2.1.
De bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2018 (dossierpagina’s 10 en 11), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(dossierpagina 10)
Op 4 december 2018 waren wij belast met autosurveillance. Wij zagen dat de Opel Astra afslag 37 (Waalwijk) nam en vervolgens de N261 richting Tilburg op reed. Ik, [verbalisant 2] , gaf de Opel Astra een volgteken. Wij zagen dat de Opel Astra hieraan voldeed. Wij hebben de Opel Astra stilgehouden op de Bevrijdingsweg te Sprang-Capelle. Ik vroeg de bestuurder naar een geldig rij- en kentekenbewijs. Ik zag dat de bestuurder een Nederlands rijbewijs pakte en deze aan mij gaf, ik zag hierop de volgende gegevens staan:
[verdachte] , [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] .
Ik zag dat de bijrijder een identiteitskaart aan mij gaf met de volgende gegevens:
[betrokkene 1] .
Wij hoorden via de portofoon dat [verdachte] in de politiesystemen bekend stond als code vier, dit betekent vuurwapengevaarlijk. Wij hoorden dat [verdachte] in 2013 was aangehouden ter zake van het bezit van een vuurwapen.
Ik, [verbalisant 1] , vroeg aan [verdachte] : “Heb je nu strafbare zaken bij je? Denk aan wapens.”
(dossierpagina 11)
Ik hoorde [verdachte] zeggen: “Nee, dat is echt verleden tijd. Kijk maar in mijn auto.” Ik zag dat [verdachte] naar zijn auto liep. Ik zag dat hij alle portieren inclusief kofferbak opende en zei: “Kijk maar.” Ik vertelde aan [verdachte] dat wij zijn voertuig gingen doorzoeken. Ik hoorde dat [verdachte] hiervoor toestemming gaf. Ik, [verbalisant 1] , gaf mijn bevindingen door aan verbalisant [verbalisant 3] . Verbalisant [verbalisant 3] deed de doorzoeking in de Opel Astra. Wij hoorden van verbalisant [verbalisant 3] dat hij een verborgen ruimte met daarin een vuurwapen had aangetroffen in de Opel Astra.
2. Het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2018 (dossierpagina’s 12 en 13), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
dossierpagina 12)
Op dinsdag 4 december 2018 omstreeks 00.34 uur hoorde ik portofonisch dat collega’s een voertuig wilden gaan controleren. Ik hoorde dat zij het voertuig met kenteken [kenteken] staande hadden gehouden op de Bevrijdingsweg te Sprang-Capelle. Ik hoorde nadat ik klaar was met de controle van de technische staat van het voertuig collega [verbalisant 1] vragen aan de bestuurder of er nog strafbare zaken in het voertuig lagen. Ik hoorde dat collega [verbalisant 1] daarna vroeg of de bestuurder toestemming wilde geven aan vrijwillige doorzoeking van zijn voertuig. Ik hoorde dat de bestuurder antwoordde dat dit geen probleem was.
DOORZOEKING VOERTUIG [kenteken] :
Ik keek naar de achterbank en zag dat deze omhoog stond. Ik klopte vervolgens met mijn hand op de achterkant van de rechter achterleuning en voelde dat de achterplaat van deze achterbank van metaal was gemaakt. Ik weet dat dit ongebruikelijk is. Ik scheen vervolgens met een zaklamp langs de zijkant van de achterbank nadat ik deze had ontgrendeld en naar beneden had neergeklapt. Ik zag vervolgens dat er helemaal bovenaan de achterzijde van de achterplaat een scharnier tussen het bankdeel en de achterplaat was bevestigd. Ik heb vervolgens aan de andere zijde van het scharnier hard getrokken en merkte dat ik een sluiting opentrok. Ik zag vervolgens dat de volledige achterplaat van de achterbank scharnierde. Ik zag daarna direct een klein kaliber vuurwapen liggen in een daar gecreëerde ruimte van de achterbank. Ik heb vervolgens gewacht op een collega die het vuurwapen veilig heeft kunnen stellen op sporen. Ik zag dat deze collega nadat hij ter plaatse was gekomen, het wapen ontlaadde.
dossierpagina’s 12 en 13)
Ik zag dat hij een patroonhouder uit het wapen haalde en dat deze patroonhouder
gevuld was met munitie.”
2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof van 15 maart 2021 houdt – voor zover van belang – het volgende in:
“Op vragen van de voorzitter omtrent het tenlastegelegde verklaart de verdachte als volgt:
De politie heeft niet gevraagd of ze de auto mochten doorzoeken. Ik heb gezegd dat zij mochten kijken, maar niet meer dan dat. Om te doorzoeken hebben zij papieren nodig. Ik heb gezegd: “Jullie mogen kijken met jullie flashlights, maar niet verder doorzoeken”. Toen een verbalisant verder ging dan kijken en aan de metalen plaat aan de achterkant van de achterbank voelde, werd ik apart gehouden. Ik heb daarvan niets gezegd. Ik kan geen antwoord geven op uw vraag of het mijn vuurwapen was. Het was mijn auto, althans de auto van mijn moeder. Mijn moeder heeft niets met het vuurwapen te maken. Ik leen die auto wel eens en ik leen de auto ook wel aan vrienden uit. Ik wist niets van de verborgen ruimte in de auto.
U, voorzitter, houdt mij voor dat de bijrijder, [betrokkene 1] , heeft gezegd dat de auto van mij is en dat hij, [betrokkene 1] , van niets weet, dat er in de auto in een gecreëerde ruimte een vuurwapen met munitie is aangetroffen en dat ik heb verklaard dat de bijrijder van niets weet. Daarnaast geeft u aan dat de verbalisanten zijn gehoord bij de rechter-commissaris, waarbij is voorgehouden dat slechts toestemming zou zijn gegeven om alleen maar te kijken, waarop verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] hebben verklaard dat het volgens hen anders is gegaan. Ik heb aangegeven dat de verbalisanten mochten kijken, maar niet mochten doorzoeken. Ik weet wat het verschil is. Ik ben eerder veroordeeld en heb dit toen ook meegemaakt. Ik weet dat ze niet mogen doorzoeken. Daarvoor hebben ze een bevel nodig.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
Het is een herhaling van standpunten zoals naar voren gebracht in eerste aanleg. Er is sprake van een onrechtmatige doorzoeking van de auto. Er was geen redelijk vermoeden en er was geen toestemming gegeven voor de doorzoeking. De verbalisanten hebben gerelateerd dat het voertuig op basis van door mijn cliënt gegeven toestemming is doorzocht, maar het is maar de vraag of mijn cliënt inderdaad toestemming heeft gegeven. De verdediging is van mening dat het niet klip en klaar is dat mijn cliënt toestemming heeft gegeven. “Kijk maar”, heeft mijn cliënt meteen gezegd. Dit volgt uit het proces-verbaal van bevindingen, zoals weergegeven op dossierpagina 11. “We mochten kijken”, hebben de verbalisanten verklaard, en dan had het, volgens de verbalisanten, cliënt duidelijk moeten zijn, omdat hij de portieren en de kofferbak heeft opengegooid, dat hij toestemming gaf voor de doorzoeking.
De verbalisanten hebben verklaard: “we zeggen altijd dat het gaat om een doorzoeking”. Maar wat is er precies gezegd? Beide verbalisanten geven aan dat ze dat niet meer weten; het had hem, mijn cliënt, duidelijk moeten zijn. Voor wat betreft de gemaakte opmerking van een van de verbalisanten dat het allemaal vrij snel ging, merk ik het volgende op. De verdediging wijst op een uitspraak van het Europees Hof, waarbij ook een agent had verklaard dat het allemaal heel snel ging en waarin dit als onvoldoende is aangemerkt om van toestemming te kunnen spreken. Er moet sprake zijn van ondubbelzinnige toestemming. “Kijk maar met je flashlights”, heeft mijn cliënt gezegd. Dat is geen ondubbelzinnige en uitdrukkelijke toestemming voor een doorzoeking. De criteria zijn als volgt: er is sprake van schending van een belangrijke rechtsregel en mijn cliënt is in zijn persoonlijke levenssfeer aangetast. Het is raar dat iemand aan de kant wordt gezet. Het is helemaal geen verkeerscontrole, dat was gewoon een smoes. En dan gaat men steeds een stap verder. Het gaat om normhandhaving, burgers mogen niet zomaar aan controles worden onderworpen. Datzelfde is het geval bij etnisch profileren. Naar mijn mening dient bewijsuitsluiting te volgen. Er blijft dan niets over, waarna vrijspraak dient te volgen.
