1 Feiten en procesverloop
1.1
OSN is een stichting die tot doel heeft het behartigen en beschermen van de belangen van natuurlijke en rechtspersonen, die een overeenkomst van schadeverzekering zijn aangegaan.1 OSN is opgericht en wordt bestuurd door [betrokkene 1] , een contra-expert werkzaam bij [A] , een bedrijf dat is gericht op het leveren van contra-expertises. OSN is géén door de overheid of belangenorganisaties aangewezen ombudsman.2 De titel ‘ombudsman’ is niet wettelijk beschermd3 waardoor iedereen zichzelf ombudsman mag noemen.
1.2
Op 25 januari 2019 heeft OSN Achmea op grond van art. 6:240 jo. art. 6:241 lid 1 BW gedagvaard voor het hof Den Haag.4
1.3
De vordering van OSN ziet op bepaalde door Achmea in haar algemene voorwaarden bij verzekeringen gebruikte bedingen inzake de vergoeding van de kosten van een door een verzekerde ingeschakelde contra-expert (hierna, net als door het hof met een hoofdletter geschreven: ‘Bedingen’). Het hof heeft het volgende overwogen met betrekking tot de Bedingen waartegen OSN zich keert:
“2.4 De vordering van OSN ziet op de door Achmea gebruikte bedingen inzake de vergoeding van de kosten van een door een verzekerde ingeschakelde contra-expert. Dergelijke bedingen komen voor in diverse schadeverzekeringen van Achmea en ook in diverse schadeverzekeringen van door Achmea gevoerde merken. ONS heeft in productie 3 bij inleidende dagvaarding een overzicht gegeven van de verzekeringen waar het om gaat:
2.4 1. Recreatie schadeverzekeringen voor consumenten:
a. De Caravanverzekering van (i) Centraal Beheer, (ii) Interpolis, (iii) FBTO, (iv) Avero en (v) Inshared;
b. De Bootverzekering van (i) Centraal Beheer, (ii) Interpolis, (iii) FBTO en (iv) Avero.
2. Wonen schadeverzekeringen voor consumenten:
a. (Opstal) Woonhuisverzekering van (i) Centraal Beheer, (ii) Interpolis, (iii) FBTO, (iv) Avero en (v) Inshared;
b. Inboedelverzekering van (i) Centraal Beheer, (ii) Interpolis, (iii) FBTO, (iv) Avero en (v) Inshared.
De bedingen waarop de vordering van OSN betrekking heeft, worden hieronder aangeduid als de Bedingen.
2.5 De Bedingen zijn verschillend geredigeerd, maar komen, voor zover relevant voor de beoordeling van de vordering, inhoudelijk op hetzelfde neer. Het hof geeft hier bij wijze van voorbeeld de tekst weer van het omstreden beding uit de Centraal Beheer Caravan-verzekering (CRV-RV-01-181):
‘Artikel 8. Welke extra kosten zijn naast de schade verzekerd?
Let op: we betalen deze kosten alleen als deze noodzakelijk zijn door een schade die verzekerd is.
(…)
Kosten van experts
Alleen voor het vaststellen van de hoogte van de schade.
De kosten van onze expert.
De kosten van de expert van verzekerde tot en met de kosten van onze expert.
- Rekent de expert van verzekerde meer? Dan beoordelen wij of die extra kosten redelijk zijn.
- Extra kosten die niet redelijk zijn, blijven voor rekening van verzekerde.
De kosten van de 3de expert.
Alle experts zijn ingeschreven in het register van het Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE)
- Of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie.
- Deze organisatie houdt zich aan de "Gedragscode schade-expertise-organisaties van het Verbond van Verzekeraars”.
- En in de statuten en reglementen van deze organisatie:
o Staat een duidelijk[e] klacht- en tuchtprocedure.
o Zijn de eisen beschreven voor permanente opleiding van experts.
Voldoet de expert niet aan deze eisen? Dan zijn de kosten niet verzekerd.’”
1.4
OSN heeft gevorderd, voor zover in cassatie van belang, (i) een verklaring voor recht dat de Bedingen onredelijk bezwarend zijn in de zin van art. 6:240 lid 1 BW jegens de verzekerde/verzekeringnemer die een natuurlijk persoon is en die de verzekering niet in de uitoefening van een bedrijf of beroep heeft gesloten en (ii) een verbod aan Achmea om de Bedingen jegens een dergelijke verzekerde/verzekeringnemer te gebruiken.5
1.5
OSN heeft aan deze vorderingen, voor zover in cassatie nog van belang, het volgende ten grondslag gelegd:6
- de Bedingen zijn in strijd met art. 7:959 lid 1 jo. art. 7:963 lid 6 BW. Daarin is bepaald dat de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade ten laste van de verzekeraar komen en dat van die regel niet ten nadele van consumenten kan worden afgeweken, voor zover die kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som;
- de Bedingen zijn, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk bezwarend (art. 6:233, aanhef en sub a, BW).
1.6
Het hof heeft de hiervoor genoemde vorderingen van OSN grotendeels toegewezen.
1.7
Het hof is zijn beoordeling van de vorderingen van OSN aangevangen met een overweging over art. 7:959 lid 1 en art. 7:963 lid 6 BW, waarmee de Bedingen volgens OSN in strijd zijn:
“3.2 De hoofdregel is dat de verzekerde die een claim bij zijn verzekeraar indient, zal moeten stellen dat hij een onder de verzekering gedekte schade heeft. Als de verzekeraar dat gemotiveerd betwist zal de verzekerde dat ook moeten bewijzen. Indien vaststaat dat voor de schade dekking onder de polis bestaat, dient de omvang van de schade te worden vastgesteld, zodat de uitkeringsverplichting van de verzekeraar kan worden bepaald. Art. 7:959 lid 1 BW bepaalt dat de redelijke kosten voor het vaststellen van de schade ten laste van de verzekeraar komen. Van deze bepaling kan ingevolge art. 7:963 lid 6 BW niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken voor zover de in lid 1 van art. 7:959 BW bedoelde kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die de verzekering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf is aangegaan (hierna aan te duiden als “consumenten”). (…).”
1.8
Het hof heeft de beoordeling toegespitst op verzekeringsovereenkomsten die Achmea met consumenten sluit:
“3.2 (…) De (…) polissen, waarop de vorderingen betrekking hebben, zijn alle polissen van consumentenverzekeringen. Het hof zal de beoordeling van de Bedingen dus toespitsen op verzekeringsovereenkomsten die Achmea met consumenten sluit.”
1.9
Het hof heeft vervolgens de stellingen van OSN samengevat:
“3.3 OSN heeft aangevoerd dat de Bedingen – voor zover die voorkomen in door consumenten gesloten verzekeringsovereenkomsten – in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 BW. De Bedingen verdragen zich niet met art. 7:959 lid 1 BW omdat een verzekeraar op grond van de wet uitsluitend mag weigeren de (contra-)expert-kosten niet te vergoeden, indien die kosten niet redelijk zijn. De Bedingen stellen echter vooraf verdergaande eisen aan de persoon van de contra-expert. Immers, een expert moet zijn ingeschreven in het register van het NIVRE of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie. Dit maakt inbreuk op het recht van een verzekerde om zijn eigen expert te kiezen. De eis dat sprake is van een beroepsorganisatie die de Gedragscode schade-expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars onderschrijft, draagt volgens OSN niet werkelijk bij aan de integriteit van de schadeafhandeling en -vaststelling. Daarvoor zijn die regels veel te vaag geformuleerd. Kortom, Achmea kan met een beroep op de Bedingen ten onrechte weigeren om de kosten van een door een verzekerde ingeschakelde contra-expert te vergoeden wanneer deze niet aan de door Achmea geformuleerde eisen voldoet. Evenmin mag Achmea de kosten van de contra-expert maximeren tot het bedrag dat haar eigen expert in rekening heeft gebracht; alle kosten – voor zover redelijk – moeten vergoed worden, aldus OSN.”
1.10
Het verweer van Achmea is door het hof als volgt weergegeven:
“3.4 Achmea heeft aangevoerd dat art. 7:959 lid 1 BW enkel bepaalt dat een verzekeraar de redelijke kosten van de vaststelling van de schade vergoedt. De bepaling regelt niet wanneer er sprake is van een expert, noch verbiedt de wet dat een verzekeraar eisen aan een expert stelt. Achmea heeft het begrip expert ingevuld door duidelijk te omschrijven aan welke kwaliteitseisen een expert moet voldoen. Het stellen van dergelijke eisen is (ook) in het belang van consumenten. Uit art. 7:959 BW vloeit volgens haar niet voort dat (a) een verzekerde recht heeft om op kosten van een verzekeraar een contra-expert in te schakelen. Verder heeft Achmea aangevoerd dat (b) zij vooraf kwaliteitseisen mag stellen aan de door een verzekerde ingeschakelde contra-expert en dat (c) de in de Bedingen neergelegde regeling over de omvang van de kosten van de contra-expert niet is strijd is met de wet.”
1.11
Naar het oordeel van het hof komen, anders dan Achmea heeft betoogd, óók de kosten voor een contra-expert voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking, mits voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets, naar analogie van art. 6:96 BW:
“3.5 Wat betreft de vraag of uit art. 7:959 lid 1 BW volgt dat een verzekerde het recht heeft om op kosten van de verzekeraar een contra-expert in te schakelen, geldt het volgende. Art. 7:959 lid 1 BW bepaalt dat een verzekeraar de redelijke kosten voor het vaststellen van de schade dient te vergoeden. Of in een concreet geval de kosten van een expert voor vergoeding in aanmerking komen, en zo ja, tot welk bedrag wordt in alle gevallen bepaald op basis van een dubbele redelijkheidstoets, naar analogie van art. 6:96 BW. Dat houdt in dat zowel het inschakelen van de expert redelijk moet zijn, als de kosten van de expert.
