Kort geding, ontruiming afgewezen: vondst illegaal vuurwerk in kelder en slaapkamer sociale huurwoning, huurster had toezicht moeten houden op achttienjarige zoon, omvang van het gevaar echter onduidelijk nu aantal kilo’s en zwaarte vuurwerk niet inzichtelijk is gemaakt en onduidelijk is ook of huurders van het gewijzigde beleid van verhuurder op de hoogte waren of hadden moeten zijn; vraagt een nader onderzoek naar de feiten. Huurster heeft direct maatregelen genomen en zoon is vertrokken. Zij heeft geen andere verplichtingen geschonden en heeft nog een tweede, minderjarige, inwonende zoon. Gelet op al deze omstandigheden bestaat er geen grond om de ontruiming in kort geding toe te wijzen.
zaaknummer / rolnummer: C/13/620712 / KG ZA 16-1509 PS/EK
Vonnis in kort geding van 2 februari 2017
in de zaak van
de stichting
WONINGSTICHTING EIGEN HAARD,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres bij dagvaarding van 23 december 2016,
advocaat mr. M.G. Blokziel te Almere,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. D.A. IJpelaar te Wassenaar.
Partijen zullen hierna Eigen Haard en [gedaagde] worden genoemd.
1 De procedure
Ter terechtzitting van 19 januari 2017 heeft Eigen Haard gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Eigen Haard heeft producties in het geding gebracht. [gedaagde] heeft één productie en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
Ter zitting waren aanwezig:
aan de zijde van Eigen Haard: [naam 1] , [naam 2] en mr. Blokziel
aan de zijde van [gedaagde] : [gedaagde] , [naam 3] (zoon van [gedaagde] ), [naam 4] (gezinsmanager) en mr. IJpelaar.
2 De feiten
2.1.
[gedaagde] huurt van Eigen Haard – op grond van een op 12 augustus 2005 met de rechtsvoorganger van Eigen Haard gesloten huurovereenkomst – de sociale huurwoning (met berging en zolder) aan de [adres] (hierna de woning). De woning is gelegen op de zesde verdieping van een flat en heeft vier kamers. De berging bevindt zich in de kelder van de flat. De huidige huurprijs bedraagt € 621,74 per maand. [gedaagde] heeft geen huurachterstand.
2.2.
In de Algemene huurvoorwaarden Woongroep Holland, die onderdeel uitmaken van de huurovereenkomst, is onder meer opgenomen dat de huurder het gehuurde zal gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt (artikel 6.9) en dat de huurder verplicht is de nodige maatregelen te nemen ter voorkoming van schade aan het gehuurde in het bijzonder in geval van brand, storm, water en vorst (artikel 6.14).
2.3.
Op 4 november 2016 ontving Eigen Haard van de politie een zogeheten Doorzonproces-verbaal met betrekking tot de woning van [gedaagde] . In het proces-verbaal is het volgende opgenomen:
“(…)
Op vrijdag 27 oktober 2016 (…) constateerde collega’s in de woning en de box (…) aanwezigheid van een hoeveelheid (deels voor handel) illegaal vuurwerk.
(…)
Overige van belang zijnde informatie:
Zowel in woning als box van de flat is illegaal vuurwerk aangetroffen. In de slaapkamer van de betrokken werden 10 (illegale) lawinepijlen met opdruk “Thunderking” aangetroffen.
In de box van de flat werden 6 dozen met in iedere doos 10 (illegale) vlinderbommen aangetroffen. 4 dozen met in iedere doos 20 (illegale Poolse) nitraatbommen. 1 doos van 10 (illegale) lawinepijlen.
Verder stonden er in de box 2 bromfietsen, een motorblok van een bromfiets, en een fles benzine. In de box hing een sterke benzinelucht. Dit gaf in combinatie met het aanwezige zware illegale vuurwerk een zeer gevaarlijke situatie. Een aparte gespecialiseerde afdeling heeft de afvoer verzorgd van het illegale vuurwerk.
(…)”
Na de vondst is de achttienjarige zoon van [gedaagde] , [naam 3] , door de politie aangehouden.
2.4.
