reeds meerdere keren een procedure bij de kantonrechter gevoerd over inbreuk op foto’s waarop hij het auteursrecht heeft.
Het geschil
2. [eiser] vordert te verklaren voor recht dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [eiser] en voorts dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
a. € 500,00 aan schadevergoeding;
b. de proceskosten ex artikel 1019h Rv, na wijziging van eis begroot op € 2.291,04;
c. de nakosten van € 100,00;
d. de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van het vonnis.
3. [eiser] stelt hiertoe, samengevat, dat [gedaagde] door de foto te plaatsen inbreuk heeft gemaakt op zijn auteurs- en persoonlijkheidsrechten en hij daardoor schade heeft geleden. Een buitengerechtelijke oplossing kon niet worden bereikt. Om zijn schade vergoed te krijgen en bekend te raken met de bron waaruit de foto is verkregen, ziet [eiser] geen andere mogelijkheid dan zich te wenden tot de kantonrechter. Verder heeft [eiser] belang bij een veroordeling in de redelijke en evenredige kosten die hij heeft moeten maken om zijn rechten te handhaven. Deze kosten zijn in verhouding tot de opbrengsten voor het gebruik van zijn foto’s hoog. Een kleine zelfstandige als [eiser] kan zich niet permitteren om geld toe te leggen op het handhaven van zijn rechten, aan de andere kant kan hij zich ook niet permitteren dat derden met zijn prestaties aan de haal gaan zonder daarvoor een vergoeding te betalen.
4. [gedaagde] voert aan, zakelijk weergegeven, dat blijkbaar één van de vrijwilligers die de website bijhouden de foto op internet heeft gevonden en op de website van [gedaagde] heeft geplaatst. Normaliter wordt de naam van de fotograaf vermeld, maar deze was bij de betreffende foto niet te achterhalen. Daarom is ervan uit gegaan dat de foto mocht worden gebruikt. Verder hebben slechts de eigen mensen van [gedaagde] de website bezocht, zodat [eiser] geen schade heeft geleden. Dat heeft [gedaagde] [eiser] eerder ook laten weten, zowel telefonisch als schriftelijk. [gedaagde] heeft daarbij meegedeeld een redelijk bedrag te willen betalen om van de zaak af te zijn. [gedaagde] is geen commercieel bedrijf, heeft het financieel moeilijk en vraagt daarom om coulance. Volgens [gedaagde] gebruikt [naam bedrijf 3] een oneigenlijke handelswijze om mensen, die nietsvermoedend afbeeldingen plaatsen, uit te buiten. [gedaagde] verzoekt daarom de kostenveroordeling af te wijzen. Verder heeft [gedaagde] niet alle brieven van de gemachtigde van [eiser] ontvangen en heeft [gedaagde] zelf op 28 oktober 2016 aan [eiser] een brief gestuurd met daarin het voorstel € 25,00 te betalen. Dat is meer dan genoeg, gelet op de tarieven van [eiser] .
Beoordeling
5. Vast staat dat de foto een auteursrechtelijk beschermd werk is in de zin van artikel 10 lid 1 sub 9 van de Auteurswet. Tevens staat vast dat de foto zonder toestemming van [eiser] op de website van [gedaagde] is geplaatst. [gedaagde] heeft aldus de foto voor het publiek toegankelijk gemaakt en daarmee inbreuk gemaakt op het op die foto rustende auteursrecht van [eiser] . De omstandigheid dat de foto slechts korte tijd op de website heeft gestaan en wellicht slechts medewerkers van [gedaagde] de foto hebben gezien, doet aan die inbreuk niet af. Het verweer van [gedaagde] dat hij onwetend was van het op de foto rustende auteursrecht en de omstandigheid dat de foto niet te herleiden was tot [eiser] omdat geen naam bij de foto was vermeld, kan [gedaagde] evenmin baten. Ook die omstandigheden kunnen er immers niet toe leiden dat [gedaagde] geen inbreuk heeft gepleegd op het auteursrecht van [eiser] . Het onbewust schenden van het auteursrecht komt voor rekening en risico van de inbreukmaker. De gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar.