3.6 Uit het vorenstaande vloeit voort dat óók de kosten voor een contra-expert voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen, mits voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. Of daaraan is voldaan hangt van de concrete omstandigheden van het geval af. Het inschakelen van een contra-expert zal echter dikwijls redelijk zijn. Immers, tussen verzekeraar en verzekerde bestaat een belangentegenstelling: verzekeraar zal het schadebedrag uit bedrijfseconomische redenen zo laag mogelijk willen houden, terwijl verzekerde belang heeft bij een zo hoog mogelijk schadebedrag. Expertisebureaus werken dikwijls voor dezelfde verzekeraars en kunnen daarmee organisatorisch verbonden zijn. Dat alles brengt mee dat een verzekerde in het algemeen een redelijk belang heeft bij het inschakelen van een eigen expert en dat de kosten van die expert ingevolge art. 7:959 lid 1 BW voor rekening van de verzekeraar komen, mits de omvang van de kosten redelijk is. Het verweer van Achmea dat de kosten van een contra-expert niet onder art. 7:959 lid 1 BW kunnen vallen, faalt dan ook.”
1.12
Vervolgens heeft het hof zich gebogen over de vraag of Achmea kwaliteitseisen heeft mogen stellen aan de door een verzekerde ingeschakelde contra-expert. In dit kader heeft het hof eerst een overweging gewijd aan de kwaliteitseisen die Achmea in haar algemene voorwaarden stelt:
“3.7 Wat betreft de vraag of een verzekeraar vooraf kwaliteitseisen mag stellen aan de door een verzekerde ingeschakelde contra-expert, geldt het volgende. Achmea heeft in de polisvoorwaarden voorgeschreven dat de contra-expert aan bepaalde voorwaarden voldoet. Hij of zij moet zijn ingeschreven in het register van het Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE) of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie. Als de contra-expert is ingeschreven bij een andere beroepsorganisatie dan NIVRE dan dient deze organisatie zich te houden aan de “Gedragscode schade-expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars”. Bovendien moet in de statuten en reglementen van deze organisatie staan dat er een duidelijke klacht- en tuchtprocedure is en moeten daarin de eisen zijn beschreven voor permanente opleiding van experts. Achmea heeft aangevoerd dat deze kwaliteitseisen in het belang van verzekerden zijn en dat daarom het stellen van die eisen gerechtvaardigd is. Het hof begrijpt de gedachtegang van Achmea aldus dat kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die niet aan de (kwaliteits)eisen voldoen, geen redelijke kosten zijn in de zin van art. 7:959 lid 1 BW.”
1.13
Het hof is – met Achmea – van oordeel dat het in het belang van een verzekerde is dat een ingeschakelde contra-expert aan minimum kwaliteitseisen voldoet:
“3.8 Het hof is – met Achmea – van oordeel dat het in het belang van een verzekerde is dat een ingeschakelde contra-expert aan minimum kwaliteitseisen voldoet. De in de polisvoorwaarden omschreven eisen zouden daaraan kunnen bijdragen. Zo is het zonder meer in het belang van een verzekerde als een expert aan permanente educatie doet. Dat geldt ook voor het bestaan van een tuchtrechtelijke procedure, waaraan een expert zich onderwerpt. (…).”
1.14
Volgens het hof kan echter niet worden uitgesloten dat een contra-expert die niet aan de door Achmea gestelde voorwaarden voldoet, toch in staat is een kwalitatief goede contra-expertise uit te voeren:
3.8 (…) Echter, het is niet uitgesloten dat een contra-expert die niet aan de door Achmea gestelde voorwaarden voldoet, toch in staat is een kwalitatief goede contra-expertise uit te voeren. In dat verband wijst het hof erop dat de eisen die het NIVRE stelt om als NIVRE Register-Expert te kunnen worden ingeschreven en geregistreerd vrij stringent zijn. Zo moet een NIVRE Register-Expert ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend. Het is aannemelijk dat er deskundigen zijn die niet aan deze eis voldoen, maar toch over voldoende expertise beschikken om in een verzekeringszaak een contra-expertise te kunnen uitvoeren. Dat er met NIVRE vergelijkbare beroepsorganisaties bestaan waarbij dergelijke deskundigen zich zouden kunnen aansluiten, heeft Achmea onvoldoende toegelicht.”
1.15
Dit heeft het hof tot het oordeel gebracht dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 BW:
“3.9 Een consument heeft in beginsel dan ook de vrijheid zijn eigen deskundige te kiezen, mits die persoon naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat moet worden geacht een deskundig advies uit te brengen. De redelijke kosten die een dergelijke expert in rekening brengt voor het vaststellen van de schade, behoren op de voet van art. 7:959 lid 1 BW door Achmea te worden vergoed, ook als de expert niet voldoet aan de eisen die in de Bedingen worden gesteld. De Bedingen zijn dan ook in strijd met art. 7:959 lid 1 BW voor zover daarin is bepaald dat enkel kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die aan de (kwaliteits)eisen uit de polisvoorwaarden voldoen, voor vergoeding in aanmerking komen.”
1.16
Hieraan heeft het hof toegevoegd dat het de stelling van Achmea verwerpt, dat zij in de Bedingen niet ten nadele van consumenten (als bedoeld in art. 7:963 lid 6 BW) is afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW:
“3.10 Achmea heeft ook nog aangevoerd dat zij in de Bedingen niet ten nadele van consumenten (als bedoeld in art. 7:963 lid 6 BW) is afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW. Volgens Achmea is het stellen van kwaliteitseisen aan een contra-expert in het belang van de consument. Dit argument snijdt in zoverre hout dat juist is dat de kwaliteitseisen in het belang van consumenten kunnen zijn. Wanneer consumenten een expert inschakelen die voldoet aan de in de polisvoorwaarden gestelde eisen, vormt dat tot op zekere hoogte een waarborg dat de expert ook daadwerkelijk deskundig is. Maar zekerheid geven de eisen uit de polisvoorwaarden niet. Bovendien beperken de eisen, als gezegd, de keuzevrijheid van consumenten door niet de kosten te vergoeden van een deskundige contra-expert die niet aan de eisen uit de polisvoorwaarden voldoet. In zoverre wordt in de Bedingen dus ten nadele van consumenten afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW.”
1.17
Naar het oordeel van het hof is de in de Bedingen neergelegde regeling over de omvang van de kosten van de contra-expert echter niet in strijd met art. 7:959 lid 1 BW:
“3.11 Wat betreft de vraag of de Bedingen op het punt van de omvang van de kosten van de contra-expert in strijd zijn met art. 7:959 BW, geldt het volgende. De Bedingen bepalen dat de kosten van de expert van de verzekerde worden vergoed tot en met de kosten van de expert van de verzekeraar en dat hogere kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien Achmea van oordeel is dat de kosten redelijk zijn. Anders dan OSN lijkt aan te voeren, is er geen sprake van kostenmaximering. Zolang de kosten van de contra-expert de kosten van de expert van Achmea niet overschrijden, kunnen de Bedingen gunstig uitpakken voor een consument. Immers, Achmea ziet in zoverre af van het uitvoeren van de redelijkheidstoets met betrekking tot de omvang van de kosten. Voor zover de kosten van de contra-expert hoger zijn dan de kosten van de eigen expert van de verzekeraar, volgt uit een redelijke uitleg van de Bedingen dat Achmea de hogere kosten van de contra-expert ook zal vergoeden wanneer die kosten redelijk zijn. Op het punt van de omvang van de kostenvergoeding zijn de bedingen dus niet in strijd met art. 7:959 lid 1 BW, dat immers bepaalt dat de redelijke kosten moeten worden vergoed.”
1.18
Dit heeft het hof tot de volgende conclusie gebracht:
“3.12 De conclusie is dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 BW en daarmee – in het kader van art. 6:240 BW – ook onredelijk bezwarend, voor zover in de Bedingen is bepaald dat:
- slechts de kosten worden vergoed van experts die zijn ingeschreven in het register van het Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE) of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie;
- [dat] een “vergelijkbare beroepsorganisatie” zich moet houden aan de “Gedragscode schade-expertiseorganisaties van het Verbond van Verzekeraars”;
- en dat de statuten en reglementen van een “vergelijkbare beroepsorganisatie” een duidelijke klacht- en tuchtprocedure moeten bevatten, alsmede eisen voor permanente opleiding van experts.
(…)”
1.19
Deze conclusie geldt, zo heeft het hof duidelijkheidshalve herhaald, voor verzekeringsovereenkomsten die Achmea sluit met consumenten (rov. 3.12, tweede alinea).7 Het hof is niet toegekomen aan het geven van het door OSN gewenste oordeel over het gebruik van de Bedingen door Achmea in verzekeringsovereenkomsten met niet-consumenten (rov. 3.14). In cassatie speelt dit laatste ook geen rol.
1.20
Het hof heeft voor recht verklaard dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 BW en daarom onredelijk bezwarend in de zin van art. 6:240 lid 1 BW, voor zover de Bedingen voorkomen in verzekeringsovereenkomsten waarbij de verzekerde/verzekeringnemer een natuurlijke persoon is die de verzekering niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten.8 Ook heeft het hof Achmea verboden de Bedingen te gebruiken jegens een verzekerde/verzekeringnemer die een natuurlijke persoon is die de verzekering niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten.
1.21
Achmea heeft bij procesinleiding van 31 augustus 2020, derhalve tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Daarna heeft zij haar standpunten ook nog schriftelijk toegelicht. Aan OSN is verstek verleend.
2 Art. 7:959 lid 1 BW: vergoeding van (contra-)expertisekosten en kwaliteitseisen
2.1
Om fundament te geven aan de beoordeling van de klachten in het cassatiemiddel van Achmea, besteed ik nu eerst, met de nadruk op de door Achmea aan de orde gestelde thema’s, aandacht aan de in art. 7:959 lid 1 BW bedoelde vergoeding van (contra)expertisekosten. Daarbij begin ik met de vraag of art. 7:959 lid 1 BW voorziet in een recht van de verzekerde op vergoeding door de verzekeraar van de kosten van zijn contra-expert (randnummers 2.3 tot en met 2.15). Vervolgens ga ik in op de vraag of een verzekeraar bij consumentenverzekeringen in de verzekeringsvoorwaarden kwaliteitseisen mag stellen waaraan de (contra-)expert van de verzekerde moet voldoen (randnummers 2.16 tot en met 2.40). Daarbij komt ook art. 7:963 lid 6 BW aan de orde, waarin is bepaald in hoeverre art. 7:959 lid 1 BW van dwingend recht is.
2.2
Voor het gemak geef ik hier de tekst van de relevante wetsbepalingen weer:
Art. 7:959 lid 1 BW
De in artikel 957 bedoelde vergoeding en de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade gemaakt, komen ten laste van de verzekeraar, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden.
Art. 7:963 lid 6 BW
Van artikel 959 lid 1 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken voor zover de in dit lid bedoelde kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die de verzekering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten.
Art. 7:959 lid 1 BW en de kosten van de (contra)expert
2.3
De figuur van de (schade-)expert komt in beeld wanneer zich een schadeveroorzakende gebeurtenis heeft voorgedaan die de verzekeraar niet kan afwikkelen op basis van de door de verzekerde aangeleverde stukken. In zo’n geval schakelt de verzekeraar, als de oorzaak van de schade is gedekt onder de verzekering, een expert in, die tot taak heeft de hoogte van de schade vast te stellen.9 De voorwaarden van consumentenverzekeringen houden doorgaans in dat (i) door de verzekeraar een expert wordt benoemd, (ii) de verzekerde recht heeft op een contra-expert10 en (iii) eventueel een derde expert kan worden benoemd, voor het geval de expert van de verzekeraar en de contra-expert van de verzekerde het niet eens kunnen worden over de hoogte van de schade.11
2.4
In art. 7:959 lid 1 BW is bepaald dat de in art. 7:957 BW bedoelde vergoeding (de vergoeding voor de door de verzekerde gemaakte bereddingskosten) en de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade, ten laste van de verzekeraar komen, ook al zou daardoor, tezamen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat die kosten voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen, omdat zij tot de te vergoeden schade moeten worden gerekend.12 De verzekerde wordt hiermee volledig schadeloos gesteld: niet alleen zijn schade, maar ook de kosten die hij heeft gemaakt om de hoogte daarvan vast te stellen worden vergoed. Dit zou aansluiten bij “de tegenwoordig vrij algemeen gehuldigde opvatting dat de verzekerde zo volledig mogelijk schadeloos moet worden gesteld”.13
2.5
De regeling van art. 7:959 lid 1 BW ziet, de vergoeding van de bereddingskosten daargelaten, slechts op expertisekosten die worden gemaakt met het oog op het vaststellen van de omvang van de schade. Alleen deze kosten vallen onder de reikwijdte van art. 7:959 lid 1 BW. Kosten gemaakt om de oorzaak van de schade vast te stellen – en daarmee de vraag te beantwoorden of sprake is van een gedekt evenement – zijn niet via deze wetsbepaling voor rekening van de verzekeraar te brengen.14
2.6
Art. 7:959 lid 1 BW voorziet dus in een uitbreiding van de verzekeringsdekking van rechtswege, waarmee de wetgever heeft willen aansluiten bij de praktijk: niet alleen de schade, maar ook de redelijke kosten die de verzekerde moet maken om de hoogte van de schade vast te stellen, komen voor vergoeding in aanmerking. Daarmee doet art. 7:959 lid 1 BW voor het verzekeringsrecht wat art. 6:96 lid 2, aanhef en onder a en b, BW doet voor het schadevergoedingsrecht; aldaar is bepaald dat als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking komen redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade en redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.15
2.7
In de wetsgeschiedenis van art. 7:959 lid 1 is, waar het de hier bedoelde expertisekosten betreft, dan ook nadrukkelijk aansluiting gezocht bij art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW. De expertisekosten worden in het regime van art. 7:959 lid 1 BW niet onbeperkt vergoed, maar zijn naar analogie van art. 6:96 lid 2 BW onderworpen aan een dubbele redelijkheidstoets.16 Zowel het maken van de kosten als zodanig als de omvang van de gemaakte kosten moet redelijk zijn.17 Of en in hoeverre aan deze eisen is voldaan, hangt af van de omstandigheden van het geval.18 Dit impliceert dat de verzekerde, binnen de marges van de redelijkheid, vrijheid toekomt bij het kiezen van zijn (contra-)expert.
2.8
Art. 7:963 lid 6 BW bepaalt dat niet ten nadele van de consument-verzekeringnemer en de consument-verzekerde mag worden afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW, voor zover de in dat artikellid genoemde kosten (waaronder dus de hiervoor besproken expertisekosten) niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som.19 In zoverre is dus sprake van dwingend recht. Wijkt de verzekeraar in zijn algemene voorwaarden in het nadeel van de consument-verzekeringnemer of de consument-verzekerde af van art. 7:959 lid 1 BW, dan is die afwijking alleen toepasbaar op het gedeelte dat de gemaakte bereddingskosten en/of expertisekosten het bedrag gelijk aan de verzekerde som20 overstijgen. Indien en voor zover die kosten niet het bedrag gelijk aan de verzekerde som overstijgen, is die afwijking niet toegestaan. Dan is sprake van vernietigbaarheid van de desbetreffende verzekeringsvoorwaarde (art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 en art. 3:40 lid 2 BW). Op de vraag welke ruimte de wetgever voor afwijken van art. 7:959 lid 1 BW heeft gelaten, kom ik hierna nog terug in randnummers 2.23 en verder.
2.9
Art. 7:959 lid 1 BW voorziet ook in een recht van de verzekerde op vergoeding door de verzekeraar van de (redelijke) kosten van zijn contra-expert.21 Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever de verzekerde het recht op een kostenvergoeding van de verzekeraar heeft toegekend, vanuit de gedachte dat de verzekerde degene is die expertisekosten moet maken om (de hoogte van) zijn schade aan de verzekeraar aan te tonen.22 De verzekerde moet “zo volledig mogelijk schadeloos” worden gesteld.23 De verzekeraar pleegt de door de verzekerde gemaakte expertisekosten te “vergoeden”.24 Hierbij past niet de stelling van Achmea dat uit art. 7:959 lid 1 BW geen recht volgt op vergoeding van de kosten van de contra-expert van de verzekerde. Immers, ook als de door de verzekerde ingeschakelde expert een contra-expert betreft (omdat de expert van de verzekeraar is voorgegaan in het vaststellen van de hoogte van de schade), kan het zijn dat de verzekerde kosten moet maken om de hoogte van de schade te laten vaststellen, bijvoorbeeld omdat hij het oneens is met de bevindingen van de expert van de verzekeraar. Die kosten, die de verzekerde dan dus moet maken (de bewijslast met betrekking tot de omvang van de schade rust dan ook nog altijd op hem), moeten door de verzekeraar worden vergoed.
2.10
Dat art. 7:959 lid 1 BW voorziet in een recht van de verzekerde op vergoeding door de verzekeraar van de kosten van zijn contra-expert, valt bovendien af te leiden uit de tekst van die bepaling. Daarin staat immers dat de redelijke kosten, gemaakt tot het vaststellen van de schade, ten laste van de verzekeraar komen. Het woord ‘redelijke’ duidt erop dat het alleen gaat om kosten die door de verzekerde zijn gemaakt en niet ook om kosten gemaakt door de verzekeraar. Waarom zou de wetgever de verzekeraar immers voorschrijven dat alleen de door hem gemaakte ‘redelijke’ kosten voor zijn rekening komen? Dat zou niet logisch zijn: de verzekeraar beslist zelf hoeveel geld hij besteedt aan een door hem in te schakelen expert. Het gaat bij art. 7:959 lid 1 BW dus om de verzekerde die zijn redelijke kosten vergoed moet krijgen. Daarbij maakt art. 7:959 lid 1 BW geen onderscheid tussen kosten gemaakt door de verzekerde in de situatie waarin nog niet een onderzoek is verricht door een door de verzekeraar ingeschakelde expert en de situatie waarin wel al zo’n onderzoek is verricht en de expert van de verzekerde als ‘contra’-expert moet worden aangemerkt.
2.11
Dat de verzekerde op grond van art. 7:959 lid 1 BW het recht heeft om de kosten van zijn contra-expert ten laste van de verzekeraar te brengen, ligt ook voor de hand, zoals het hof in rov. 3.6 van het bestreden arrest heeft overwogen. Het alternatief zou namelijk zijn dat de verzekerde, die schade heeft geleden en mogelijk niet ook nog eens een schade-expert kan betalen, genoegen zou moeten nemen met de bevindingen van de door de verzekeraar ingeschakelde en gefinancierde expert. De verzekerde hoeft niet zonder meer op die bevindingen te vertrouwen, nu die expert niet alleen geneigd zou kunnen zijn om met het oog op de bedrijfseconomische belangen van zijn opdrachtgever de schade zo laag als redelijkerwijs mogelijk in te schatten maar mogelijk ook organisatorisch verbonden is aan de verzekeraar. De verzekerde heeft er dus dikwijls25 belang bij dat hij een eigen expert kan inschakelen en dat de kosten van die expert ingevolge art. 7:959 lid 1 BW voor rekening van de verzekeraar komen.