Op 7 november 2016 heeft een medewerker van Eigen Haard een huisbezoek in de woning afgelegd nadat in het trappenhuis benzinegeur was waargenomen. In het leefbaarheidsdossier dat Eigen Haard in het geding heeft gebracht staat hierover het volgende vermeld:
“(…)
HH (hoofdhuurder [gedaagde] , vzr) erkende de benzinelucht al op de 6e verdieping te kunnen ruiken. Op de vraag van [medewerker Eigen Haard] of HH mee wilde gaan naar de box antwoordde HH dat ze mee ging. Ze moest echter eerst een boxsleutel vragen aan haar zoon die binnen in de woning zat. De box stond vol met scooters/motoren, jerrycan, doeken. Vanuit de box kwam een enorme benzinelucht. HH verklaarde dat de spullen in de box van haar 18 jarige zoon en zijn vrienden waren. [medewerker Eigen Haard] heeft HH erop gewezen dat de box om 20.00 uur die dag vrij van brandgevaarlijke stoffen moest zijn. Die avond is door de huismeester de box gecontroleerd. Toen stonden er nog 2 scooters en hing er een scooter aan de verwarmingsleiding van de flat. HH is er op gewezen dat dit niet mag en dat 10-11-16 alles uit de box moest zijn verwijderd. Op dat moment waren er geen brandgevaarlijke spullen meer in de box aanwezig.”
2.5.
Tijdens een gesprek op 30 november 2016 op het kantoor van Eigen Haard heeft een medewerker van Eigen Haard [gedaagde] geconfronteerd met de vondst van het vuurwerk en de benzine. In het leefbaarheidsdossier van Eigen Haard staat hierover het volgende vermeld:
“(…) Ik geef aan dat eea gevaar voor het pand, huurder zelf, alle andere bewoners van de flat en de omgeving heeft opgeleverd. (…) Mevr erkent dit allemaal. Ze zegt de benzinelucht ook geroken te hebben. Ze zegt niet te weten wat haar zoon [naam 3] in de box deed. Ik vraag of ze geen controle uitoefent op wat haar zoon in de box doet. Ze zegt dit niet te doen omdat ze geen sleutel van de box had. Haar zoon wel. Ik geef aan ook in de woning illegaal vuurwerk is aangetroffen. Dat dit alles is afgevoerd in een speciaal voertuig met passende veiligheidsmaatregelen door een speciale afdeling. Mevr zegt dit te weten, ze zegt gezien te hebben hoe eea werd afgevoerd. (…) Ik geef aan (…) dat zij verantwoordelijk is voor wat haar 18 jarige zoon in het gehuurde doet. Mevr geeft aan dit te begrijpen. Ze geeft aan dat zoon 3 maanden in een kliniek heeft verbleven omdat hij continue met verkeerde dingen bezig was. Ik vraag nogmaals of mevr geen toezicht hield. Ze zegt nogmaals niet veel toezicht te hebben gehad. Ze zegt ook niet altijd thuis te zijn. Als haar zoons bij hun vader zijn in het weekend merkt ze ook dat [naam 3] in haar woning is geweest. Toen de extreme benzinelucht er hing zou ze [naam 3] wel gewaarschuwd hebben over gevaarzetting. (…)”
2.6.
Bij brief van 1 december 2016 heeft de Burgemeester van de gemeente Uithoorn naar aanleiding van de vondst op 27 oktober 2016 aan [naam 3] geschreven, voor zover thans van belang:
“(…)
Het hebben en verhandelen van illegaal vuurwerk kan ik niet accepteren. Ik betreur het dat u uw omgeving in gevaar heeft gebracht. Het feit dat u in 2015 ook verdachte bent geweest in de handel in illegaal vuurwerk versterkt dit.
Ik benadruk dat ik het hebben en verhandelen van illegaal vuurwerk niet tolereer. Wanneer er opnieuw wordt geconstateerd dat u zich bezig houdt met illegaal vuurwerk, overweeg ik serieus om over te gaan tot sluiting van de woning (…)
Ik ga er vanuit dat u met deze brief voldoende bent gewaarschuwd.”
