1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten1:
(i) [verweerster] voert een onderneming die zich onder meer bezighoudt met het uitzenden en uitlenen van personeel binnen de industrie, bouw en techniek.
(ii) [A] B.V. hield zich onder meer bezig met asbestsanering en het slopen van bouwwerken. De statutaire naam van deze vennootschap is per 12 augustus 2015 gewijzigd in [B] B.V. (hierna: [B] ).
(iii) [C] B.V. (hierna: [C] ) is de bestuurder en enig aandeelhouder van [B] . [eiser] houdt 10,1% van de aandelen in [C] , zijn vrouw [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) houdt 89,9% van de aandelen en is de enige bestuurder van [C] .
(iv) Tussen [verweerster] en [B] bestond een handelsrelatie, in het kader waarvan partijen (inleen)overeenkomsten met betrekking tot personeel hebben gesloten.
(v) Ter uitvoering van de (inleen)overeenkomsten heeft [verweerster] aan [B] diverse werknemers ter beschikking gesteld. In dat kader heeft [verweerster] meerdere facturen aan [B] verzonden. Deze facturen zijn, ondanks aanmaning, voor een bedrag van € 33.498,35 onbetaald gebleven.
(vi) Op 1 juni 2015 heeft [D] (hierna: [D] ), de (toenmalige) gemachtigde van [verweerster] , voor zover relevant, de volgende e-mail verzonden aan [eiser] :
Ik heb overleg gehad met [betrokkene 2] .
Hij wil akkoord gaan met betaling over 2 weken uiterlijk 12 mei 2015, maar dan moet u vandaag een garantstelling opstellen en tekenen waarin staat dat u met u privé holding en privé garant slaat voor het bedrag van € 48.062,35. (...)”
(vii) Op deze e-mail is dezelfde dag, voor zover relevant, als volgt gereageerd door [eiser] :
“(…) Ik heb uw mail in goede orde ontvangen.
Indien u een concept stuk op zou willen stellen dan stuur ik deze, ter goedkeuring, naar mijn adviseur zodat het e.e.a. geregeld zal worden.
(viii) Op 22 juni 2015 om 15:30 uur stuurt [D] , voor zover relevant, de volgende e-mail aan [eiser] :
“Aan: [eiser] < [e-mailadres 1] >, [e-mailadres 2] , [e-mailadres 3]
Als u voor 17.00 uur een borgstelling in Privé getekend dan wachten we tot aan het einde van de week. Stuurt hij het niet op dan gaat om 17.00 de aanvraag eruit, (...)”
(ix) Op 22 juni 2015 om 16:06 uur stuurt [D] een e-mail aan [verweerster] met, voor zover relevant, de volgende inhoud.
“(...) Ik ben gebeld door de Advocaat van [eiser] , meneer Folgering van Legal Experience. Hij gaf mij aan dat er echt een akkoord is met de gemeente en er vrijdag zo als het nu lijkt wordt betaald. (...)
Hij gaf aan [eiser] een mail te laten opstellen waarin hij persoonlijk garant staat voor de betaling. Hij vond dit een zware garantie die wij wilden hebben. Ik ga er dus vanuit dat ik straks een mail ontvang van [eiser] . (…)”
(x) [eiser] heeft op 22 juni 2015 om 16:58 uur een e-mail met, voor zover relevant, de volgende inhoud aan de gemachtigde van [verweerster] gezonden.
“(...) Zoals besproken doen wij er echt alles aan om de vordering van [verweerster] zo spoedig te voldoen. U bent ermee bekend dat wij in overleg zijn met de gemeente en dat wij de vordering van [verweerster] voldoen meteen zodra wij geld van de gemeente hebben ontvangen. U liet mij weten dat [betrokkene 2] alleen afziet van het indienen van een faillissementsaanvraag indien ik mij persoonlijk borg stel voor de vordering van € 38.062,35.
Ik heb dan ook geen andere keuze dan hierbij te bevestigen dat ik mij – [eiser] – persoonlijk borgstel voor de voornoemde vordering van [verweerster] . De borgtocht komt natuurlijk te vervallen zodra de vordering is voldaan.
(xi) [B] is op 18 augustus 2015 failliet verklaard.
(xii) Bij confraternele brief van 28 augustus 2015 heeft [betrokkene 1] zich beroepen op de vernietigbaarheid van de borgtocht.
1.2
Bij dagvaarding van 13 januari 2016 heeft [verweerster] de onderhavige procedure bij de rechtbank Oost-Brabant ingeleid. Zij heeft daarbij gevorderd dat [eiser] – op grond van zijn borgstelling – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 34.608,33, te vermeerderen met rente en kosten.
1.7
Bij arrest van 12 februari 20192 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het heeft daartoe overwogen dat ten tijde van zijn e-mail van 22 juni 2015 [eiser] , hoewel hij niet de middellijk statutair bestuurder van [B] was, wel feitelijk een bestuurder van de onderneming was en met de vennootschappen zo nauw verbonden was en financieel belang had bij de bedrijfsresultaten van [B] (via [C] ), dat hij in de praktijk als ondernemer moet gelden (rov. 5.5). Ook heeft het hof overwogen dat de verklaring van [eiser] in deze e-mail niet anders kan worden gelezen dan als een borgstelling, gelet op de betekenis die partijen over en weer aan de verklaring mochten geven, althans gelet op de betekenis die [verweerster] aan de verklaring mocht geven. Ten slotte is het hof van oordeel dat het om een zakelijke borgstelling gaat, die werd verricht door een bestuurder van een B.V., die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt en die geschiedde ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap, zodat het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1 sub c BW en het bewijsvoorschrift van art. 7:859 BW niet van toepassing zijn. Daaruit volgt dat de e-mail ook voldoende bewijs oplevert van de borgstelling en [betrokkene 1] de borgstelling niet kon vernietigen. (rov. 5.7). De grieven in het principaal hoger beroep falen en de grieven in het incidenteel beroep slagen (rov. 6.1).