2.12
Dat in een procedure als deze de spreekwoordelijke messen worden geslepen, is niet onbegrijpelijk, maar het thans door Achmea ingenomen standpunt verrast in die zin dat ook het Verbond van Verzekeraars ervan uitgaat dat de kosten van de contra-expert, mits ‘dubbel redelijk’, door de verzekeraar moeten worden vergoed.26
Tussenbalans
2.13
Art. 7:959 lid 1 BW voorziet in een recht van de verzekerde op vergoeding van de expertisekosten door de verzekeraar. Ook de kosten van de contra-expert die door de verzekerde is ingeschakeld, komen op die grondslag voor vergoeding in aanmerking. Hierbij geldt dat alleen expertisekosten die aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen voor vergoeding in aanmerking komen. Of de kosten (dubbel) redelijk zijn, hangt af van de omstandigheden van het geval en is uiteindelijk ter beoordeling van de rechter.
2.14
Dat ook de kosten van de contra-expert voor vergoeding in aanmerking komen, impliceert dat de verzekerde, binnen de marges van de redelijkheid, vrijheid toekomt bij het kiezen van zijn (contra-)expert. In randnummer 2.35 e.v. kom ik hierop terug.
2.15
Gelet op art. 7:963 lid 6 BW is het de verzekeraar niet toegestaan om in de verzekeringsvoorwaarden bij een consumentenverzekering ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde af te wijken van art. 7:959 lid 1 BW. Afwijken mag alleen voor zover de door verzekerde gemaakte bereddingskosten en/of expertisekosten het bedrag gelijk aan de verzekerde som overschrijden.
Mag een verzekeraar kwaliteitseisen stellen?
2.16
Met dat laatste is een brug geslagen naar de vraag waar het uiteindelijk om draait: is het een verzekeraar binnen het kader van art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 BW toegestaan om in de relatie tot een consument-verzekerde in de verzekeringsvoorwaarden kwaliteitseisen te stellen waaraan de door de verzekerde gekozen (contra-)expert moet voldoen?27, 28
2.17
Voordat we aan deze vragen toekomen (randnummers 2.23 e.v. hierna), lijkt het mij goed om iets meer zicht te krijgen op het NIVRE en daarmee vergelijkbare organisaties. Het NIVRE is een stichting die volgens haar website29 in december 1991 werd opgericht met als doel het beroep expert te beschermen en waar mogelijk kwalitatief te verbeteren. Het NIVRE is opgericht, omdat er behoefte was aan kwalificatie van schade-experts en om de belangen van die beroepsgroep te behartigen. Op de website van het NIVRE staat het volgende:
“Het NIVRE is een stichting met als doel de bevordering en instandhouding van de deskundigheid en overige kwaliteiten van de beroepsuitoefening van deskundigen op het terrein van schadevaststelling en verwante deskundigheden. Daarnaast is het een platform en aanspreekpunt voor overleg tussen expertise-, inspectie- en taxatiebureaus en alle voor hen relevante partijen;
De ingeschrevenen mogen afhankelijk van het vakgebied, de beschermde titel(s) NIVRE-re’ NIVRE-rr, NIVRE-rd, of ‘rcf’ voeren. (…) In het Register staan experts met verschillende achtergronden, zoals experts die in loondienst zijn bij een verzekeringsmaatschappij, zelfstandige experts of experts die verbonden zijn aan een expertisebureau, maar ook zogeheten contra-experts en belangenbehartigers.
Het NIVRE kent 9 verschillende branches, waarvan er enkele in verband met efficiency bestuurlijk zijn samengevoegd. Eveneens kent het NIVRE gelieerde registers waarin deskundigen zijn ingeschreven die andere werkzaamheden verrichten dan schade-experts.”30
2.18
Het NIVRE doet aan permanente educatie: register-experts moeten PE-punten halen.31 Verder gelden er gedragsregels (niet te verwarren met de Gedragscode schade-expertise-organisaties van het Verbond van Verzekeraars)32 en kent het NIVRE een tuchtcollege.33
2.19
Er zijn verschillende soorten experts bij het NIVRE ingeschreven: experts die in loondienst zijn bij een verzekeraar, zelfstandig opererende experts, experts die zijn verbonden aan een expertisebureau, maar ook contra-experts en belangenbehartigers. Met ‘contra-experts’ is hier bedoeld: experts die uitsluitend contra-expertise-onderzoeken verrichten. Bij het NIVRE zijn ook experts te vinden die zowel schade-expertises als contra-schade-expertises verrichten.34
2.20
In een bericht op AMweb35 staat dat er zo’n 1.800 schade-experts staan ingeschreven in het register van NIVRE.36 Hoeveel daarvan zo nauw verbonden zijn met verzekeraars dat zij niet door verzekerden kunnen worden ingeschakeld, is mij echter niet bekend.
2.21
In een ander bericht op AMweb valt te lezen dat de stichting Verenigd Register van Taxateurs volgens een woordvoerder van Achmea is aan te merken als een “vergelijkbare beroepsorganisatie” in de zin van de Bedingen.37 In cassatie is echter van belang dat het hof in rov. 3.8 van het bestreden arrest heeft overwogen dat Achmea onvoldoende heeft toegelicht dat er met NIVRE vergelijkbare beroepsorganisaties bestaan. Nu Achmea in cassatie geen klacht tegen deze overweging heeft gericht, moet worden uitgegaan van een ontbreken van “vergelijkbare beroepsorganisaties”.
2.22
Om tot een antwoord op deze vraag te komen, bespreek ik hierna eerst kort de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 7:959 lid 1 en art. 7:963 lid 6 BW, voor zover relevant, alsmede de rechtspraak. Daarna bespreek ik de literatuur. Die is, net als de rechtspraak overigens, (zeer) beperkt. Bij mijn weten heeft slechts een drietal auteurs zich meer of minder duidelijk over de hier centraal gestelde vraag uitgelaten: De Vries (en in haar kielzog een viertal advocaten van Nationale Nederlanden: Van Gerner & Vos en Schuurs & Riyazi), Van Driel, als jurist verbonden aan verzekeraar Allianz, en Hendrikse. Dat het aantal auteurs beperkt is, is in zoverre te verklaren dat het stellen van kwaliteitseisen aan de (contra)expert in de verzekeringsvoorwaarden een betrekkelijk nieuw fenomeen is. Deze rondgang vormt de basis voor mijn eigen antwoord op de hier centraal gestelde vraag.
Wettekst, wetsgeschiedenis en rechtspraak
2.23
De tekst en de wetsgeschiedenis van art. 7:959 lid 1 en art. 7:963 lid 6 BW geven geen uitdrukkelijk antwoord op de vraag of kwaliteitseisen als door Achmea in haar verzekeringsvoorwaarden gesteld zijn toegelaten. Ook over de rechtspraak kan ik kort zijn. Er is, afgezien van het bestreden arrest,38 geen rechtspraak waarin antwoord wordt gegeven op de vraag of voorwaarden als die van Achmea al dan niet in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 BW.39
2.24
Ook in de literatuur is er als gezegd maar beperkte aandacht voor de vraag of de verzekeraar in de voorwaarden met betrekking tot consumentenverzekering kwaliteitseisen mag stellen. De schrijvers die zich hebben uitgelaten zijn bovendien verdeeld. Waar De Vries ruimte voor de verzekeraar ziet om kwaliteitseisen te stellen, lijkt Van Driel te twijfelen, terwijl Hendrikse van oordeel is dat de regeling van art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 BW aan het stellen van kwaliteitseisen in de weg staat.
De Vries: art. 7:963 lid 6 BW biedt ruimte voor het stellen van kwaliteitseisen
2.25
De Vries is van opvatting dat art. 7:959 lid 1 BW kwaliteitseisen als door Achmea gesteld in beginsel niet toelaat, maar dat een redelijke uitleg van art. 7:963 lid 6 BW meebrengt dat niet ten nadele van de consument wordt afgeweken wanneer de verzekeraar kwaliteitseisen stelt.40 Daarom is volgens De Vries het stellen van kwaliteitseisen niet in strijd met de wet.
2.26
Met betrekking tot art. 7:959 lid 1 BW wijst zij erop dat voor het inhouden of verminderen van de uitkering voor expertisekosten op deze grondslag is vereist dat ofwel het inschakelen van de expert onredelijk was, ofwel dat de gerekende kosten niet redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets, zie randnummer 2.7 hiervoor). Daarbij gaat het slechts om omstandigheden in relatie tot de schade: had de verzekerde redelijkerwijs bijstand nodig bij het vaststellen van de hoogte van de schade en zijn de kosten die daarmee gepaard zijn gegaan binnen redelijke proporties? Daarbinnen past niet, zo betoogt De Vries, dat de verzekeraar kwaliteitseisen stelt waaraan de contra-expert moet voldoen.41
2.27
Volgens De Vries brengt een redelijke uitleg van art. 7:963 lid 6 BW, als gezegd, echter mee dat niet ten nadele van de consument van art. 7:959 lid 1 BW wordt afgeweken wanneer de verzekeraar kwaliteitseisen stelt.42 Wanneer in de polisvoorwaarden wordt bepaald dat experts ingeschreven moeten zijn bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut, wordt volgens haar namelijk geen afbreuk gedaan aan hetgeen in art. 7:959 lid 1 BW is bepaald. Er is geen sprake van een algemene beperking van het recht van de verzekerde om de redelijke kosten ter vaststelling van de schade op de verzekeraar te verhalen. Kwaliteitseisen in een polisvoorwaarde kunnen daarentegen juist in het belang van de consumentverzekerde zijn. In die zin sluit de voorwaarde aan bij de meer algemene gedachte, ook in het verzekeringsrecht, dat de consument bescherming verdient. Verder valt volgens De Vries op dat in de wetsgeschiedenis van art. 7:963 lid 6 BW de nadruk wordt gelegd op het gegeven dat de verzekeraar de dekking voor de bereddingskosten niet mag beperken tot een bedrag dat lager is dan de verzekerde som. Aan de redelijke kosten ter vaststelling van de schade – de expertisekosten dus – wordt in de toelichting op art. 7:963 lid 6 BW nagenoeg geen aandacht besteed.43 “Daarmee lijkt er op dit punt wat speling te zijn”, aldus De Vries.
2.28
Volgens De Vries is een beding, waarin is opgenomen dat de expert ingeschreven moet zijn bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut, dus mede in het belang van de verzekerde. Eenieder kan zich in beginsel expert noemen, maar juist het stellen van deze voorwaarde van inschrijving maakt het mogelijk te controleren of de betrokken expert met recht claimt deskundig te zijn. Naar het oordeel van De Vries wordt met een dergelijke polisvoorwaarde dus niet ten nadele van de consumentverzekerde van art. 7:963 lid 6 BW afgeweken, zodat zij is toegestaan.44
2.29
Het standpunt van De Vries heeft steun gekregen van Van Gerner & Vos en Schuurs & Riyazi, die ook naar haar standpunt verwijzen. Van Gerner & Vos achten het denkbaar “dat polisvoorwaarden aan vergoeding van expertisekosten de voorwaarde verbinden, dat de expert aan bepaalde eisen voldoet”.45 Schuurs & Riyazi zijn van mening dat het stellen van een kwaliteitseis ten aanzien van de te benoemen deskundige geen inbreuk maakt op het recht van de verzekeringnemer op een contra-expertise, omdat een dergelijke kwaliteitseis niet leidt tot enige relevante beperking van het recht van de verzekeringnemer; de verzekeringnemer kan nog steeds de redelijke kosten ter vaststelling van de schade op de verzekeraar verhalen.46
Van Driel zet in op door de rechtspraak te verschaffen duidelijkheid
2.30
Van Driel lijkt gecharmeerd te zijn van het stellen van kwaliteitseisen, maar neemt geen definitief standpunt in en meent dat de rechtspraak de gewenste duidelijkheid zou moeten verschaffen.47
2.31
Wat Van Driel betreft mag van de verzekerde tenminste worden verwacht dat hij een contra-expert inschakelt die deskundig is. De kosten van een niet-deskundige contra-expert zullen immers niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, nu inschakeling van een dergelijke expert geen zekerheid over het juiste schadebedrag geeft en daarom weinig of geen toegevoegde waarde heeft. Een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut is volgens Van Driel in ieder geval een objectieve indicator voor de deskundigheid. Daar stelt Van Driel echter tegenover dat het ontbreken van zo’n inschrijving niet noodzakelijkerwijs betekent dat de ingeschakelde expert niet deskundig is.
2.32
Net als De Vries wijst Van Driel erop dat art. 7:963 lid 6 BW zich enkel verzet tegen afwijken van art. 7:959 lid 1 BW ‘ten nadele’ van de consument-verzekerde. Het is volgens hem zeer de vraag of het vereisen van inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut nadelig is voor de verzekerde. Een dergelijk vereiste beperkt in ieder geval niet de omvang van de kostenvergoeding. Evenmin valt aan te nemen dat de verzekerde geen redelijke selectie van experts meer ter beschikking zou staan, nu een groot aantal experts over de benodigde inschrijving beschikt. Betoogd kan zelfs worden dat een dergelijk vereiste in het belang van de verzekerde is, omdat het kan voorkomen dat hij in zee gaat met een mogelijk niet deskundige partij. Van Driel neigt daarmee meer naar de opvatting van De Vries dan naar de hierna te bespreken opvatting van Hendrikse. Ik herhaal echter dat Van Driel geen definitief standpunt inneemt en ontwikkelingen in de rechtspraak afwacht.
Hendrikse zit op een ander spoor dan De Vries (en haar medestanders)
2.33
Hendrikse komt tot een ander oordeel dan De Vries.48 Indien in de verzekeringsvoorwaarden van een consumentenverzekering wordt bepaald dat (volledige) vergoeding van de kosten van de contra-expert alleen aan de orde is als die expert is aangesloten bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut, is dat volgens hem in strijd met art. 7:959 lid 1 jo. art. 7:963 lid 6 BW. Hij is het met De Vries eens dat bij de vraag of er sprake is van redelijke kosten in de zin van art. 7:959 lid 1 BW alleen omstandigheden met betrekking tot de schade van belang zijn: had de verzekerde redelijkerwijs hulp nodig bij de afwikkeling van de schade en zijn de gemaakte kosten binnen redelijke grenzen gebleven? Een oordeel over de vraag of de expert over de vereiste kwalificaties beschikt, past daar niet bij. Art. 7:959 lid 1 BW laat dus geen ruimte voor voorwaarden gesteld aan de expert.
2.34
Anders dan De Vries ziet Hendrikse echter geen speling door hetgeen in art. 7:963 lid 6 BW is bepaald. Hij ziet niet waaruit volgt dat art. 7:963 lid 6 BW de nadruk legt op bereddingskosten. Volgens hem is de beschermingsgedachte van deze bepaling een andere dan die waarvan De Vries uitgaat:49 de verzekerde mag ervan uitgaan dat zijn expertisekosten vergoed worden voor zover het om redelijke kosten gaat. Een beperking tot contra-experts die zijn aangesloten bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut, blijft, ook al is geen sprake van een algemene beperking van het recht van de verzekerde de kosten van zijn contra-expert door de verzekeraar vergoed te krijgen, een beperking van de vrijheid die de verzekerde ingevolge art. 7:959 lid 1 BW toekomt. Art. 7:963 lid 6 BW verzet zich daartegen. De verzekeraar kan de consument-verzekerde, zo stelt Hendrikse, in een individueel geval alleen tegenwerpen dat het niet gaat om redelijke kosten.50 Ik begrijp dat aldus dat algemene kwaliteitseisen, zoals door Achmea in haar algemene voorwaarden gesteld, volgens Hendrikse in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 jo. art. 7:963 lid 6 BW.
Eigen opvatting
2.35
Rechtspraak en literatuur geven dus geen duidelijk beeld. Uit de wetsgeschiedenis en uit (een redelijke uitleg van de) wet volgt echter dat art. 7:959 lid 1 BW de verzekerde recht geeft op een (contra-)expert op kosten van de verzekeraar (randnummers 2.9, 2.10 en 2.11 hiervoor). Ook is duidelijk dat de wet één enkele voorwaarde verbindt aan het recht op kostenvergoeding: de kosten moeten redelijk zijn op een zelfde manier als bij art. 6:96 BW. Ook hier geldt dus een dubbele redelijkheidstoets.51 Of aan deze maatstaf is voldaan, hangt af van de omstandigheden van het geval. Binnen deze marges komt de verzekerde keuzevrijheid toe tegenover de verzekeraar en kan hij dus zelf bepalen wie hij als (contra-)expert inschakelt.
2.36
Naar mijn idee krijgt het belang van de vrijheid van verzekerde om een ‘eigen’ expert in het schakelen, te weinig aandacht in de literatuur. Dat belang van de verzekerde is groot: hij staat bij het vaststellen van de schade tegenover de verzekeraar, die zich in dat traject (inschakelen expert, voorstel aan verzekerde etc.) uiteraard door bedrijfseconomische afwegingen laat leiden. De nadruk ligt wat mij betreft teveel op het gegeven dat kwaliteitseisen geen afbreuk doen aan het recht op kostenvergoeding als zodanig en evenmin aan de omvang van de kostenvergoeding waarop verzekerde recht heeft. Het belang bij een eigen expert en de vrijheid om die zelf te kiezen, sneeuwt zo onder. De regeling van art. 7:959 lid 1 BW en de in dat verband geldende dubbele redelijkheidstoets legt echter niet alleen een recht op (volledige) kostenvergoeding vast, maar waarborgt ook dat de verzekerde binnen de marges van deze toets keuzevrijheid heeft tegenover de verzekeraar en dus zelf kan bepalen wie hij als (contra-)expert inschakelt. Daarmee is in strijd dat de verzekeraar categorische kwaliteitseisen aan de contra-expert stelt, die een vergaande abstracte invulling van de redelijkheid inhouden en daarmee niet alleen de keuzevrijheid van de verzekerde beperken, maar ook de beoordeling van de redelijkheid voor een deel onttrekken aan de (in uiterste instantie rechterlijke) beoordeling van keuzes van de verzekerde in de omstandigheden van het geval.
2.37
Het staat de verzekeraar uiteraard, conform de wet, vrij om in een concreet geval aan te voeren dat de kosten van de door de verzekerde ingeschakelde (contra-)expert niet redelijk zijn, omdat deze niet aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet of gewoonweg niet deskundig is, zodat de daarmee gemoeide kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.52 Theoretisch is denkbaar dat de rechter de verzekeraar in het gelijk stelt, omdat de verzekerde Beun de Haas als contra-expert heeft ingeschakeld, wiens ‘kosten’, nu zij met deskundige bijstand niets te maken hebben, uiteraard niet voor rekening van de verzekeraar behoren te komen.
2.38
Hier gebeurt echter iets anders. In plaats van het achteraf bestrijden van een individuele beslissing van een verzekerde in het concrete geval, wordt hier vooraf op een abstracte manier invulling gegeven aan (een deel) van voornoemde wettelijke voorwaarde (de dubbele redelijkheidstoets). Daaraan kleven bezwaren: eerst en vooral de reeds door mij genoemde beperking van de keuzevrijheid die op grond van art. 7:959 lid 1 BW toekomt aan de verzekerde ten opzichte van zijn verzekeraar. Dit bezwaar verdient nadruk, omdat ten eerste niet aannemelijk is dat deskundige bijstand buiten de door de kwaliteitseisen gestelde kaders niet mogelijk is en we ten tweede niet zonder meer ervan kunnen uitgaan dat een eventuele nu bestaande keuzeruimte voor verzekerden (binnen het NIVRE of bij andere met het NIVRE vergelijkbare organisaties) ook in de toekomst gewaarborgd zal zijn.
