Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:PHR:2021:958

Parket bij de Hoge Raad
12-10-2021
14-10-2021
20/01876
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1794
Strafrecht
-

Conclusie AG. Middelen m.b.t. de strafoplegging. 1. Is strafoplegging in strijd met (de ratio) van art. 9.4 Sr? 2. Heeft hof bij strafoplegging ten onrechte niet tlg. feiten betrokken? 3. Heeft hof voldoende gemotiveerd waarom hij aan voorwaardelijk strafdeel bijzondere (vrijheidsbeperkende) voorwaarden heeft verbonden? Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 20/01841, 20/01843 P, 20/01869 P, 20/01870, 20/01871 P en 20/01873.

Rechtspraak.nl

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/01876

Zitting 12 oktober 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben

In de zaak

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 17 juni 2020 de verdachte wegens 1.“medeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd” en 2. en 3. “telkens: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft het hof een proeftijd van drie jaar verbonden, alsmede bijzondere voorwaarden, te weten een contact- en locatieverbod.

2. De zaak hangt samen verschillende andere aanhangige straf- en ontnemingszaken tegen de verdachte alsmede met de straf- en ontnemingszaak tegen de medeverdachte.1 In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.

3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Alle middelen klagen over de strafoplegging. Voordat ik tot de bespreking van de middelen overga, zal ik eerst de bewezenverklaring en de overwegingen van het hof ten aanzien van de strafoplegging weergeven.

5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

“1. hij in de periode van 20 oktober 2015 tot en met 6 september 2019 in de gemeente [plaats] en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander, zich (telkens) opzettelijk mondeling jegens [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en zijn mededader wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader (telkens) tegen die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] gezegd

- dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] moesten doen wat verdachte en/of zijn mededader zeiden, anders gebeurde er wat en/of anders wisten ze wel wat er zou gebeuren en

- dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] moesten doen wat verdachte en/of zijn mededader zeiden, anders moesten ze maar emigreren en

- dat die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] een kleindochter hadden waar ze zo gek mee waren en/of dat ze wel wisten hoe het zou voelen als hun kleindochter zou worden afgepakt en/of dat ze niet zouden willen dat hun kleinkind iets zou overkomen en

- dat het wel mooi dom zou zijn als die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] bij de rechter de waarheid zouden vertellen en dat ze wel wisten wat de consequenties daarvan voor hen zouden zijn,

althans woorden van gelijke aard of strekking,

en

hebben verdachte en/of zijn mededader aan die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] een brief gedicteerd en die (vervolgens) door die [slachtoffer 2] laten ondertekenen, terwijl in die brief niet de waarheid stond, en welke brief (vervolgens) door verdachte en/of zijn mededader werd meegenomen.

2. hij op 1 oktober 2019 in de gemeente [plaats] , een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een op een vuurwapen (te weten een machinegeweer met demper) gelijkend voorwerp voorhanden heeft gehad.

3. hij op 01 oktober 2019 te [plaats] een wapen van categorie I, onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.

6. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:2

“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het hof stelt voorop dat artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht strekt tot het scheppen van waarborgen om tot waarheidsvinding in een strafprocedure te komen en dat een ieder die getuige is geweest van voor een strafzaak relevante feiten daarover ten overstaan van een rechter in vrijheid en onbelemmerd dient te kunnen verklaren. Het onbelemmerd kunnen verklaren ten overstaan van een rechter is één van de fundamentele beginselen van de rechtsstaat. Beperkingen van deze vrijheid, van welke aard ook, ondermijnen de rechtsorde en belemmeren de waarheidsvinding.

Verdachte heeft samen met de medeverdachte geprobeerd de getuigen die in de strafzaak tegen de verdachten onder meer bij de raadsheer-commissaris zouden worden gehoord te brengen tot het afleggen van een voor verdachte en de medeverdachte gunstige verklaring. Zij hebben deze getuigen belemmerd in hun verklaringsvrijheid door hen te zeggen wat zij moesten verklaren. Daarbij hebben de verdachten het feit kracht bij gezet door de getuigen verbaal te intimideren en bedreigen. De dreigementen waren bovendien niet alleen gericht tegen de getuigen zelf, maar ook tegen hun kleindochter. Een van de getuigen heeft ook aangegeven dat het gedrag van de verdachten intimiderend was en dat de getuigen bang zijn voor represailles.

Het hof heeft bij de strafoplegging tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 29 april 2020, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Het hof is van oordeel dat het een zeer ernstig feit betreft. Dit is door de wetgever ook tot uitdrukking gebracht, nu wat betreft het strafmaximum aansluiting is gezocht bij de sanctie die onder meer is gesteld op uitlokking van meineed, waarop een strafmaximum van vier jaren is verbonden aan het begaan van dit delict.

Een dergelijk intimiderend gedrag van verdachte dient naar het oordeel van het hof dan ook te worden bestraft met oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles overwegende zal het hof aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarde een contact- en locatieverbod, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst weer contact op te nemen met de getuigen.

Het hof zal, anders dan de politierechter en de eis van de advocaat-generaal, deze bijzondere voorwaarden echter niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu niet gebleken is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”

7. Het eerste middel behelst de klacht dat de strafoplegging in strijd is met (de ratio van) artikel 9 lid 4 Sr.

8. Het hof heeft de onderhavige strafzaak met parketnummer 21-005948-19 gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met (onder meer) de, eveneens bij de Hoge Raad aanhangige, strafzaken tegen de verdachte met de parketnummers 21-001259-17 en 21-000847-17. Bij drie afzonderlijke arresten van 17 juni 2020 heeft het hof aan de verdachte de volgende straffen opgelegd:

(i) een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren (de zaak met parketnummer 21-001259-17);

(ii) een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden (in de zaak met parketnummer 21-000847-17);

(iii) een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk (in de zaak met parketnummer 21-005948-19).

9. Ik stel voorop dat ook in gevallen als het onderhavige, waarin tegen een verdachte op dezelfde dag door dezelfde rechter(s) uitspraak wordt gedaan in zaken die gelijktijdig doch niet gevoegd zijn behandeld, artikel 63 Sr van toepassing is.3 Dit brengt met zich dat de samenloopbepalingen van de artikelen 57-62 Sr van toepassing zijn. Uit de arresten van het hof kan worden afgeleid dat het hof de zaken heeft afgedaan met inachtneming van het bepaalde in artikel 63 Sr. Daarover wordt in cassatie ook niet geklaagd.

10. Volgens de steller van het middel moet de strafoplegging in alle drie de strafzaken echter wel in strijd worden geacht met (de ratio van) artikel 9 lid 4 Sr. Daartoe betoogt de steller van het middel dat het hof ervoor heeft gekozen de drie afzonderlijke strafzaken wel gelijktijdig maar niet gevoegd te behandelen terwijl voeging wel mogelijk of zelfs aangewezen was. Indien de zaken gevoegd behandeld zouden zijn, zou artikel 9 lid 4 Sr wel van toepassing zijn geweest. Door de drie zaken wel gelijktijdig maar niet gevoegd te behandelen en op dezelfde dag in alle drie de strafzaken in zijn totaliteit – naast de taakstraf voor de duur van 240 uren – twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, getuigt de strafoplegging (in alle strafzaken) van een onjuiste rechtsopvatting.

11. Artikel 9 lid 4 Sr luidt als volgt:

In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”

