Nr. 16/06000
Zitting: 19 juni 2018
|
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
|
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 1 november 2016 de verdachte wegens 1. “bedreiging met zware mishandeling” en 2. “mishandeling” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen vervangende hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.S. Nan, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt in de kern dat het hof, mede in het licht van een daartoe gevoerd verweer, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, onder 1 heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling.
4. Alvorens over te gaan tot bespreking van het middel, geef ik eerst het tenlastegelegde feit onder 1, de bewezenverklaring onder 1, de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging – voor zover relevant – weer.
5. Aan de verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 3 december 2014, in de gemeente Groningen en/of Den Haag, althans in Nederland, een persoon genaamd [betrokkene 1] . heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [betrokkene 1] via het internet (Linkedin) een bericht gestuurd met de woorden: "Je bent een bange kanker boer anders was je niet naar de politie gegaan verwacht een confrontatie met mij of mijn vrienden want jij komt hier niet mee weg" en/of "Praat in mijn gezicht, dan trap ik het voor je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking”
6. Het hof heeft ten laste van de verdachte (onder meer) bewezen verklaard dat:
“hij op 3 december 2014, in Nederland, een persoon genaamd [betrokkene 1] , heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [betrokkene 1] via het internet (Linkedin) een bericht gestuurd met de woorden: “Praat in mijn gezicht, dan trap ik het voor je kapot”.
7. De bewezenverklaring van feit 1 steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, inclusief bijlagen (pagina 3 e.v. van voornoemd proces-verbaal) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven – als verklaring van [betrokkene 1] :
Plaats delict: Groningen.
Ik doe aangifte van mishandeling en bedreiging. Het geweld dat op mij werd uitgeoefend veroorzaakte pijn en/of letsel. Bij mij bestond de overtuiging dat verdachte zijn bedreiging werkelijk ten uitvoer zou leggen. (...) De man die dit betreft is mij bekend als zijnde [verdachte] . [verdachte] kijkt vaak op mijn Linkedln account. Ik kreeg hier een aantal reacties op met bedreigingen erin. Ik heb deze berichten uitgeprint en meegenomen. (...) op woensdag 3 december 2014 omstreeks 09:53 uur zag ik dat [verdachte] weer een bericht had gestuurd. Hierin stond de volgende bedreiging (...): ‘Praat in mijn gezicht, dan trap ik het voor je kapot.’
(...)
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor (pagina 26 e.v. van voornoemd proces-verbaal) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte [verdachte] :
(...)
(...) Vraag verbalisant: Op woensdag 3 december 2014 heeft u weer een bericht gestuurd aan [betrokkene 1] via Linkedln waarin stond: (...) ‘Praat in mijn gezicht dan trap ik het voor je kapot.’ Wat bedoelt u daarmee? Antwoord verdachte: Dit was een reactie op zijn bericht.”
8. Voorts heeft het hof, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende overwogen:
“In het onder 1 ten laste gelegde zijn twee door verdachte aan aangever verzonden berichten opgenomen, zoals hierboven weergegeven. Het hof is van oordeel dat het eerste deel daarvan weliswaar als uiterst onaangenaam valt aan te merken, maar dat deze uitlating niet gebracht kan worden onder bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling, zoals bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Dat ligt anders waar het gaat om de tekst 'Praat in mijn gezicht, dan trap ik het voor je kapot. De daaraan door de raadsman gegeven taalkundige uitleg, als zou verdachte zijn eigen gezicht op het oog hebben gehad, is wellicht strikt genomen niet onjuist. Gelet echter op de aard en de verdere inhoud van de door verdachte gezonden berichten gaat deze interpretatie voorbij aan de - naar het oordeel van het hof evidente - bedoeling van de zender om niet zichzelf maar aangever te treffen. Daarmee is sprake van bedreiging met zware mishandeling.”
9. Het middel klaagt in het bijzonder dat “Niet kan blijken dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd, te weten dat de bedreiging van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Althans de bewezenverklaring is ontoereikend gemotiveerd omdat deze uit de bewijsvoering van het Hof niet zonder meer kan volgen en niet is gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de zijde van de verdediging op dit punt.”
10. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging vereist is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd.1 Niet vereist is dat de bedreigde zich daadwerkelijk in zijn persoonlijke vrijheid voelt aangetast. Voldoende is dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat ze in het algemeen een dergelijke vrees kan opwekken.2 Wanneer de woorden die aan de ander worden toegevoegd overduidelijk een bedreigend karakter hebben, zal het misdrijf al wel zijn gegeven.3 Wanneer echter de gebezigde woorden op zichzelf beschouwd geen bedreiging met een misdrijf als bedoeld in art. 285 Sr opleveren, komt het aan op de omstandigheden waaronder de woorden zijn geuit.4
11. In het bestreden arrest heeft het hof geoordeeld dat de verdachte, gelet op de aard en de verdere inhoud van de door verdachte gezonden berichten, met de bewezen verklaarde uitlatingen de evidente bedoeling had om niet zichzelf maar aangever te treffen. In dat oordeel ligt besloten dat de uitlating van de verdachte onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de betrokkene in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zou worden mishandeld en daarbij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 10 is vooropgesteld, is het hof bij de beoordeling of sprake is van bedreiging met zware mishandeling dan ook van de juiste maatstaf uitgegaan. In zoverre faalt het middel.
12. Aan de steller van het middel kan echter worden toegegeven dat de door de verdachte gebezigde woorden (taalkundig bezien) strikt genomen geen bedreiging met zware mishandeling opleveren. In dat geval komt het mede aan op de kennelijke bedoeling van degene die de woorden heeft geuit.5 Als de woorden evident zijn gebezigd teneinde angst aan te jagen, doch syntactisch of semantisch onzorgvuldig zijn gekozen, hoeft de bedreiging het daarmee beoogde effect immers niet te missen. Hetgeen met de gewraakte woorden is bedoeld dient mede te worden afgeleid uit de concrete omstandigheden waaronder de woorden zijn geuit, dat wil zeggen: de context ervan, die wordt gezocht in het antwoord op vragen als wie, wat, waar, wanneer, hoe.6
13. Uit de gebezigde bewijsmiddelen noch uit de nadere bewijsoverweging van het hof kan echter worden afgeleid onder welke omstandigheden de uitlatingen zijn gedaan. Het hof heeft bij zijn oordeel slechts “de verdere inhoud van de door verdachte gezonden berichten” betrokken, zonder de inhoud van die berichten weer te geven, c.q. zonder dit oordeel nader te substantiëren met een weergave van daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het oordeel van het hof dat sprake is van bedreiging met zware mishandeling is m.i. dan ook ontoereikend gemotiveerd.
14. In zoverre slaagt het middel.
15. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de beslissingen met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak, opdat deze in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden