3.2.1.
Drugs aanwezig hebben (feiten 1 en 2)
De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of verdachte de drugs ‘aanwezig heeft gehad’. Voor het bewijs van ‘aanwezig hebben’ in de zin van de Opiumwet, is nodig:
-
dat verdachte wist van de aanwezigheid van de drugs,
-
dat de drugs zich binnen zijn machtssfeer bevonden.
Met dat laatste wordt bedoeld dat verdachte in enige mate kon bepalen wat er met die drugs zou gebeuren, oftewel: dat hij er enige zeggenschap over had. Niet vereist is dat de drugs zijn eigendom waren.
3.2.1.1. Wetenschap
De rechtbank concludeert dat verdachte wist dat de drugs in de woning lagen. Zij komt om de volgende redenen tot die conclusie.
Verdachte is aangehouden in een woning waarvan hij moet hebben geweten dat het een drugspand was. De politie heeft namelijk opgeschreven dat zij meteen bij binnenkomst een zeer sterke hennepgeur rook en dat er duidelijk een lawaaierige afzuiginstallatie hoorbaar was. Dat zijn twee zaken die verdachte moet hebben opgemerkt, ook als hij nooit op de eerste etage van de woning zou zijn geweest en er in de woonkamer joints werden gerookt. Door het observatieteam is gezien dat verdachte deze woning op 15 november 2017 tussen 13.33 uur en 19.25 uur meerdere keren (in ieder geval vier keer) heeft betreden.10
In dat drugspand zijn op allerlei plekken vingerafdrukken van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft daarvoor ter terechtzitting een verklaring gegeven: hij heeft [naam kennis] begin september 2017 helpen verhuizen en daarbij zijn verdachtes vingerafdrukken terecht gekomen op bijvoorbeeld vuilniszakken, dozen en plastic sealbags. Verdachte heeft verklaard 15 tot 20 vuilniszakken te hebben gedragen en daar soms wel en soms niet in te hebben gekeken. Hij heeft daarbij geen geld of drugs gezien. Voor zover zijn vingerafdrukken zijn gevonden op materialen waarin op 15 november 2017 drugs of geld was verpakt, moeten die verpakkingsmaterialen later zijn (her)gebruikt om drugs en contant geld in te verpakken, aldus verdachte. Hij heeft namelijk een zak met – zo dacht hij – transparante, plastic lamineervellen in drie verschillende formaten gedragen. Die zak is gescheurd en de vellen zijn eruit gevallen. Verdachte heeft die vellen op formaat gesorteerd en opgestapeld. Blijkbaar waren die vellen in werkelijkheid sealbags waarin later stapels contanten zijn verpakt, zo begrijpt de rechtbank de verklaring van verdachte.
De rechtbank acht het door verdachte geschetste alternatieve scenario alleen aannemelijk op het onderdeel dat verdachte [naam kennis] heeft geholpen met verhuizen. Dat deel is namelijk in lijn met andere bewijsmiddelen in het dossier en niet op voorhand ongeloofwaardig. [naam kennis] heeft immers ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd dat verdachte hem in september 2017 heeft geholpen met verhuizen en in het dossier zit het huurcontract van de woning waaruit blijkt dat de woning inderdaad vanaf 1 september 2017 aan [naam kennis] is verhuurd.
De verhuizing biedt naar het oordeel van de rechtbank echter een onvoldoende verklaring voor de aangetroffen vingerafdrukken, gelet op de hoeveelheid en plaats van die vingerafdrukken:11
Twee vingerafdrukken op een vuilniszak die stond in een kamer op de eerste verdieping die was ingericht voor distributie van verdovende middelen en waarin plastic handschoenen (kennelijk afval) zaten;12
Eén vingerafdruk op een vuilniszak in de kruipruimte waarin een gesealde stapel contanten zat;13
Vier vingerafdrukken op een in de kruipruimte aangetroffen sealbag waarin een stapel geld zat en één vingerafdruk op de Albert Heijn-tas waarin die sealbag zat;14
Eén vingerafdruk op een in de kruipruimte gevonden hoeveelheid harddrugs;15
Vier vingerafdrukken op een doos met henneptoppen die stond in een kamer op de eerste verdieping;16
Vier vingerafdrukken op een zak of tas met daarin henneptoppen, die stond in een andere kamer op de eerste verdieping.17
Dat die vingerafdrukken op zo veel en zulke belastende plekken terecht zijn gekomen tijdens die ene verhuizing zonder dat verdachte wist dat in die verpakkingsmaterialen drugs en stapels contant geld zat, of dat in al die verpakkingsmaterialen pas na de verhuizing verdovende middelen en geld terecht is gekomen, acht de rechtbank ongeloofwaardig.