2.39
Daar komt bij dat zo’n categorische invulling van de dubbele redelijkheidstoets verder gaat dan nodig is. Ik heb er al op gewezen dat binnen die toets rekening kan worden gehouden met het eventuele gebrek aan deskundigheid van de door de verzekerde ingeschakelde expert. Zo kan de verzekeraar de noodzaak om die expert in te schakelen betwisten, of de redelijkheid van de door die expert gemaakte kosten. Bovendien zijn minder vergaande oplossingen dan harde kwaliteitseisen ook denkbaar. Zo kan men zich voorstellen dat de verzekeraar in de polis, bijvoorbeeld in de toelichting bij bepaalde polisvoorwaarden, ter voorkoming van onderlinge discussie achteraf aandringt op het inschakelen door verzekerde van een deskundige verbonden aan NIVRE of een vergelijkbaar instituut als contra-expert. De verzekeraar kan daarbij ook uitleggen waarom (opleiding, ervaring, permanente educatie, gedragsregels, tuchtrecht) en kan daar nadrukkelijk bij zeggen: “Dat is ook in Uw belang!” Hoe beter dat verhaal, des te effectiever zal het zijn. Tegelijkertijd blijft er dan ruimte voor een verzekerde om zijn eigen keuze te maken, met alle voor- en nadelen (zoals eventuele discussie met de verzekeraar achteraf) van dien.
2.40
Net zo min als Hendrikse zie ik dus dat art. 7:959 lid 1 jo. 7:963 lid 6 BW ruimte zou laten voor het stellen van categorische kwaliteitseisen door verzekeraar in de relatie tot een consument-verzekerde. Anders dan De Vries ben ik van oordeel dat dergelijke eisen wel degelijk ten nadele van de consument-verzekerde afwijken van art. 7:959 lid 1 BW, namelijk op het punt van de aldaar neergelegde keuzevrijheid voor verzekerde. Dat in de parlementaire geschiedenis eigenlijk alleen aandacht is besteed aan (beperking van het) recht op vergoeding van de bereddingskosten kan niet alsnog ruimte creëren die tekst en systeem van art. 7:959 lid 1 en art. 7:963 lid 6 BW niet geven.
Slotsom
2.41
De slotsom luidt dat, anders dan Achmea betoogt, art. 7:959 lid 1 BW voorziet in een recht van de verzekerde op vergoeding door de verzekeraar van de (redelijke) kosten van zijn contra-expert. Daarbij zijn, als de verzekering een consumentenverzekering betreft, kwaliteitseisen zoals die door Achmea worden gesteld – waaronder de eis dat de contra-expert moet zijn ingeschreven bij het NIVRE – in strijd met dwingend recht (art. 7:959 lid 1 in samenhang met art. 7:963 lid 6 BW) en daarmee vernietigbaar (art. 3:40 lid 2 BW).
3 Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel van Achmea bestaat uit vier onderdelen:
- het eerste onderdeel is gericht tegen rov. 3.5 en 3.6 van het bestreden arrest, waarin het hof tot het oordeel is gekomen dat óók de kosten voor een contra-expert voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen, mits voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets;
- het tweede onderdeel ziet op de overweging van het hof in rov. 3.8 dat de eisen die het NIVRE stelt om als NIVRE Register-Expert te kunnen worden ingeschreven en geregistreerd vrij stringent zijn;
- het derde onderdeel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.9 dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 BW voor zover daarin is bepaald dat enkel kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die aan de (kwaliteits)eisen uit de polisvoorwaarden voldoen, voor vergoeding in aanmerking komen;
- het vierde en tevens laatste onderdeel richt klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat de door Achmea gestelde kwaliteitseisen in het belang van consumenten kunnen zijn, maar daarvoor geen zekerheid bieden en bovendien de keuzevrijheid van consumenten beperken.
Onderdeel 1 – Kosten contra-expert vallen niet onder art. 7:959 lid 1 BW
3.2
Volgens Achmea heeft het hof in rov. 3.5-3.6 miskend dat de kosten van een door de verzekerde ingeschakelde contra-expert niet voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking komen op grond van art. 7:959 lid 1 BW. Zij voert aan dat contra-expertisekosten slechts dan voor vergoeding in aanmerking komen als de verzekeraar bij een gedekt evenement de schade te laag vaststelt en de verzekerde een contra-expert inschakelt, waarna (al dan niet in rechte) een hogere uitkering wordt vastgesteld. In een dergelijk geval pleegt de verzekeraar met zijn te lage vaststelling wanprestatie, waardoor de verzekeraar jegens de verzekerde vergoeding van de contra-expertisekosten is verschuldigd op grond van art. 6:96 lid 2 sub b BW. Achmea geeft aan dat zij deze rechtsvraag omwille van de rechtszekerheid aan Uw Raad voorlegt.53 Zij benadrukt dat in haar verzekeringsvoorwaarden is opgenomen dat contra-expertisekosten worden vergoed. In haar visie wijkt zij daarmee positief af van de wet. Uitgaande van deze visie, zou zij wel eisen mogen stellen aan de contra-expert.54
3.3
De klacht faalt. De kosten van een door de verzekerde ingeschakelde contra-expert komen, voor zover aan de dubbele redelijkheidstoets is voldaan, wel degelijk op grond van art. 7:959 lid 1 BW voor vergoeding door de verzekeraar in aanmerking (randnummers 2.7, randnummers 2.13 tot en met 2.15, randnummer 2.35 en randnummer 2.41 hiervoor).
3.4
Voor de in het onderdeel naar voren gebrachte opvatting van Achmea dat de kostenvergoeding is beperkt tot het geval van wanprestatie door de verzekeraar bij de schadevaststelling en in dat geval is gebaseerd op rechtstreekse toepassing van (art. 6:74 jo.) art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, is geen steun te vinden in de tekst van art. 7:959 lid 1 BW en evenmin in de wetsgeschiedenis (randnummers 2.7 en 2.9 hiervoor). Ook in de literatuur wordt deze opvatting bij mijn weten niet verdedigd.55
Onderdeel 2 – Oordeel dat eisen inschrijving NIVRE vrij stringent zijn, is onbegrijpelijk
3.5
Dit onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8 dat de eisen die het NIVRE stelt om als NIVRE Register-Expert te kunnen worden ingeschreven en geregistreerd vrij stringent zijn en het door het hof in dit verband gegeven voorbeeld dat een NIVRE Register-Expert ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam moet zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend.
3.6
Achmea voert aan dat dit oordeel van het hof onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van de stellingen van partijen. OSN noch Achmea heeft immers gesteld dat de eisen om als NIVRE Register-Expert te kunnen worden ingeschreven en geregistreerd vrij stringent zijn, omdat een NIVRE Register-Expert (onder meer) ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend. Integendeel: OSN heeft juist (in randnummer 5. van haar conclusie van repliek) gesteld dat de eisen die aan een NIVRE-expert worden gesteld bescheiden zijn, waarbij OSN onder meer expliciet heeft verwezen naar de door het hof aangehaalde eis dat een NIVRE Register-Expert ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam is als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend.
3.7
De klacht faalt. In randnummer 5. van de conclusie van repliek van OSN staat het volgende:
“Ombudsman [OSN, A-G] merkt op dat het in beginsel onjuist is om een lidmaatschap van enige vereniging synoniem te achten aan kwaliteit, deskundigheid of integriteit. Ook dient de term “register-expert” in het licht gezien te worden van het feit dat het niveau op Middelbaar Beroeps Onderwijs is te stellen. De eisen die aan een NIVRE-expert worden gesteld, zijn bescheiden (…):
“Onmiddellijk voorafgaand aan de inschrijving/registratie als NIVRE Register-Expert dient de aanvrager aansluitend aan de datum van aanvraag:
ten minste drie jaren hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam te zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend;
alle vereiste opleidingen aantoonbaar met goed gevolg te hebben afgerond;
een natuurlijk persoon te zijn;
van onbesproken gedrag te zijn;
aantoonbaar verzekerd te zijn voor Beroepsaansprakelijkheid;
een Verklaring Omtrent het Gedrag. (…)
Een schade-expert die alle basisopleidingen aantoonbaar met goed gevolg heeft afgerond kan, mits wordt voldaan aan de overige inschrijving/registratie-eisen, een aanvraag indienen om te worden ingeschreven als Kandidaat Nivre Register-Expert, voor een éénmalige periode van maximaal vier jaar.””
3.8
OSN heeft met haar stelling dat de eisen die aan (de opleiding van) NIVRE-experts worden gesteld, bescheiden zijn, bedoeld dat een expert die aan die vereisten voldoet niet noodzakelijk ook werk van kwaliteit aflevert, deskundig is en integer is (zie immers de eerste twee zinnen van het citaat en ook randnummer 6. van de conclusie van repliek waarin OSN aanvoert dat ook de interne tuchtrechtspraak van het NIVRE geen garantie op het voorkomen van uitwassen biedt). Daarbij legt OSN, anders dan Achmea suggereert,56 niet de nadruk op een of meer specifieke eisen van het NIVRE. Dat doet het hof wel, maar daarbij legt het hof juist een ander accent dan OSN. De eis van het NIVRE, dat een NIVRE Register-Expert ten minste drie jaar hoofdzakelijk (70% van de werkbare tijd) werkzaam moet zijn als schade-expert in de branche waarvoor een aanvraag wordt ingediend, mag in de opvatting van OSN dan geen garantie voor kwaliteit opleveren, volgens het hof in rov. 3.8 is die eis van het NIVRE wel vrij stringent. Het is duidelijk dat het hof daarbij doelt op de barrière die deze eis kan vormen voor degenen die NIVRE Register-Expert willen worden. Met andere woorden: volgens het hof kan deze eis streng uitpakken. Deze overweging is niet onbegrijpelijk. Niet iedere aanvrager immers zal ten tijde van de aanvraag al drie jaar lang 70% van de werkbare tijd als expert werkzaam zijn, dit dan kennelijk buiten het NIVRE om. Zo bekeken staat de overweging van het hof niet haaks op de stelling van OSN.