2.7.
Op 7 december 2016 zijn [gedaagde] en [naam 3] samen op kantoor van Eigen Haard geweest. In het leefbaarheidsdossier van Eigen Haard is over dit gesprek het volgende vermeld:
“(…) [naam 3] geeft aan heel dom geweest te zijn, hij heeft iedereen in gevaar gebracht. Hij is daar pas over na gaan denken nadat alles was gebeurd en mensen hem er op hebben aangesproken. (…) Ik geef aan dat illegaal vuurwerk niet voor niets illegaal is, dat de situatie zoals die was extreem brand- en explosiegevaarlijk was. Dat er heel veel mensen dakloos hadden kunnen worden. Hij zegt dit nu te weten. Hij zegt het zielig te vinden voor zijn moeder dat die nu misschien haar woning kwijt raakt door wat hij heeft gedaan. HH zegt dat jeugdzorg er nu bij betrokken is en dat [naam 3] mogelijk niet meer thuis kan wonen. HH raakt hier erg door geëmotioneerd. HH geeft aan dat [naam 3] de hele box heeft leeggehaald, alle scooters zijn er ook uit, hij zou ook de muren geschilderd hebben omdat die beschadigd waren en de vloer zou gedweild zijn. Ze hebben sinds kort weer een nieuwe gezinsmanager die kijkt ook wat ze kunnen doen voor het gezin. (…)”
3 Het geschil
3.1.
Eigen Haard vordert – samengevat – ontruiming van de woning door [gedaagde] binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, met machtiging van Eigen Haard om de ontruiming zo nodig op kosten van [gedaagde] zelf te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.2.
Eigen Haard heeft aan de vordering tot ontruiming ten grondslag gelegd dat [gedaagde] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Met de aanwezigheid van de gevonden hoeveelheid vuurwerk heeft [gedaagde] een hoog explosie- en brandgevaar voor haarzelf en buurtbewoners gecreëerd. Dit wordt door Eigen Haard niet geaccepteerd. Eigen Haard heeft een inspanningsverplichting om maatregelen te treffen teneinde het rustige woongenot en de veiligheid van haar huurders te waarborgen en zo nodig te herstellen. De geconstateerde situatie maakt dat er sprake is van ernstig toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde] op grond waarvan een bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. Het hebben van grote hoeveelheid illegaal vuurwerk in een woning is een zodanig ernstige tekortkoming dat een ontruiming, vooruitlopend op een bodemprocedure, moet worden toegewezen, aldus Eigen Haard. Dat [gedaagde] en [naam 3] inmiddels inzien dat het vuurwerk een groot gevaar heeft opgeleverd, doet er niet aan af dat omwonenden aan de grove gevaarzetting zijn blootgesteld. Er zijn geen bijzondere omstandigheden bij [gedaagde] die maken dat de vordering tot ontruiming moet worden afgewezen, aldus Eigen Haard.
3.3.
[gedaagde] voert, samengevat, het volgende verweer. Zij realiseert zich dat de aanwezigheid van vuurwerk in beginsel gevaar opleverde voor haar omgeving, maar zij meent dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de aanwezigheid van het vuurwerk in de woning en de box, omdat [naam 3] het vuurwerk buiten haar medeweten in de woning en de box heeft gebracht. Het vuurwerk was niet open en bloot in haar woning aanwezig; [naam 3] had het onder zijn bed verstopt en in de (in de kelder gelegen) box opgeslagen. [gedaagde] kwam nauwelijks in de box. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat het gevaar thans geweken is, dat [naam 3] ook niet meer bij haar woont en dat een ontruiming, mede gelet op haar belangen en die van haar minderjarige zoon [naam 5] , niet gerechtvaardigd is. Er zal geen vervangende woonruimte op korte termijn kunnen worden gevonden en [naam 5] zit nog op school, aldus – steeds – [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens toewijst en indien van de eisende partij, Eigen Haard in dit geval, niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
4.2.
Voor de beantwoording van de vraag of de bodemrechter de vordering tot ontruiming zal toewijzen, moet worden nagegaan of [gedaagde] zich als goed huurder heeft gedragen. Het kan zijn dat zij in die verplichting tekort is geschoten als zij wist van de aanwezigheid van vuurwerk in het gehuurde, maar ook als zij daarvan niet wist. Op grond van artikel 7:219 van het Burgerlijk Wetboek is [gedaagde] als huurder immers verantwoordelijk voor de gedragingen van personen die met haar goedvinden het gehuurde – waaronder de box – (mede) gebruiken. Het lag dan ook op haar weg om toezicht uit te oefenen op de gedragingen van haar inwonende zoon [naam 3] . Dat [gedaagde] geen sleutel had van de box, valt onder haar eigen verantwoordelijkheid en is dus geen geldig excuus voor een eventueel gebrek aan toezicht op wat zich in die box afspeelde.
4.3.
Ten aanzien van de vragen of [gedaagde] zich niet als goed huurder heeft gedragen en of de bodemrechter op grond daarvan tot ontbinding van de huurovereenkomst zal overgaan, is het volgende van belang.
4.4.
Als niet betwist dient ervan te worden uitgegaan dat in oktober 2016 in een slaapkamer van de woning tien illegale lawinepijlen voorhanden zijn geweest en in de box van de woning een grotere hoeveelheid illegaal vuurwerk. Aannemelijk is ook dat dit in de box, zeker in combinatie met de door de politie aldaar geconstateerde benzinedampen, een gevaarlijke situatie heeft opgeleverd. Omtrent de hoeveelheid en de zwaarte van het aangetroffen vuurwerk heeft Eigen Haard echter geen andere informatie kunnen verstrekken dan de hierboven weergegeven informatie uit het proces-verbaal (zie 2.3). [gedaagde] heeft aangevoerd dat het aantal kilo’s aangetroffen vuurwerk beperkt was. Volgens haar ging het om ongeveer vijf en maximaal tien kilo. Eigen Haard heeft dit niet betwist. Eigen Haard heeft verder toegegeven dat er verschil in zwaarte bestaat bij de soorten vuurwerk als aangetroffen, zoals nitraatbommen en lawinepijlen. Over de zwaarte van het aangetroffen vuurwerk kon Eigen Haard echter ook geen informatie geven.
4.5.
Eigen Haard heeft betoogd dat de ernst van de gevaarzetting volgt uit het feit dat de politie met speciaal vervoer en verpakkingsmateriaal het vuurwerk heeft moeten verwijderen, maar dat betoog wordt niet overtuigend geacht. Geenszins ondenkbaar is dat de politie altijd met speciaal vervoer of verpakkingsmateriaal aangetroffen vuurwerk zal verwijderen, omdat waarschijnlijk niet altijd op het eerste gezicht duidelijk is welk vuurwerk met welke zwaarte is aangetroffen. Omtrent de mate van gevaarzetting die uit de aanwezigheid van het vuurwerk voortvloeide, bestaat dus op dit moment onzekerheid.
4.6.
Voorts is goed mogelijk dat [gedaagde] – zoals zij stelt – niet op de hoogte was van de aanwezigheid van het vuurwerk in de woning en de box, omdat haar zoon het vuurwerk in de woning onder zijn bed had verstopt en zij zelden in de box kwam. Weliswaar disculpeert dit haar nog niet, omdat zij ook gehouden is toezicht op haar inwonende zoon te houden; maar voor de vraag of zij in die toezichthoudende taak dermate ernstig tekort is geschoten, dat zulks de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, zijn alle omstandigheden van het geval van belang, zoals de hoeveelheid (in gewicht) van het aangetroffen vuurwerk en de vraag of [gedaagde] had moeten begrijpen dat daarvan een ernstig gevaar voor de omgeving uitging. Ook de vraag in hoeverre [gedaagde] had moeten begrijpen dat Eigen Haard de aanwezigheid van dit vuurwerk niet zou tolereren, speelt daarbij een rol. Ter zitting is gebleken dat Eigen Haard in het verleden bij grotere hoeveelheden vuurwerk dan thans aangetroffen niet (altijd) handhavend is opgetreden. Eigen Haard heeft weliswaar toegelicht dat en waarom dat thans anders is, maar dat roept de vraag op in hoeverre haar huurders van dat gewijzigde beleid op de hoogte waren of hadden moeten zijn. Daarover heeft Eigen Haard echter niets gesteld. Eigen Haard heeft voorts aangevoerd dat dient mee te wegen dat [naam 3] vermoedelijk – blijkens de in 2.6 vermelde brief – ook in 2015 een grote hoeveelheid illegaal vuurwerk in of rondom de woning heeft gehad. Omtrent de aard en toedracht van hetgeen zich in 2015 heeft afgespeeld, ontbreken echter gegevens, terwijl niet is gebleken dat [gedaagde] of [naam 3] eerder een waarschuwing heeft ontvangen (van Eigen Haard of de burgemeester) dat het hebben van illegaal vuurwerk niet wordt getolereerd. De genoemde onzekerheden vragen om een nader onderzoek naar de feiten, waarvoor in kort geding geen plaats is. Geenszins ondenkbaar is dat de bodemrechter zal oordelen dat [gedaagde] tekort is geschoten in haar toezichthoudende taak, maar dat is onvoldoende om de ontruiming reeds nu, vooruitlopend op een bodemprocedure te gelasten, zeker wanneer de over en weer betrokken belangen tegen elkaar worden afgewogen.
4.7.
Over die belangenafweging het volgende. Op dit moment is geen gevaarlijke situatie meer aanwezig, omdat het vuurwerk is verwijderd. Daarnaast is aannemelijk geworden dat [naam 3] ook niet meer woonachtig is op het adres: [gedaagde] en de gezinsmanager hebben ter zitting verklaard dat [naam 3] sinds het incident niet meer thuis woonachtig is en dat de 50%-zorgregeling die [gedaagde] met de vader van [naam 3] had, niet langer geldend is. [naam 3] woont nu de hele week bij zijn vader. Er wordt verder voorshands van uitgegaan dat [naam 3] niet in het bezit is van de sleutels. [gedaagde] heeft gesteld dat zij de sloten heeft vervangen en heeft ter zitting toegelicht dat [naam 3] niet meer zonder haar toezicht in de woning verblijft. Met deze maatregelen is het gevaar voor herhaling geweken. Aannemelijk is verder dat [gedaagde] inmiddels doordrongen is van de ernst van de situatie.
Van belang is verder dat [gedaagde] – afgezien van het vuurwerkincident – geen andere op haar rustende verplichtingen heeft geschonden. Er zijn geen klachten over overlast en zij heeft altijd tijdig de huur betaald. Tot slot hebben zij en haar andere zoon – die nog minderjarig is en thans in de vierde klas van het vwo zit – een zwaarwegend belang bij behoud van de woning. Vervangende woonruimte hebben zij niet.
4.8.
Dat Eigen Haard – naar zij heeft gesteld – met deze zaak een sterk signaal wil afgeven opdat het eenieder duidelijk is dat een gevaarzettende situatie als deze niet wordt getolereerd en bovendien wordt gesanctioneerd, leidt niet tot een ander oordeel. Hierbij speelt een rol dat niet is gesteld of gebleken dat Eigen Haard haar huidige (strenge) beleid ten aanzien van het voorhanden hebben van illegaal vuurwerk aan haar huurders heeft gecommuniceerd. Evenmin kan tot een ander oordeel leiden de stelling van Eigen Haard dat zij snel dient te handelen om zo een sluiting van de woning door de gemeente te voorkomen. Deze stelling is door [gedaagde] betwist en door Eigen Haard niet aannemelijk gemaakt. Integendeel, uit de brief van de Burgemeester van de Gemeente Uithoorn van 1 december 2016 blijkt dat pas bij een volgende overtreding de sluiting van de woning serieus in overweging wordt genomen.
4.9.
Gelet op het voorgaande zullen de gevraagde voorzieningen worden geweigerd. Eigen Haard zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen;
5.2.
veroordeelt Eigen Haard in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:
– € 79,- aan griffierecht en
– € 816,- aan salaris advocaat;
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Schoonbrood - Wessels, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.M. Kolkman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017.1