1 Inleiding
1.1Aan [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) is over het jaar 2008 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van € 45.071 (hierna: de naheffingsaanslag). Voorts is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht en is een boete opgelegd.
1.1De naheffingsaanslag en beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur1 gehandhaafd. De boetebeschikking is vernietigd.
1.2Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 11.267. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.2
1.3De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.3
1.4De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft niet gerepliceerd.
1.5Het geschil in cassatie betreft de vraag of belanghebbende aanspraak kan maken op de afdrachtvermindering onderwijs die tot 1 januari 2014 was voorzien in artikel 14 lid 1 sub d Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva).
2 De feiten en het geding in feitelijke instanties
2.1Het Hof heeft de feiten als volgt vastgesteld:
2.1.Belanghebbende exploiteert een installatiebedrijf.
2.2.Zij heeft in het kader van een met behulp van [A] bv opgesteld professionaliseringsprogramma een opleidingstraject voor haar werknemers samengesteld. In het kader hiervan heeft belanghebbende haar werknemers, in totaal achttien, in 2008 ingeschreven voor de ‘funderende duale deeltijdopleiding MHBO Bedrijfskader’ van [B] te [Q] (hierna: [B] ).
2.3.In het kader van deze inschrijving zijn tussen belanghebbende, de werknemer-studenten (hierna: werknemers) en [B] onderwijsarbeidsovereenkomsten gesloten, die zijn ondertekend door belanghebbende, de werknemers en [B] .
2.4.Blijkens deze overeenkomsten, heeft [B] in het kader van het “Experiment versterking beroepskolom doorstroom MBO-HBO” de vierjarige opleiding HBO Bedrijfskunde gesplitst in een tweejarige funderende duale deeltijdopleiding MHBO-Bedrijfskader en een tweejarige kopstudie met meerdere uitstroomvarianten. In de bijlagen bij deze overeenkomst zijn de leerdoelen van het eerste en tweede praktijkjaar HBO Bedrijfskunde (opleidingsgedeelte MHBO Bedrijfskader) vermeld en is een overzicht verstrekt van de gedurende de gehele opleiding HBO Bedrijfskunde inclusief MHBO Bedrijfskader te behalen ECTS (60 per jaar, in totaal 240).
2.5.De door [B] verzorgde deeltijdopleiding HBO Bedrijfskunde is geregistreerd in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) onder [001] . [B] is sinds 10 maart 2008 geaccrediteerd voor deze opleiding.
2.6.Aan de achttien werknemers van belanghebbende zijn door [B] met dagtekening 31 december 2008 certificaten als bedoeld in artikel 7.11, lid 4, van de Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) verstrekt voor de deelname aan het eerste jaar van de opleiding HBO Bedrijfskunde, propedeuse fase, CROHO [001] . Op de certificaten zijn de door de werknemers gevolgde onderwijseenheden en behaalde ECTS (studiebelastingpunten) vermeld. De werknemers hebben ieder 30 ECTS behaald. Het betreft de onderwijseenheden: Persoonlijke leerweg (theorie), Persoonlijke leerweg (praktijk), Communicatie en Projectmanagement. Dit aantal punten was onvoldoende om te kunnen doorstromen naar het tweede studiejaar.
2.7.Het aan de werknemers van belanghebbende in het kader van de gesloten onderwijsarbeidsovereenkomsten gegeven onderwijs is feitelijk verzorgd door docenten van [A] bv.
2.8.Tot de gedingstukken behoort een op 31 december 2008 gedagtekende verklaring van [B] aan belanghebbende, waarin is vermeld dat per 31 december 2008 achttien met naam genoemde werknemers van belanghebbende staan ingeschreven als student van de opleiding HBO bedrijfskunde van [B] . Volgens deze verklaring is deze opleiding een niet voltijdse initiële (deeltijd) opleiding in de zin van de WHW en staat deze opleiding in het CROHO geregistreerd onder nummer 24 HR 34035.
2.9.De achttien werknemers hebben de opleiding ultimo 2008 moeten beëindigen vanwege de omstandigheid dat zij te weinig ECTS hebben behaald. Zij hebben hun opleiding in 2009 en 2010 vervolgd op MBO-niveau.
2.10.Belanghebbende heeft over de in het jaar 2008 gelegen tijdvakken op de voet van artikel 14, eerste lid, onder d, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva) met betrekking tot de achttien werknemers afdrachtvermindering onderwijs toegepast.
2.11.In 2013 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de toegepaste afdrachtvermindering onderwijs. Hiervan is met dagtekening 18 april 2014 een rapport opgemaakt. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:
‘(…)
De gevolgde deelopleiding aan [B] kwalificeert zich niet voor de Wet vermindering afdracht onderwijs (WVA). Volgens artikel 14 d van de WVA kwalificeert alleen een initiële opleiding. Derhalve is vermindering onderwijs voor het jaar 2008 ten onrechte geclaimd.”
2.10Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Inspecteur met dagtekening 19 december 2013 de onderhavige naheffingsaanslag loonheffingen ten bedrage van € 45.071 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is voorts een bedrag van € 6.302 aan heffingsrente in rekening gebracht. Daartegen heeft belanghebbende op 24 december 2013 bezwaar aangetekend. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 13 november 2014 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking inzake de heffingsrente gehandhaafd.
2.11.Tot de stukken van het geding behoren verklaringen van werknemers van belanghebbende ten aanzien van wie de onderhavige afdrachtvermindering is toegepast. Zij verklaren, kort weergegeven, in 2008 werkzaam te zijn geweest bij belanghebbende, te hebben deelgenomen aan de opleiding HBO Bedrijfskunde van [B] en daadwerkelijk theorie en praktijk in het kader van deze opleiding te hebben gevolgd.
2.12Tot de gedingstukken behoort voorts een brief van [B] van 27 juli 2015 aan belanghebbende. In deze brief is onder meer vermeld:
“(…)
2. Eerste leerjaar HBO Bedrijfskunde
De opleiding die de werknemers van [X] hebben gevolgd, richtte zich op te behalen van de onderwijseenheden informatiecommunicatie technologie, toegepaste ICT, Persoonlijke leerweg, communicatie en projectmanagement. Door het uitvoeren van opdrachten in de beroepspraktijk en het afleggen van de bijbehorende tentamens kan het certificaat HBO Bedrijfskunde worden behaald. Dit certificaat is een verklaring als bedoeld in artikel 7.11 lid 4 van de Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (WHW).
(…)
Onder theorie wordt verstaan:
- theorielessen;
- duur examen;
- voorbereidingstijd voor lesuren, toetsen en examen.
Onder praktijk wordt verstaan:
- duur van het reguliere werken waarin het vak wordt uitgeoefend;
- duur dat de werknemer op de werkvloer bezig is met praktijkonderricht;
- duur van het uitvoeren van praktijkopdrachten;
- voorbereidingstijd.
(…)
4 Tot slot
Het onderwijsprogramma dat [A] , in samenwerking en onder verantwoordelijkheid van Hogeschool [B] , bij [X] heeft aangeboden voldoet aan de eisen die vanuit [B] worden gesteld. [A] heeft hierbij het onderwijsprogramma uitgevoerd, onder verantwoordelijkheid van [B] , de examinering heeft plaatsgevonden door de examencommissie aangewezen examinatoren van Hogeschool [B] conform de vereisten van de bachelor HBO Bedrijfskunde.
(…).”
2.2Naar het oordeel van de Rechtbank heeft de Inspecteur de geclaimde afdrachtvermindering ten onrechte gecorrigeerd. Zij heeft het beroep gegrond verklaard en dienaangaande overwogen:
15. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op eiseres de bewijslast rust dat zij recht heeft op afdrachtvermindering onderwijs. De afdrachtvermindering is immers een belastingverlagende post.
16. Gelet op het bepaalde in het hiervoor weergegeven artikel 14, eerste lid, onder d, van de Wva is deze afdrachtvermindering van toepassing met betrekking tot de werknemer die een initiële opleiding aan een hogeschool in de zin van de WHW volgt en op de grondslag van een onderwijsarbeidsovereenkomst op zijn opleiding aansluitende arbeid verricht. Hierin kan niet de eis worden gelezen dat de werknemer de volledige initiële opleiding aan een hogeschool volgt (vgl. HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:38). Blijkens het onder 3. genoemde door [B] opgestelde overzicht stonden de werknemers van eiseres ingeschreven in een in het CROHO geregistreerde opleiding HBO Bedrijfskunde, waarmee naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan het vereiste dat de opleiding een initiële opleiding aan een hogeschool in de zin van de WHW betreft. Met de door eiseres overgelegde onderwijsarbeidsovereenkomsten, verklaringen van docenten en werknemers-studenten, voortgangsrapportage alsmede de door [B] afgegeven certificaten en de bij brief van 27 juli 2015 door [B] gegeven toelichting, is voldoende aannemelijk geworden dat alle ingeschreven werknemers-studenten ook daadwerkelijk onderwijseenheden van deze opleiding hebben gevolgd en op de opleiding aansluitende arbeid hebben verricht. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook aannemelijk gemaakt dat de door haar werknemers gevolgde opleiding voldoet aan de wettelijke bepalingen waardoor eiseres recht heeft op afdrachtvermindering.
17. In artikel 3, eerste lid, in verbinding met het derde lid, van de Wva is bepaald dat de afdrachtvermindering onderwijs in mindering wordt gebracht op de over een tijdvak af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen. Daaruit volgt dat aan de vereisten om voor toepassing afdrachtvermindering in aanmerking te komen moet zijn voldaan op het moment waarop de ingevolge artikel 27 van de Wet LB 1964 in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte wordt afgedragen (vgl. HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:38). De ondertekening van de onderwijsarbeidsovereenkomsten op 18 april 2008 heeft tot gevolg dat eerst vanaf 1 april 2008 aan de vereisten voor afdrachtvermindering is voldaan.
18. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. De rechtbank zal de naheffingsaanslag loonheffingen verminderen tot € 11.267 (€ 45.071 × 3/12).
2.3De Haan annoteerde bij de uitspraak van de Rechtbank:4
Een opmerkelijke uitspraak omdat deze uitspraak haaks staat op een recente uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 maart 2016 (nrs. 14/5755 en 14/5756, NTFR 2016/1393, met mijn commentaar). De feiten zijn namelijk hoogst vergelijkbaar. In beide uitspraken gaat het om de toepassing van art. 14, lid 1, onderdeel d, WVA en in beide uitspraken wordt slechts een (zeer) beperkt deel van de totale opleiding gevolgd. Voor Rechtbank Gelderland is dat geen bezwaar, waartoe de rechtbank verwijst naar HR 15 januari 2016 (nr. 15/00350, NTFR 2016/648, met commentaar van Schouten). Voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant was dat nu juist wél een bezwaar en ik ben geneigd deze rechtbank gelijk te geven. Het arrest van 15 januari 2016 zag namelijk niet op art. 14, lid 1, onderdeel d, WVA, maar op onderdeel a van dat artikelonderdeel en dat is toch wel een heel andere tekst. Onderdeel a ziet op de situatie van de ‘beroepsbegeleidende leerweg’, en hoewel uit de wetsgeschiedenis van de afdrachtvermindering onderwijs blijkt dat ook daarvoor de eis zou gelden dat, om voor de afdrachtvermindering in aanmerking te komen, de volledige beroepsopleiding zou moeten worden gevolgd, liet de Hoge Raad de tekst van de bepaling, waarin die eis niet te lezen valt, zwaarder wegen. In onderdeel a komt wat dat betreft de term ‘initieel’ ook niet voor. Die term staat nadrukkelijk wél in onderdeel d en de betekenis van die term is: normaal, vierjarig hoger onderwijs, ter onderscheid van nascholing en/of post-hbo-onderwijs. Van zulk initieel onderwijs is in de uitspraak van Rechtbank Gelderland mijns inziens geen sprake. Ik meen daarom dat de uitspraak niet juist is.
Hof
2.4Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en heeft dienaangaande overwogen:
Initiële opleiding
4.4.Anders dan belanghebbende betoogt, is volgens de Inspecteur met betrekking tot de door de werknemers van belanghebbende in 2008 gevolgde onderwijseenheden geen sprake van een initiële opleiding aan een hogeschool in de zin van de WHW.
4.5.De door de werknemers van belanghebbende in 2008 gevolgde onderwijseenheden behoren, naar belanghebbende gemotiveerd heeft gesteld en de Inspecteur ter zitting van 4 januari 2018 desgevraagd heeft bevestigd, tot de door [B] verzorgde deeltijdopleiding HBO Bedrijfskunde (bachelor). Deze opleiding is in het CROHO geregistreerd onder nummer [001] . Voor deze opleiding is [B] geaccrediteerd sinds 10 maart 2008. Dit een en ander betekent naar het oordeel van het Hof dat met betrekking tot de gevolgde onderwijseenheden sprake is van initieel onderwijs, verzorgd door een geaccrediteerde instelling als bedoeld in de WHW en voorts dat sprake is van een opleiding in de zin van de WHW. Het ligt niet op de weg van een inspecteur of van de rechter in belastingzaken om in het kader van de toepassing van de WVA te beoordelen of deze in het CROHO opgenomen opleiding voldoet aan de eisen van de WHW (vgl. HR 22 september 2017, nr. 16/03857, ECLI:NL:HR:2017:2436). Evenmin ligt het op de weg van de inspecteur of de belastingrechter om te toetsen of in voldoende mate uitvoering is gegeven aan het praktijkdeel van de opleiding. De omstandigheid dat de werknemers niet de volledige opleiding hebben gevolgd, staat aan toepassing van de onderhavige afdrachtvermindering niet in de weg (vgl. onder meer HR 20 oktober 2017, nr. 17/00516, ECI:N:HR:2017:2658).
4.6.De omstandigheid dat de funderende duale deeltijdopleiding MHBO Bedrijfskader als zodanig niet zelfstandig in het CROHO is opgenomen, doet naar het oordeel van het Hof aan het vorenstaande niet af, aangezien – het zij nogmaals benadrukt – de door de werknemers gevolgde onderwijseenheden behoren tot de deeltijdopleiding HBO bedrijfskunde die wel in het CROHO is geregistreerd. Evenmin doet daaraan af dat [B] bij het verzorgen van de onderwijseenheden docenten van [A] heeft ingeschakeld.
4.7.Geconcludeerd dient derhalve te worden dat te dezen sprake is van een initiële opleiding aan een hogeschool. Hetgeen de Inspecteur overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af.
Aantal werknemers
4.8.De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat slechts de helft van de achttien werknemers de onderwijseenheden daadwerkelijk heeft gevolgd, zodat in zoverre slechts voor negen werknemers recht zou bestaan op de afdrachtvermindering onderwijs.
4.9.In dat verband is het volgende van belang. In het kader van de toepassing van de WVA kan worden beoordeeld of een werknemer de opleiding daadwerkelijk heeft gevolgd. De bewijslast daarvoor rust op de inhoudingsplichtige. Indien een certificaat of diploma is uitgereikt als bedoeld in artikel 7:11 WHW, volstaat dat voor het bewijs dat een werknemer (het betreffende deel van) de opleiding heeft gevolgd, tenzij de inspecteur het tegendeel bewijst (vgl. HR 22 september 2017, nr. 16/03857, ECLI:NL:HR:2017:2436).
4.10.Gelet hierop, rust - nu door [B] aan alle achttien werknemers van belanghebbende certificaten als bedoeld in artikel 7:11, lid 4, WHW zijn uitgereikt ter zake van de onderwijseenheden – op de Inspecteur de last aannemelijk te maken dat van de achttien werknemers er negen daarvan niet daadwerkelijk de onderwijseenheden hebben gevolgd. Hij heeft daartoe gewezen op een door hem op basis van door belanghebbende overgelegde stukken vervaardigd overzicht inzake de aanwezigheid van de werknemers op bijeenkomsten (bijlage 3 bij het hogerberoepschrift). Ter zitting van 4 januari 2018 heeft de Inspecteur desgevraagd verklaard dat hij met betrekking tot dit punt geen andere bewijsmiddelen heeft. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat het overzicht slechts betrekking heeft op één werkgroep. Van de andere werkgroepen zijn, aldus belanghebbende, de stukken niet meer voorhanden. In het licht van deze geloofwaardige verklaring van belanghebbende alsmede gelet op onder meer de tot de gedingstukken behorende verklaringen van de achttien werknemers van belanghebbende (zie 2.11) en – uiteraard – de door [B] aan achttien werknemers verstrekte certificaten, acht het Hof de Inspecteur niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat één of meer werknemers van belanghebbende niet daadwerkelijk in 2008 de onderwijseenheden hebben gevolgd. Voor de door de Inspecteur bepleite vermindering van de afdrachtvermindering onderwijs tot de helft bestaat derhalve geen grond.
Overzicht [B] en vertrouwensbeginsel
4.11.De Inspecteur heeft voorts gesteld dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de onderhavige afdrachtvermindering onderwijs nu te dezen een per 31 december 2007 verstrekt overzicht als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering ontbreekt. Belanghebbende heeft zich in dit verband vooreerst erop beroepen dat de Inspecteur bij het boekenonderzoek bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat aan alle formele vereisten inzake de afdrachtvermindering onderwijs is voldaan, zodat de Inspecteur zich in deze procedure niet op het ontbreken van het overzicht kan beroepen. Voorts heeft belanghebbende betoogd dat een dergelijk overzicht niet kon worden verstrekt, aangezien de werknemers van belanghebbende ultimo 2007 nog niet stonden ingeschreven voor de deeltijdopleiding HBO bedrijfskunde. Het ontbreken van een dergelijke verklaring kan haar derhalve, aldus belanghebbende, niet worden tegengeworpen.
4.12.Ook indien het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet zou slagen – het Hof zal dit in het midden laten – moet worden geconcludeerd dat het gelijk op dit punt aan belanghebbende is. Ultimo 2007 kon [B] immers nog geen overzicht opstellen als bedoeld in genoemd artikel 12a, aangezien de werknemers van belanghebbende op dat moment nog niet stonden ingeschreven voor de opleiding. Voorts is [B] eerst per 10 maart 2008 geaccrediteerd voor de deeltijdopleiding HBO Bedrijfskunde. De stelling van de Inspecteur dat [B] het overzicht in de loop van 2008 had dienen op te stellen vindt, gelijk belanghebbende betoogt, geen steun in de tekst van artikel 12a van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering noch in de toelichting daarop van de minister (20 december 1996, nr. WDB96/651M, Stcrt. 1996, 249). Verder dient te worden benadrukt dat genoemd artikel 12a, eerste lid een verplichting oplegt aan de hogescholen en niet aan de inhoudingsplichtigen. Het (eventueel) niet-nakomen door een hogeschool van de verplichting tot het opstellen van een overzicht als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering kan naar het oordeel van het Hof een inhoudingsplichtige in het kader van de afdrachtvermindering onderwijs niet worden tegengeworpen en derhalve een aanspraak van een inhoudingsplichtige op toepassing van de onderhavige afdrachtvermindering onderwijs (in zoverre) niet in de weg staan. Opgemerkt zij nog dat [B] wel een overzicht per 31 december 2008 aan belanghebbende heeft verstrekt. Ten slotte merkt het Hof nog op dat het ontbreken van bedoelde verklaring ook geen invloed heeft gehad op een correcte uitvoering en controle van de afdrachtsvermindering, aangezien belanghebbende, onder meer door de onderwijsarbeidsovereenkomsten, volledig op de hoogte was van de daarvoor benodigde gegevens.
Tussenconclusie
4.13.Gelet op het hiervoor overwogene heeft de Rechtbank terecht beslist dat belanghebbende (voor het tweede tot en met het vierde kwartaal 2008) recht heeft op de onderhavige afdrachtvermindering onderwijs. Hetgeen de Inspecteur overigens nog heeft aangevoerd doet aan deze conclusie niet af. De overige door belanghebbende aangevoerde stellingen behoeven geen behandeling.
2.5Schouten annoteerde bij de uitspraak van het Hof:5
De afdrachtvermindering onderwijs blijft de gemoederen bezighouden. Het zijn echter achterhoedegevechten, waarbij de fiscus een blijvende grote verliezer is. Ik verwijs naar recente uitspraken NTFR 2017/2401 en NTFR 2017/2612 met relevante commentaren. Het hof volgt de in die uitspraken uiteengezette lijn.
Ook in deze zaak is het belangrijk te constateren dat het niet op de weg van de inspecteur of de belastingrechter ligt om te toetsen of in voldoende mate uitvoering is gegeven aan het praktijkdeel van de opleiding. De omstandigheid dat de werknemers niet de volledige opleiding hebben gevolgd, staat aan toepassing van de onderhavige afdrachtvermindering niet in de weg (zie r.o. 4.5).
De bewijslast of een werknemer de opleiding daadwerkelijk heeft gevolgd rust op de inhoudingsplichtige (r.o.4.9). Indien een certificaat of diploma is uitgereikt als bedoeld in art. 7:11 WHW, volstaat dat voor het bewijs dat een werknemer (het betreffende deel van) de opleiding heeft gevolgd, tenzij de inspecteur het tegendeel bewijst (vgl. HR 22 september 2017, nr. 16/03857, NTFR 2017/2401). Uit r.o. 4.10 blijkt dat de inspecteur het tegendeel in deze zaak niet kon bewijzen. Gebreken in de vastlegging bij één werkgroep acht het hof, naar mijn oordeel terecht, te licht om het tegenbewijs van de inspecteur te honoreren. Meer had de inspecteur niet. De geloofwaardige verklaring van belanghebbende, alsmede de tot de gedingstukken behorende verklaringen van de achttien werknemers en – uiteraard – de aan achttien werknemers verstrekte certificaten (r.o. 4.10) waren voor het hof voldoende bewijs dat de opleiding gevolgd was.
De naar mijn ogen als laatste strohalm ingebrachte stelling van de inspecteur dat belanghebbende het overzicht, zoals bedoeld in art.12a Uitv.reg. AV in de loop van 2008 had dienen op te stellen, vindt naar mijn oordeel terecht geen steun in de tekst van voornoemd artikel 12a noch in de toelichting daarop van de minister (20 december 1996, nr. WDB96/651M, Stcrt. 1996, 249). Genoemd art. 12a, lid 1, legt slechts een verplichting op aan de hogescholen en niet aan de inhoudingsplichtigen. Het (eventueel) niet-nakomen door een hogeschool van de verplichting tot het opstellen van een overzicht als bedoeld in art. 12a, lid 1, Uitv.reg. AV kan dus ook, zoals het hof mijns inziens terecht oordeelt, een inhoudingsplichtige in het kader van de afdrachtvermindering onderwijs niet worden tegengeworpen (r.o.4.12).
Deze uitspraak illustreert dat de fiscus het kennelijk nog steeds erg moeilijk vindt om haar verlies ter zake van de afdrachtvermindering onderwijs te erkennen. Dit ondanks duidelijke rechtspraak en klip en klaar duidelijke wetteksten. Een uitermate zwak tegenbewijs en onjuiste interpretatie van wetsartikelen doet de inspecteur hier dan ook mijns inziens terecht de das om. De inspecteur had beter kunnen afzien van het hoger beroep. Dat was voor de overheid goedkoper geweest. Of wreekt hier zich ook hier de voor het paasweekend (van 27 maart 2018) kenbaar gemaakte constatering van de Consumentenbond dat het met de kenniskwaliteit van de fiscus onvoldoende is gesteld? Er is in ieder geval werk aan de winkel.
3 Het geding in cassatie
3.1De Staatssecretaris heeft het volgende cassatiemiddel voorgedragen:
Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 14 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (tekst 2008 en 2009; hierna WVA), en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende (voor het tweede tot en met vierde kwartaal van het jaar 2008) recht heeft op de geclaimde afdrachtvermindering onderwijs, zulks evenwel vanwege het hiernavolgende ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, zoals hieronder nader toegelicht:
a. Het Hof gaat bij de uitleg van het begrip “initiële opleiding aan een hogeschool in de zin van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek” als bedoeld in artikel 14, aanhef, en onderdeel d, WVA, uit van een onjuiste rechtsopvatting;
b. Het oordeel van het Hof dat het opleidingsprogramma – zijnde enkele onderwijsonderdelen van de propedeutische fase van de ‘funderende duale deeltijd opleiding MHBO Bedrijfskader’ met een totale studielast van 30 European Credit Transfer System – als een initiële opleiding kwalificeert in voormelde zin, is onjuist althans onbegrijpelijk;
c. Het oordeel van het Hof dat gebleken is dat de werknemers van belanghebbende ingeschreven hebben gestaan in een in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (hierna: CROHO register) geregistreerde opleiding HBO Bedrijfskunde is onbegrijpelijk omdat uit de feiten volgt dat de tweejarige ‘funderende duale deeltijd opleiding MHBO Bedrijfskader’ zelf niet in het CROHO register is vermeld;
d. Het Hof gaat uit van een onjuiste althans onbegrijpelijke uitleg van het begrip “op zijn opleiding aansluitende arbeid verrichten” in de zin artikel 14, aanhef en onderdeel d, WVA, door te oordelen dat het niet op de weg van de inspecteur of de belastingrechter ligt om te toetsen of in voldoende mate uitvoering is gegeven aan het praktijkdeel van de opleiding en door ongemotiveerd voorbij te gaan aan de stellingen van de Inspecteur.
3.2De Staatssecretaris heeft met betrekking tot de middelonderdelen a en b geschreven dat de afdrachtvermindering onderwijs alleen kan worden toegepast indien een volledige opleiding wordt gevolgd. De werknemers van belanghebbende hebben, aldus de Staatssecretaris, slechts een deel van het eerste jaar van de tweejarige opleiding MHBO Bedrijfskader gevolgd en het opleidingsprogramma omvat slechts een aantal onderwijseenheden van het eerste jaar. De werknemers hebben, zo volgt uit de door [B] uitgereikte certificaten, 30 ECTS behaald. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof zijn oordeel ten onrechte gebaseerd op HR BNB 2016/826 in welk arrest de Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs die is voorzien in artikel 14 lid 1 sub a Wva niet is vereist dat een werknemer een volledige opleiding volgt. De Staatssecretaris wijst erop dat de onderhavige procedure niet ziet op artikel 14 lid 1 sub a Wva maar op artikel 14 lid 1 sub d Wva, welk subonderdelen wezenlijk verschillen.
3.3Met betrekking tot middelonderdeel c heeft de Staatssecretaris opgemerkt dat in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (hierna: “CROHO”) de opleiding HBO Bedrijfskunde is ingeschreven en niet de funderende duale deeltijd opleiding MHBO Bedrijfskader. Ter toelichting van dit middelonderdeel heeft de Staatssecretaris gewezen op een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 juni 20167.
3.4Tot slot heeft de Staatssecretaris met betrekking tot middelonderdeel d betoogd dat van arbeid die aansluit op de opleiding geen sprake is, mede gezien de aard van de in het bedrijf uitgeoefende functies. Ook heeft het Hof volgens de Staatssecretaris het toetsingsrecht van de Inspecteur ten aanzien van de vraag of een duale opleiding is gevolgd, ten onrechte beperkt en miskend dat de Inspecteur een tegenbewijsmogelijkheid heeft.
5 Jurisprudentie
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
5.1De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRvS) heeft op 18 april 2007 geoordeeld dat een instelling geen recht had op bekostiging vanuit ’s Rijks kas omdat zij de studenten niet een volledige in het CROHO opgenomen (initiële opleiding) had aangeboden. De AbRvS overwoog onder meer:19
2.8.Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder e, van de WHW, zoals deze wet luidde ten tijde hier van belang, wordt in deze wet onder 'initieel onderwijs' verstaan: hoger onderwijs dat aansluit op de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Ingevolge het bepaalde onder m wordt onder 'opleiding' verstaan: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3.
Ingevolge artikel 1.9, eerste lid van de WHW, voor zover hier van belang, hebben instellingen aanspraak op bekostiging uit 's Rijks kas ten behoeve van het verzorgen van initieel onderwijs.
Ingevolge artikel 6.13, eerste lid, van de WHW, voor zover hier van belang, is het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (hierna: CROHO) een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de opleidingen die door de instellingen voor hoger onderwijs verzorgd worden.
Ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de WHW wordt het initiële onderwijs door de instelling aangeboden in de vorm van opleidingen. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is een opleiding een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, kan een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, onder goedkeuring van de examencommissie die daarvoor het meest in aanmerking komt, zelf uit onderwijseenheden die door een instelling worden verzorgd, een programma samenstellen waaraan een examen is verbonden.
Ingevolge het zesde lid, voor zover hier van belang, wordt elke opleiding, met uitzondering van de opleidingen, bedoeld in het vierde lid, geregistreerd in het CROHO.
Ingevolge artikel 7.8, eerste lid, van de WHW kent een opleiding een propedeutische fase.
2.9.De Stichting betoogt - samengevat weergegeven - dat de Staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de DEMI- en Zwerver-studenten geen initieel onderwijs hebben gevolgd. Deze studenten volgden één of meer onderdelen van opleidingen die in het CROHO waren geregistreerd. Zij voldeden aan de voorwaarden voor inschrijving krachtens artikel 7.32 van de WHW en moesten ook worden ingeschreven, aldus de Stichting.
2.9.1.In artikel 1.9, eerste lid, van de WHW is bepaald dat instellingen voor het verzorgen van initieel onderwijs bekostiging ontvangen uit 's Rijks kas. Derhalve ziet ook de onderwijsvraag per opleiding, als bedoeld in het Bekostigingsbesluit WHW, slechts op initieel onderwijs. Initieel onderwijs wordt ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de WHW aangeboden in de vorm van opleidingen, een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken en die ingevolge artikel 7.8, eerste lid, van de WHW een propedeutische fase kennen. Hieruit volgt dat slechts sprake is van initieel onderwijs wanneer sprake is van een samenhangend geheel van onderwijseenheden, waarvan de propedeuse onderdeel uitmaakt. Slechts studenten die initieel volgen mogen voor bekostiging in aanmerking worden gebracht.
Niet in geschil is dat de programma's die aan de DEMI- en Zwerver-studenten worden aangeboden niet een volledige in het CROHO opgenomen opleiding, waarvan de propedeuse onderdeel uitmaakt, behelzen, maar één of meer onderdelen uit in het CROHO geregistreerde opleidingen. Derhalve is geen sprake van een samenhangend geheel waarvan de propedeuse onderdeel uitmaakt, zodat het door de HES aan de Zwerver- en DEMI-studenten aangeboden onderwijs is geen initieel onderwijs is waarvoor de instelling bekostiging ontvangt uit 's Rijks kas. Dat de studenten voldeden aan de voorwaarden voor inschrijving als bedoeld in artikel 7.32 is, betekent niet dat zij daarmee ook voor bekostiging in aanmerking mochten worden gebracht
5.2Bij uitspraak van dezelfde datum heeft de AbRvS geoordeeld:20
2.5.1.In artikel 1.9, eerste lid, van de WHW is bepaald dat instellingen voor het verzorgen van initieel onderwijs bekostiging ontvangen uit 's Rijks kas. Derhalve ziet ook de onderwijsvraag per opleiding, als bedoeld in het Bekostigingsbesluit WHW, slechts op initieel onderwijs. Initieel onderwijs wordt ingevolge artikel 7.3, eerste lid, van de WHW aangeboden in de vorm van opleidingen, zijnde een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken en die ingevolge artikel 7.8, eerste lid, van de WHW een propedeutische fase kennen. Hieruit volgt dat slechts sprake is van initieel onderwijs wanneer sprake is van een samenhangend geheel van onderwijseenheden, waarvan de propedeuse onderdeel uitmaakt.
De rechtbank heeft vastgesteld dat alle desbetreffende 82 studenten ingeschreven stonden voor een door de Minister in het CROHO opgenomen opleiding. Anders dan de rechtbank kennelijk meent, betekent dit evenwel niet, dat deze studenten ook daadwerkelijk initieel onderwijs volgden. De Stichting heeft aan studenten programma's aangeboden van 42 studiepunten, bestaande uit onderdelen van in het CROHO opgenomen opleidingen, in de vorm van de mastertrajecten "European Tourism Management" en "Master of Business Administration". Die programma's zijn niet een opleiding als bedoeld in de WHW en vormen dan ook geen initieel onderwijs als bedoeld in voormelde bepalingen. Voor kortere programma's die niet in het CROHO zijn geregistreerd, maar zijn opgebouwd uit onderdelen van geregistreerde opleidingen, is in de WHW geen aanspraak op bekostiging opgenomen. Nu de desbetreffende studenten geen opleiding als bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, van de WHW volgden, maar slechts een door de Stichting aangeboden traject met onderdelen uit zo'n opleiding, had de Stichting deze studenten niet voor bekostiging in aanmerking mogen brengen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is derhalve sprake van feiten of omstandigheden op grond waarvan de rijksbijdrage lager zou zijn vastgesteld, waren zij de Staatssecretaris bekend geweest.
5.3Bij uitspraak van 9 juli 2008 heeft de AbRvS geoordeeld:21
2.3.De Stichting, die de in de aangevallen uitspraak vastgestelde feiten niet betwist, betoogt - samengevat weergegeven - in de eerste plaats dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bekostigingsstelsel van de WHW, het inschrijvingsrecht van studenten en het begrip initieel onderwijs.
2.3.1.Ingevolge artikel 1.9, eerste lid, van de WHW ontvangen instellingen voor het verzorgen van initieel onderwijs bekostiging uit 's Rijks kas. De onderwijsvraag per opleiding, als bedoeld in het Bekostigingsbesluit WHW en bezien in het licht van artikel 1.9, eerste lid, van de WHW in samenhang met de artikelen 2.5 en 2.6 van de WHW, ziet slechts op initieel onderwijs. Onderwijs dat wordt aangeboden in de vorm van niet-initieel onderwijs komt derhalve niet voor bekostiging in aanmerking.
Initieel hoger onderwijs is, ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder e, van de WHW, hoger onderwijs dat aansluit op de tweede fase van het voortgezet onderwijs. Dit initieel onderwijs wordt ingevolge artikel 7.3, tweede en derde lid, van de WHW aangeboden in de vorm van opleidingen, zijnde een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van welomschreven doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken. Aan elke opleiding is een examen verbonden. Ingevolge artikel 7.8 van de WHW kennen opleidingen een propedeutische fase. Opleidingen worden ingevolge artikel 7.3, zesde lid, van de WHW geregistreerd in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (hierna: het Croho).
Of studenten het aangeboden onderwijs daadwerkelijk volgen en in welke volgorde de onderwijseenheden worden gevolgd is, zoals ook de Stichting terecht betoogt, niet relevant voor de vraag of de desbetreffende student initieel onderwijs volgt en in beschouwing mag worden genomen bij de telgegevens van de bekostiging. Zo is het onder meer mogelijk dat studenten slechts een deel van een bachelor- of masteropleiding volgen, nadat zij door de examencommissie van een opleiding, dan wel door een regeling in het Onderwijs en Examenreglement vrijstellingen hebben vanwege in een andere opleiding behaalde competenties voor delen van de desbetreffende opleiding. Relevant is wel of het onderwijs dat wordt aangeboden initieel onderwijs is. Tot initieel hoger onderwijs behoren, anders dan de Stichting meent, niet door een instelling aangeboden cursussen, programma's en dergelijke die op zichzelf staan en slechts bestaan uit onderdelen van in het Croho geregistreerde opleidingen. Het betoog van de Stichting dat zij verplicht is studenten voor deze op zichzelf staande cursussen of programma's en dergelijke in te schrijven en dat deze studenten daarmee automatisch in de telgegevens voor bekostiging worden meegenomen slaagt niet. De inschrijving als student of extraneus voor een opleiding is blijkens artikel 7.32, eerste lid, van de WHW slechts verplicht voor degene die wenst gebruik te kunnen maken van voorzieningen ten behoeve van initieel onderwijs. Voor zover een door een instelling aangeboden op zichzelf staande cursus of programma en dergelijke geen initiële opleiding is, bestaat geen plicht tot inschrijving voor een opleiding.
Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank wat betreft het bekostigingsstelsel, het inschrijvingsrecht van studenten en het begrip initieel onderwijs is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de WHW. Het betoog faalt.
5.4In HR BNB 2016/82 heeft de Hoge Raad ten aanzien van de toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs die tot 1 januari 2014 was voorzien in artikel 14 lid 1 sub a Wva (thans vervallen), geoordeeld dat niet was vereist dat een volledige beroepsopleiding werd gevolgd:22
2.2.1.Voor het Hof was in geschil of belanghebbende terecht aanspraak maakt op toepassing van de afdrachtvermindering.
2.2.2.Het Hof heeft geoordeeld dat in de wettelijke bepalingen ten behoeve van de aanspraak op afdrachtvermindering niet de eis is gesteld dat een volledige beroepsopleiding wordt gevolgd noch dat de intentie van de deelnemer daarop gericht zou dienen te zijn. Dat de deelkwalificatie in artikel 7.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (tekst 2010 en 2011; hierna: de WEB) wordt genoemd, en niet specifiek in artikel 7.2.2 van de WEB, doet daaraan niet af. Artikel 7.2.3 van de WEB houdt immers geen zelfstandig definiërende bepaling betreffende de opleiding in, doch is een nadere uitwerking en daarmee een onderdeel van artikel 7.2.2 van de WEB, aldus het Hof.
2.2.3.Verder heeft het Hof geoordeeld dat de tekst van artikel 7.2.8 van de WEB niet het bestaan van een schriftelijke overeenkomst vereist en dat aan de in artikel 7.2.8, lid 2, van de WEB opgenomen vereisten is voldaan.
2.2.4.Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat de afdrachtvermindering onderwijs mag worden toegepast tot het moment waarop het deelcertificaat is uitgereikt.
2.3.1.Het eerste middel is gericht tegen het in onderdeel 2.2.2 weergeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat de afdrachtvermindering slechts kan worden toegepast in het geval een volledige beroepsopleiding wordt gevolgd en dat het volgen van een onderdeel van de opleiding waarvoor een deelcertificaat wordt uitgereikt niet voldoende is.
2.3.2.Belanghebbende maakt aanspraak op de afdrachtvermindering die is voorzien in artikel 14, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (tekst 2010 en 2011; hierna: de Wva). Deze afdrachtvermindering is van toepassing met betrekking tot “de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een [HR: nader aangeduide] beroepsopleiding”. Hierin kan niet de eis worden gelezen dat de werknemer een (volledige) beroepsopleiding volgt. Hetgeen de werknemer moet volgen is ‘de beroepspraktijkvorming’. Wel volgt hieruit dat het moet gaan om een beroepspraktijkvorming die als zodanig deel uitmaakt van de beroepsbegeleidende leerweg van een van de beroepsopleidingen die in voornoemde bepaling worden aangeduid.
Het middel moet worden toegegeven dat de positie van een jeugdige werknemer op de arbeidsmarkt vooral verbetert na afronding van een volledige opleiding. Voorts is in de parlementaire geschiedenis steun te vinden voor de opvatting dat de afdrachtvermindering onderwijs alleen kan worden toegepast als een (volledige) beroepsopleiding wordt gevolgd (vgl. Kamerstukken II 1995/96, 24 458, nr. 3, blz. 9-10, en Kamerstukken I 1995/96, 24 458, nr. 122b, blz. 1, en Kamerstukken II 1997/98, 26 060, nrs. 1-2, blz. 8). Deze omstandigheden echter zijn van onvoldoende gewicht om aan belanghebbende haar op de wettekst steunende aanspraak op de afdrachtvermindering te ontzeggen. Het eerste middel faalt derhalve.
5.5In HR BNB 2017/224, in welke zaak wederom de toepassing van artikel 14 lid 1 sub a Wva in geschil was, heeft de Hoge Raad geoordeeld ten aanzien van de bevoegdheid van de Inspecteur om te toetsen of opleidingen voldoen aan de daaraan in de wet gestelde eisen:23
2.2.Voor het Hof was onder meer in geschil of de door de werknemers gevolgde opleidingen behoren tot de beroepspraktijkvorming die onderdeel is van een beroepsbegeleidende leerweg in de zin van artikel 14, lid 1, aanhef en letter a, WVA. Het Hof heeft overwogen dat de Inspecteur bevoegd is om te beoordelen of de door de werknemers van belanghebbende gevolgde opleidingen voldoen aan de vereisten van de WEB. De door de werknemers van belanghebbende gevolgde opleidingen voldoen naar ’s Hofs oordeel niet aan de eisen die de WEB stelt aan de beroepspraktijkvorming die deel uitmaakt van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding. Belanghebbende kan daarom voor de opleidingen geen recht op afdrachtvermindering onderwijs doen gelden, aldus het Hof.
2.3.1.Tegen het hiervoor in 2.2. weergegeven oordeel van het Hof richt zich de tweede klacht met het betoog dat de Inspecteur niet bevoegd is de opleidingen inhoudelijk te toetsen.
2.3.2.Belanghebbende maakt aanspraak op de afdrachtvermindering die is voorzien in artikel 14, lid 1, aanhef en letter a, WVA. Deze afdrachtvermindering is van toepassing met betrekking tot “de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding”.
2.3.3.Op grond van artikel 7.2.4, lid 2, WEB draagt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OC&W) zorg voor het vaststellen en onderhouden van een samenhangend en gedifferentieerd geheel van opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers en bijbehorende kwalificaties die voor de desbetreffende bedrijfstakken of beroepencategorieën van belang zijn.
2.3.4.Artikel 6.4.1 WEB bepaalt dat in het Centraal register beroepsonderwijs gegevens worden geregistreerd met betrekking tot de opleidingsdomeinen, kwalificatiedossiers en kwalificaties in het beroepsonderwijs, en met betrekking tot de instellingen en de exameninstellingen. Het Centraal register beroepsonderwijs wordt aangelegd en beheerd door de Minister van OC&W.
2.3.5.Het toezicht op het onderwijs is in de Wet op het onderwijstoezicht opgedragen aan de Inspectie van het onderwijs, die onder de Minister van OC&W ressorteert.
2.3.6.Het hiervoor in 2.3.2 tot en met 2.3.5 bedoelde samenstel van regels brengt mee dat de vermelding als zodanig in het Centraal register beroepsonderwijs voor de toepassing van artikel 14 WVA volstaat om te kunnen aannemen dat beroepspraktijkvorming deel uitmaakt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, WEB bedoelde beroepsopleiding. Het ligt dan ook niet op de weg van de inspecteur of van de rechter in belastingzaken om in het kader van de toepassing van de WVA te beoordelen of een in dat register opgenomen opleiding voldoet aan de eisen van de WEB.
2.3.7.Opmerking verdient dat in het kader van de toepassing van de WVA wel kan worden beoordeeld of een werknemer de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding daadwerkelijk heeft gevolgd. De bewijslast daarvoor rust op de inhoudingsplichtige. Indien een certificaat of diploma als bedoeld in de artikelen 7.2.3 en 7.4.6 van de WEB is uitgereikt, volstaat dat voor het bewijs dat een werknemer (het desbetreffende deel van) de opleiding heeft gevolgd, tenzij de inspecteur het tegendeel bewijst.
2.3.8.Verder verdient opmerking dat in het kader van de toepassing van de WVA ook kan worden beoordeeld of de beroepspraktijkvorming die een werknemer heeft gevolgd, behoort tot de in het Centraal register beroepsonderwijs vermelde beroepsopleidingen.
2.3.9.Gelet op hetgeen is overwogen in onderdeel 2.3.6 slaagt de tweede klacht. De overige klachten behoeven geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet plaatsvinden voor een nader onderzoek, met inachtneming van dit arrest, of belanghebbende voor de desbetreffende werknemers voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs.
5.6De Hoge Raad heeft in HR BNB 2017/210 (nogmaals) expliciet overwogen dat aan de Inspecteur met betrekking tot de vraag of onderwijs is gevolgd de mogelijkheid toekomt om tegenbewijs te leveren:24
2.3.1.De last om te bewijzen dat een werknemer de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding daadwerkelijk heeft gevolgd, rust op de inhoudingsplichtige. Indien een certificaat of diploma als bedoeld in de artikelen 7.2.3 respectievelijk 7.4.6 van de WEB is uitgereikt, volstaat dat voor het bewijs dat een werknemer (het desbetreffende deel van) de opleiding heeft gevolgd, tenzij de inspecteur het tegendeel bewijst. Het Hof heeft het voorgaande miskend. De klachten slagen in zoverre.
5.7De Staatssecretaris heeft in zijn beroepschrift in cassatie ter toelichting van zijn cassatiemiddel (onderdeel c) gewezen op een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 juni 2016:25
10. De rechtbank is van oordeel dat eisers onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de betreffende werknemers daadwerkelijk een opleiding hebben gevolgd die voldeed aan de vereisten van artikel 14, eerste lid, onder d, van de WVA juncto artikel 7.3 van de WHW. Blijkens het onder 3. genoemde rapport zijn in de administratie van eiseres enkel onderwijsarbeidsovereenkomsten en certificaten ‘meten is weten’ aangetroffen. Stukken waaruit blijkt op welke wijze invulling is gegeven aan de opleiding en hoe de toetsing/beoordeling heeft plaatsgevonden, ontbreken. Eiseres heeft noch ten tijde van het boekenonderzoek noch later lesmateriaal, lesroosters, leerdoelen, cijferlijsten of tussentijdse beoordelingen overgelegd. Bovendien is niet gebleken dat de in de onderwijsarbeidsovereenkomst genoemde opleiding, een tweejarige funderende MHBO-opleiding Bedrijfskader, in het CROHO-register is vermeld. Anders dan in het feitencomplex van de uitspraak van Hof Arnhem Leeuwarden van 16 december 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:9822) is in het onderhavige geval niet aannemelijk geworden dat sprake was het volgen van (onderdelen van) een opleiding die voldeed aan de wettelijke vereisten voor afdrachtvermindering. Er is daarom geen aanleiding voor een heropening in verband met het ingestelde cassatieberoep in deze procedure en het op 15 januari 2016 verschenen arrest van de Hoge Raad over de materie (ECLI:NL:HR:2016:38).
6 Woordenboek
6.1In de Van Dale is de volgende omschrijving van de term ‘initieel’ opgenomen (gedeeltelijk geciteerd):26
In NL initieel onderwijs
Het normale, vierjarige hoger onderwijs, ter onderscheiding van nascholing en/of post-hbo-onderwijs
7 Beoordeling cassatiemiddel
Ten geleide
7.1Belanghebbende heeft voor het jaar 2008 de afdrachtvermindering onderwijs toegepast als bedoeld in artikel 14 lid 1 sub d Wva.
7.2De toegepaste afdrachtvermindering zag op 18 werknemers van belanghebbende die stonden ingeschreven voor de ‘funderende duale deeltijd opleiding MHBO Bedrijfskader’ van [B] te [Q]27, die een onderdeel vormt van de opleiding HBO Bedrijfskunde28.
7.3Aan de 18 werknemers van belanghebbende zijn certificaten verstrekt voor deelname aan het eerste jaar van de opleiding HBO Bedrijfskunde. Op de certificaten zijn de door de werknemers gevolgde onderwijseenheden en behaalde ECTS vermeld. De werknemers hebben ieder 30 ECTS behaald. Het betreft de onderwijseenheden: Persoonlijke leerweg (theorie), Persoonlijke leerweg (praktijk), Communicatie en Projectmanagement. Dit aantal punten was onvoldoende om te kunnen doorstromen naar het tweede studiejaar.29 De werknemers hebben hun opleiding vervolgd op MBO-niveau.30
7.4De Inspecteur heeft geconcludeerd dat belanghebbende ten onrechte de afdrachtvermindering onderwijs heeft toegepast. Daarom is aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.31
7.5In cassatie is in geschil of belanghebbende voor het jaar 2008 aanspraak kan maken op de afdrachtvermindering onderwijs die tot 1 januari 2014 was voorzien in artikel 14 lid 1 sub d Wva.
Behandeling van cassatiemiddel: onderdeel a en b
7.6De middelonderdelen keren zich tegen de uitlegging door het Hof van de frase “in het kader van zijn initiële opleiding aan een hogeschool” in artikel 14 lid 1 sub d Wva.
7.7Het Hof heeft geoordeeld dat het betreffende tekstdeel niet impliceert dat de werknemers waarvoor afdrachtvermindering wordt verkregen, een volledige initiële opleiding moeten hebben gevolgd.32
7.8In artikel 14 lid 1 sub d Wva wordt, naar de letterlijke bewoordingen van de bepaling bezien, niet de eis gesteld dat werknemers een volledige initiële (bachelor- en/of master33)opleiding moeten hebben gevolgd.
7.9Zoals de Staatssecretaris betoogt, hebben de eerdere arresten van de Hoge Raad over de Wva34 betrekking op artikel 14 lid 1 sub a Wva in welk subonderdeel niet de voorwaarde van een “initiële opleiding” wordt gesteld. Uit deze arresten kan zodoende bezwaarlijk de conclusie worden getrokken dat een ‘onvolledige (initiële) opleiding’ in het onderhavige geval zou volstaan.
7.10Uit de uitspraken van de AbRvS35 volgen evenmin conclusies voor de onderhavige zaak. De voorwaarden die aan onderwijsinstellingen worden gesteld voor het verkrijgen van subsidie, waarover de AbRvS oordeelt, lopen niet noodzakelijkerwijs parallel met die voor het verkrijgen van afdrachtvermindering.
7.11Naar mijn mening heeft wat betreft de aan te leggen maatstaf het volgende te gelden.
7.12De onderhavige tekst houdt in dat het wél (in principe) de intentie moet zijn dat een volledige initiële opleiding wordt gevolgd c.q. afgemaakt. Deze implicatie ligt onder meer besloten in het woord “zijn”. De werknemer moet niet (een deel van) “een” initiële opleiding volgen, maar “zijn” initiële opleiding. Hierin ligt besloten dat hij de initiële opleiding als zodanig, dus in haar geheel volgt. Wanneer hij slechts een deel daarvan volgt, is immers niet “de” (gehele) initiële opleiding “van hem”. Hij zal nimmer “de” initiële opleiding (met diploma) tot de zijne maken.
7.13Ik geef nog een voorbeeld. Gesteld dat iemand alleen twee blokken (“Theorie van het economisch denken” en “Inleiding algemene economie”) volgt die deel uitmaken van het bachelorprogramma economie, dan geldt deze persoon naar gangbaar Nederlands taalgebruik niet als iemand die het bachelorprogramma economie volgt.
7.14De in onderdeel 7.12 en 7.13 gegeven tekstuitleg wordt ondersteund door twee passages in de parlementaire stukken. De eerste is deel van de artikelsgewijze toelichting, geciteerd in onderdeel 4.5. Blijkens die toelichting ziet de regeling op “werkgevers die aan studenten uit een initiële hbo-opleiding een leer/werk-plaats kunnen aanbieden”. Hieruit volgt dat het gaat om werknemers die een initiële opleiding volgen, met andere woorden studenten in een bachelorprogramma en/of een masterprogramma, niet aan mensen die een onderdeel van een dergelijk programma volgen.
7.15De tweede bedoelde passage is geciteerd in onderdeel 4.6 en is afkomstig uit de Nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan 1997. Blijkens deze nota ziet de regeling op “de student die een HBO-studie in voltijds verband is begonnen, doch deze in de laatste fase in een duaal traject afsluit (…)”. Uit deze zinsnede blijkt impliciet dat het gaat om werknemers/studenten die de initiële opleiding in haar geheel volgen.
7.16Met betrekking tot beide passages kan worden gewezen op de woordkeuze voor “student”. Men zal normaliter niet van een “student” spreken indien iemand slechts één of enkele vakken volgt zonder dat hij voornemens is een hele opleiding te volgen c.q. af te maken. Die persoon is dan eerder “cursist”.
7.17Uit de uitspraak van het Hof valt niet af te leiden dat het Hof heeft beoordeeld of het de intentie was dat de werknemers van belanghebbende de opleiding zouden volgen c.q. afmaken.
7.18Als het Hof die maatstaf niet heeft aangelegd, geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
7.19Als het Hof wel de juiste maatstaf voor ogen heeft gehad, is zijn oordeel zonder nadere motivering die ontbreekt onbegrijpelijk.
7.20Vastgesteld is slechts dat de werknemers stonden ingeschreven voor het volledige eerste leerjaar36, maar dat zij alleen vakken met een totale studielast van 30 ECTS succesvol hebben gevolgd37 en de opleiding – wegens een gebrek aan punten – op MBO-niveau hebben vervolgd38.
7.21Uit het vorenstaande volgt dat onderdeel a van het middel slaagt. Ervan uitgaande dat de Staatssecretaris (ook) met middelonderdeel b bedoelt erover te klagen dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is vereist dat de werknemers een volledige initiële opleiding volgen, slaagt dat onderdeel eveneens.
7.22Verwijzing moet volgen om vast te stellen of het de intentie was dat de werknemers de opleiding HBO Bedrijfskunde zouden volgen c.q. afmaken.
Behandeling van cassatiemiddel: onderdeel c
7.23Het Hof heeft geoordeeld dat sprake was van een opleiding in de zin van de WHW.39 Dit oordeel is voorbehouden aan het Hof als feitenrechter en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Nu uit de feiten blijkt dat de funderende duale deeltijd opleiding MHBO Bedrijfskader onderdeel uitmaakt van de opleiding HBO Bedrijfskunde die in het CROHO-register is opgenomen40, acht ik ’s Hofs oordeel dat sprake is van een opleiding in de zin van de WHW, niet onbegrijpelijk. Onderdeel c van het middel faalt derhalve.
Behandeling van cassatiemiddel: onderdeel d
7.24Onderdeel d van het middel houdt in dat het Hof ten onrechte niet is ingegaan op de stelling van de Inspecteur dat het door de werknemers van belanghebbende gevolgde onderwijs niet voldoet aan de daaraan ingevolge de WVA te stellen eisen, omdat daarin werknemers zijn toegelaten die duidelijk uiteenlopende werkzaamheden plegen te verrichten met als gevolg dat het theoretisch deel van het onderwijs niet aansluit op het praktijkdeel.
7.25Voor zover dit onderdeel van het middel een rechtsklacht inhoudt faalt het, omdat het in wezen een klacht inhoudt over de inrichting van het zojuist bedoelde onderwijs, welke inrichting niet ter beoordeling staat van de belastinginspecteur en de belastingrechter maar van de onderwijsinspectie.41
7.26Voor zover het middelonderdeel een motiveringsklacht inhoudt, faalt het (eveneens), omdat de Staatssecretaris eraan voorbij ziet dat het bewijs voor het gevolgd zijn van de onderwerpelijke opleiding – voor althans 30 ECTS – inclusief het daarbij behorende praktijkdeel door belanghebbende is geleverd door de overlegging van de uitgereikte certificaten, waartegen de Inspecteur zoals het Hof terecht opmerkt42, tegenbewijs kon leveren, hetgeen de Inspecteur echter naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het Hof niet (voldoende) heeft geleverd.