Onderdeel 3 – De objectieve maatstaven waaraan een contra-expert moet voldoen
3.9
Dit onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen, waarbij onderdeel 3.2 op haar beurt weer uiteenvalt in drie sub-subonderdelen. Het onderdeel keert zich tegen (i) het oordeel van het hof in rov. 3.9 dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 lid 1 BW voor zover daarin is bepaald dat enkel kosten die zijn gemaakt voor contra-experts die aan de (kwaliteits)eisen uit de polisvoorwaarden voldoen, voor vergoeding in aanmerking komen; en (ii) de conclusie van het hof in rov. 3.12 dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 BW en daarmee – in het kader van art. 6:240 BW – ook onredelijk bezwarend.
3.10
De in subonderdeel 3.1 en subonderdeel 3.2 naar voren gebrachte rechtsklachten falen. Ik licht dat toe.
3.11
Volgens Achmea heeft het hof miskend bij zijn oordeel in rov. 3.9 (hierop ziet subonderdeel 3.1) en bij zijn oordeel in rov. 3.12 (hierop ziet subonderdeel 3.2, uitgewerkt in sub-subonderdelen 3.2.1 tot en met 3.2.3) dat de Bedingen enkel waarborgen dat de deskundige voldoet aan de kwaliteitseisen waaraan een deskundige minimaal moet voldoen om naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat te kunnen worden geacht een deskundig advies uit te brengen. De Bedingen kunnen volgens haar (dan ook) niet anders worden begrepen dan als een uitdrukking van het in art. 7:959 lid 1 BW gebruikte begrip ‘redelijk’. Deze rechtsklachten falen, nu zij alle uitgaan van dezelfde onjuiste rechtsopvatting. De door Achmea gestelde, categorische kwaliteitseisen zijn in strijd met art. 7:959 lid 1 jo. art. 7:963 lid 6 BW (zie randnummers 2.35 tot en met 2.41 hiervoor). Het hof heeft het in rov. 3.9 en rov. 3.12 bij het rechte eind gehad.
3.12
Duidelijkheidshalve merk ik hier op dat dus niet alleen in subonderdeel 3.1, maar ook in subonderdeel 3.2 en de uitwerking daarvan in sub-subonderdelen 3.2.1 tot en met 3.2.3 rechtsklachten worden aangevoerd:
- in subonderdeel 3.2 (“Het hof heeft de in subonderdeel 3.1 verdedigde rechtsopvatting miskend (…)” (p. 5 procesinleiding);
- in sub-subonderdeel 3.2.1 (“Dit maakt dat 's hofs oordeel onjuist is (…)” (p. 6 procesinleiding);
- in sub-subonderdeel 3.2.2 (“Door desondanks te oordelen dat Beding sub b in strijd is met artikel 7:959 lid 1 BW, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (…)”) (p. 7 procesinleiding);
- in sub-subonderdeel 3.2.3 (“Het hof heeft met vernoemd oordeel dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting” (p. 8 procesinleiding).
Nu al deze rechtsklachten falen (randnummer 3.11 hiervoor), zal ik hierop verder niet meer ingaan in mijn bespreking van subonderdeel 3.2. Ik zal alleen nog ingaan op de in subonderdeel 3.2 aangevoerde motiveringsklachten.
3.13
In subonderdeel 3.2 voert Achmea een aantal motiveringsklachten aan, die zij heeft uitgewerkt in sub-subonderdelen 3.2.1 tot en met 3.2.3. Volgens Achmea heeft het hof zijn oordeel in rov. 3.12, dat de Bedingen in strijd zijn met art. 7:959 BW en daarmee – in het kader van art. 6:240 BW – ook onredelijk bezwarend, onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
3.14
Deze motiveringsklachten zijn vergeefs voorgesteld.
3.15
Sub-subonderdeel 3.2.1 ziet op het onderdeel van de Bedingen inhoudende dat slechts de kosten worden vergoed van experts die zijn ingeschreven in het register van het NIVRE of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie. Het hof heeft in rov. 3.8 geoordeeld dat (i) niet is uitgesloten dat een contra-expert die niet aan de door Achmea gestelde voorwaarden voldoet toch in staat is een kwalitatief goede contra-expertise uit te voeren en (ii) aannemelijk is dat er deskundigen zijn die niet voldoen aan de voor inschrijving bij het NIVRE benodigde vereisten maar toch over voldoende expertise beschikken om een contra-expertise te kunnen uitvoeren. Volgens Achmea heeft het hof niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd waarom de eis dat een expert moet zijn ingeschreven bij het NIVRE of een vergelijkbare beroepsorganisatie geen minimumeis zou zijn waaraan een deskundige moet voldoen om naar objectieve maatstaven voldoende deskundig te worden geacht. Deze vraag heeft het hof niet beantwoord met zijn overweging dat er mogelijk deskundigen zijn die niet voldoen aan de voor inschrijving bij het NIVRE benodigde vereisten maar toch over voldoende expertise beschikken om een contraexpertise te kunnen uitvoeren.
3.16
Deze motiveringsklacht faalt. De overwegingen van het hof in rov. 3.8 en 3.9 zijn voldoende begrijpelijk. Volgens het hof kan niet worden uitgesloten dat een contra-expert die niet aan de door Achmea gestelde kwaliteitseisen voldoet, waaronder dus de eis van inschrijving bij het NIVRE, toch in staat is om een kwalitatief goed expertiserapport te vervaardigen (rov. 3.8, vijfde zin). Deze overweging, die inhoudt dat de genoemde eis niet als minimumeis kan gelden, is niet onbegrijpelijk. De eis van inschrijving als door Achmea gesteld kan zeker bijdragen aan deskundigheid en kwaliteit, maar kan deskundigheid en kwaliteit niet (a) monopoliseren en, zoals het hof ook heeft overwogen (rov. 3.10, vijfde zin) ook niet (b) garanderen. Deskundigheid en kwaliteit zijn zeer wel denkbaar, ook zonder dat aan deze voorwaarde is voldaan. Goed voorstelbaar is bijvoorbeeld dat een contra-expert die zijn vak al jaren uitoefent en verbonden is aan een expertisebureau dat al jaren bestaat, in staat is een adequaat expertiserapport te vervaardigen, ook al is hij of zij niet bij het NIVRE ingeschreven.
3.17
Achmea klaagt vervolgens dat de motivering van het oordeel van het hof temeer onvoldoende is in het licht van haar betoog dat de kosten van een expert die niet voldoet aan kwaliteitseisen die door een beroepsorganisatie worden opgesteld en gecontroleerd niet voor vergoeding ex art. 7:959 lid 1 BW in aanmerking komen. Achmea citeert daarbij uit het Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen.57
3.18
Ook deze klacht faalt. In rov. 3.8 en 3.9 heeft het hof dit betoog van Achmea op begrijpelijke wijze verworpen (randnummer 3.16 hiervoor). Specifiek met betrekking tot de kwaliteitseis van Achmea dat de expert moet zijn ingeschreven bij het NIVRE of bij een vergelijkbare beroepsorganisatie merk ik op dat het hof aan het slot van rov. 3.8 heeft overwogen dat Achmea onvoldoende heeft toegelicht dat zulke beroepsorganisaties bestaan.
3.19
Van Driel is in het Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen overigens minder uitgesproken dan Achmea hier doet voorstellen. Hij heeft inderdaad opgemerkt dat een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut in ieder geval een objectieve indicator voor de deskundigheid van de expert is. Daar stelt hij echter tegenover dat het ontbreken van zo’n inschrijving niet noodzakelijkerwijs betekent dat de ingeschakelde expert niet deskundig is (randnummer 2.31 hiervoor). Van Driel heeft zelf ook geen definitief standpunt ingenomen met betrekking tot de juridische houdbaarheid van de door Achmea gestelde kwaliteitseisen. Volgens hem zal de rechtspraak duidelijkheid moeten verschaffen (randnummer 2.32 hiervoor).
3.20
Sub-subonderdeel 3.2.2 ziet op het onderdeel van de Bedingen dat een “vergelijkbare beroepsorganisatie” zich moet houden aan de Gedragscode. Volgens Achmea is het oordeel van het hof dat dit beding in strijd is met art. 7:959 lid 1 BW onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van haar betoog dat in de Gedragscode (i) de basisnormen betrouwbaarheid, professionaliteit, kennis en kunde, helderheid, communicatie en efficiency, integriteit en objectiviteit voor experts zijn uitgewerkt en (ii) is voorzien in een met afdoende waarborgen omklede rechtsgang om klachten over de naleving van de Gedragscode aan een onafhankelijke deskundige geschillenbeslechter voor te leggen. Volgens Achmea heeft het hof onvoldoende (kenbaar) gerespondeerd op dit betoog.
3.21
De klacht faalt, nu de motivering van het hof door de beugel kan. Het laat zich immers heel goed voorstellen dat een contra-expert, die niet aan de Gedragscode van het Verbond van Verzekeraars is gebonden en die niet het oordeel van een onafhankelijke deskundige geschillenbeslechter hoeft te vrezen, toch in staat is een kwalitatief goede contra-expertise te verrichten.58 Zo’n contra-expert moet, gelet op de keuzevrijheid die de verzekerde op grond van art. 7:959 lid 1 BW toekomt, door de verzekerde gekozen kunnen worden en diens kosten behoren op die grond ook voor vergoeding in aanmerking te komen.