(…)
Ik wil een nuance aanbrengen. Het is niet zo dat etnisch profileren hier het verzuim is. Het gaat om normhandhaving in het algemeen. Het wordt allemaal maar goed gevonden. Er dient een streep te worden getrokken.”
2.3.
Het hof heeft het onrechtmatigheidsverweer bij arrest als volgt samengevat en verworpen (met weglating van voetnoten):
“Verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen is tenlastegelegd.
Daartoe is het navolgende aangevoerd.
1. Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van het voertuig van de verdachte onrechtmatig is geweest. Dit verzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting van het aangetroffen wapen en de aangetroffen munitie. Bij gebrek aan voldoende ander wettig en overtuigend bewijs dient de verdachte te worden vrijgesproken.
(…)
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Bewijsoverweging ad 1
Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de doorzoeking van de auto van de verdachte onrechtmatig is geweest, overweegt het hof het navolgende.
De verdachte is op 4 december 2018 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die belast waren met autosurveillance, staande gehouden. Via de portofoon hoorden de verbalisanten dat de verdachte vuurwapengevaarlijk was. Verbalisant [verbalisant 1] heeft hem gevraagd naar de eventuele aanwezigheid van strafbare zaken, waaronder wapens. De verdachte heeft daarop de portieren van zijn auto en de kofferbak geopend, en daarbij gezegd: “Kijk maar”.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd dat hij de verdachte vervolgens heeft medegedeeld dat zij het voertuig gingen doorzoeken, waarna de verdachte daar toestemming voor heeft gegeven. Verbalisant [verbalisant 1] heeft zijn eerdere bevindingen, zoals opgenomen in het proces-verbaal, ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigd, waarbij hij aanvullend heeft opgemerkt dat:
- hij weet dat er een verschil is tussen doorzoeken en kijken;
- hij het idee had dat de bestuurder (het hof begrijpt: de verdachte) begreep wat er aan de hand was, en
- hij geen teken heeft gekregen van de verdachte dat hij het niet wilde.
Verbalisant [verbalisant 3] , die de doorzoeking heeft verricht, heeft gerelateerd dat hij hoorde dat verbalisant [verbalisant 1] aan de verdachte vroeg of hij toestemming wilde geven voor een vrijwillige doorzoeking van zijn voertuig. De verdachte heeft daarop geantwoord dat dat geen probleem was, aldus verbalisant [verbalisant 3] . Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat het woord ‘doorzoeking’ is gebruikt, waarna de verdachte toestemming heeft gegeven. Hij had de indruk dat de verdachte het begreep, mede omdat hij met armgebaren wuifde dat de verbalisanten hun gang mochten gaan.
De verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de verbalisanten weliswaar toestemming heeft gegeven in de auto te kijken, maar dat hij geen toestemming heeft gegeven de auto te doorzoeken. De verdachte heeft deze verklaring ter terechtzitting in hoger beroep herhaald.
In hetgeen door de verdediging is aangevoerd ziet het hof geen reden te twijfelen aan de door verbalisanten opgemaakte processen-verbaal, te meer niet nu deze op ambtsbelofte zijn opgemaakt en eveneens onder het verband van de belofte door hen ten overstaan van de rechter-commissaris zijn bevestigd. Uit die processen-verbaal volgt dat aan de verdachte is gevraagd om toestemming voor een doorzoeking van de auto en dat verdachte die toestemming uitdrukkelijk heeft verleend. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte de strekking van de vraag niet heeft begrepen. Het hof hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij geen toestemming heeft gegeven de auto te doorzoeken.
Het hof is derhalve van oordeel dat de doorzoeking van de auto van de verdachte niet onrechtmatig is geweest en bezigt voornoemde processen-verbaal voor het bewijs.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer.”