Daarbij komt dat verdachte geen toevallige passant was en [naam kennis] kende en zich kennelijk in een drugscircuit bevindt. Dat laatste leidt de rechtbank af uit het strafblad van verdachte (verdachte is in 2010 onherroepelijk veroordeeld wegens drugshandel en deelname aan een criminele organisatie die zich bezig houdt met Opiumwet-misdrijven) en uit het feit dat op de telefoons die aan verdachte zijn gekoppeld, maar waarover hij niet heeft willen verklaren, notities staan met daarin informatie die duidt op de handel in softdrugs. Zo wordt gesproken over hoeveelheden en prijzen van drugs.18,19
Tot slot weegt ook het moment en de wijze waarop verdachte het alternatief scenario naar voren heeft gebracht in het nadeel van verdachte mee bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaring. Over de telefoons heeft verdachte niet willen verklaren. Over een ander deel heeft hij ongeloofwaardig verklaard, namelijk over het ongevraagd in de auto van een ander plaatsen van gevulde, “naar huisvuil stinkende” vuilniszakken die in de woning van [naam kennis] stonden. Dat verdachte als bezoeker twee vuilniszakken met huisafval in de auto van een ander zou hebben gelegd - zoals verdachte heeft verklaard - vindt de rechtbank niet voor de hand liggen. Verder strookt een deel van zijn verklaring niet met de observaties van verbalisanten. Zij hebben verdachte vaker de woning in- en uit zien gaan dan hij heeft verklaard en verdachte is door verbalisanten herkend op het moment dat hij samen met een onbekende man vanuit de [adres 1] naar een Volkswagen Jetta liep en die onbekende man een zwarte tas met witte letters aan de bestuurder van die auto overhandigde. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij dat niet geweest is, maar verbalisanten hebben verdachte herkend20 De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid van die herkenning te twijfelen. Dit geldt temeer nu verbalisanten verdachte op momenten daarvoor en daarna ook hebben herkend en die herkenningen volgens verdachte wel kloppen.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat het door verdachte geschetste alternatieve scenario ten aanzien van de vingerafdrukken geen stand houdt. Dan blijft voor die vingerafdrukken geen andere verklaring over dan dat verdachte de pakketten met drugs en contant geld in handen heeft gehad en er dus van wist.
De rechtbank vindt het aannemelijk dat verdachte van alle drugs en al het geld in de woning op de hoogte was. Er is immers geen reden om aan te nemen dat verdachte de drugs en het geld waarop zijn vingerafdrukken niet zijn aangetroffen, niet heeft opgemerkt. Daarbij is van belang dat deze drugs in dezelfde ruimtes lagen als de drugs en het geld waarop de vingerafdrukken van verdachten zaten. Ook speelt een rol dat de eerste verdieping van de woning niet voor bewoning geschikt was en geheel was ingericht op de verkoop en verstrekking van drugs. Het is onder die omstandigheden onwaarschijnlijk dat de wetenschap van verdachte zich heeft beperkt tot de drugs en het geld waarop zijn vingerafdrukken zijn gevonden.
3.2.2.
Medeplegen
[naam kennis] is als huurder van de woning in beginsel verantwoordelijk voor wat zich in de woning bevindt. Zoals hiervoor uiteen is gezet, heeft ook verdachte (onder meer vanwege de aangetroffen vingerafdrukken en de informatie op zijn telefoon) deze drugs aanwezig gehad. Verdachte en [naam kennis] kenden elkaar, hebben in september 2017 samen spullen de woning in gebracht en [naam kennis] heeft verdachte op 15 november 2017 (voor een deel samen met anderen) enkele uren achtergelaten in de woning. Bovendien is tijdens de observaties door de verbalisanten waargenomen dat verdachte samen met een ander twee vuilniszakken en een doos uit de woning van [naam kennis] heeft meegenomen en in een Volkswagen Touran heeft gelegd en dat hij met een onbekende man is meegelopen die een zwarte tas met witte letters aan de bestuurder van een Volkswagen Jetta heeft gegeven. Daaruit leidt de rechtbank af dat [naam kennis] en verdachte nauw en bewust hebben samengewerkt.
[naam kennis] had als huurder beschikkingsmacht over alle goederen in de woning. Op de dag dat de inval is gedaan (15 november 2017), is [naam kennis] om 15.42 uur uit de woning vertrokken. Verdachte is toen dus zonder [naam kennis] – maar wel met anderen – in de woning achtergebleven. Om 19.25 uur is verdachte aangehouden in de woning. In de tussentijd zijn er veel mensen de woning in en uit gegaan. Daarbij zijn blijkens de observaties meerdere dozen en zakken of tassen de woning uit gesjouwd. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte (zowel toen anderen in de woning aanwezig waren als op momenten dat hij alleen in de woning was) de gelegenheid had om te bepalen wat er met de spullen in de woning zou gebeuren. Die spullen bevonden zich dus in de machtssfeer van verdachte.
Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte en medeverdachte wetenschap hadden van de drugs, de drugsgerelateerde spullen en de contante gelden én dat die spullen zich in de machtssfeer van zowel medeverdachte als verdachte bevonden, kunnen de feiten 1 en 2 worden bewezen verklaard.
3.2.3.
Voorbereiding van drugshandel? (feit 3)
Vervolgens is de vraag aan de orde of ook is bewezen dat verdachte de handel in harddrugs heeft voorbereid of bevorderd. Daaronder valt het simpelweg aanwezig hebben van spullen die nodig zijn of kunnen worden gebruikt bij die drugshandel.
Hiervoor is al vastgesteld dat verdachte verantwoordelijk wordt gehouden voor alle drugsgerelateerde spullen in de woning, dus ook voor de spullen die onder feit 3 zijn opgesomd. Gelet op de hoeveelheid en de combinatie van deze spullen kunnen alle spullen die in de tenlastelegging zijn opgesomd worden beschouwd als middelen om drugshandel voor te bereiden of te bevorderen.
De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde goederen dienen voor de handel in harddrugs. De politie heeft juist opgeschreven dat het een distributiecentrum voor softdrugs betrof, aldus de raadsman. De rechtbank wijst allereerst op de hoeveelheid harddrugs die in de woning is aangetroffen. De spullen die in de woning zijn aangetroffen en onder feit 3 zijn opgesomd, zijn geen spullen die bij uitstek of uitsluitend geschikt zijn voor de handel in softdrugs. Bovendien zijn op de USB-stick die in de woning is aangetroffen, meerdere foto’s en documenten gevonden met betrekking tot de verkoop van MDMA- en LSD producten.21De rechtbank verwerpt dan ook het verweer en acht feit 3 bewezen.