12. Alvorens ik inga op de specifieke vraag die de steller van het middel opwerpt, ga ik eerst kort in op de mogelijkheid voor de rechter om een combinatie van hoofdstraffen op te leggen. Lange tijd kende het Wetboek van Strafrecht een cumulatieverbod van hoofdstraffen. Alleen in gevallen waarin de wet dit uitdrukkelijk bepaalde, kon een hoofdstraf tezamen met een andere hoofdstraf worden opgelegd. De wetgever heeft de rechter echter geleidelijk steeds meer ruimte geboden sancties cumulatief op te leggen. Zo kreeg de rechter bij wet van 21 december 1994, Stb 1995, 32, met ingang van 27 januari 1995 de bevoegdheid om bij veroordeling tot gevangenisstraf of hechtenis een geldboete op te leggen. De Wet taakstraffen van 7 september 2000, Stb 2000, 365, heeft de rechter daarnaast de (beperkte) mogelijkheid gegeven een taakstraf naast een gevangenisstraf of hechtenis, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel niet meer dan zes maanden bedraagt, op te leggen. De wetgever wilde de rechter hiermee vooral de mogelijkheid geven om reeds ondergane voorlopige hechtenis te verdisconteren in de strafoplegging. Hierdoor kon het voorarrest in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, zonder dat daarna de ruimte verloren ging voor de oplegging van een taakstraf.4

13. Zoals gezegd werpt de steller van het middel de vraag op of de beperkende regel van artikel 9 lid 4 Sr ook van toepassing is in zaken die gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld zijn. Voor zover ik heb kunnen nagaan is deze vraag in de rechtspraak van de Hoge Raad nog niet eerder aan de orde geweest. Een vergelijking zou echter kunnen worden gemaakt met de begrenzing van de straftoemetingsvrijheid van de politierechter, zoals bepaald in artikel 369 lid 1 Sv. Artikel 369 lid 1 Sv bepaalt dat de politierechter niet bevoegd is tot oplegging van een gevangenisstraf van meer dan een jaar. De beperkende regel van artikel 369 lid 1 Sv geldt eveneens in geval van samenloop van strafbare feiten, echter alleen indien aan de verdachte bij gelijktijdige en gevoegde berechting van meerdere strafbare feiten één gevangenisstraf wordt opgelegd. Bij ongelijktijdige berechting van strafbare feiten waarop ingevolge artikel 63 Sr de samenloopbepalingen van de artikelen 57-62 Sr van toepassing zijn, geldt deze beperkende regel niet.5 In die gevallen kan ook een straf worden opgelegd die de in artikel 369 lid 1 Sv genoemde grens overschrijdt.

14. Ik wil ook wijzen op HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5990. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat het uitgangspunt dat aan de verdachte niet de ISD-maatregel in combinatie met een straf kan worden opgelegd, alleen geldt wanneer de verdachte voor meerdere strafbare feiten tegelijkertijd wordt berecht. Dit uitgangspunt geldt echter niet wanneer de verdachte voor meerdere strafbare feiten ongelijktijdig wordt berecht waar gelijktijdige berechting mogelijk was. Volgens de Hoge Raad is artikel 63 Sr niet van toepassing bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf na een eerder opgelegde ISD-maatregel.6 Artikel 63 Sr heeft immers alleen het oog op de samenloopbepalingen van de artikelen 55 tot en met 62 Sr. Ook dit arrest vormt een aanwijzing dat de wettelijke beperking van cumulatie van straffen bij (hetzij ongelijktijdige, hetzij gelijktijdige, doch) niet-gevoegde berechting uitsluitend voortvloeit uit de samenloopbepalingen van de artikelen 55 tot en met 62 Sr die in dat geval over de band van artikel 63 Sr van overeenkomstige toepassing zijn.

15. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Alhoewel de wetgever slechts een beperkte combinatie van vrijheidsstraf en taakstraf mogelijk heeft willen maken, brengt de door mij aangehaalde jurisprudentie mij tot het oordeel dat de beperkende regel van artikel 9 lid 4 Sr slechts geldt bij gelijktijdige en gevoegde berechting van meerdere strafbare feiten en niet, zoals in de onderhavige zaak, bij gelijktijdige doch niet-gevoegde berechting van meerdere strafbare feiten. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

16. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte niet-tenlastegelegde feiten heeft betrokken. Ter toelichting wijst de steller van het middel op de volgende overweging van het hof:

Daarbij hebben de verdachten het feit kracht bij gezet door de getuigen verbaal te intimideren en bedreigen. De dreigementen waren bovendien niet alleen gericht tegen de getuigen zelf, maar ook tegen hun kleindochter.

De steller van het middel betoogt dat deze bedreigingen niet aan de verdachte zijn ten laste gelegd en ook niet door de verdachte zijn bekend. Ook uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kunnen deze bedreigingen niet worden afgeleid. Het hof heeft bij de strafoplegging dan ook ten onrechte met deze feiten rekening gehouden, aldus de steller van het middel.

17. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest. Onder 1 is kort gezegd ten laste gelegd en bewezen verklaard dat de verdachte samen met de medeverdachte heeft geprobeerd de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te beïnvloeden. Uit de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn mededader daartoe de getuigen hebben benaderd en tegen de getuigen onder meer hebben gezegd dat (i) de getuigen moesten doen wat de verdachte en/of zijn mededader zeiden, anders zou er wat gebeuren, (ii) de getuigen moesten doen wat de verdachte en/of zijn mededader zeiden, anders zouden de getuigen maar moeten emigreren en (iii) de getuigen een kleindochter hadden waar ze zo gek mee waren en/of dat ze wel wisten hoe het zou voelen als hun kleindochter zou worden afgepakt en/of dat ze niet zouden willen dat hun kleinkind iets zou overkomen. Het hof heeft deze uitlatingen geenszins onbegrijpelijk aangemerkt als (verbale) bedreigingen aan het adres van de getuigen en hun kleindochter en deze dreigementen bij de bespreking van de ernst van het bewezenverklaarde feit betrokken. Van het betrekken van niet tenlastegelegde feiten bij de strafoplegging door het hof is geen sprake.

18. Het tweede middel faalt.

19. Het derde middel behelst de klacht dat het hof niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden heeft verbonden.

20. Het dictum van het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende in:

“Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd de hierna, te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1962) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 195 1);

- zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden binnen een straal van 500 meter van de [b-straat 1] , [plaats] .”

21. In de toelichting betoogt de steller van het middel dat de vrijheidsbeperkende voorwaarden, zoals door het hof gesteld, qua aard en strekking overeenkomen met de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr. Gelet op de inhoudelijke overeenkomsten tussen de vrijheidsbeperkende voorwaarden ex artikel 14c lid 2 Sr en de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr, ligt het voor de hand hieraan ook gelijke motiveringseisen te verbinden. Dat betekent dat de rechter – evenals bij toepassing van artikel 38v Sr – bij de oplegging van vrijheidsbeperkende voorwaarden ex artikel 14c lid 2 Sr uitdrukkelijk zal moeten motiveren waarom hij die voorwaarden oplegt, daarbij voor ogen houdend dat deze voorwaarden moeten strekken tot beveiliging, recidivevermindering en gedragsverandering. In deze zaak heeft het hof niet, althans ontoereikend gemotiveerd waarom hij aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden heeft verbonden, aldus de steller van het middel.

22. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Toepassing van de voorwaardelijke veroordeling noopt doorgaans niet tot een bijzondere motivering.7 Bij het stellen van bijzondere voorwaarden gelden evenmin bijzondere motiveringsverplichtingen.8 Dit neemt echter niet weg dat door de officier van justitie of de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv nadere responsieplichten voor de rechter met betrekking tot deze standpunten in het leven roepen en in die gevallen dus wel een verplichting op de rechter kan rusten om nader te motiveren waarom bijzondere voorwaarden worden gesteld.

23. Anders dan artikel 14c Sr, stelt artikel 38v Sr specifieke toepassingsvoorwaarden aan het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel. Artikel 38v Sr bepaalt immers dat de vrijheidsbeperkende maatregel slechts kan worden opgelegd wanneer deze strekt tot beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Toepassing van de maatregel is derhalve beperkt tot het wettelijk omschreven doel van de maatregel.9 De rechter zal daarom in zijn strafmotivering moeten motiveren op welke gronden de in artikel 38v Sr gestelde voorwaarden zijn vervuld.10 Overigens geldt dit eveneens voor het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van een bijzondere voorwaarde. Ook in dat geval zal de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in artikel 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan.11