3.22
Sub-subonderdeel 3.2.3 ziet op het onderdeel van de Bedingen dat de statuten en reglementen van een “vergelijkbare beroepsorganisatie” een duidelijke klacht- en tuchtprocedure moeten bevatten, alsmede eisen voor permanente opleiding van experts. Achmea klaagt dat het oordeel van het hof dat dit beding in strijd is met art. 7:959 lid 1 BW onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Achmea wijst er in dit verband op dat het hof in rov. 3.8 heeft geoordeeld dat (i) het in het belang van een verzekerde is dat een ingeschakelde contra-expert aan minimum kwaliteitseisen voldoet, (ii) de in de polisvoorwaarden omschreven eisen daaraan zouden kunnen bijdragen en (iii) het zonder meer in het belang van een verzekerde is dat een expert aan permanente educatie doet en er een tuchtrechtelijke procedure bestaat waaraan de expert zich onderwerpt. Volgens Achmea valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat de onder (iii) genoemde eisen geen kwaliteitseisen zouden betreffen waaraan een deskundige minimaal moet voldoen om naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat te kunnen worden geacht een deskundig advies uit te brengen. Bovendien pleiten de onder (i)-(iii) weergegeven overwegingen voor haar standpunt59 dat van de verzekerde mag worden verwacht dat hij een contra-expert inschakelt die deskundig is, zodat niet (zonder nadere motivering) valt in te zien hoe het hof in weerwil van deze overwegingen tot de conclusie heeft kunnen komen dat het beding in strijd is met art. 7:959 lid 1 BW. Achmea voert aan dat het beding (zeker in het licht van haar stellingen en de vaststellingen van het hof) een waarborg is dat de deskundige voldoet aan minimum-kwaliteitseisen waaraan een deskundige moet voldoen om naar objectieve maatstaven redelijkerwijs in staat te kunnen worden geacht een deskundig advies uit te brengen.
3.23
Ook deze klacht faalt. De klacht levert niets dan een herhaling van zetten op. Ik verwijs dan ook naar mijn bespreking van de motiveringsklachten uit de sub-subonderdelen 3.2.1 en 3.2.2 (randnummers 3.18, 3.19 en 3.21 hiervoor). Ik merk hier wel nog op dat, anders dan Achmea aanvoert, het hof het standpunt van Achmea dat van de verzekerde mag worden verwacht dat hij een contra-expert inschakelt die deskundig is, niet heeft miskend. Het hof is in rov. 3.9 enkel tot het oordeel gekomen dat niet per se hoeft te zijn voldaan aan de door Achmea gestelde kwaliteitseisen: denkbaar is immers dat een contra-expert die niet aan die kwaliteitseisen voldoet, toch in staat is een goede contra-expertise te verrichten. Zoals ik in mijn bespreking van de motiveringsklachten uit de sub-subonderdelen 3.2.1 en 3.2.2 heb uitgelegd, is dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
Onderdeel 4 – De gestelde kwaliteitseisen zijn in het belang van de verzekerden
3.24
Onderdeel 4 valt uiteen in drie subonderdelen. Het onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat de door Achmea gestelde kwaliteitseisen in het belang van consumenten kunnen zijn, maar daarvoor geen zekerheid bieden en bovendien de keuzevrijheid van consumenten beperken. Het onderdeel keert zich ook tegen de gevolgtrekking die het hof maakt in rov. 3.12.
3.25
Achmea voert in subonderdeel 4.1 aan dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 7:959 lid 1 BW is uitgegaan, voor zover het hof in rov. 3.10 (in samenhang met rov. 3.12) heeft geoordeeld dat de omstandigheden dat (i) de door Achmea in de polisvoorwaarden gestelde kwaliteitseisen geen (absolute) zekerheid geven dat de expert ook daadwerkelijk deskundig is en (ii) de keuzevrijheid van de verzekerde wordt beperkt, (zonder meer) meebrengen dat ten nadele van de verzekerde wordt afgeweken van art. 7:959 lid 1 BW. Het hof heeft in dat geval miskend dat de vraag of sprake is van afwijking ten nadele van de verzekerde, zoals bedoeld in art. 7:963 lid 6 BW, afhangt van een weging van alle gevolgen van de afwijking, en niet van geïsoleerde (nadelige) aspecten daarvan.
3.26
De klacht faalt. Het hof is tot de slotsom gekomen dat de door Achmea gestelde kwaliteitseisen in het nadeel van verzekerden afwijken van de keuzevrijheid die verzekerden op grond van art. 7:959 lid 1 BW toekomt (rov. 3.9, rov. 3.10 en rov. 3.12). Anders dan het subonderdeel naar voren brengt, kon het hof tot deze slotsom komen, zonder een verdere “weging van alle gevolgen van de afwijking” te hoeven maken. Met name hoefde het hof de geconstateerde nadelige afwijking van de keuzevrijheid die art. 7:959 lid 1 BW biedt niet af te wegen tegen de mogelijke positieve effecten van de door Achmea gestelde kwaliteitseisen, die het hof overigens wel heeft onderkend (rov. 3.8, eerste en tweede zin en rov. 3.10, derde en vierde zin). Die positieve effecten kunnen immers de geconstateerde afwijking ten nadele niet helen. Met andere woorden: ook met inachtneming van deze positieve effecten van de kwaliteitseisen van Achmea blijft sprake van een op grond van art. 7:963 lid 6 BW niet-toegestane afwijking van art. 7:959 lid 1 BW. Een individuele verzekerde die de inschakeling van een bepaalde deskundige contra-expert op het oog heeft, kan niet worden tegengeworpen dat de redelijke kosten van die deskundige niet zullen worden vergoed, omdat er kwaliteitseisen gelden die verzekerden op meer algemeen niveau beogen te beschermen.
3.27
Achmea klaagt in subonderdeel 4.2 dat het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd, voor zover het in rov. 3.10 (in samenhang met rov. 3.12) heeft geoordeeld dat de nadelen van de afwijking van art. 7:959 lid 1 BW zwaarder wegen dan de voordelen daarvan. Het hof heeft immers niet (voldoende) gemotiveerd waarom het nadeel (beperking keuzevrijheid) dat kleeft aan de door Achmea gestelde kwaliteitseisen zwaarder zou moeten wegen dan het voordeel ((tot op zekere hoogte) deskundigheid waarborgen).
3.28
Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.10 geen afweging gemaakt tussen de voordelen en nadelen van de door Achmea geïntroduceerde afwijking van art. 7:959 lid 1 BW. Het hof heeft met zijn overwegingen in rov. 3.10 enkel inhoudelijk gereageerd op de stelling van Achmea dat de kwaliteitseisen geen nadelige afwijking van art. 7:959 lid 1 BW opleveren omdat die verzekerden beschermen tegen minder geschikte contra-experts. Tot het maken van zo’n afweging was het hof ook niet gehouden (randnummer 3.26 hiervoor).
3.29
Volgens Achmea is het oordeel van het hof bovendien onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de door Achmea ingenomen stellingen, die het hof niet (voldoende) kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken. Het gaat om de door Achmea aangehaalde standpunten van Van Tiggele van der Velde60 en De Vries61 en de stellingen dat een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut in ieder geval een objectieve indicator van de deskundigheid is en garanties biedt dat een expert aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet,62 dat een verzekerde meer dan voldoende keuze heeft,63 en dat zeer veel schade-experts in Nederland zijn ingeschreven in het register van het NIVRE en hiervan een aanzienlijk deel uitsluitend als contra-expert (dus alleen voor verzekerden) optreedt.64 Hieruit volgt volgens Achmea dat het vereisen van inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut onderaan de streep niet nadelig uitpakt voor de verzekerde.
3.30
Deze motiveringsklacht faalt in het spoor van (het falen van) subonderdeel 4.1. Het hof mocht volstaan met het oordeel dat de kwaliteitseisen van Achmea een afwijking ten nadele opleveren van de keuzevrijheid die verzekerden op grond van art. 7:959 lid 1 BW toekomt en hoefde dus niet de voordelen en de nadelen van deze kwaliteitseisen tegen elkaar af te wegen (randnummers 3.26 en 3.28 hiervoor).
3.31
Ik merk hier nog wel op dat het oordeel van het hof, dat de kwaliteitseisen een afwijking ten nadele opleveren van de keuzevrijheid die verzekerden op grond van art. 7:959 lid 1 BW, niet onbegrijpelijk is in het licht van de stelling van Achmea dat een verzekerde wiens keuzevrijheid beperkt is tot NIVRE-experts nog steeds veel te kiezen heeft. Ook dan immers is sprake van een afwijking ten nadele: een verzekerde die ook uit andere, niet bij het NIVRE ingeschreven experts kan kiezen, heeft nóg meer te kiezen.
3.32
Ten slotte richt Achmea met subonderdeel 4.3 haar pijlen op de woorden “tot op zekere hoogte” in rov. 3.10. Volgens Achmea kan uit deze woorden worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat een inschrijving bij het NIVRE of een vergelijkbaar instituut (i) niet zonder meer een objectieve indicator van deskundigheid is en (ii) onvoldoende garanties biedt dat een expert aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet. Dat oordeel is volgens Achmea onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de in subonderdeel 4.2 sub c weergegeven stelling van Achmea
3.33
Ook deze laatste klacht faalt. Met de woorden “tot op zekere hoogte” in rov. 3.10 heeft het hof slechts een slag om de arm willen houden. Het hof is het met Achmea eens dat de kwaliteitseisen deskundigheid kunnen waarborgen. Absolute zekerheid bieden zij echter niet. Dit lijkt mij een juiste overweging van het hof. In dit verband wijs ik erop dat het NIVRE een tuchtcollege kent.65 Op de website van het NIVRE staan uitspraken van dit tuchtcollege gepubliceerd.66 In een aantal van die uitspraken heeft het de klacht tegen de NIVRE-expert (gedeeltelijk) gegrond bevonden. Dat toont aan dat ook schade-experts die bij het NIVRE zijn aangesloten niet altijd voldoende deskundigheid bezitten of hun deskundigheid niet altijd op de gewenste wijze inzetten.67
Slotsom
3.34
Geen van de door Achmea in cassatie aangevoerde klachten slaagt, zodat haar cassatieberoep moet worden verworpen.