6. Door de inbreuk is [gedaagde] gehouden de daaruit voortkomende schade te vergoeden. Wat betreft de schade geldt dat met het verwijderen van de foto de schade nog niet is vergoed. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn schade verwezen naar zijn website, waarop is vermeld dat het basislicentietarief voor zijn foto’s € 250,00 exclusief btw per foto per jaar is en voorts dat [eiser] de algemene voorwaarden van 2009 van de Nederlandse Fotografenfederatie hanteert. Verder stelt [eiser] dat hij voor het gebruik van een foto een minimumtermijn van een jaar hanteert. Dit alles heeft [gedaagde] niet betwist; zij voert slechts aan dat zij dat een te hoog tarief vindt. Dat is onvoldoende tegenover de door [eiser] voldoende onderbouwde schade, gesteld op
€ 250,00 als gevolg van gederfde licentievergoeding.
7. Daarnaast heeft [eiser] voldoende toegelicht dat hij schade heeft geleden vanwege het ontbreken van naamsvermelding, het ontbreken van toestemming voor het gebruik van de foto en het zelf moeten constateren van de inbreuk op zijn auteursrecht. Het verweer van [gedaagde] dat alleen eigen mensen van [gedaagde] de foto hebben gezien en dat het niet aan [gedaagde] is te wijten dat de foto op internet rondzwierf zonder naamsvermelding, is daartegenover onvoldoende. Zij heeft immers het risico genomen de foto toch te gebruiken en daarmee (toekomstige) schade berokkend aan [eiser] .
8. [eiser] berekent zijn schade aan de hand van artikel 9 en 10 van de algemene voorwaarden op viermaal de licentievergoeding, te weten € 1.000,00. Het totale bedrag aan schade beperkt [eiser] tot een bedrag van € 500,00, wat betekent dat hij naast de gederfde licentievergoeding aan overige schade € 250,00 vordert. Dat bedrag komt de kantonrechter redelijk voor en zal dan ook naast het bedrag aan gederfde licentievergoeding worden toegewezen, evenals de gevorderde rente.
9. [gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, welke kosten [eiser] vordert ex artikel 1019h Rv. [gedaagde] heeft de hoogte van de proceskosten betwist en heeft aangevoerd dat de kosten van de gemachtigde onnodig zijn gemaakt.
10. Niet gebleken is dat [gedaagde] na de eerste sommatie heeft laten weten er op minnelijke wijze uit te willen komen met [eiser] . Volgens [gedaagde] heeft hij op
28 oktober 2016 een brief gestuurd aan [eiser] zelf, maar [eiser] betwist deze te hebben ontvangen en [gedaagde] heeft daartegenover onvoldoende aangetoond dat de brief, overigens met een verkeerde postcode, door hem is ontvangen. Los daarvan heeft [gedaagde] op de daarna door de gemachtigde gestuurde brieven niet meer gereageerd, terwijl [gedaagde] had kunnen laten weten dat hij een deel van de schade wilde voldoen dan wel dat hij niet van plan was om welk bedrag dan ook te betalen. Dan waren verdere sommatiebrieven zinloos geweest en de daardoor gemaakte kosten niet meer redelijk. Op het moment dat de (toenmalige) gemachtigde van [eiser] (steeds) geen reactie kreeg heeft hij vervolgstappen gezet, waaraan redelijkerwijs kosten zijn verbonden.
11. Daarmee is nog niet gezegd dat ook de proceskosten in hoogte evenredig en redelijk zijn. De door de (voormalige) gemachtigde van [eiser] verstuurde brieven zijn voornamelijk kopieën van elkaar en voorts is het – gezien de eerdere vonnissen waarin de wederpartij is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] – niet de eerste keer dat (dit bureau voor) [eiser] een dergelijke procedure begint. Verwacht mag worden, nu het voorbereidende werk reeds was gedaan, dat in minder uren dan voorgaande procedures de zaak kon worden behandeld. Daarbij kan overigens de vraag worden opgeworpen of het redelijk is dat [eiser] , nu hij reeds meerdere soortgelijke procedures heeft gevoerd en derhalve inmiddels weet hoe het werkt, opnieuw rechtskundige bijstand heeft ingeschakeld in plaats van degene die volgens hem inbreuk maakt zelf te benaderen om zijn schade vergoed te krijgen. Gelet op deze omstandigheden en voorts op de omstandigheid dat [gedaagde] , zo is niet betwist, een stichting is die door vrijwilligers wordt gedreven en die er financieel slecht voorstaat, worden de kosten voor het salaris van de gemachtigde naar billijkheid bepaald op
€ 400,00. Daarnaast worden het griffierecht en de explootkosten toegewezen.
BESLISSING
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van [eiser] ;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van:
- € 500,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de betekening van het vonnis;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op:
exploot € 86,80
salaris € 400,00
griffierecht € 79,00
-----------------
totaal € 565,80
voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 15,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving is betekend;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter