6.1
het standpunt van het openbaar ministerie.
De officier van justitie heeft in zijn schriftelijk requisitoir onder meer, samengevat, het volgende aangevoerd.
Rechtmatigheid van de aanhouding
Verdachte was in het kader van de uitoefening van zijn politietaak, bevoegd om [persoon 1] aan te houden, nu die op dat moment verdacht werd van overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (het niet voldoen aan de verplichting een identificatiebewijs ter inzage aan te bieden). De aanhouding van [persoon 1] was derhalve rechtmatig.
Was verdachte op grond van de Ambtsinstructie bevoegd zijn vuurwapen te gebruiken?
Verdachte was op grond van artikel 7 van de Ambtsinstructie niet bevoegd zijn vuurwapen te gebruiken. Collega [persoon 2] werd weliswaar mishandeld, maar er was geen sprake van een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit van [persoon 2] . Ook was of kon de mishandeling van [persoon 2] door haar gevolg niet bedreigend zijn voor de samenleving. Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de Ambtsinstructie.
Verdachte had ook op grond van artikel 7 lid 3 van de Ambtsinstructie niet mogen overgaan tot aanhoudingsvuur. Verdachte kon op grond van het signalement, de gelijkende foto en het inhoudelijke gesprek met [persoon 1] , geen redelijke twijfel meer hebben over de identiteit van [persoon 1] en de mishandeling door [persoon 1] was niet dusdanig dat uitstel van aanhouding een onaanvaardbaar risico van de rechtsorde met zich mee zou brengen.
Noodweer/Noodweerexces
Uit de verklaringen van [persoon 2] , [persoon 4] en [persoon 5] blijkt niet dat er sprake was van een acute levensbedreigende situatie. Ook was geen sprake meer van een ogenblikkelijke aanranding, omdat de gedraging van [persoon 1] jegens [persoon 2] al ten einde was op het moment dat het schot viel. Er is geen sprake van noodweer en reeds daarom ook niet van noodweerexces.
Putatief noodweer
Aan verdachte komt eveneens geen verweer op grond van putatief noodweer toe. Verdachte verklaart dat hij de situatie (veel) ernstiger beoordeelde dan achteraf feitelijk is vast komen te staan. Deze dwaling was objectief gezien niet verontschuldigbaar. De drie collega-agenten, waarvan één met minder ervaring en dienstjaren, hebben blijkens hun verklaringen de situatie als veel minder bedreigend beoordeeld. Dit levert de benodigde objectivering voor de beoordeling van een putatief noodweerverweer. Van verdachte mocht in deze situatie worden verlangd dat hij de situatie anders zou hebben ingeschat.
Dat stress er de oorzaak van kan zijn dat feiten anders worden geïnterpreteerd is geen rechtvaardiging, nu de drie collega’s die in dezelfde stressvolle situatie verkeerden een andere inschatting maakten. Dit had van verdachte ook verwacht mogen worden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft in zijn op schrift gestelde pleitnotitie onder meer en kort samengevat het volgende aangevoerd.
Rechtmatigheid aanhouding
De aanhouding van [persoon 1] was rechtmatig. Hij was verdachte van huiselijk geweld, stond gesignaleerd en kon of wilde zijn identiteitsbewijs op vordering niet ter inzage geven. Omdat [persoon 1] zich hevig verzette, mochten de politieambtenaren gepast geweld gebruiken bij de aanhouding. In de chaos van het geweld heeft verdachte de beslissing genomen te schieten op de benen van [persoon 1] . Uit onderzoek is gebleken dat stress leidt tot inschattingsfouten. Dat verdachte uit stress heeft gehandeld is zeer aannemelijk.
Noodweer
Het geweld dat [persoon 1] heeft gepleegd is wederrechtelijk, nu de aanhouding rechtmatig was. Verdachte meende dat een verdediging tegen deze aanranding noodzakelijk was. Zijn collega’s waren nog in gevecht met [persoon 1] en van hem kon niet worden gevergd dat hij zich aan dit gevecht zou onttrekken en zijn collega’s zou achterlaten met [persoon 1] . Achteraf gezien was het schieten op de benen van [persoon 1] echter niet proportioneel in verhouding tot de wederrechtelijk aanranding door [persoon 1] .
Noodweerexces
Er is wel sprake van noodweerexces. Hierbij speelt angst en stress een rol bij verdachte: ondanks de door collega’s gebruikte pepperspray, ging het gevecht door en hij was bang dat de collega’s zwaar verwond zouden kunnen worden. Hierop besloot hij in een split second te schieten. Het is minst genomen zeer aannemelijk dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging die veroorzaakt werd door de wederrechtelijke aanranding door [persoon 1] .
Op grond hiervan verzoekt de raadsman de rechtbank om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Putatief noodweer (exces)
Indien de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een noodweersituatie komt verdachte een beroep op putatief noodweer (exces) toe.
Verdachte dwaalde omtrent de ernst van de bedreiging. Dat hij de situatie dreigender heeft beleefd dan feitelijk aan de orde was, is hem, door de stressvolle situatie, de val van zijn collega die hij als ernstig beoordeelde, de gebruikte pepperspray en de agressie van [persoon 1] , niet aan te rekenen. Hij kon verschoonbaar in de veronderstelling verkeren dat de dreiging zodanig hoog was dat schieten op de benen van [persoon 1] geboden was. Daarom komt hem een beroep op putatief noodweer toe en dient hij te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6.3.
het oordeel van de rechtbank
Rechtmatigheid aanhouding [persoon 1]
De rechtbank stelt voorop dat de aanhouding van [persoon 1] rechtmatig is geweest. [persoon 1] mocht worden aangehouden op grond van de verdenking van huiselijk geweld, de signalering op grond van een onherroepelijk vonnis en de verdenking van mishandeling van een ambtenaar in functie. Op grond van artikel 7 van de Politiewet 2012 mocht verdachte hierbij ook gepast geweld gebruiken.
Gebleken is dat [persoon 1] zich hevig verzette tegen zijn aanhouding en dat dit verzet uitliep op een worsteling tussen [persoon 1] en de vier verbalisanten. Hierbij is [persoon 2] door [persoon 1] geschopt.
Aan de vraag of verdachte zijn vuurwapen bij de aanhouding mocht gebruiken komt de rechtbank niet toe, nu uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting blijkt dat hij dit vuurwapen heeft gehanteerd om een einde te maken aan een voor hemzelf en zijn collega’s dreigende situatie en wederrechtelijke aanranding en niet ter aanhouding van een verdachte. Gelet hierop staat de rechtbank dan ook thans voor de vraag of verdachte een geslaagd beroep kan doen op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer(exces).
Noodweer/noodweerexces
Wil sprake zijn van noodweer dan dient vast te komen staan dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [persoon 1] zijn collega [persoon 2] onderuit heeft geschopt, waarna zij hard op haar rug en mogelijk met haar hoofd op de straat terecht kwam. Hierna zag hij kans zijn vuurwapen te trekken. Hij vond dat het zo niet langer kon en dat er gevaar bestond dat er nog meer gewonden zouden vallen. Hij zei [persoon 1] dat hij moest blijven staan en dat hij anders zou schieten. Op 4 augustus 2014 heeft verdachte bij de Rijksrecherche verklaard dat hij vervolgens direct schoot toen [persoon 1] naar links bewoog. Bij de Rechter-Commissaris op 2 december 2014 heeft verdachte verklaard dat hij schoot toen [persoon 1] op hem kwam aflopen. Nu de verklaring van 4 augustus 2014 direct na het incident is afgelegd en deze ten aanzien van de looprichting bovendien wordt ondersteund door de verklaring van collega [persoon 4] afgelegd bij de Rechter-Commissaris op 2 december 2014, hecht de rechtbank de meeste waarde aan deze eerdere verklaring van verdachte. De rechtbank gaat er dus vanuit dat verdachte op de benen van [persoon 1] heeft geschoten toen deze, ongewapend, niet richting verdachte, maar naar links bewoog. Van enige concrete dreigende agressie gericht tegen verdachte is derhalve niet gebleken op het moment dat verdachte schoot.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij geen zicht meer had op [persoon 2] en dat hij dacht dat zij naast hem op de grond lag. Dat op het moment van schieten nog sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens [persoon 2] is echter niet aannemelijk geworden.
Nu er voorts evenmin aanwijzingen zijn dat er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [persoon 1] van anderen dan verdachte of [persoon 2] verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer. Dit brengt mee dat het beroep op noodweerexces ook dient te worden verworpen.
Putatief noodweer(exces)
Van putatief noodweer is sprake wanneer men verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Of verdachte niet alleen kon, maar ook redelijkerwijs mocht menen dat hij zichzelf of een ander moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld, wordt in onderhavige zaak beoordeeld vanuit het perspectief van een redelijk handelend politieambtenaar. Zou een gemiddelde politieambtenaar, met een gelijke ervaring, opleiding en training, eveneens in de veronderstelling hebben verkeerd dat hij werd aangevallen? Hierbij komt betekenis toe aan de zogenaamde Garantenstellung, waarbij aan politieambtenaren op grond van hun beroep, opleiding en training andere eisen kunnen worden gesteld dan aan een normale burger.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld en niet verontschuldigbaar heeft gedwaald omtrent het (dreigende) gevaar. Daarbij overweegt de rechtbank dat [persoon 1] geen wapen bij zich had en niet bewoog richting verdachte zelf. Voorts is gebleken dat [persoon 2] niet gewond was en dat noch [persoon 2] , die bovendien jonger en minder ervaren was dan verdachte, noch de beide andere collega’s de situatie als (levens)bedreigend hebben ervaren.
Van verdachte, als politieambtenaar, mocht redelijkerwijs worden verwacht dat hij ondanks de hectiek van het moment, de spanning kon beheersen, de situatie voldoende kon overzien en niet naar zijn wapen zou grijpen. Aldus kan niet worden gezegd dat verdachte redelijkerwijs mocht vermoeden dat hij of zijn collega’s werden aangevallen en de rechtbank verwerpt daarom het beroep op putatief noodweer en noodweer exces.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet kan beroepen op enige rechtvaardigingsgrond dan wel schulduitsluitingsgrond, zodat het bewezenverklaarde feit strafbaar is en verdachte een strafbare dader is.