24. Overigens wijs ik erop dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat ook aan de motivering van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v geen al te hoge eisen worden gesteld.12Mijn ambtgenoot Vegter merkte in zijn conclusie voorafgaand aan HR 6 oktober 2015, NJ 2015/432, op dat in het geval dit wel zo zou zijn en de rechter gehouden is in zijn motivering steeds minutieus en gedetailleerd tot uitdrukking te brengen op welke gronden de opgelegde maatregel berust, een wanverhouding zou ontstaan tussen de motiveringseisen van de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr en de eisen die worden gesteld aan de motivering van de vrijheidsbeperking in het kader van de bijzondere voorwaarden.13

25. Ik keer terug naar de voorliggende zaak. Voor zover de steller van het middel betoogt dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden heeft verbonden, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft immers overwogen dat het contact- en locatieverbod de verdachte ervan moet weerhouden in de toekomst weer contact op te nemen met de getuigen. Voor zover het middel betoogt dat deze motivering ontoereikend is aangezien het hof in het arrest had moeten motiveren waarom het stellen van bijzondere voorwaarden noodzakelijk is in het kader van beveiliging, recidivevermindering en gedragsvermindering, stelt het een eis die geen steun vindt in het recht. Ook overigens acht ik de motivering van het hof niet onbegrijpelijk en, mede in het licht van hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.

26. Het derde middel faalt.

27. Het eerste en derde middel falen. Het tweede middel faalt eveneens en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.

28. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met inbegrip van de voorliggende zaak betreft dit de zaken met de rolnummers: 20/01841, 20/01843 P, 20/01869 P, 20/01870, 20/01873, 20/01871 P, 20/01876.

2 De steller van het middel citeert in de schriftuur overwegingen die (gedeeltelijk) niet overeenkomen met de overwegingen van het hof in de onderhavige zaak. Vermoedelijk betreft het hier overweggingen uit het arrest dat is gewezen in de strafzaak tegen de medeverdachte. Nu deze zaak echter niet bij de Hoge Raad aanhangig is, kan ik dit niet nagaan.

3 Vgl. HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9143; HR 19 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8367; HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8324, NJ 2008/68 m.nt. Mevis; HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7583.

4 Zie E.J. Hofstee in: J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J. Machielse (red.), Wetboek van Strafrecht - Noyon, Langemeijer, Remmelink, Deventer: Wolters Kluwer (losbladig commentaar), art. 9 Sr, aant. 7 (elektronische versie, bijgewerkt t/m 11 augustus 2018), en P.M. Schuyt in Tekst & Commentaar Strafrecht, Deventer: Kluwer 2020 (elektronische versie, bijgewerkt t/m 1 februari 2021). Zie ook Kamerstukken II 1997/98, 26114, nr. 3, p. 10.

5 HR 8 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8335, NJ 2004/414.

6 Vgl. ook F.C.W. de Graaf & M.J. Borgers, Meervoudige aansprakelijkstelling: een analyse van rechtsfiguren die aansprakelijkstelling voor meer dan één strafbaar feit normeren. ‘s-Gravenhage: Boom Juridisch 2018, p. 206.

7 Zie F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde: een onderzoek naar de voorwaardelijke veroordeling en andere voorwaardelijke modaliteiten, Deventer: Gouda Quint 1996, p. 58.

8 HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:973, NJ 2014/259. Zie voorts P.C. Vegter in G. Knigge & J.W. Fokkens (red.), Gehoord de Procureur-Generaal: opstellen aangeboden aan prof. mr. J.W. Fokkens ter gelegenheid van zijn afscheid als Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 309.

9 Kamerstukken II 2010/11, 32551, nr. 3., p. 6 en 7.

10 Vgl. HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143 m.nt. Vellinga-Schootstra.

11 HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537, NJ 2015/236 m.nt. Vellinga-Schootstra.

12 Vgl. HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2916; HR 3 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:4, NJ 2017/143 m.nt. Vellinga-Schootstra.

13 ECLI:NL:PHR:2015:1783.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.